Vredeskerk

Home  |   Vieringen  |   |  Algemeen  |  Geschiedenis |  Pastor Valkering  |  Gebeden  |  Koren  |   Links  |  Contact

Archief

VERKONDIGING op 29 augustus 2010 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen:uit het boek Jezus Sirach (3, 17-18.20.20-28), Psalm 68 (4-7,10-11), uit de brief aan de Hebreeën (12, 18-19.22-24a) en uit het Lucas-evangelie (14, 1.7-14).

 

Afgelopen vrijdag sta ik in om kwart over negen op het Concertgebouwplein op de bus te wachten. "Een voedzame regen kwam neer uit de hemel" - om het met de woorden van de 68ste psalm te zeggen. Op een gegeven moment valt mijn oog op een grote hoeveelheid vuilniszakken die schuin tegenover mij aan de straat is gezet. Een man en een vrouw, jong, tussen de twintig en de dertig, maken de zakken één voor één open en doorzoeken de inhoud. Van een afstand zien ze er niet slecht uit. De vrouw heeft een lange, lichte jurk aan met kleine bloempjes of zo er op. Om haar hoofd een sjaal in dezelfde stof. Van boven draagt ze een soort jumper, op haar rug een middelgrote rugzak. Hij draagt een spijkerbroek en zo'n sweatshirt met capuchon, grijs. De capuchon heeft hij óp. Tijdens het doorzoeken van de zakken kíjkt hij vóórtdurend óp, de Lairessestraat ín om te zien, ongetwijfeld, of er geen politiewagen nadert. De man en de vrouw lijken mij Roemenen. De afgelopen jaren heb ik meer dan eens ontmoetingen met Roemenen gehad. Door die ontmoetingen heb ik de indruk gekregen dat veel mensen die daar wonen, in Roemenië, stráátarm zijn. Je kunt je dus best voorstellen dat jonge mensen die armoede ontvluchten en hun heil elders zoeken. Maar ja, wat móeten ze hier? Het doorzoeken van vuilniszakken is, zelfs in Amsterdam Oud-Zuid, een al éven treurig alternatief lijkt mij. Wat vonden ze? Een groot koekblik op een gegeven moment zag ik. Het zag er nog gaaf uit. En een kleurige krans van een soort pitriet waar vanalles aanhing. De man toonde het aan zijn vrouw. Wat zouden ze toch met zoiets kunnen beginnen? De mevrouw die naast mij op de bushalte stond zag hen ook. En aan de overkant van de straat, vlakbíj hen, had ook een grote, weldoorvoede, grijzende en kalende man met twee grote, hoogpotige, langharige honden hen opgemerkt. Hij was lángs hen gelopen, had een deur geopend en bleef in de deuropening naar hen staan kijken. Ik denk: hij, de vrouw naast mij op de bushalte en ook ikzelf, we waren geschokt en gealarmeerd door wat wij hier op klaarlichte dag tegenover de entree van het Concertgebouw zagen gebeuren. Je zág de man met de honden dénken: Moet ik iets doen? Hen aanspreken? De politie bellen? Maar het zijn toch arme mensen? Kan ik het niet beter nog even aanzien? Dat vuilnis is toch niets waard? Wat gaat er gebeuren als inderdaad de politie verschijnt? Twee werelden kwamen daar samen, dierbare gasten en parochianen, vrijdagmorgen om kwart over negen in de regen op het Concertgebouwplein aan het begin van de Lairessestraat: de wereld van well to do-bewoners van Amsterdam Oud-Zuid én de wereld van straatarme mensen, vermoedelijk uit Zuid-Oost Europa in dit geval; mensen die verschijnen op onze stoep, midden in het "pretpark Amsterdam" om met Joep van 't Hek te spreken.

 

Een confrontérende ontmoeting zoals dat heet, zéker waar we deze zondag in het evangelie horen dat we, als we een feestje geven, niet onze vrienden, familie of rijke buren moeten uitnodigen (want: "die zouden u op hun beurt uitnodigen om iets terug te doen"), máár wel: armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden. Niet een béétje geld overmaken naar India of Pakistan maar de deur intussen goed dicht houden. Néé, de deur wíjd ópenzetten voor de ellende ("Wat een geluk voor u dat zij er niets tegenover kunnen stellen. Want het zal u teruggegeven worden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.") Wat een bóodschap krijgen wij hier vandaag in dit godshuis temidden van de wierook en de kaarsen, de Latijnse klanken en de kunst waar we maar niet over uítgepraat raken. Kom maar binnen, verworpenen der aarde; kom maar binnen in m'n land en in m'n huis! Is dát de bedoeling gasten en parochianen?

 

Ongetwijfeld zit de Heer ons ook vandaag weer dicht op de huid. Zijn hete adem voelen wij in onze nek. Hij komt, hij morrelt aan onze grenzen, letterlijk. Hij verkent die. Hij laat ons niet met rust. Hij irriteert ons. Ja hij térgt ons misschien wel. Waar wil Hij naar toe? Wat wil Hij toch van ons? "Je kunt niet royaal en niet verwelkomend genoeg zijn." Zo vat ík het maar even samen. Dat is de boodschap wat mij betreft vandaag. Zulke rondscharrelende Roemenen: daar mag je eventueel best contact mee maken. En daar mag je eventueel best wat voor doen. Dat is helemaal niet verboden. Integendeel. Zij zijn ook mensen, precies als wij. Ook zij hebben een maag die vraagt om voedsel, elke dag weer. Ook zij verlangen naar beschutting tegen de regen en kou, ook zij verlangen naar warmte, geborgenheid en veiligheid.

 

Gisteren waren de zusters van Moeder Teresa, de Missionaries of Charity, een dagje weg. In onze stad hebben zij hun klooster aan de Egelantiersstraat. Daar geven ze elke dag tachtig tot soms wel tweehonderd mensen te eten. En geven ze liefde. Dat is de bedoeling tenminste. Maar gisteren waren de zusters een dagje weg en hebben de mensen van ons P.C.I. (de Parochiële Caritas Instelling) voor de mensen gekookt. En zo zat ik zelf gistermiddag aan tafel met Karol en met Herman. Karol uit Slowakije die met zijn vriendin Irina in een tent bivakkeert ergens in de buurt van het station Sloterdijk en Herman uit Amsterdam, een oud-leerling van het Ignatius-college nota bene. "Mijn vrouw kookt alleen als ik aardig voor haar ben" zei hij. Klonk een beetje raadselachtig. Karol en Herman, leuke kerels allebei. Zo was er ook een stel jongens, arme sloebers ongetwijfeld ook, uit Estland. Ik was ons P.C.I. dankbaar, dierbare gasten en parochianen, dat het mij in staat stelde om met deze mensen aan tafel te zitten. Ik vond dat een eer.

 

Moeten wij nu állemaal maaltijden voor daklozen aan gaan richten, is dat de bedoeling? Ik zou zeggen: laat dat maar aan de zusters van Moeder Teresa, aan de Missionaries of Charity en aan het P.C.I. over, oftewel: laten wij dat als kerkgemeenschap sámen doen. Maar: als ú nu een keer een feestje geeft, zou ik zeggen, wees dan niet te kieskeurig met wie u wel en niet uitnodigt. Dat er in uw huis en uw hart plaats mag zijn en ruimte voor iedereen: voor mensen die alles hebben wat hun hartje begeert, maar zeker óók voor mensen die van alles te kort komen. Amen.

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op 22 augustus 2010, de eenentwintigste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesja (66, 18-21, Psalm 117, uit de brief aan de Hebreeën (12, 5-7; 11-12) en uit het Lucas-evangelie (13, 22-30).

 

Vandaag over een week, op zondagmiddag 29 augustus, wordt aan de Zuidelijke Wandelweg de nieuwe synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente ingewijd. Ik kreeg voor die inwijding een uitnodiging, waardoor ik mij zeer vereerd voelde en waar ik heel blij mee ben - want die uitnodiging zegt iets over de verhouding tussen joden en katholieken in deze tijd in onze stad. Ik heb mij dus aangemeld en in de afgelopen week viel het toegangsbewijs op naam op de deurmat. Vetgedrukt staat er op: 14.50 uur Deuren dicht, toegang niet meer mogelijk en uit de toelichting maak ik op dat dat ook iets te maken heeft met de "aanwezigheid van Z.K.H. de Prins van Oranje".

 

Deuren dicht, toegang niet meer mogelijk. "Vanaf het moment dat de heer des huizes is opgestaan en de deur heeft afgesloten, zult u buiten moeten blijven. U zult op de deur gaan bonzen en roepen ..." - etcetera: Zie, of liever gezegd, hóór het evangelie van deze dag! Ik zie mijzelf al bonzen op de deur van de synagoge respektievelijk op die van het koninkrijk van God. Er gaat iets dreigends uit van onze evangelietekst vandaag - zoals er iets dreigends uitgaat van de uitnodiging van de synagoge. Wij worden uitgenodigd, maar: lét wel! Er zijn wel voorwaarden!

 

In het geval van de uitnodiging van de synagoge is die voorwaarde slechts: je moet op tijd zijn. Én "voor heren is hoofdbedekking (...) verplicht, keppeltjes zijn bij de ingang van de synagoge voorradig". In het evangelie gaat het om het binnenkomen door een nauwe deur. Het bekend zijn mét de heer des huizes - waarbij wij natuurlijk meteen denken aan Jezus zelf die de gelijkenis vertelt -; bekend zijn mét Jezus als zodanig biedt daarbij géén garantie op toegang. Zoete broodjes worden er niet gebakken. De toegang tot het koninkrijk is géén kwestie van "ouwe jongens krentenbrood", is geen kwestie van "ons kent ons". "We hebben met U gegeten en gedronken en in onze straten hebt U onderricht gegeven" roepen degenen die op de gesloten deur bonzen. In de afgelopen week was ik met een groep jongeren op kamp in de buurt van Zwolle - waar Thomas a Kempis in de vijftiende eeuw zijn beroemde "Navolging van Christus" schreef. Die "Navolging" is door een leraar van een middelbare school in Zwolle, Mink de Vries, vertaald "in jonge taal" en dáárin, in die vertaling, hebben wij ons in de afgelopen week verdiept. Ergens in die "Navolging" schrijft Thomas a Kempis: "Velen hebben de boodschap van het evangelie maar al te vaak gehoord, maar voelen zich er niet door aangetrokken omdat ze niet de houding, niet de geest van Jezus hebben. Wie de woorden en levensstijl van Jezus echt wil begrijpen en ervaren, zal Christus in zijn leven dienen te volgen, in actie moeten komen en het niet bij woorden moeten laten (...) Je bezighouden met moeilijke, diepzinnige woorden en teksten maakt je niet opeens tot een goed mens: een goed leven leiden, dat is waar het om gaat. Daar is God blij mee."[1] Of, om met het evangelie van vandaag te spreken: God verlangt van je dat je géén onrecht bedrijft.

 

Waar het om gaat, dat Koninkrijk, dat is voor iederéén bedoeld, dát werd ook uit de eerste schriftlezing van deze zondag duidelijk. De profeet Jesaja sprak over mensen van "alle volken en talen" die "op paarden, wagens, huifkarren, muildieren en draagstoelen naar mijn heilige berg Jeruzalem" worden gebracht. In de antwoordpsalm (117) ging het ook heel nadrukkelijk over "alle naties" en "alle volken" die opgeroepen worden om de Heer, de God van Israël te loven. "Van oost en west, van noord en zuid" zullen ze aan tafel gaan in het Koninkrijk van God zegt het evangelie. En daarbij zullen laatsten eersten en eersten laatsten zijn. De kaarten worden opnieuw geschud en de uitkomst wie er wel en niet bij horen, bij dat Koninkrijk, wie er wel en niet deel van uitmaken en welkom zijn zal verrassend zijn. Gedoopt zijn, vaak naar de kerk zijn gegaan, met regelmaat de communie hebben ontvangen, je in de bijbel hebben verdiept ... als zodanig biedt het allemaal geen zekerheid. Heeft het iets met je gedaan? Heb jij er zelf iets mee gedaan? Daar gaat het om.

 

Een paar jaar terug bracht ik met een vriend van mij een bezoek aan de heilige berg Athos, een semi-onafhankelijke republiek van monniken in Griekenland. Eén van de kloosters die wij er wilden bezoeken was het Russische Hagios Panteleimenoon-klooster, een gigantisch gebouw, het heeft misschien wel duizend kamers. Alleen: voor ons was er geen plaats. "Het gastenkwartier wordt gerenoveerd" zei de gastenpater. En daar sta je dan, in de hitte van de namiddag met het volgende klooster minstens een uur gaans verwijderd, bergopwaarts. En zou daar dan wél plaats zijn? Dat wij geen Russen waren en niet-orthodox had er misschien ook wel mee te maken dat wij niet welkom waren. Want er wáren wel andere pas gearriveerde gasten. Die waren wél toegelaten. Maar díe waren van het houtje! Eén van hen, Alexej, die met zijn vader, een grote bouw-ondernemer, plus een orthodoxe priester plus een lijfwacht reisde; Alexej was er zéér verontwaardigd over dat zij wel naar binnen mochten en wij niet. Hij loodste ons bij het avondeten derhalve toch gewoon de enorme, prachtig gedecoreerde eetzaal van het klooster, de "trapeza", binnen én hij leende ons de spiksplinternieuwe slaapzakken van hem en zijn vader, zodat wij op het strand konden slapen en de volgende morgen in alle vroegte de liturgie in het klooster konden meemaken. Dát werd een onvergetelijke ervaring, die nacht onder de sterrenhemel én die liturgie. De meer dan negentigjarige "hčgemoon" (leider, abt) van het klooster ging in die liturgie vóór. Zijn gezicht straalde daarbij als dat van een engel. Na afloop van de urenlange viering trok de gemeenschap zich terug in een aparte kerk op het kloosterterrein - om even later weer naar buiten te komen: de hegemoon vooróp, om zijn schouders een mantel van dunne stof van, ongelogen, wel dertig of veertig meter lang die door de monniken achter hem aangedragen werd, het alles begeleid door een hemelse zang die je door merg en been ging en die diep ontroerde. Zo trok men opnieuw de eetzaal binnen - alsof men de hemel binnenging. Maar, u raadt het misschien al, de grote deuren gingen wél voor ónze neus dicht. Dat was wel even een moment om diep te doorvoelen ook: Dat was echt dat moment van "Heer, doe open ...". En toen was daar opnieuw Alexej. Witheet was hij toen hij begreep dat wij opnieuw waren buitengesloten. Hij ging zich bij de leiding van het klooster over de gastenpater beklagen ("Hij zal worden gestraft" had hij daarbij te horen gekregen) en vervolgens toverde hij allerlei etenswaren tevoorschijn.

 

Waren wij onrechtvaardig behandeld dierbare gasten en parochianen? Hadden wij wél verdiend om binnengelaten te worden in de eetzaal, in de trapeza van het klooster casu quo om aan tafel te gaan in het Koninkrijk van God? Ik was daar zelf duidelijk veel minder van overtuigd dan Alexej. Maar hoe híj voor ons ópkwam - dat was hartverwarmend. En ik weet zeker: aan mensen zoals die Alexej, die met hart en ziel ópkomen voor andere mensen, voor degenen die niet welkom zijn met name, aan hén behoort het Koninkrijk der hemelen. Heel graag, lieve mensen, zou ik in mijn leven als dat aan de orde is (en het ís voortdurend aan de orde) dus een beetje willen zijn ... zoals Alexej. En ik wens het ook ú toe. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 25 juli 2010, de zeventiende zondag door het jaar, hoogfeest van Sint-Jacobus te Compostella, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesis (18, 20-32), Psalm 238 (ged.), uit de brief aan de Kolossenzen (2, 12-14) en uit het Lucas-evangelie (11, 1-13).

 

De laatste keer dat ik u op deze plek mocht toespreken, dierbare parochianen, was twee weken terug, op de dag van de finale van het wereldkampioenschap voetbal in Johannesburg, Zuid-Afrika. Op die dag was alles oranje, zelfs in meer of mindere mate in de kerk - terwijl de kleur van de liturgie van de zondag wél gewoon groen was, precies als vandaag, en Jezus in het Lucas-evangelie vastberaden naar Jeruzalem gaat, de stad van God. Jezus is op Jeruzalem gericht en niet op Jericho - dat in het evangelie van de bewuste zondag (over "de barmhartige Samaritaan") óók voorkomt. Jezus is niet op Jericho gericht, laat staan op Johannesburg, wél op Jeruzalem. In dat verband heb ik u verteld dat Jeruzalem hóóg ligt, op een berg, terwijl Jericho láág ligt, vér onder zeeniveau. De afstand tussen beide plaatsen, Jeruzalem en Jericho, is maar twintig kilometer. Maar het hoogteverschil is groot: wel negenhonderd meter. Ik heb u toen ook verteld dat in het Lucas-evangelie dat hoogteverschil een theologische betekenis heeft, namelijk in de zin van: in Jerúzalem moet je zijn voor God, níet in Jericho. Als je naar Jericho gaat, dan beweeg je van God wég. Ga je náár Jeruzalem, dan beweeg je naar Hem toe. En zo doet uiteraard Jezus. En Hij nodigt ons uit om achter Hem aan te gaan. Want Hij wil ook ons bij God brengen.

 

In de eerste lezing van vandaag, uit het boek Genesis, is iets dergelijks aan de hand. Daar gaat het om de steden Sodom en Gomorra. Ook die beide steden liggen láág, precies als Jericho. De mensen zijn er dan ook díep gezonken. Wij hoorden hoe God tegen Abraham sprak: "Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten."

 

De vraag wat er nu precies mis is met en in Sodom en Gomorra kunnen we laten rusten dierbare gasten en parochianen. Daarover vertelt de lezing van vandaag niet. Maar dát het daar in Gods ogen niet goed gaat en dát Hij zich zorgen maakt en op het punt staat om "corrigerend op te treden" omdat men daar in Sodom en Gomorra eigenlijk om vráágt, daar mogen we vandaag wél over spreken. Die houding van God is voor ons trouwens herkenbaar. Want ook wij kunnen ons ernstig zorgen maken over wat wij om ons heen, met mensen, binnen onze samenleving, in onze wereld, zien gebeuren. Wij kunnen ons er zorgen over maken. En we kunnen ons erover opwinden.

 

U weet, veelgeliefden, keer op keer slaagt onze kerk er tegenwoordig in om de voorpagina van de krant en het achtuurjournaal te halen. Nu weer vanwege "Obdam". Mijn fantastische collega Paul Vlaar, een geweldige, in het dorp zeer geliefde pastor, die volle kerken trekt, heeft het dit keer wel erg bont gemaakt, dat wil zeggen: erg oranje. Zódanig dat de Heer en dat de heiligheid van de eucharistie erdoor zijn ondergesneeuwd vindt onze bisschop Jozef Punt. En hij heeft Paul geschorst. Hij mag zijn ambt tijdelijk niet uitoefenen. Een paar maanden lang moet hij zich verplicht in een klooster bezinnen. Leiden in last. Heel Holland valt weer over onze kerk en met name over de bisschop. Paul heeft duizenden steunbetuigingen ontvangen terwijl naar eigen zeggen de disciplinaire reactie van de bisschop "ook adhaesie" heeft opgeroepen. "Uitermate zwaar is hun zonde!" wordt over en weer min of meer beweerd. Paul heeft het helemaal verkeerd gedaan. De bisschop heeft het helemaal verkeerd gedaan. Zo vindt men. In een brief die de bisschop op 19 juli aan "de gelovigen van het bisdom haarlem-Amsterdam", aan ons dus ook, schreef; daarin heeft hij het over een dubbele crisis waar wij als kerk mee te maken hebben: "een morele crisis, waarvan het kindermisbruik in het verleden het zwaarste weegt, en waarvan we ons oprecht proberen te zuiveren." Maar daarnaast is er ook sprake van "een geloofscrisis" stelt de bisschop. De "kwestie Obdam" zou zijns inziens illustreren dat "het besef van Gods aanwezigheid in de eredienst, de eerbied dus voor het heilige, in onze Nederlandse katholieke kerk is verzwakt."

 

Zou het, dierbare parochianen en gasten; zou het zo zijn? Is dat wáár wat onze bisschop schrijft? Ik denk: het kan helemaal geen kwaad om ons dat af te vragen - samen met pastor Paul in het klooster als het ware. Ik denk: de bisschop heeft daar best een punt waar hij voor opkomt - terwijl ik tegelijkertijd denk: die pastor Paul Vlaar in Obdam, die is helemaal uit het goede hout gesneden. Paul is ongetwijfeld diep doordrongen van het besef van Gods heiligheid in de eredienst. Dat zie je aan zijn gezicht zou ik bijna zeggen. Hij is, in mijn ogen althans, een edele, zuivere jongen. En zonder dat ze er misschien zelf erg in hebben geeft hij dat besef van Gods heiligheid aan de kerkgangers in Obdam ongetwijfeld méé - mét en in de oranjetompouce zelfs die de kerkgangers na afloop van de viering kregen. Daar ben ik heilig van overtuigd.

 

Ja, veelgeliefden, graag pleit ik hier voor mijn collega Paul, een beetje hoop ik zoals Abraham het deed voor de mensen van Sodom en Gomorra. Natuurlijk, zij deugden niet. Wij deugen ook niet. Jezus zegt het zélf in het evangelie van deze zondag, in een bijzin, tussen neus en lippen door, maar tóch: "Als jullie, slecht als je bent ..."

 

Er mag dus bést wat, of véél zelfs, aan te merken zijn op Sodom en Gomorra, op Obdam en op Amsterdam. Maar, je kunt de zaak dan wel op de schop nemen of er de brand in steken of hoe je dat ook wilt aanpakken, maar ... pas op: er kan dan ook het nodige goede verloren gaan ... Het is me niet nogal kostbaar dat in deze tijd van kerkelijke kommer en kwel er zo duidelijk léven zit in de kerk van Obdam. Een roos bloeit in de woestijn. "Vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is." De Heer heeft de vergeving toch niet voor niets tot een kern, zo niet dé kern, nee de zíel van zijn leven en bidden en leer gemaakt? Laat de bisschop pastor Paul alsjeblieft zo snel mogelijk zijn wel erg enthousiaste oranjemis vergeven. En laat pastor Paul alsjeblieft de bisschop zijn wel érg stoere "disciplinaire maatregel" vergeven. Zand erover alsjeblieft en verder. Paulus, schrijft ons vandaag in zijn brief aan de Kolossenzen: ""Hij heeft ons al onze overtredingen vergeven. Hij heeft de oorkonde met al haar bepalingen, die in ons nadeel was en tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar uit ons midden weggenomen en aan het kruis genageld." Precies altijd in alle opzichten de regels volgen veelgeliefden, dat lukt ons niet en als het ons al zou lukken, dan zou het ons toch niet bij God brengen. Nee, zeker niet! Kijk maar naar Jezus, genageld aan het kruis. Dát is wat gebeurt als we met ijzeren discipline en consequentie de regels volgen: dan wordt leven ondraaglijk zwaar, dan gaan mensen ten onder, dan breken ze. Als een misdadiger is Jezus aan het kruis gestorven. "Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan" denken de mensen dan (óók in Obdam). "Dan zal die wel wat verkeerd hebben gedaan." "Dan zal die wel wat op z'n kerfstok, op z'n geweten hebben". Als het met mensen niet goed gaat of zelfs "verkeerd afloopt", dan hebben ze dat toch aan zichzelf te danken ook. Zo denkt men. Zo denken mensen. Zo denken wij - als we niet oppassen. Jezus van Nazareth echter heeft met en in zijn kruisdood door die rekening nu precies een grote, dikke, vette streep gezet. Juist de mens die er volgens de regels, volgens de wet helemaal náást zat, was "helemaal goed", zo wist Paulus. Mogen wij het ook weten en er in ons leven van getuigen. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 11 juli 2010, de vijftiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Deuteronomium (30, 1-4), Psalm 69 (ged.), uit de brief aan de christenen van Kolosse (1, 15-20) en uit het Lucas-evangelie (10, 25-37).

 

Aller ogen gericht, wereldwijd en zeker in Nederland, op Johannesburg. Wordt Nederland vanavond wereldkampioen? Vandaag hangt het antwoord op die vraag nog in de lucht. Vanavond wordt het beslist. Aller ogen gericht op Johannesburg. Overal oranje. Mijn collega Paul Vlaar, de pastoor van de Sint-Victorparochie te Obdam, in West-Friesland, het dorp waar mijn vader geboren is; Paul heeft z'n hele kerk met oranje vlaggetjes volgehangen, hij gaat vandaag vóór in een oranje kazuifel en na afloop van de viering krijgt iedereen een oranje tompoes. Oranje-gekte die zelfs een pastoor in z'n greep kan krijgen dus. Míj gaat dat allemaal veel te ver - al zijn ook wíj niet ontkomen aan oranje bloemen voor het altaar. Gelukkig ervóór, niet erbovenop zeg ik op zo'n dag. We mogen onze lol vanwege oranje en ons verlangen naar de overwinning best beleven voor Gods aangezicht. We mogen het Hem best vóórleggen. Wie weet heeft God er schik in en ziet Hij in deze genadig op het Nederlands elftal, "op ons", neer ... Wie weet ... Aller ogen gericht op Johannesburg, alles oranje ... maar de kleur van de liturgie is vandaag, op deze vijftiende zondag door het jaar, wél gróen en de Heer is niet gefocust op Johannesburg, maar op Jeruzalem. Zo is dat met Jezus, zeker in het Lucas-evangelie: Jeruzalem is de stad waar Hij op gericht is, waarheen Hij op weg is, waar Hij naar toeleeft. In Jeruzalem, niet in Johannesburg, gebeurt het. In Jeruzalem, niet in Johannesburg, valt de beslissing. Johannesburg - dat is in wezen toch de waan van de dag. Maar in Jeruzalem - daar gebeurt het heil van God, voor alle tijden en plaatsen. De tweede lezing vandaag was uit de brief aan de Kolossenzen, de grote Christus-hymne die we vinden in die brief. Daarin wordt het bezongen, dat beslissende heil dat ons in Hem, in Jezus Christus, van Godswege ten deel is gevallen: "Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping. (...) in Hem is alles geschapen, in de hemel en op de aarde (...) In Hem heeft heel de volheid willen wonen om door Hem alles met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed, aan het kruis vergoten." Toe maar. Het is duidelijk, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: voor de schrijver van die brief aan de Kolossenzen is Jezus en is speciaal ook Jezus' kruisdood álles. Jezus en zijn kruis zijn de sleutel tot het verstaan van het hele mysterie van dat wonderlijke, mooie en wrede leven van ons; óók van dat van ons nú, in deze tijd. De woorden van de brief aan de Kolossenzen hebben betrekking op verleden, heden en toekomst. Jeruzalem dus. Dat is Gods stad. En dat is dus ook Jezus' stad. Jeruzalem is de eeuwige stad, níet Rome, laat staan Johannesburg.

 

Maar nu is het zo wonderlijk in het evangelie van deze zondag: daar ontmoeten we een mens, een reiziger, Jezus vertelt over hem, die gaat níet naar Jeruzalem, maar die gaat in de omgekeerde richting, hij gaat naar Jericho. De weg tussen die steden is maar zo'n twintig kilometer. Maar het hoogteverschil is enorm. Jeruzalem ligt hoog, op een berg, zo'n zevenhonderd meter boven zeeniveau. Maar Jericho ligt eronder, tweehonderd meter of zo. Een hoogteverschil van bijna een kilometer dus. Zo is de geografie van het Heilig Land op dit punt. En iedereen weet: je moet in Jeruzalem zijn, daarboven. Jezus weet het, Hij gaat erheen. En ook die priester en die leviet over wie hij vertelt in zijn parabel; ook zij weten het, ook zij gaan erheen, naar Jeruzalem. Ze weten niet hoe snel ze er moeten komen die laatste twee. Als vliegen op de stroop, zo trekken ze naar Jeruzalem. En ook: met oogkleppen op. Die mens die daar halfdood aan de kant van de weg ligt, die zien ze niet. Of liever gezegd: die wíllen ze niet zien. Ze zijn een beetje obsessioneel bezig met hun Jeruzalem en met hun God.

 

Die halfdode, wist die het misschien níet, dat Jeruzalem the place to be is? Hij ging niet omhoog, naar Jeruzalem, maar hij zakte juist af, naar Jericho. Geen wonder dus eigenlijk dat hem iets naars overkomt. Hij is de goede weg, de goede richting in zijn leven blijkbaar kwijt. Hij stevent af op duistere, diepliggende regionen. Let wel mensen! Als zodanig is er met Jericho natuurlijk niets mis, maar Lucas vertelt ons de parabel bij monde van Jezus omdat hij ons óók met en door de ligging van die twee steden, Jeruzalem en Jericho, ten opzichte van elkaar iets duidelijk wil maken van een andere orde: "Jeruzalem" - dat is het leven mét God, gericht op God, in harmonie met God, zoals God het wil. "Jericho" - dat is: ver van huis, de weg kwijt, dat is verloren lopen en dat het met een mens niet goed gaat. En met zulke mensen "moeten we dus iets", daar mogen we dus niet in een grote boog omheen lopen, juíst omwille van de God die zich in Jeruzalem laat kennen en die we daar mogen ontmoeten.

 

Ik zei: daar "moeten we iets mee", met zo'n halfdode pechvogel aan de kant van de weg. Maar dat "moeten" is het totaal verkeerde woord in dit verband. Dan krijg je geforceerde toestanden: zoals met iemand die je tegen het lijf loopt in de supermarkt en met wie je voor je gevoel wel even móet praten - al staat je hoofd daar helemaal niet naar en heb je er misschien helemaal geen zin in. Dan kun je het dus beter laten ... Het prachtige van die Samaritaan die Jezus bij Lucas beschrijft is nu juist dat die meteen wérkelijk geráákt wordt door die halfdode figuur langs de weg. "Hij zag hem en was ten diepste met hem begaan". Zien, veelgeliefden, werkelijk zien. Mensen echt zien, iemand echt zien. De hele gestalte van iemand en het wezen goed tot je laten doordringen, dat is niet iets vanzelfsprekends. Vaak zien we de mensen, de dieren en de dingen wel maar zien we ze niet. Ze komen niet bij ons binnen, feitelijk sluit je jezelf áf - want je moet zo nodig naar Jeruzalem. Of naar Johannesburg. Voetbal kijken. Boodschappen doen. Bidden. En zo gebeurt het dat we voorbijgaan aan de openbaring van God in ons leven. Hij laat zich zien, op de eerste plaats in mensen die in nood zijn, die jou nodig hebben en voor wie jij iets zou kunnen doen. God laat zich zien. Maar wij verschuilen ons. Adam waar ben je? Niet thuis!

 

Zo niet de Samaritaan. Hij is wel thuis - al is hij dan "op reis". Hij laat onmiddellijk zijn hart spreken. Het gebeurt gewoon. Hij denkt er niet eens over na in de zin van "wat zou ik in het licht van mijn geloof nu in deze situatie kunnen of misschien wel moeten doen?" Hij denkt niet na over God, de Samaritaan (iemand die "niet van het houtje" is dus), maar hij "dóet" God wél. Het is met hem, met die Samaritaan, zoals in het boek Deuteronomium, de eerste lezing van vandaag, gesproken wordt over Gods geboden. Die zijn niet te zwaar voor je en die liggen niet buiten je bereik. Je hoeft niet naar de hemel of de zee over te steken om erbij te kunnen. "Nee, het woord is dicht bij je, in je mond en in je hart. Dus je kunt het volbrengen" - zoals de Samaritaan laat zien. De hulp die hij biedt is adequaat, royaal, nuchter, niet sentimenteel, die wordt niet overgoten met een godsdienstig sausje. De Samaritaan neemt de tijd voor het slachtoffer. Hij trekt met hem in een herberg. Maar hij heeft ook zijn grenzen. De andere dag moet hij echt verder, maar dan doet hij een beroep op de herbergier voor verdere zorg - en stelt zich dan ook nog eens garant in verband met de eventuele kosten. Wat mij er in aanspreekt, in hoe hij het aanpakt, die Samaritaan, dat is het frisse, het niet-tobberige van zijn aanpak: "Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?" en "Wie is mijn naaste?" - de vragen die de wetgeleerde Jezus stelt, zulke vragen stelt hij, de Samaritaan, niet. Hij laat z'n hart spreken. Proberen wij het ook: in Jericho en Jeruzalem. In Johannesburg. In Obdam en in Amsterdam. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 27 juni 2010, de dertiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het eerste boek der Koningen (19, 16b.19-21), Psalm 16 (ged.), de brief aan de Galaten (5, 1.13-18) en uit het Lucas-evangelie (9, 51-62).

 

Zoals in "de Da Vinci-code" of "het Bernini-mysterie"! - de wereldwijde best-sellers van Dan Brown. De bisschoppen van België door justitie negen uur lang vastgehouden in het aartsbisschoppelijk paleis in Mechelen. Hun mobieltjes moesten ze inleveren. Het huis van kardinaal Danneels doorzocht, dossiers meegenomen, computers meegenomen. En als klap op de vuurpijl: In de Sint-Romboutskathedraal werd de aartsbisschoppelijke grafkelder geopend. Dat alles op zoek naar belastende documenten in verband met onderzoek naar kindermisbruik binnen de kerk. De doofpotten van kardinaal Danneels. Bestaan die? Waar zijn ze? Het leek wel een scčne uit de Da Vinci-code of het Bernini-mysterie van Dan Brown. Of nee: het boek en de film verbleken erbij. Want dit is écht! Real-life soap. Zo langzamerhand krijg ik als priester van de Roomse kerk soms het gevoel alsof ik voor een criminele organisatie werk. Dat er zó tegen ons aangekeken wordt. Bij tijd en wijle voelt dat enigzins onbehaaglijk - een onbehaaglijkheid die natuurlijk in het niet valt bij wat slachtoffers van misbruik hebben moeten ervaren. En iedereen snapt: het is in ieders belang, in het belang van slachtoffers, van daders en van de kerk dat de zogenaamde "waarheid" zoveel mogelijk aan het licht komt - al zou je daarbij wensen dat zulke Dan Brownachtige scčnes vermeden zouden kunnen worden. Quod non blijkbaar. Rome is natuurlijk weer boos, op de teentjes getrapt. Maar de bisschoppen van België hebben het gelaten over zich heen laten komen is mijn indruk (ja, wat moeten ze anders) en temidden van alle commotie met gepaste vreugde toch Jozef, Sjef, De Kesel gepresenteerd als nieuwe bisschop van Brugge, als opvolger van de vanwege misbruik afgetreden bisschop Vangheluwe. Da's een goeie geloof ik, De Kesel. Maar ja, dat dachten we van Vangheluwe ook altijd. Nou ja, we zullen wel zien. We gaan in elk geval vérder als kerk, wat er ook gebeurt.

 

En we wenden ons opnieuw, met zo groot mogelijke aandacht, naar het evangelie, naar Jezus, want daar gaat het toch om. Hij is toch de kern, Hij is toch het hart van de zaak waar het ons om gaat in de kerk. Of niet soms? "Terwijl zij onderweg waren". Díe woorden klinken vandaag in het evangelie. De Willibrordvertaling van 1995 vertaalt: "terwijl zij hun reis voortzetten." Zo is het dierbare gasten en parochianen: wij zijn als kerk onderweg, wij zijn op reis. Jézus is het. Het reisdoel is Jeruzalem. Daar wacht Hem het kruis. Maar in het evangelie van deze zondag wordt daarvoor het woord "verheffing" gebruikt. Pieter Oussoren, de vertaler van de Naardense Bijbel heeft het over "opneming". En de Willibrordvertaling van 1995 schrijft: "Toen de tijd naderde dat Hij zou worden weggenomen." Wegnemen, opnemen, verheffen. Welk woord je ook kiest, het is duidelijk dat vooruitgeblikt wordt naar Jeruzalem en naar het kruis - niet als een definitief einde, maar als een doortocht. Het gaat om Jezus' exodus, om zijn uittocht, om zijn uitweg - zijn escape om met Dan Brown te spreken. Jezus gaat gekruisigd worden. Maar op dat kruis gaat Hij ontsnappen. Het is zijn uitweg, op weg naar Gods Koninkrijk. En het is dus de bedoeling dat wij Hem, Jezus, op die weg volgen, dat wij Hem návolgen. De navolging van Christus, daar gaat het om.

 

Op zijn weg ontmoet Jezus vandaag drie naamloze figuren. Dat is wel interessant, want dan kunnen wij onze eigen naam daar invullen. De eerste is erg enthousiast: "Ik wil U volgen, waar u ook naartoe gaat." En Jezus zegt dan: "De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nérgens het hoofd neerleggen" - wat voor mij en voor U dan natuurlijk meteen de vraag oplevert: Nestel ik mij niet veel te veel in wat ik zogenaamd "heb", in mijn zogenaamde "positie", in mijn zogenaamde "identiteit". Zijn dat huis, die meubels, die bankrekening, die maaltijden en wat erbij gedronken wordt niet allemaal te veel: te groot, te zwaar, te dik? Ben ik niet zelf een ongelooflijk meubel geworden? niet te vertillen of te verschuiven ... niet weg te bránden gewoon, weinig flexibel, niet erg dynamisch ... Op dit punt kán voor ons een uitdaging liggen dierbare gasten en parochianen.

 

De tweede anonymus lijkt in principe wel bereid om op Jezus' uitnodiging, of liever gezegd: bevel (want Jezus zegt gewoon: "Volg Mij"); om daar op in te gaan, maar hij of zij is zo'n type van "eerst nog even dit en nog even dat". Daar moet je dus erg mee oppassen veelgeliefden. Want als je eerst nog even dit of eerst nog even dat wil doen, dan loop je het gevaar dat je net de boot mist, de boot van het Koninkrijk wel te verstaan. En die boot wíl je niet missen. En waar gaat het dan in concreto om? Ik denk: de Geest Gods, die van Jezus, die spreekt in ons. En die geeft ons vanalles in: om contact op te nemen met deze of gene, om dan dit of dat te zeggen. Of je zit op de fiets, je ziet iemand lopen op straat, een bekende. Blikken kruisen elkaar. Je lacht elkaar misschien toe. De Geest in jou zegt: "nu". Maar jij fietst door, want je hebt zogenaamd haast. Oftewel: je zit vast aan je eigen plan en staat niet open voor dat van God. Gemiste kans. Het omgekeerde komt ook voor. Iemand vertelde mij ooit dat een vriend van hem op de trap van de metro in Parijs zo ongeveer letterlijk tegen een onbekende was opgelopen. Er gebeurde iets in beider ogen. En hij is níet doorgelopen. Ze hebben elkaar ontmoet, ze zijn getrouwd en hebben drie kinderen. Zo werkt de Geest Gods, die van Jezus. Zo is de weg die leidt naar het Koninkrijk. Let op je ingevingen, heb er aandacht voor. En negeer ze niet - ook al moet je bij wijze van spreken of zelfs in de meest letterlijke zin je vader gaan begraven ...

 

Paulus, in de tweede lezing vandaag, uit de brief aan de Galaten, onderscheidt tegenóver de Geest een andere kracht die hij noemt: "zelfzucht" en: "egoďsme". "Leef naar de Geest, dan zult ge niet uitvoeren wat de zelfzucht dicteert". Heel dwingend kan die zelfzucht zijn, náár-geestig, onaangenaam. Ik denk, veelgeliefden, aan de vruchten herkennen we wat dit betreft de boom: De Geest van God, het luisteren naar de ingevingen dáárvan, maakt ons blij en licht en gelukkig. Het luisteren naar de ingevingen van zelfzucht en egoďsme maakt ons droevig, zwaar en óngelukkig. "Bemint uw naaste als uzelf!" Paulus herinnert ons aan hét grote gebod Gods. En hij voegt de Galaten vervolgens toe: "Maar als u elkaar blijft bijten en klauwen, dan vrees ik dat u elkaar op den duur zult verslinden." Er is veel haat en nijd. Buiten de kerk. Ten aanzien van de kerk. Maar ook binnen de kerk. Het is soms wérkelijk een Dan Brownachtige toestand. We hebben nog een hele weg te gaan wat betreft die "navolging van Christus". Maar we geven niet op. Want de uitweg is er. Die weg loopt naar en door Jeruzalem. Het is de weg van het kruis die een weg is van verheffing, van opneming, van weggenomen worden. Amen.

 

 

 

 VERKONDIGING op 16 mei 2010, de zevende zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (7, 55-60), Psalm 97 (ged.), het boek der Openbaringen van Johannes (22, 12-20) en uit het Johannes-evangelie (17, 20-26).

 

Ze heette, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, ze heette Daniëla. Ze was een Italiaanse. Ze was de dochter van een collega van één van onze docenten. Met een paar vriendinnen bezocht ze Amsterdam en via haar vader en diens Amsterdamse collega had ze onderdak gevonden bij ons, bij onze leefgemeenschap ("leefgroep" heette dat in die jaren) van theologiestudenten aan de Marnixstraat. En ze zag hoe wij afwasten: in een teiltje, met een sopje en dan afdrogen. Zonder eerst de chemicaliën van het afwasmiddel af te spoelen onder de kraan. Nee! Terribile!  Met Italiaanse dramatiek gaf ze uitdrukking aan haar afschuw. Hoe kónden wij zóiets doen: dat was toch verschrikkelijk ongezond!

 

Ja, dierbare gasten en parochianen, het mag wel een wonder heten dat ik het hier na zoveel jaren nog kan navertellen. Waarom? Waarom vertel ik dit u vandaag? - Bij wijze van voorbeeld van hoe mensen verschillend over dingen kunnen denken en hoe ze verschillend kunnen doen. Je hoeft daarvoor nog niet eens met een buitenlander of buitenlandse van doen te hebben. Partners en huisgenoten kunnen verschillende gewoontes en ideeën hebben. En ook binnen de familie, op het werk, op de trap en ook in de kerk kunnen die uiteenlopen en ook frictie opleveren. Hoe richten we het huis en de tuin in? Wie doet dat? Hoe doen we het met eten? Hoe geven we het geld uit? Wie zet de vuilniszak buiten? Enzovoort. Het zijn de kleine dingen die het doen - in de goede én in de moeilijke zin. Wij kunnen ons door elkaar gezíen en geliefd voelen. Wij kunnen ons door elkaar bekrachtigd, gesteund en gestimuleerd voelen. Maar wij kunnen voor elkaar ook een bron van ergernis en verdriet zijn. Wij kunnen ons door elkaar ook afgewezen, geremd en óntkracht voelen: keer op keer naar beneden geschoten in onze ópvlucht als het ware. Zo kan het zijn. En als het in onze "kleine wereld" al zo ingewikkeld en moeilijk kan zijn om tot elkaar te komen, om elkaar goed aan te voelen en om goed met elkaar om te gaan, om harmonie en een zekere eenheid te ervaren, wat mogen we op dat vlak dan in "de grote wereld" verwachten, de grote wereld van de verhoudingen tussen de volken, tussen mensen van verschillende ethniciteit, met verschillende talen, culturen, godsdiensten en levensbeschouwingen? In het evangelie van deze dag bidt de Heer om eenheid, maar in de eerste lezing wordt Stefanus door zijn eigen volks- en geloofsgenoten afgemaakt, dat wil zeggen: Stefanus was dan een jood die in Jezus was gaan geloven, maar daar kon men blijkbaar niet tegen, zoals het voor mensen nog altíjd onverdraaglijk kan zijn om iemand met een kruis een keppeltje of een hoofddoek te zien. Er zijn omstandigheden waarin zulke uiterlijke tekenen van een bepaald soort gelovigheid je de kop kunnen kosten.

 

Omgaan met verschillen. Hoe moeilijk is dat.

 

Het evangelie van deze dag moet heel langzaam gelezen worden, meditatief. Het is als de dans van derwisjen: die Turkse mannen in die lange witte gewaden met van die torenhoge hoeden op hun hoofd. Terwijl ze dansen, om elkaar heencirkelen, letterlijk, bollen de gewaden op. Magnetiserend, hypnotiserend is het. De dansers én de toeschouwers raken in trance. Zo is ook het evangelie van deze dag: "Zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn (...) Ik heb hen laten delen in de heerlijkheid waarin U Mij hebt laten delen, opdat ze één mogen zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen zoals U in Mij (...). Eenheid tussen hemel en aarde. Eenheid tussen mensen - op grond daarvan, van daar uit.

 

Hoe komen wij tot die eenheid veelgeliefden? Ik denk, als wij in en vanuit de Kerk daarover spreken, dan moeten we zeggen: Die eenheid kunnen wij alleen maar vinden als we op Gód gericht zijn. Daarom insisteer ik altijd zo op het gebed. Daarom laat ik níet af om het onder uw aandacht te brengen, soms tot grote irritatie van sommigen. Echter, laten we het ná in de kerk, blijft de kerk gesloten en wordt er niet gebeden, dan worden het de vergaderingen en dan wordt het de onderlinge gezelligheid en dan wordt het ook "het gedoe" en ook eventueel het gekibbel en het geruzie dat ons met elkaar verbindt. Vergaderingen en onderlinge gezelligheid zijn natuurlijk óók belangrijk. En dat gedoe, gekibbel en geruzie blijkt helaas niet altijd te voorkómen. En laten we ook vooral niet vergeten dat er onder ons gelukkig ook sprake is van veel oprechte zorg en betrokkenheid en ondersteuning. En toch veelgeliefden: in het gebed gebéurt het. Het gebed is het hart. Het gebed is de kern van de zaak. In het gebed ervaren wij de fascinatie door God. In het gebed trachten wij open te staan voor Hem. In het gebed worden wij, wellicht, hopelijk, zo nu en dan, rechtstreeks door Hem geráákt. Kijk maar naar de eerste lezing, naar de bedreigde Stefanus. Daar gebeurt het: "Hij richtte zijn blik op de hemel, zag de heerlijkheid van God, en daar stond Jezus aan Gods rechterhand." Dat is gebed veelgeliefden: Jezus zien. In de tweede lezing, uit het boek der Openbaringen van Johannes vandaag, zit het ook. De door Jezus beminde leerling ziet óók de hemel open en erváárt Jezus: "Ik ben de wortel uit het geslacht van David, de stralende morgenster." Ook dat is: de fascinatie van en in het gebed. "Kom! Wie dorst heeft kome. Wie wil, neme het water dat leven geeft, voor niets." Het essentiële, veelgeliefden, wordt ons geschonken. Het essentiële gebeurt gewoon. Wij maken dat niet. Het is alleen maar een kwestie van ervoor openstaan, van het láten gebeuren. En dat is gebed. En al het andere: de onderlinge betrokkenheid en zorg, de gezelligheid, de vergaderingen en de hele rataplan en dat alles in een goede geest, geďnspireerd door Góds Geest én daarvan getuigend, dat vloeit er als het goed is uit voort, uit het gebed. "Zoals U, Vader, in Mij bent en ik in U, zo moeten zij in Ons zijn, zodat de wereld kan geloven dat U Mij hebt gezonden." Met andere woorden veelgeliefden: In onze manier van omgaan met elkaar, in onze manier van kerk-zijn laten wij Jézus zien - of niet. Want we kunnen Hem daarin en daardoor ook juist verbergen, verduisteren en onderschoffelen als kerk. "Diegenen die U Mij hebt toevertrouwd, zou ik graag bij Mij hebben waar Ik ben". Zo is het: Jezus wil ons hebben waar Hij is. Hij wil ons betrekken in Zijn manier van leven, betrekken bij Zijn ervaring, díe aan óns geven. "Uw naam heb Ik hun bekend gemaakt en dat zal Ik blijven doen, opdat de liefde die U Mij hebt toegedragen, in hen mag zijn - opdat Ik in hen mag zijn." Van Jezus, ook van de hemelse Jezus, gaat een stroom uit, een constante stroom. En met en in die stroom geeft Jezus ons Gods Liefde, geeft Hij ons zichzelf. Die stroom ervaren wij in ons gebed en vandaaruit beďnvloedt het, nee beďnvloedt Híj al onze verhoudingen.

 

Dat wij één zijn. Daar bidt Jezus om. En hoe worden wij één? Het antwoord wordt óók gegeven op de onvolprezen Münsterschwarzacher Bildkalender die bij mij op het toilet hangt. Een paar weken geleden las ik daar: "Wonach man jagt, das bekommt man nicht; aber was man werden lässt, das fliegt einem zu." Een uitspraak van ene Pinchas Rabbi. "Waar je naar jaagt, dat krijg je niet. Wat je laat gebeuren, dat vliegt naar je toe." Mogen wij het zó meemaken veelgeliefden. Moge de eenheid onder ons, bij het afwassen en bij alles wat ons bezighoudt; moge die eenheid waar wij biddend naar verlangen ons in de schoot geworpen worden. Amen.

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op de zesde zondag van Pasen, 19 mei 2010, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (15, 1-2.22-29), Psalm 67 (ged.), de Openbaring van Johannes (21, 10-14.22-23) en uit het Johannes-evangelie (14, 23-29).

 

"All you need is love" zongen de Beatles in de jaren zestig. Niets wat jij kúnt doen is onmogelijk om te doen. Niets van wat je kunt weten is ónbekend. Niets van wat je kunt zien wordt níet getoond[2]. Daarvoor heb je alleen een beetje liefde nodig. Zo luidt de simpele boodschap van dat liedje. En dat alles is natuurlijk heel erg waar. En tóch, dierbare gasten en parochianen, kort nadat die genieën van de Beatles dat liedje zongen, gingen ze uit elkaar. Er waren meningsverschillen en rancune. En iedereen begreep dat het toch niet zo simpel was[3].

 

Zo is het ook met ons geloof en met onze kerk. Zo is het daarmee in deze tijd. En zo was het daarmee al in de begintijd. "Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef ik u" heeft Jezus tegen ons gezegd. Maar in de eerste lezing van deze zondag, uit het boek der Handelingen van de Apostelen, blijkt toch niet alles peis en vree te zijn. Er is sprake van onenigheid en van "een felle woordenwisseling". Ja, veelgeliefden, zo is dat. Hoe wij met elkaar omgaan, hoe wij mét en helaas vooral ook óver elkaar soms spreken, de honden lusten daar soms geen brood van. "De liefde tussen de broeders en zusters is vaak ver te zoeken; binnen de kerk is evenzeer wereldsheid als daarbuiten" - woorden van onze bisschop Jozef Punt[4].

 

Wat moeten we ermee veelgeliefden? Wat doen we als we er met elkaar niet meer goed uitkomen? De jonge christelijke gemeenschap in Antiochië zoals we die tegenkomen in het boek der Handelingen van de Apostelen stuurt een delegatie "naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem". Daar bespreekt men de zaak en men komt met een antwoord, een antwoord dat ingeleid wordt met dat geweldige zinnetje: "De heilige Geest en wij hebben besloten ..." Dat is iets prachtigs van ons geloof en van onze kerk veelgeliefden. De heilige Geest, die van Jezus, is bij ons. Die Geest vergezelt ons, staat ons terzijde en staat áchter ons, die backt ons, die geeft ons ruggesteun. En als wij bij allerlei verschillen van inzicht en onenigheden die ook wij kunnen hebben, oprecht vrágen om die Geest van Jezus, er een beroep op doen, dan zál ons die Geest van Jezus (die Dezelfde is als die van God zelf); dan zál die Geest ons ook gegéven worden, en dan zúllen we er als kerk ook altijd uitkomen. Dat is een duidelijk verschil met de Beatles. Die gingen uit elkaar. Maar wij als Kerk gaan dóór - wat er ook gebeurt.

 

Als je er zelf niet uitkomt, als we er samen niet uitkomen, dan is het altijd goed om anderen, geloofsgenoten of soms ook andere wijze en verstandige mensen; om die te raadplegen. Eén van de vragen die in deze tijd als Kerk op ons afkomt is de vraag: wat moeten we doen als we niet meer in staat zijn, omdat er niet meer zoveel priesters zijn als vroeger, om élke zondag in élke parochiekerk de heilige eucharistie te vieren? Moeten we in plaats daarvan dan bijvoorbeeld een "viering van woord en gebed" houden? Of moeten we op zo'n zondag onze eigen kerk maar gesloten houden en met z'n allen naar een andere kerk gaan en/of omgekeerd: dat men van daar naar ons toe komt? Zoals Paulus en Barnabas met de delegatie van de gemeenschap van Antochië eens naar Jeruzalem togen voor ruggespraak, zo ben ik zelf afgelopen vrijdagmiddag naar Haarlem getogen, naar onze bisschop om met hem over onder andere díe vraag ook met hem te spreken. Daar heb ik van tijd tot tijd gewoon even behoefte aan, om met de bisschop te spreken over zaken die bij ons spelen. Niet omdat de bisschop altijd in alle omstandigheden de wijsheid van de Heilige Geest geheel in pacht zou hebben, maar omdat voor u en voor mijzelf hetzelfde geldt: ook wij hebben die elk voor zich niet in pacht. Maar samen hebben we die Geest hopelijk wel. Die Geest wordt ons namelijk geschonken binnen de gemeenschap van gelovigen. En binnen die gemeenschap is de bisschop een factor, en wel een heel belangrijke. Als er dingen, vragen in je leven spelen waar je niet goed uitkomt, vráág dan raad. Voor mij is dát een belangrijke boodschap uit de eerste lezing vandaag. En het antwoord dat je krijgt, "neem je mee" zoals dat heet. Je bewaart het, zoals Maria dat deed, Maria aan wie deze mei-maand speciaal gewijd is. Je neemt, zoals zij, de woorden mee in je hart en je denkt erover na[5]. En zó geef je de Heilige Geest de kans om in jou te werken.

 

"All you need is love" zongen de Beatles en ze hadden gelijk. Het heeft allemaal met liefde te maken. "Als iemand Mij liefheeft, (dan) zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen" zegt Jezus in het evangelie van deze zondag. Zo is het veelgeliefden. Liefde is de basis. Als je je liefde op Jezus weet te richten, als je werkelijk Hém bemint, dan gaat alles in het leven veel gemakkelijker, dan wordt het leven in zekere zin tamelijk eenvoudig en simpel, om niet te zeggen: dan gaat het op een gegeven moment vanzelf, dan komt er een eind aan allerlei getob, gedoe, gesteggel en geruzie. Waarom gaat het eventueel mis met mensen, met individuele mensen en tussen geliefden, tussen huisgenoten, in gezinnen, in de kerk, in de samenleving en in de wereld? Vanuit het perspectief van ons geloof moet, veelgeliefden, het antwoord op die vraag luiden: omdat God, omdat (opnieuw: binnen het perspectief van ons geloof); omdat Jezus niet centraal staat, omdat wij Hém niet het hart laten zijn van ons bestaan, van ons leven, van onze relatie, van ons gezin, van onze samenleving en wereld en ja, soms zelfs niet van onze Kerk. Zie je dat in, herken je dat, érken je dat en breng je daarin verandering, om te beginnen jíj, ú, bij je-, bij uzelf, dan zal er vervolgens iets veranderen, dan zul je gaan merken dat alles goed gaat komen en op z'n plaats gaat vallen, zeker weten.

 

Maar hoe doe je dat dan: God, Jezus centraal stellen in je leven? Ik denk: dat begint in en met het gebed. Bidden dat is: een injectie ontvangen van de Heilige Geest. En zoals dat bij elke injectie geldt, geldt ook voor deze injectie: je moet er zelf aan meewerken, anders gaat het niet. Het gebed, dat zijn: góede woorden die leiden tot góede gedachten; woorden en gedachten die zuiveren en die verlichten. Zo wordt onze geest steeds meer één met de Heilige Geest, die van God, die van Jezus. De goede Geest, die van God in ons: goede werken en goede daden die hangen daarmee samen, die vloeien daaruit voort als het goed is. Als je goed bidt, dan komen de goede daden als het ware vanzelf, die zijn dan niet moeilijk meer.

 

Bidden, dat is: "bezig zijn" met God, met Jezus, met de heiligen, met Maria, met "Het", nee met "Dé Heilige". "Heilig" is "heel". "Heiligheid" is "heelheid". In het gebed, in het gesprek, in het bezig-zijn met, in het verkeren met God is Hij, in en door Zijn Geest, genezend met ons bezig: "(...) de Helper, de Heilige Geest, die de Vader in mijn naam zal zenden, Hij zal u alles leren (...)". Zo is dat veelgeliefden. In het gebed leren wij. En gebed geneest - soms zelfs heel fysiek, zeker weten.

 

Maar hoe moet je dan bidden? Zoals bekend wordt die vraag ook ergens aan Jezus gesteld[6]. En dan geeft Hij aan zijn leerlingen de woorden van het Onze Vader. Dus dat kun je in elk geval doen. Van tijd tot tijd, liefst dagelijks, liefst zo rustig en aandachtig, zo geconcentreerd mogelijk die woorden van het Onze Vader uitspreken, het voor jezelf of samen met anderen, bijvoorbeeld in het gezin, bidden. Maar in deze meimaand denken we natuurlijk ook aan het rozenkransgebed en zo zijn er binnen onze Kerk, uitgaande van wat de Heer ons leerde, nog vele andere "wegen van gebed" gebaand, wegen die soms misschien voor ons een beetje overwoekerd zijn geraakt door onkruid, maar dat kun je verwijderen als je wilt - opdat je opnieuw of voor het eerst jouw eigen weg van gebed kunt vinden en vooral kunt gáán. Ik wens het u allen van harte toe, om gaande die weg vrede te gaan ervaren, "niet zoals de wereld die geeft", maar zoals Hij die geeft. "All you need is love" en om liefde te ervaren is de koninklijke weg die van het gebed. "All you need is love". En mensen die samen bidden blijven, anders dan destijds de Beatles, bij elkáár. Ik wens ons allen toe het te mogen ervaren. Amen

 

 

VERKONDIGING op 25 april 2010, de vierde zondag van Pasen, zondag van de Goede Herder, "roepingenzondag", in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (13, 14 + 43-52), Psalm 100, Apokalypse 7, 9 + 14b-17) en uit het Johannes-evangelie (10, 27-30).

 

Is Roger Vangheluwe die, tót afgelopen vrijdag, ruim vijfentwintig jaar lang bisschop van Brugge was; was hij een goede herder? Je zou altijd hebben gedacht van wel. Hij was populair. Hij was zeer gezien, in alle lagen van de bevolking. Ook met niet-gelovigen en mensen die heel anders dachten als hijzelf had hij contact. Zijn preken waren eenvoudig, rechttoe rechtaan, pretentieloos en warm[7]. Als hij het niet eens was met "Rome", dan zei hij dat gewoon in het openbaar. Hij was vóór de priesterwijding van vrouwen. Mensen die ooit kerkelijk gehuwd waren maar van wie het huwelijk mislukte, moesten kunnen hertrouwen vond hij. Opinies dus die moderne, verlichte mensen graag horen in de kerk. Mensen in financiële nood werden door hem geholpen. Maar hij schreeuwde dat niet van de daken. Kortom: een bisschop, helemaal uit het goede hout gesneden zou je denken. "Waren alle bisschoppen maar zo" zeiden de mensen.

 

Ja, maar diezelfde bisschop Vangheluwe heeft, naar afgelopen vrijdag bekend werd; hij heeft wél voordat hij bisschop werd en ook nog daarna járenlang een neef van hem seksueel misbruikt. Toen het begon was die neef nog maar een kind. Jarenlang heeft die jongen er niet over kunnen praten. Toen hij het een paar jaar terug wél kon en hij zijn oom vroeg om af te treden als bisschop, omdat hij er niet langer tegenkon, na wat hij met hem had meegemaakt, om in de media en in de publieke opinie voortdurend met "de goede herder " te worden geconfronteerd; toen de neef zijn oom vroeg, bij herhaling, om af te treden, toen deed hij dat niet. De bisschop klampte zich vast aan zijn positie. En het belang van zijn neef offerde hij daar feitelijk aan op. Door zijn weigering om af te treden werd dat misbruikverleden voor die neef een onverwérkbaar en nog altíjd zíekmakend verleden dat alle aspecten van het leven aantast - zei een psychiater daar over.

 

Reeds vele malen heb ik in de afgelopen periode hier en in de Vredeskerk over dat kerkelijk seksueel misbruik gesproken dierbare gasten en parochianen. Ik had zo'n stille hoop dat we het inmiddels misschien even zouden kunnen laten rusten. Maar toen kwam afgelopen vrijdag het nieuws over Vangheluwe. En het is vandaag de zondag van de Goede Herder, "roepingenzondag". En wie zou, terwijl zó'n kwestie speelt, mét alle vragen die daardoor opnieuw gesteld worden bij de wijze waarop het priesterschap en met name het celibaat in dat verband functioneert (want, is dat geen systeemfout?); wie zou in zo'n verband jonge mensen nog durven te stimuleren in die richting van een toekomst als priester of als kloosterling: pater, zuster of broeder? We moeten er dus opnieuw over spreken.

 

Was Roger Vangheluwe een goede herder? Het bekend worden van het seksueel misbruik door hem gepleegd maakt dat we de heel sympathieke wijze waarop hij als bisschop zijn herderschap heeft uitgeoefend nu in een heel ander licht zien, in een goor licht. Er ligt nu een grauwsluier over. Verbijstering, ongeloof en afschuw is wat mensen nu ervaren. Onder de oppervlakte van dat goede herderschap is al die tijd een walgelijk onrecht schuilgegaan. Een populaire herder, een aimabele herder, een herder met ideeën is dus met andere woorden niet per se ook een góede herder. Met die kwalificatie "goed" moeten we erg uitkijken, dat blijkt maar weer eens. Jezus zegt ergens in het Marcus-evangelie[8] nota bene in verband met zichzelf: "Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God" - en hoe die uitspraak verstaan kan worden in verband met de kerkelijke leer over de Drieëenheid, dat weet ik ook niet ... 

 

Het Johannes-evangelie spreekt wél over Jezus als de Goede Herder. Het personeel van de kerk representéert die Goede Herder op sacramentele wijze (vandaar die speciale kleding), maar ís Hem, veelgeliefden, daarbij dus nadrukkelijk níet. De paus, bisschoppen, priesters of wie dan ook: ménsen kúnnen wel dingen hebben die ons aan Jezus herinneren, mensen kúnnen andere mensen wel op Jezus' weg zetten, maar ze vallen nóóit met Hem samen, nou ja, misschien eventjes soms. Zo hoorde ik van de week over een uit Suriname afkomstige wijkverpleegkundige die trouw elke morgen, zeven dagen per week, met grote toewijding en altijd opgewekt, een verlamde man douchet en aankleedt. Zo iemand is wel een zegen natuurlijk. Een zieke voelt zich bij zo iemand veilig en geborgen.

 

Jezus zegt in het evangelie van deze zondag: "Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven: nooit zullen ze verloren gaan, niemand zal ze aan mijn hand ontrukken." We moeten door mensen héén kijken. En we moeten door hun stemmen héén luisteren. Het gezicht en de stem van de Goede Herder kan in het gezicht en in de stem van mensen die wij ontmoeten héén klinken en héén schijnen, maar er kan in diezelfde stemmen ook de nodige "ruis" meeklinken. En die gezichten, de onze, kunnen de zaak, nee kunnen Jezus, óók vertroebelen. Daar moeten we dan maar misschien niet te veel op letten. Ruis en schijn moeten we, als we dat tenminste kunnen, maar loslaten. Mensen hebben hun schaduwzijde. Levens hebben hun rafelranden, hun losse eindjes, hun openstaande rekeningen ... Daar moeten we mee omgaan. We moeten ermee in het reine komen en liefst uítkomen natuurlijk. Gisteren vierden de monniken van de abdij van Egmond dat abt Gerard Mathijsen vijftig jaar geleden monnik werd en dat de renovatie van de kloostergebouwen voltooid is. Ik mocht aanwezig zijn. In de lange kloostergang kwam ik een mevrouw tegen die ik een beetje ken, een mevrouw met een protestantse achtergrond. In gesprek met haar kwam ook het seksueel misbruik ter sprake. Zij zei: "De levieten moeten gereinigd worden." (De levieten, dat waren in het oude Israël de priesters, gerecruteerd uit de stam Levi - óók een manier om het priesterschap te structureren) "Zoals uit een etterende wond, zo moet eerst het vuil er uit komen. En pas dan kan die wond genezen. En dan krijgen we een nieuwe kerk." Ik vond dat ware en wijze woorden.

 

In het bewustzijn van onze eigen armzaligheid, feilbaarheid, ja zondigheid - om die beladen term maar eens gewoon te laten vallen; in het bewustzijn dáárvan moeten we denk ik als christenen altijd van onszélf afwijzen, naar Jezus tóe. "Richt uw ogen op Jezus" is de wapenspreuk van die beklagenswaardige, zo verschrikkelijk door de mand gevallen bisschop Vangheluwe. Dat is wel een goeie, die wapenspreuk. Jezus zelf láát mensen niet verloren gaan. Gewone mensen, zelfs bisschoppen, zijn er nadrukkelijk wél toe in staat. De evangelist Johannes, aan wie wij ook de Apokalypse danken, het laatste bijbelboek, waaruit wij vandaag in de tweede lezing hoorden voorlezen, hij ziet in zijn visioen mensen "uit alle rassen en stammen en volken en talen" "voor de troon en voor het lam" staan. "Dat zijn degenen die uit de grote verdrukking komen", mensen zoals het neefje van bisschop Vangheluwe dan bijvoorbeeld denk ik. "Hij die op de troon zetelt zal zijn tent over hen uitspreiden", "het lam midden voor de troon zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven, en God zal alle tranen uit hun ogen wissen" - ook die uit de neef van de bisschop dus. Ik denk: dáár moeten we ons aan vasthouden. Dát tróóst. Mij wel tenminste. Jezus is de Goede Herder. Zijn volgelingen, het personeel van de kerk voorop, is vaak niet meer dan een flauwe afspiegeling. En daar zullen we het toch helaas mee moeten doen, nu en in de toekomst, met zulke mensen. Laat allerlei niet-ideale schoonzonen en schoondochters zich dus gerust melden aan de kloosterpoort, bij de priesteropleiding en de theologische faculteit. Want God schrijft récht langs kromme lijnen.

 

Of ben ik nu te somber? Laat ik dan besluiten met een optimistisch geluid. Het komt van de jubilaris van gisteren, van abt Gerard. Hij zei in zijn dankwoord: "De laatste tijd lijkt het wel of het in de kerk allemaal kommer en kwel is, decadentie en domheid. Voor haar geestelijke rijkdom, haar heiligheid en haar schoonheid is geen aandacht. Toch is dat de grote werkelijkheid waarin het heerlijk is te mogen leven, en waarop je niet uitgekeken raakt." Dat het ook voor ons zo mag zijn veelgeliefden. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 18 april 2010, de derde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5, 27-41), Psalm 30 (ged.), uit de Openbaringen van Johannes (5, 11-14) en uit het Johannes-evangelie (21, 1-19).

 

Wat doe je als mens als je net iets verschrikkelijks hebt meegemaakt, een tragedie, een drama - als je daar getuige van bent geweest, als je daar nauw bij betrokken bent geweest? Toen hij halverwege de twintig was is de enige broer van mijn beste vriend van de middelbare school om het leven gekomen bij een motorongeluk in Frankrijk. Ik herinner mij dat hun vader altijd zo bezorgd was vanwege zijn beide jongens: kijk je goed uit ... En nu werd zijn grootste vrees werkelijkheid. Onverwacht de politie aan de deur: Wij komen u een slecht bericht brengen ... Als je zoiets meemaakt: de dood van je kind of de dood van je vriend, wat doe je dan de dag erna?

 

Precíes, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, precíes denk ik wat Petrus deed: "Ik ga vissen" zei hij. "Ik ga naar de winkel", "ik ga een stuk fietsen", "ik ga maandag toch maar weer naar m'n werk" - dat alles kun je doen, in je eentje of met iemand samen. "We gaan met je mee" zeggen Petrus' vrienden, de leerlingen van de zo afschuwelijk, aan het kruis gestorven Jezus van Nazareth.

 

Ze gaan vissen, maar erg geďnspireerd zijn ze niet, die vrienden. Ze hebben er niet echt zín in. En, die ervaring hebben we waarschijnlijk allemaal wel mensen, als je ergens geen zin in hebt, als je er niet in gelooft, dan wórdt het ook niks. "Ik kan niet zingen", "Ik kan geen noten lezen", "Ik kan niet zelfstandig een sopraan-, alt-, tenor- of baspartij zingen. Daar ben ik niet sterk genoeg voor". Ik verzeker u, dierbare gasten en parochianen, als je er zó in staat, als je niet durft te gelóven in jezelf, in dat je het wél kunt, zingen bijvoorbeeld, dat je daarin je vermogen wél kunt ontwikkelen, nee, dan wordt het natuurlijk zéker niks ... "Ik ga vissen" zegt Petrus. "Dan gaan wij mee". Maar Petrus en de anderen gelóven er niet meer in na alles wat ze hebben meegemaakt. Ze geloven niet meer in God. Ze geloven niet meer in Jezus. Ze geloven niet meer dat hun leven zin heeft. Ze geloven denk ik niet eens meer in zichzelf. En is het dan gek, geliefden, dat ze vervolgens óók niets vangen, dat het niet lukt dat vissen? De wereld is voor jou wat jij bent voor de wereld. De wereld houdt je in die zin altijd een spiegel voor.

 

Maar ze doet nog meer, die wereld. Ze geeft ook aan teleurgestelde, ontgoochelde, nukkige mensen altijd nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden. En altijd komen die nieuwe kansen en mogelijkheden in en door ontmoetingen met andere mensen. Die kunnen je er uit halen, uit de gevangenis waarin de gebeurtenissen van het leven je hebben opgesloten en waarin jij ook vooral jezelf hebt opgesloten. Een ander kan je er uit halen; een ontmoeting met een ander, een gesprek met een ander.

 

Jezus' leerlingen maken het mee. Op nieuwe wijze komt Hij tot hen. Hij ziet er blijkbaar anders uit. Misschien heeft hij z'n haar anders? In eerste instantie herkennen ze Hem in elk geval niet. Dat dialoogje dat ze voeren, de nog niet herkende Jezus en zijn voor zijn nieuwe aanwezigheid nog blinde leerlingen vind ik altijd iets onweerstaanbaar grappigs hebben:

"Hij riep hun toe: "Vrienden, hebben jullie soms iets te eten?" "Nee", riepen ze terug." En Hij, de onbekende, mister X, geeft dan een aanwijzing - precies zoals vroeger op de camping de meneer met verstand van kamperen aan mijn vader die daar soms niet goed uit kwam, uit het opezetten van de tent. "Werp dan het net uit, rechts van de boot", zei Hij, "daar zul je wel iets vinden". En het wonder gebeurt. Waar eerst onvermogen en armoede heerste, daar komt nu overvloed en vreugde. Niet voor niets, geliefden, is het "de leerling van wie Jezus hield" zoals er staat, die Hem als eerste herkent. "Het is de Heer" zegt die geliefde leerling. Hoe heeft Hij Jezus herkend? Niet aan zijn gezicht dus. Maar wél aan die plotselinge overvloed die zij ervaren. De donkere, sombere wolken zijn opeens verdwenen. De zon straalt weer. Hij, de beminde leerling, weet het als geen ander: Waar Jezus verschijnt en aanwezig is gebeurt dat. Jezus is licht, Jezus is leven, sterker dan elke dood.

 

De onstuimige Petrus heeft nog niet gehoord dat het de Heer is of hij stort zich in het water om zo snel mogelijk bij Hem te zijn. En het wonderlijke is dan: Waar de nu herkende Jezus eerder om gevraagd had ("Vrienden, hebben jullie soms iets te eten?"), dat blijkt nu reeds aanwezig! Er is reeds een houtskoolvuur aangelegd, "met vis erop en brood ernaast". Maar dat snappen we natuurlijk als het om Jezus gaat. Want Hij kent dus geen nood en geen tekort. En toch zegt Hij tegen de leerlingen: "Breng wat van de vis die jullie zojuist gevangen hebben." Het zijne wordt het onze en wat zogenaamd "van ons" komt neemt Hij op. Hij geeft zich aan ons en wij geven het onze, ja onszelf aan Hem. En zo vegroeien wij met elkaar, Hij en wij. Hij, Jezus, is van godswege geworden zoals wij. En wij worden zoals Hij. Dat is wat gebeurt bij die ochtendlijke picknick op het strand van het meer van Tiberias - voor de motorrijders die vandaag onze gasten zijn, zal het een bekende situatie zijn: een stop langs de kant van de weg. Hetzelfde gebeurt, in optima forma, in de viering van de heilige eucharistie die wij ook zodadelijk weer mogen "mee-maken" - in alle betekenissen van het woord: die viering overkomt ons als een geschenk en als een genade, maar we hebben er ook zelf een actief aandeel in. En zo is het bij elk geslaagd samenzijn van mensen: je organiseert misschien het nodige, je doet er je best voor, maar je kunt het niet forceren, je kunt het niet afdwingen, je moet ook vooral altijd en overal loslaten en je overgeven aan hoe het nu eenmaal gaat, aan wat gebeurt. Dán gaat het strómen, dan gebéurt het, dan wordt het verschil tussen jou en mij, tussen tijd en eeuwigheid een beetje opgeheven en opgelost, dan delen wij samen in de goddelijke liefde, dan kun je en ga je ervaren: Hij, Jezus de Heer, is inderdaad aanwezig.

 

Ik wil graag besluiten met een gedicht van Ida Gerhardt, een zeer bekend gedicht van haar. "De gestorvene" heet het:

 

                            Zeven maal om de aarde te gaan,

                            als het zou moeten op handen en voeten;

                            zeven maal, om die éne te groeten

                            die daar lachend te wachten zou staan.

                            Zeven maal om de aarde te gaan.

 

                            Zeven maal over de zeeën te gaan,

                            schraal in de kleren, wat zou het mij deren,

                            kon uit de dood ik die éne doen keren.

                            Zeven maal over de zeeën te gaan-

                            zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

 

Dit is het wonder van ons christelijk geloof geliefden: Die ene zál ons opnieuw groeten, die zál lachend op ons te wachten staan, die kéért terug uit de dood. Wij maken het mee. En we zullen het steeds weer meemaken. Het is ons beloofd. En die belofte ís reeds vervuld en die belofte zál opnieuw worden waargemaakt. Amen.  

 

 

VERKONDIGING op 11 april 2010, Beloken Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5, 12-16), Psalm 118 (ged.), uit hde Openbaring van Johannes ( (1, 9-19) en uit het Johannes-evangelie (20, 19-31).

 

Eén van mijn beste vrienden, dierbare gasten en parochianen; één van mijn beste vrienden is psychiater. Hij is blíj met al die aandacht die er de laatste tijd is geweest voor seksueel misbruik door priesters en kloosterlingen. Mensen die in hun leven op welke manier dan ook met seksueel misbruik te maken hebben gehad, die hebben daar baat bij, zo zegt hij op grond van zijn ervaring met mensen die bij hem in behandeling zijn; die hebben er werkelijk baat bij dat over dat misbruik de laatste tijd zo openlijk en uitvoerig gesproken mocht worden. Dat doet degenen die er onder geleden hebben goed zegt hij. Het staat hen toe om de hele diepte van dat misbruik en van de wonden in hun leven, daardóór; om die onder ogen te zien, om die te verkennen, om er voor zichzelf en in gesprek met anderen ruimte aan te geven. Dat doet goed. Dat is helend. Dat is genezend. "De graven gaan open!" dacht ik meteen toen hij dat zei, die vriend-psychiater. De evangelist Mattheüs schrijft dat. Op het moment dat Jezus sterft aan het kruis, "gingen de graven open en de lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt. Toen Jezus zelf tot leven was gewekt, kwamen ze uit de graven en gingen ze naar de heilige stad, waar ze aan velen verschenen." Bijbelverzen, evangeliewoorden die in de veelheid en in het geweld van de Goede Week, van Palmzondag bijvoorbeeld, waarop wij eens in de drie jaar "De Mattheüs" lezen; woorden die daarin gemakkelijk passeren, verloren gaan, oplossen ... Ik denk: het is goed om er eens de aandacht op te vestigen. Jezus sterft. En de graven gaan open. En nu, in onze dagen, de Kerk een beetje sterft, vanwege al die bedroevende, ontluisterende en beschamende berichten over dat kerkelijk seksueel misbruik; - de Kerk sterft daardoor een beetje, maar de mensen die het geleden hebben, dat misbruik, die leven nu óp. Het doet hen goed. Dat is zeer te hopen. "De lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt. Toen Jezus zelf tot leven was gewekt, kwamen ze uit de graven." "Heilig" dat woord hangt samen met "heel": "ongeschonden, volledig, gezond, geheel, rein, oprecht" definieert het woordenboek. Zoals een mens ter wereld komt eigenlijk, hopelijk. Maar die oorspronkelijke heiligheid en heelheid van veel mensen, daarin kunnen ze al vroeg deuken en kwetsuren oplopen. Mensen, kinderen ook, worden geschonden en op een bepaalde manier kan dat hun dood betekenen. Mensen kunnen leven als on-doden. Ze zijn er wel, ze leven wel, maar ze leven als gestorvenen. Ze hebben een leven van niets, een on-leven, een leven met weinig of geen kwaliteit, een leven met weinig of geen vreugde. Geen tinteling, geen sprankeling. Jezus is gestorven en de Kerk als Zijn Lichaam mag Hem daarin navolgen; Jezus sterft en ook de Kerk sterft dus, opdat geschonden en gestorven mensen genezen, heel-worden en léven. Zo versta ik de geciteerde woorden uit het Mattheüs-evangelie over de graven die opengaan.

 

Ik denk, veelgeliefden, de evangelietekst van déze zondag, Beloken Pasen, kunnen we geheel in het verlengde hiervan verstaan. Ik denk: de dood van een mens kan voor nabestaanden, voor degenen, voor iemand die overblijft een grote wonde en een grote pijn zijn. Als wij Thomas vandaag horen zeggen "ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen", dan hóren en voelen wij in die woorden de diepe pijn, dan horen en voelen wij de wonden die Jezus' kruisiging en dood bij Thomas zélf hebben veroorzaakt en geslagen. Mét Christus is hijzelf gekruisigd. Het leed dat je geliefden overkomt is je eigen leed. Erger en groter is 't misschien nog wel, want zíj lijden het, zíj ondergaan het en gaan er misschien ín en door ten onder, zij over-lijden misschien op enig moment. Zij zijn dan over hun lijden heen. Maar jij kijkt ernaar en kunt niets doen. Jij moet het aanzien en staat met lege handen. En jij moet verder - met je afschuwelijke herinneringen ... "Ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders geloof ik niet" zegt Thomas. Pijn, woede, verbittering. Dat voel je bij hem.

 

"Wie zijn wonden toont, wordt genezen; wie zijn wonden verbergt, wordt niet genezen" - woorden van de Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986). Ik denk: ze zijn van toepassing op wat we zien bij en meemaken met Thomas. Hij toont zijn wonden Thomas. Hij verbergt ze niet. En daardoor kan hij genezen - net als die onbekende mevrouw die ons van de week aansprak in een horeca-etablissement (ik was, na alle paasdrukte, een dagje wandelen met een vriend). Twee jaar terug was haar man gestorven. Ze hadden het altijd zo goed gehad samen. Hij was altijd zo lief en zo zorgzaam geweest voor haar. Het verdriet, de weemoed, het heimwee vanwege haar gestorven man kon je van haar gezicht scheppen ... En een paar keer sloeg ze een kruis, die onbekende vrouw en ze was blij dat ze bij ons beiden óók om de nek een kruisje hangen zag. Dat deed haar goed zei ze. Ja.

 

Jezus komt naar Thomas toe en gééft hem wat hij verlangt. Dat is het wonder van Beloken Pasen, van de achtste dag ná die eerste dag van de week waarop de vrouwen de boodschap ontvingen van het lege graf en het al tot eerste ontmoetingen kwam met de Verrezene. Hij laat zich nu aan Thomas zien: "Kijk maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening in mijn zijde te voelen. (En) Wees niet langer ongelovig, maar gelovig." De jonge onderzoeker in ons, de kritische geest, de scepticus en de zuurpruim worden hier over een afstand van twintig eeuwen in het hart getroffen veelgeliefden. Hoe kan dit? Tracht men ons hier, weliswaar op superieure wijze maar tóch, iets op de mouw te spelden? Hierin kúnnen wij toch niet meegaan? Hieraan kúnnen wij ons toch niet overgeven?

 

Nou ja, misschien toch wel. Hopelijk toch wel als wij ons bedenken dat die Thomas als twee druppels water lijkt op onszelf. Hij is zo zweverig als een blok beton, Thomas. Maar toch geeft hij zich gewonnen. Hij kan niet anders. Hij moet wel. Zo overwéldigend is voor hem zijn ervaring met de gestorven en verrezen Heer.

 

Ja, maar ik heb zo'n ervaring tot op heden nog niet gehad! Ik hóór het u al denken. Dan zou het kunnen zijn dat u tot op heden nog te weinig hebt stilgestaan bij de wonden in uw leven veelgeliefden; dat u er nog te weinig bij hebt stilgestaan, dat u zich er nog te weinig van bewust bent geworden, ze nog te weinig hebt onderzocht, er nog niet diep genoeg in bent doorgedrongen en ze nog te weinig hebt laten zien, ze nog te weinig aan andere mensen en aan uw God hebt getoond; dat u er nog te weinig over hebt gecommuniceerd en uitgewisseld. Het zou dan kunnen zijn dat u tot op heden nog te veel mooi weer hebt gespeeld en eventuele misčre in uw leven nog te veel hebt verborgen achter een fraaie façade. "Wie zijn wonden toont, wordt genezen; wie zijn wonden verbergt, wordt niet genezen" - zegt Joseph Beuys. En genézen, veelgeliefden, moeten wij ook in 2010 nog vooral van ons ongeloof. Moge het ons gebeuren. Dat Gods Geest, die van Jezus, het voor en met en in ons mag doen. Amen.

 

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op Eerste Paasdag, 4 april 2010, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (10, 34a, 37-43), de brief aan de Kolossenzen (3, 1-4) en uit het Lucas-evangelie (24, 1-12).

 

Het wil nog maar geen voorjaar worden. De knoppen staan op springen, maar het wil nog niet echt. In mijn tuin staan wel een paar bloemen, maar de meeste tulpen en narcissen blijven nog binnen. Mij te koud! En wij denken er hetzelfde over.

 

Het klimaat wat onze kerk betreft is ook erg kil. Oef! Wat een Veertigdagentijd hebben we gehad! Vele malen begon het achtuurjournaal met "ons", met onze kerk, in verband met het seksueel misbruik door priesters, paters, zusters en broeders én het toedekken van dat misbruik door de kerkleiding. Beerputten van heel onfris gedrag zijn opengegaan. En aan de kant van slachtoffers zijn zeeën van verdriet en ellende en zijn stormen van woede en frustratie zichtbaar geworden. Oef! Wat een Veertigdagentijd! Dat is tegelijk het enig goede dat we er van kunnen zeggen, van wat nu aan de oppervlakte is gekomen: Het paste precies in de tijd van het kerkelijk jaar. De Veertigdagentijd is immers een tijd van opnieuw naar jezelf en naar onszelf, óók als Kerk, kijken. De Veertigdagentijd ís een tijd van bekering, van reiniging en van orde op zaken stellen. Ja, die tsunami van ervaringen van kerkelijk seksueel kwam in díe zin precies "op tijd" - al heeft het natuurlijk veel te lang geduurd voordat er ruimte en gehoor was voor het verhaal van slachtoffers en hebben ze er in vele gevallen veel te lang mee moeten rondlopen - met alle gevolgen van dien.

 

Het wil nog maar geen voorjaar worden en in de beleving van vele katholieken en anderen al helemaal niet in de Kerk. Met weemoed denken veel mensen wat dat betreft terug aan Johannes XXIII, aan de dikke paus aan het begin van de sixties, de jaren zestig van de vorige eeuw. Hij wilde een "aggiornamento". Hij wilde de Kerk bij de tijd brengen en de tijd bij de Kerk. Lente in de Kerk. De ramen en deuren open. Laat het maar eens lekker doortochten. Geef de adem Gods, geef de Geest, die van Jezus, die "weldoende rondtrok en allen genas die in de macht van de duivel waren", gééf die Geest maar lekker vrij spel. De goede paus Johannes begon het Tweede Vaticaans Concilie. Maar al spoedig stierf hij en stierf in de beleving en beoordeling van velen mét hem ook de geest van het concilie. Lente in de Kerk maar er kwam nachtvorst en die nachtvorst houdt maar aan. Het wil nog maar geen voorjaar worden.

 

Maar intussen is het dus wel Pasen. De Veertigdagentijd, de Vasten, is echt voorbij. "Hij is niet hier, Hij is tot leven gewekt" zeggen de mannen in de stralend witte kleren tegen de vrouwen die 's morgens heel vroeg naar het graf gekomen zijn. Het is Pasen. Maar durven we het nog wel te vieren? En durven we nog Kerk te zijn? Willen we er nog wel bij horen? Wint onze schaamte, teleurstelling en boosheid het niet van ons vertrouwen, van ons geloof, van onze hoop? De vrouwen "wisten niet wat ze ervan moesten denken", van het lege graf. En wij kunnen precies zó érg in dubio zijn.

 

Als de vrouwen hun verhaal doen is dat "onzin" in de ogen van de apostelen. Ze geloofden hen niet. En wij kunnen ons dat ongeloof denk ik goed voorstellen.

Petrus "holde", zo staat er, echter tóch naar het graf.

 

Ach ja, Petrus, de eerste paus. Een beetje een brokkenpiloot is hij, een struikelende, héél feilbare figuur. In die zin kan paus Benedictus XVI zich wél aan hem spiegelen zo dunkt mij. Ook op hem valt veel aan te merken. En dat gebeurt dan ook. In de media, op straat en ook binnen de kerk krijgt hij dezer dagen voortdurend onder uit de zak. Arme paus. De hele wereld, of in elk geval óns deel ervan, valt over hem heen.

 

Maar ik moet zeggen: op Goede Vrijdag werd ik wél door hem geraakt. De paus nam deel, in Rome, bij het Colloseum, de grote arena waar in de oudheid ook christenen gemarteld zijn; de paus nam er deel aan de kruisweg. Ook hij tilde er het kruis op. En hij zei: "Ons falen, onze desillusies, onze verbittering die het signaal van de totale ineenstorting lijken, worden verlicht door de hoop." Volgens de paus is dát de essentie van Pasen. Ik vind dat goed gezegd. De krant[9] citeerde een Mexicaanse student, Juan Paolo Hernandez. Die was er bij en hij zei: "Het is indrukwekkend hoe hij na alle aanvallen de rust bewaart en de ogen op God richt." Ik moet zeggen veelgeliefden: dat herken ik van de paus. Inderdaad, dat doet hij, zo is ook mijn indruk. De paus, Petrus, bewaart de rust en richt zijn ogen op God.

 

Maar wat is dat? En hoe doe je dat, je ogen op God richten? Ik denk, onze tweede lezing op deze Eerste Paasdag, uit de brief aan de Kolossenzen, brengt dat onder woorden: "Als u met Christus ten leven bent gewekt, zoek dan (...) wat boven is. (...) Zet uw zinnen op wat boven is, niet op het aardse. U bent immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God." Als mens je uitgangspunt, je oriëntatiepunt en het punt waarnaar je streeft niet binnen de zichtbare en tastbare werkelijkheid zoeken, maar het vinden, dat punt, in een ándere werkelijkheid, áchter de horizon van deze wereld: "daar waar Christus zetelt aan de rechterhand van God" om met de Kolossenzenbrief te spreken. De inhoud van Jezus' leven, wie Hij was, Zijn werkelijkheid, het, díe, is onaantastbaar. En het, nee Híj, is voorgoed in veiligheid gebracht, geborgen bij en in God. Niemand kan daar aankomen en er iets aan afdoen. Jezus is en blijft een levende werkelijkheid. Je kunt je nog altijd voor Hem openstellen. Je kunt je door Hem nog altijd laten raken. Wie het vatten kan die vatte het.

 

Of ben ik aan het luchtfietsen mensen? Spreek ik abstracte taal waar u helemaal niets mee kunt? Dat kan zijn. Want hoewel Jezus' werkelijkheid nog altijd een concrete is, kun je die toch niet vastpakken. Mensen kúnnen er echter wél door gepakt wórden. Mensen kunnen wel door Hém, door Jezus, door Zijn Vader, door hun beider Geest gepákt worden. Vorig jaar op vaderdag was Steven Hendrik hier voor het eerst in de kerk. Hij heeft mij toestemming gegeven om aan u te vertellen dat hij het toen moeilijk had. Hij liep bij de Jellinek, hier in de straat. Een soort laatste kans. Die pakte hij. En die pakte hij óók hier in de kerk. Hij is hier in het afgelopen jaar echt een trouwe kerkganger geworden. En vandaag wordt hij in ons midden gedoopt; wordt hij opgenomen in Christus' Lichaam dat de Kerk ondanks alle ellende toch ook ís en blijft. In de afgelopen Paasnacht hadden we in de andere kerk al zes volwassen dopelingen, waaronder twee van hier. Steven wilde graag hier en nu gedoopt worden. En wij zijn hem er dankbaar voor. Want zo wordt zichtbaar dat Hij, dat Christus tot leven is gewekt en Steven mét Hem. Veelgeliefden, moge het met ons allen en met onze kerk evenzo gebeuren. Het wil nog maar geen voorjaar worden, maar het is wel Pasen - al dringt het tot de vrouwen bij het lege graf, tot de apostelen, Petrus voorop, en ook tot ons misschien nog maar nauwelijks door. Het echte geloof dat Hij, dat Jezus is opgestaan, dat moet misschien nog komen. Van harte wens ik u toe dat u zich er aan over wilt en kunt geven. Van harte wens ik u een Zálig Pasen. Amen. Alleluia. Christus is verrezen. Hij is waarlijk verrezen. Alleluia. Praise the Lord.

 

 

VERKONDIGING in de Paasnacht van 2010 (3-4 april) in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek Genesis (1,1 - 2,2), Exodus (14, 15-21), Ezechiël (37, 1-14), de brief aan de Romeinen (6, 3-11) en het Johannes-evangelie (20, 11-18).

 

"God zie ik hier niet" - zou Yuri Gagarin gezegd hebben toen hij op 12 april 1961 als eerste mensenkind in de ruimte kwam. Dat schijnt toch niet te kloppen. Een vriend van hem zei in 2006 in een interview dat het niet waar is, dat Gagarin dat níet zelf gezegd heeft. De woorden zijn van Nikita Chroetsjov, de toenmalige leider van de Sovjet-Unie en van de communistische partij aldaar. Wat Gagarin in elk geval wél gezegd heeft toen hij vanuit de ruimte naar de aarde keek, was: "De aarde is blauw. Wat prachtig. Wat bijzonder."

 

En op Kerstavond 1968 kwam de Amerikaanse Apollo 8 in een baan rond de maan. Jim Lovell, één van de astronauten zei in een live televisiereportage vanuit het ruimteschip: "We zijn gekomen (...) om de maan te verkennen, maar het belangrijkste dat we ontdekken is de aarde. Alles wat we hebben is dáár", zei hij. Het is dan ook veelzeggend dat de astronauten de uitzending besloten met het voorlezen van het scheppingsverhaal uit Genesis dat wij in deze Paasnacht óók hebben gehoord.

 

Michael Collins, aan boord van de Apollo 11, beschreef hoe fragiel de aarde lijkt in dat oneindig en verder zo onherbergzame heelal. Hij zei: "De aarde moet worden zoals ze er uit ziet: blauw en wit, niet kapitalistisch of communistisch; blauw en wit, niet rijk of arm, niet jaloers of omstreden. Klein, glanzend, sereen, blauw en wit, kwetsbaar."

 

En als astronaut Edgar Mitchell tenslotte, aan boord van de Apollo 14, door het kleine raam naar de sterren, de zon en de aarde kijkt, overkomt hem een gevoel dat hij als volgt beschrijft: "Ik realiseerde mij plotseling dat ik een verbinding met de sterren daarbuiten voelde en dat de moleculen van mijn lichaam, de moleculen van ons ruimteschip en die van het lichaam van mijn medeastronauten, prototypen waren van of gefabriceerd waren in oude generaties sterren. Dit ging gepaard met een extase, een vreugde die ik nog nooit had ervaren. Ik kreeg een overweldigend gevoel van eenheid en verbondenheid. Het ging niet meer om zij en wij, maar om: (...) het is een eenheid."

 

Verwondering, extase vanwege alles wat is. Verwondering en extase aan boord van het ruimteschip. Verwondering en extase in het eerste hoofdstuk van de bijbel: Het werd avond en het werd morgen. En God zag dat het goed was, heel goed.

 

Mensen, wij, zijn erg geneigd om het grote, het omvattende perspectief en die eenheid van alles en iedereen en de fundamentele goedheid ervan, om die uit het oog te verliezen. En ze, wij, bederven het leven op aarde. We vissen die prachtige oceanen leeg en al ons plastic komt er in terecht. En de ene mens buit de andere uit en maakt die tot een slaaf. Mensen kunnen verdorren. Ze kunnen de moed verliezen. Ze kunnen gaan denken "we gaan naar de bliksem", "het is met ons gedaan", "we zijn ten dode opgeschreven". In de voorlezing uit het boek van de profeet Ezechiël werd die manier van denken en in het leven staan verwoord.

 

Veelgeliefden, dierbare doop-kandidaten, families en vrienden van de doop-kandidaten en reeds gedoopte gelovigen: Zo is het niet! We hebben het gehoord in de bijbel, in de Heilige Schrift. Daarin wordt, op de manier van voorstellen van twee- drieduizend jaar geleden, de oorsprong, het wezen en de toekomst, de bedoeling van ons leven in woorden verbeeld en uitgedrukt. De aarde is goed. Wij mensen zijn goed. We zijn gemaakt om vrij te zijn. We zijn er om te leven. We zijn er niet om elkaar te onderdrukken, de dood aan te doen en om te sterven. Er is leven, zelfs voorbij de dood. Leven is iets oneindigs. Leven is nog veel meer dan we denken.

 

Veelgeliefde doop-kandidaten, zoals de reeds langer gedoopten die hier aanwezig zijn, hebben jullie die oneindige kostbaarheid van ons leven op die kleine, glanzende, serene, blauwe en witte, kwetsbare aarde en van jullie eigen leven daar op; jullie hebben die ervaren. Én jullie hebben gehoord in alles wat is, in de natuur die ons omringt en waar wij zelf deel van uitmaken, in mensen wier levensweg die van jullie heeft gekruist, in mensen met wie jullie samen door het leven gaan; jullie hebben in en door de gebeurtenissen van jullie leven héén een stem gehoord, "alsof iemand jullie bij naam en toenaam heeft geroepen". Die stem hebben jullie ook herkend in de bijbel en speciaal in Jezus van Nazareth die wij noemen "Gods Zoon". Zijn stem hebben jullie herkend in de Kerk. En jullie zijn bezield geraakt door het verlangen om antwoord te geven op die stem. Jullie hebben ernaar verlangd om "ja" te zeggen tegen God, tegen Jezus die jullie riep en roept. Dat moment van jullie "ja" is nu aangebroken. Amen.

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op 1 april 2010, Witte Donderdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek Exodus (12, 1-14), Psalm 116 (12-18), uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (11, 23-26) en uit het Johannes-evangelie (13, 1-15).

 

"Mijn interniste was (...) verbaasd dat er helemaal niks in m'n longen zat. "De ziekte heeft een station overgeslagen". Dat is dan weer mooi meegenomen".

 

- Zo schreef van de week een vriend van mij in een update per e-mail aan z'n familie en vrienden. Afgelopen zomer kreeg hij opeens een enorme bult in z'n nek. Er werd een vorm van kanker bij hem vastgesteld.

 

De ziekte die een station overslaat. Zodadelijk zal, in de eerste schriftlezing, uit het boek Exodus, verhaald worden hoe de Heer in de nacht van de uittocht "alle eerstgeborenen van Egypte" "slaat", dat wil zeggen: doet sterven. Maar de Israëlieten hebben in opdracht van diezelfde Heer een beetje bloed van het paaslam dat ieder heeft geslacht, uítgestreken "over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten" werd. En dat bloed aan de huizen was een teken. "Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal ik aan u voorbijgaan. De vernietigende plaag zal u niet treffen als ik Egypte sla." - zegt diezelfde Heer.

 

Pasen. Pesach. Het woord betekent "overspringen", "voorbijgaan". De ziekte, de dood slaat een huis, slaat een station, slaat een mens, sláat mensen over.

 

Wat is ons leven en ons lot grillig dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk. Wát een Veertigdagentijd hebben wij gehad in verband met al die onthullingen over seksueel misbruik van kinderen en jeugdigen door priesters en kloosterlingen - óók in Nederland op een veel grotere schaal dan wij gedacht hadden. Het is níet aan ons voorbijgegaan. Wij hoeven ons dus tóch, níets te verbeelden - zo in de zin van: dat soort dingen gebeurt alleen maar in Amerika en Ierland. Nee. Het is ook bij ons gebeurd.

 

Wat is ons leven en ons lot grillig veelgeliefden. Zó mankeer je niets en zó ben je ziek en realiseer je jezelf op een heel nieuwe, "existentiële" manier hoe kwetsbaar je leven is.

 

Of een buurman, een politieagent nota bene belt aan. Je dochter is alleen thuis. Hij neemt haar mee. Hij misbruikt haar. Hij killt haar en begraaft haar in z'n achtertuin - twee huizen maar bij je eigen huis vandaan. Slechts één huis is hij voorbijgegaan, heeft hij overgeslagen.

 

Wat is ons leven en ons lot grillig. Een indringer dringt bij je ouders binnen. Ze overleven het wel of ze overleven het niet.

 

Of er is een bomaanslag in de metro. Moskou. Je partner, je kind, je moeder, oneindig dierbaar, ze worden getroffen, ze worden geslagen of ze worden misschien overgeslagen, ontspringen de dans.

 

"Engel des doods, ga ons voorbij/Zie op het bloed dat als een teken/aan onze deurpost is gestreken/Engel, ga onze deur voorbij" - zullen we zodadelijk biddend zingen. Maar, veelgeliefden, is dat lied, dat gebed niet loos? En geldt niet hetzelfde voor deze hele plechtigheid en voor heel ons Pasen? Want ben je als mens niet onderwerpen aan een blind noodlot? Nog vanmorgen vertelde mij iemand dat ze naar de tandarts ging, een nieuwe tandarts, want de oude, een fantastische vent, was samen met zijn vrouw in de bergen verongelukt. Het kan je toch altijd gebeuren, een goed mens of niet en: gelovig of niet ... "Ja, als je als gelovige, als katholiek bijvoorbeeld duídelijk beter af zou zijn, ja dan werd de hele wereld natuurlijk katholiek ..." zei iemand ooit tegen mij. Maar zo is het niet ...

 

-dat wil zeggen: Pater van Kilsdonk zaliger gedachtenis heeft wel eens verteld dat in zijn jeugd als er onweer kwam zijn moeder met wijwater door het huis ging onder het motto: "Het is beter mét Christus in brand te vliegen dan zónder Hem." Veelgeliefden, daar zit iets, zo niet véél, ín ...

 

Christus', Jezus' levenseinde met de herdenking waarvan wij met deze viering een begin gaan maken - en dat zal morgen op Goede Vrijdag doorgaan en op Stille Zaterdag, dag van Christus' grafrust en "nederdaling ter helle" en in de Paaswake totdat op Paasmorgen de nacht voorbij is en Hij, en wij met Hem, opnieuw en nieuwgemaakt in het licht zullen staan - Christus', Jezus' levenseinde is niettemin in de ogen van de wereld inktzwart. Een beetje "een ridder van de droevige figuur", Jezus, zoals Don Quichotte. Een dromer, een malloot, níet van deze wereld.

 

Nee, veelgeliefden, inderdaad: níet van deze wereld. Jezus is van een andere wereld. Hij is van de wereld van God. "Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel". Dat is Zijn, dat is Jezus' gebed. Jezus kent de hemel. Vanuit de hemel staat en leeft Hij op aarde. Om de mensen van de aarde óók bij en in diezelfde hemel te brengen. De hemel, de wereld van God, is Jezus' vertrekpunt en oriëntatiepunt en punt van bestemming. Op aarde leeft Hij reeds vanuit en ook al ín de hemel. En daar wil Hij óns in betrekken. Wij gedenken Jezus in deze viering in twee machtige en prachtige tekenen, machtig en prachtig juist omdat ze zo nederig zijn: Jezus wast de voeten van Zijn leerlingen, die van ons. Hij is onze meester juist omdat Hij onze dienaar is. In Jezus' dagen was dat slávenwerk: het wassen van iemands voeten. Jezus staat dicht bij mensen die in onze dagen billen en w.c.'s schoonmaken. Nederig werk. Maar hoe gróót kunnen juist de mensen zijn die zúlk werk doen! Jezus wast de voeten van Zijn leerlingen en aan tafel neemt, breekt en deelt Hij brood en reikt Hij de wijn aan en zegt dan: Dit ben ik zelf. In deze tekenen geef ik mijzelf aan jullie, helemaal. In brood en wijn zal ik altijd bij jullie zijn, zolang de wereld duurt.

 

Het, Hij is níet van deze wereld veelgeliefden. En juist dat maakt Hem voor ons oneindig waardevol. Want alles wat in deze wereld belangrijk gevonden wordt (gezondheid, schoonheid, bezit, geld, aanzien), vroeg of laat komt elk mens er hopelijk achter dat de waarde van al die dingen uiteindelijk verbleekt, dat ze voorbijgaan en je zeker níet kunnen redden. Terwijl Jezus jou wél kan redden. Als je jezelf opent voor wat Hij je geven kan, als je jezelf aan Hem toevertrouwt en je Hem laat begaan, als je Hem met je laat doen, als je Hem jou voeten laat wassen en openstaat voor Zijn Lichaam en Bloed, bereid bent het te ontvangen en Hem dóór jou en mét jou en ín jou laat leven, als je deel gaat uitmaken van Zijn Lichaam en in zekere zin Hem wórdt, dán word je gered ... Dan ga ook jij hier op aarde reeds delen in Jezus' hemelse leven, in het leven van die andere wereld en kunnen ziekte en dood, hoe die ook komt, die dood, jou niet meer werkelijk raken en stukmaken. Dan word en ben je en blijf je héél, ook al word je gebroken. Dan gaat de engel van de dood in een diepere zin inderdaad aan jou voorbij.

 

Graag besluit in deze lange inleiding op onze Witte Donderdagviering met een paar regels uit een anoniem gedicht dat ik vond op de Veertigdagenkalender 2010 van de emeritus-predikant van de Oranjekerk, dominee Joke van der Velden. Het staat op het kalenderblad van gisteren:

 

                   Wraakpsalmen heft men aan, tot óns gericht,

                   die over vrede zingen in de kerken.

 

                   (Maar) Pas als de láatste bomen zijn verzuurd,

                   geen meeuwen minzaam op de zee neerstrijken

                   en álle akkers zijn verspeeld, zal blijken

                   dat geld níet voedt, dat dom succes níet duurt.

 

                   Het goede wint, waar ópstanding begon.

                   Niet wie dáár in geloven, dromen,

                   maar wie nog heil ziet in de háat. Wíj komen

                   tegen de tijdstroom íngaand bij de Bron.       

 

Moge de Heer in deze viering veelgeliefden de onuitputtelijke Bron die Hij zelf is voor ons openen. En mogen wij er allen uit putten.

 

                                                                                    

INLEIDING OP DE GOEDE-VRIJDAGVIERING 2010 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

"Ik werd 's nachts wakker gemaakt op de slaapzaal. De broeder nam mij mee. Ik moest op mijn knieën gaan zitten. Ik kreeg vijftien dekens over me heen. Zo zat ik daar drie kwartier te transpireren. Vervolgens moest ik hem bevredigen ... Dat heeft zich nagenoeg wekelijks, een jaar lang, herhaald. Op allerlei mogelijke manieren. Je wist als kind niet wat er gebeurde. Later probeerde hij me ook te verkrachten. Hij was zó groot en sterk. Zijn handen gingen over mijn hele gezicht." Na anderhalf jaar was de broeder opeens verdwenen, maar Dolf van wie de ervaring in de krant werd opgetekend[10], was voorgoed getekend. Hij is één van de véle slachtoffers van seksueel misbruik door priesters en kloosterlingen die de laatste tijd hun verhaal hebben gedaan. "Het allerergste", zei Dolf, "was de combinatie van eenzaamheid, onveiligheid en heimwee. Mijn ouders waren ver weg. Ik kon geen kant op." In een brief zijn nood klagen kon ook niet. Alle post aan en van de leerlingen werd door de broeders gecontroleerd. Dolf, gepensioneerd nu, maar nog steeds vol verdriet over wat hem als jongen is overkomen; hij zocht eind vorig jaar contact met de Broeders van Liefde van wie het internaat was waarop hij zat. "Mijn verhaal werd gebagatelliseerd. Die broeder was een beetje gek, zeiden ze. Maar verder viel het reuze mee."

 

Afgelopen dinsdagavond was ik gast in de Liberaal Joodse Synagoge bij een zogenaamde "gast-seider": een Joodse paasviering zoals die in huiselijke kring wordt gevierd, uitgelegd en gedaan vóór en mét niet-joodse gasten. Eén van de elementen van die seider-maaltijd is de zogenaamde "jachats": drie matzes, ongezuurde broden, op elkaar. Het middelste symboliseert de mensen die klem zitten, die geen kant op kunnen. Kunt u voorbeelden noemen van mensen in zulke omstandigheden vroeg rabbijn Menno ten Brink aan zijn gasten. Nou, dierbare gasten en parochianen, ik denk: die slachtoffers van seksueel misbruik door priesters en kloosterlingen, bijvoorbeeld die Dolf in dat internaat van de Broeders van Liefde destijds, die zijn daar een schoolvoorbeeld van ...

 

Als wij op deze Goede Vrijdag 2010 in deze viering biddend de kruisweg lopen, dan doen wij dat ditmaal met speciaal ook de slachtoffers van kerkelijke seksueel misbruik in het hart zo stel ik voor. Sinds jaar en dag vieren wij hier op dit uur samen met onze broeders en zusters van de Oranjekerk, met dominee Jantien Heuvelink, interim-opvolgster van dominee Joke van der Velden, dit jaar vooróp. Hen wil ik vragen om ons dat kruis van het kerkelijk seksueel misbruik in deze viering te helpen dragen - het is natuurlijk ook geen exclusief katholiek fenomeen. Jezus de Heer, de Gekruisigde, staat aan de kant van de slachtoffers. Dat mogen wij geloven. Iedereen die deze kruisweg mee wil lopen, achter ons aan wil lopen, speciaal ook de kinderen, nodig ik daartoe van harte uit. Ik wens ons allen een goede viering.

 

 

VERKONDIGING op 28 maart 2010, Palmzondag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (50, 4-7), uit de brief aan de Filippenzen (2, 6-11) en uit het Lucas-evangelie (19, 28-40 en 22,14-23,56).

 

"Wir haben es nicht gewußt". Dat zei men in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog toen men ter verantwoording geroepen werd vanwege de misdaden gedurende de nazi-tijd. "Wir haben es nicht gewußt". Woorden met een nare nasmaak omdat ze klinken als een slap excuus: Had men wérkelijk niet geweten wat zich ook in eigen dorp of stad, voor de eigen neus dus, aan verschrikkelijks had afgespeeld of wílde men het niet weten; wilde men het niet méér weten, zéker na de oorlog niet? Had men al die tijd liever weggekeken omdat dat natuurlijk wel zo rustig was? Mijn naam is haas en ík weet nergens van.

 

"Wir haben es nicht gewußt". Afgelopen dinsdag klonken de woorden, in verband met seksueel misbruik van kinderen en opgroeiende jeugd door priesters en kloosterlingen, uit de mond van kardinaal Simonis, de emeritus-aartsbisschop van Utrecht, gedurende vierentwintig jaar for better and for worse, tegen wil en dank, het boegbeeld van de katholieke kerk in ons land. "Wir haben es nicht gewußt". De kardinaal heeft kritiek gehad op die woorden. Ze zouden een faux pas zijn. Daar ben ik het niet mee eens. Volgens mij zijn die woorden juist een schot in de roos en drukken ze precies uit hoe in verband met seksueel misbruik binnen onze kerk de vork steeds in de steel gezeten heeft. "Wir haben es nicht gewußt". Wegkijken, signalen, feiten en klachten negeren, uit gęne en onvermogen om met name zaken die met seksualiteit te maken hebben rustig en zorgvuldig te onderzoeken én te bespreken én goed te behandelen, de kop maar in het zand steken en met een grote boog om de problemen heenlopen: onmiskenbaar is dát het beeld dat de leiding van onze kerk op dit punt te zien geeft. Én maar het eigen straatje schoonvegen. Bah! Ik heb er geen ander woord voor.

 

In de media, op straat, in het café, in de huiskamer en op de preekstoel de zonden, tekorten en misdaden van andere mensen, binnen en buiten de kerk én van bijvoorbeeld "De Kerk" als zodanig, aan de kaak stellen, daar zijn we intussen goed in. De hand in eígen boezem steken en bedenken en belijden waar je zelf de fout in bent gegaan, dat vinden mensen meestal veel moeilijker en daarvoor deinzen ze veelal terug - terwijl dát wél de verlossende weg is. "Ik, pastor Pierre Valkering, ben mij ervan bewust dat ik in mijn persoonlijke verhoudingen en in mijn manier van omgaan met mijn seksualiteit óók mijn fouten heb gemaakt." Of: "Ik, Jozef Ratzinger, paus Benedictus XVI, ben in de tijd dat ik prefect van de Congregatie van de Geloofsleer was, in welke hoedanigheid ik alle verantwoordelijkheid voor seksueel misbruikzaken juist naar mij toegetrokken heb; ik ben destijds ernstig tekort geschoten wat betreft de behandeling van diezelfde zaken". Deze laatste woorden hebben we van de dienaar der dienaren Gods tot op heden echter nog níet mogen vernemen terwijl juist zulke woorden, woorden waarmee iemand werkelijk zélf verantwóórdelijkheid neemt voor het eigen doen en voor de eigen nalatigheid, toch enorm de lucht zouden kunnen klaren en de Kerk écht goed zouden kunnen doen in de huidige nachtmerrieachtige omstandigheden waarin zij is terechtgekomen. Op de eerste plaats de paus, maar ook wij allen, hebben in deze aan de apostel Petrus zoals wij hem in het lijdensverhaal tegenkomen toch een geweldig voorbeeld ...

 

Het was nacht, ook toen, en driemaal kraaide de haan. En op dat moment draaide Jezus zich naar Petrus om - die zich op dat moment pas realiseerde dat hij Jezus verloochend had - Jezus die op Palmzondag gezeten op een veulen Jeruzalem was binnengetrokken. "Een veulen ... waarop nog geen mens heeft gezeten" was het. Ik denk: dat nog onbereden veulen is een prachtig beeld van de eerste berijder ervan, dat jonge dier is een prachtig beeld van Jezus' pure en onbedorven mens-zijn. Ja, in Hem, in Jezus, mogen alle misbruikte en mishandelde kinderen zeker hun bondgenoot zien. Want Zijn onschuld was als de hunne. En ook Hij zal, zoals zij, het slachtoffer worden van mensen die aan die onschuld vergrijpen.

 

"Wir haben es nicht gewußt". De onschuldige wordt het slachtoffer. Men staat er met de neus bovenop. Men is erbij. En men grijpt niet in. Men laat het gebeuren. Men is als verlamd. Men zit te slapen. Men werkt er bewust of onbewust aan mee. "Men"? Nee! Ik! Jij! Zo was het destijds in Jeruzalem. En zo was het in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw en in vermoedelijk alle eeuwen ervoor in allerlei kerkelijke jeugdinstellingen. Misbruik is van alle eeuwen ben ik bang. En het moet aan het licht gebracht worden, dat is goed en dat is recht. "Wie de waarheid doet, komt naar het licht toe" zegt het Johannes-evangelie[11]. Welnu, veelgeliefden, Jezus van Nazareth, de Christus, is beide: waarheid en licht. Bidden wij derhalve op deze Palmzondag dat Zijn waarheid en licht elke ónwaarachtigheid en duisternis in ons aan het licht mag brengen. Bidden wij dat Zijn Geest in ons áán ons de moed mag geven om onze eigen zonden, tekorten en mis-daden eventueel eerlijk onder ogen te zien en te doen bekennen - opdat wij óók de vergeving van God en mensen mogen gaan ervaren. Moge Jezus' licht in ons en in onze gemeenschap zó groeien. Amen.

 

 

 

VERKONDIGING op 7 maart 2010, de derde zondag van de Veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Exodus ((3, 1-15), Psalm xx, uit de eerste brief aan de christenen van Korinthe (10, 1-6) en uit het Lucas-evangelie (13, 1-9).

 

"Het is (...) moeilijk om nu rooms te zijn" - verzucht Kees de Wijs, gedurende 37 jaar als dirigent en organist verbonden aan deze kerk, in het pasverschenen nummer van Z.O.Z. Zie Oud Zuid. Dé wijkglossy van Oud Zuid! waarvoor hij en zijn vrouw Willemien werden geďnterviewd[12].

 

"Het is (...) moeilijk om nu rooms te zijn". Ja, geef Kees eens ongelijk. Je kunt de t.v. niet aanzetten en de krant niet openslaan of de verhalen over seksueel misbruik door priesters vliegen je om de oren. Het houdt niet op. Jezus heeft het in het evangelie van deze derde zondag in de Veertigdagentijd over de Siloam-toren die is ingestort. Achttien mensen zijn daarbij om het leven gekomen. In figuurlijke zin lijkt onze hele Roomse kerk wel in te storten dezer dagen. We worden min of meer failliet verklaard. In een aantal patershuizen, kloosters en pastoriën heeft deze of gene het ongetwijfeld benauwd of wordt vermorzeld onder de brokstukken van een ineenstortende reputatie.

 

Het scheepje van Sint-Petrus is in zwaar weer terechtgekomen. De kerk is en wordt getroffen door onheil. Het is als een natuurramp, maar deze ramp is door mensen veroorzaakt. Wie heeft er schuld? Als er een ramp gebeurt is dat altijd zo'n beetje de eerste vraag: Wie heeft er schuld? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Als het om een aardbeving gaat (L'Aquila - Italië, Haďti, Chili), dan wijst men al gauw naar bouwondernemingen die niet deugdelijk gebouwd hebben en naar de overheid die de regels voor de bouw niet goed heeft gehandhaafd en die nu ook weer tekort schiet wat betreft de hulpverlening aan de getroffenen. En nu in verband met de kerk zijn het uiteraard de plegers van het misbruik zelf naar wie men wijst, naar bisschoppen en andere kerkelijke overheden, naar het celibaat en naar heel de kerkelijke organisatie eigenlijk die niet zou deugen en verrot zou zijn. Nee, het valt op het moment inderdaad niet mee om rooms te zijn en zeker niet om de priesterboord te dragen. In verband met die Siloam-toren vraagt Jezus: "denkt u dat zij schuldiger zijn geweest dan alle andere inwoners van Jeruzalem?" Zijn antwoord is klip en klaar: "Geen sprake van!"

 

En zo is het natuurlijk inderdaad veelgeliefden: Het is niet gezegd dat degenen die níet in de schijnwerpers van de ramp staan, die níet zijn getroffen, die de dans zijn ontsprongen, dat op hen niets zou zijn aan te merken en dat zij vrijuit gaan. En omgekeerd: zij die de pineut zijn en die ten onder gaan, zij zijn niet per se slechter, in alle opzichten, dan de andere mensen die in de luwte, van de publiciteit en anderszins, blijven. "De hele schepping kreunt en lijdt onder barensweeën" schrijft Paulus in de Romeinenbrief[13]. De aarde schokt. En ook in de samenleving en in de kerk zijn er dat soort schokken, is er pijn omdat er altijd beweging in zit. Wij staan met z'n allen niet stil. Zoals het goede, geven mensen ook het kwaad aan elkaar door. We worden ermee opgezadeld en we zadelen er anderen weer mee op. Er is een interactie. Elke mens is zelf verantwoordelijk voor zijn en haar doen en laten. Maar iedereen is óók het produkt van ouders en van de religieuze en andere voorstellingen en ideeën die in een samenleving leven. En elk leven en elke samenleving brengt z'n eigen ondeugden voort. Op lichamelijkheid en seksualiteit rustte vroeger vanwege de kerk een groot taboe zegt men. Over dat alles lag de doem van de zonde. Inmiddels is in de samenleving het deksel wat dit betreft duidelijk van de pot, zijn lichamelijkheid en seksualiteit "vrij" en vaak, zeg maar, "in de uitverkoop": Overal wordt in het volle licht alles getoond en kunnen mensen op dat vlak ook duidelijk de weg kwijtraken. En díe samenleving klaagt nu de paters en de priesters aan, zodanig dat het idee van seksueel misbruik wat hen betreft bijna beeldbepalend lijkt te zijn geworden. Ik denk: laat die samenleving, laten mensen daarbinnen, laten de journalisten die, ook die van "de kwaliteitskrant", soms érg hoog van de toren kunnen blazen en die in hun berichtgeving de zorgvuldigheid gemakkelijk uit het oog kunnen verliezen en die ook een sfeer van sensatie kunnen creëren waarin mensen kunnen gaan zwelgen; laat die samenleving, allen die er deel van uitmaken, bijvoorbeeld ook de journalisten; laat men ook naar zichzelf kijken ...   

 

De normen van vroeger en de normen van nu. Zie er je weg maar in te vinden. Lichamelijkheid en seksualiteit, zie er binnen de context van je eigen leven maar eens goed vorm aan te geven. Dat is niet altijd zo'n eenvoudige zaak denk ik. "Als u zich niet bekeert, zult u allemaal, net als zij, omkomen" zegt Jezus. Met andere woorden: al het onheil dat gebeurt en dat wordt aangericht, bijvoorbeeld op het vlak van seksueel misbruik, mag voor ons een aanleiding zijn om ons eigen hart te onderzoeken en eventueel te reinigen. "Verbeter de wereld, begin bij jezelf". De spreuk van de Bond Zonder Naam blíjft ijzersterk.

 

Soms kan een mens zich zo ontmoedigd voelen dat hij of zij geneigd is om het geloof, de kerk of wat of wie dan ook maar op te geven. Wij kunnen geneigd zijn om elkáár op te geven. Hak de vijgenboom maar om! Het is over. Ik laat me uitschrijven. Ik geloof niet meer. We hebben gehoord hoe Jezus ervoor pleit daar toch voorzichtig mee te zijn en om de grond rond de boom toch nog eerst nog maar eens om te spitten en te bemesten. Wie weet kan het toch opnieuw nog weer wat worden met de Kerk, met de mensen, met U, met mij. Misschien is het mogelijk om het vuur van Gods Heilige Aanwezigheid weer op nieuwe wijze te gaan ervaren. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 28 februari 2010, de tweede zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesia (15, 5-18), uit de brief aan de Filippenzen (3, 17-4,1) en uit het Lucas-evangelie (9, 28-36).

 

"Ik ga zondag naar de kerk, ga je mee?" schreef mij afgelopen week per e-mail een vriendin, ex-katholiek. Eigenlijk opgetogen, want de wonderen zijn de wereld nog niet uit, maar toch ook al rekening houdend met een addertje onder het gras schreef ik terug: "Ik val van m'n geloof! Als 't naar de Vredeskerk in Amsterdam is: ja! (ik heb dus dienst)", waarop weer als antwoord kwam: "Neeeee (met vijf "e" 's) ....... naar 's Hertogenbosch en dan laat ik me zo'n roze driehoekje opspelden."

 

U weet het, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: Leiden is weer in last of liever gezegd, de hele natie staat bijkans weer op z'n achterste benen omdat twee weken geleden in het Noord-Brabantse Reusel de pastoor van de parochie tegen de prins-carnaval van het plaatsje heeft gezegd, dat hij in de carnavalsmis niet ter communie mocht gaan omdat hij samenleeft met een vriend. De bisschop van Den Bosch steunt de pastoor in dat oordeel en daarom zit de Sint-Jan in de Brabantse hoofdstad op ditzelfde moment vol met homoseksuele mannen en vrouwen en sympathisanten zoals de voorzitster van de Partij van de Arbeid. Uit protest. Vanwege de discriminatie. En er zal om die reden in de mis vandaag geen communie worden uitgereikt heeft men al laten weten.

 

Wat één en ander extra wrang maakt is dat juist in de afgelopen weken er weer vele berichten zijn geweest over priesterlijk seksueel misbruik van minderjarigen, óók in Nederland. Meestal gaat het om misbruik dat al tamelijk lang geleden heeft plaatsgevonden, maar toch ... De journalist Gerard van Westerloo heeft een boekje geschreven met als titel De pater en het meisje[14] over seksueel misbruik, rond 1960, door een pater Marist van zijn zus Tineke, een dame van in de zeventig nu. Dat misbruik heeft zich afgespeeld binnen onze parochie. De broeders van Huijbergen, die de jongensscholen van de parochie bestierden en het destijds bekende jongenskoor leidden, hebben op dit vlak ook géén onbevlekt blazoen, zo blijkt in dat boekje. Ja, dierbare gasten en parochianen, we staan er als kerk weer eens gekleurd op: Enerzijds zo'n lieve jongen als de prins-carnaval van Reusel, 23 jaar oud, die de stem van z'n lichaam en van z'n hart volgt, de maat meten en anderzijds kerkelijke bedienaren die zich schuldig maken aan het "weerzinwekkende misdaad", om paus Benedictus te citeren, van kindermisbruik. Maar de kerkleiding heeft zélf boter op 't hoofd omdat men meestal volstrekt inadequaat heeft gereageerd op situaties van misbruik die aan diezelfde kerkleiding werden voorgelegd. Misbruikplegers werden veelal overgeplaatst en begonnen op de nieuwe plek soms/veelal opnieuw.

 

Wat moeten we ermee?

 

Gistermorgen hadden we in de andere parochie een vergadering over de viering van de zondagsliturgie. Geen eenvoudig onderwerp. De ideeën die mensen daarover hebben kunnen nogal verschillen en dat kan tot veel opwinding leiden. Tegen het eind van de vergadering zei een oude, maar heel wakkere en montere dame: "Ik denk: als Jezus hier toch eens bij ons naar binnen zou kunnen komen. Wat zou Hij er dan van vinden?" Een hartekreet. Woorden van goud uit een hart van goud. Ik heb die dame met haar woorden gecomplimenteerd en haar gezegd: "Mét dat je dit zegt gebéurt het ook en kómt Jezus binnen." Ja dat geloof ik. En ik citeer haar woorden nu ook vandaag in verband met dat probleem van die communieweigering enerzijds en dat priesterlijk seksueel misbruik en medeplichtige kerkelijke autoriteiten anderzijds. Kwam Jezus hier nou maar binnen. En: wat zou Hij er van vinden en van zeggen?"

 

We hebben over Jezus net gehoord in Paulus' brief aan de Filippenzen: "Broeders en zusters", zo schrijft hij, "volg mijn voorbeeld en kijk naar hen die zich gedragen naar het voorbeeld dat wij u gegeven hebben. Want velen leiden een leven - ik heb u al vaak over hen gesproken maar nu herhaal ik het onder tranen - als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is hun ondergang, hun god is hun buik, ze stellen hun eer in schande, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse. Maar óns vaderland is in de hemel, vanwaar wij ook onze redder verwachten, de Heer Jezus Christus." Paulus durft! Hij durft zichzelf en mensen die leven zoals hijzelf ten voorbeeld te stellen aan de christenen van Filippi. Dan moet je wel echt overtuigd zijn van je eigen morele integriteit en voortreffelijkheid ... En dan zet Paulus zich af tegen degenen die een leven leiden "als vijanden van het kruis van Christus", mensen voor wie hun buik hun god is en die hun zinnen zetten op het aardse. Wie bedoelt hij? En, getransponeerd naar onze dagen: wie zouden daar nú onder vallen? Mensen die te veel eten en andere verslaafden? Margot Käsemann die is afgetreden als protestantse bisschop van Hannover omdat ze na te veel gedronken te hebben door rood licht is gereden en werd aangehouden? Priesters en kloosterlingen die seksueel misbruik plegen? En hoe zit het met de prins-carnaval van Reusel? En hoe zit 't met de pastoor van Reusel en met de bisschop van Den Bosch en met U en met mij? Wie blijft er qua levenswijze binnen de christelijke boot en wie valt er buiten?

 

Het kan geen kwaad veelgeliefden, zo dunkt mij, om het je af te vragen, op de allereerste plaats wat je zelf betreft: Lééf ik goed in het licht van Christus' kruis? Uit liefde heeft Hij zichzelf gegeven aan onze wereld, voor alle mensen, dus ook voor mij. En hoe zit het dan met mijn wederliefde? Geef ik óók mijzelf, liefdevol, zelfs als dat moeite, lijden en pijn met zich meebrengt? Of ben ik er eerder op uit om van mijn eigen leven een warm dan wel lauw bad te maken en loop ik met een grote boog om de problemen, de ellende en de nood van mijn medemensen heen? Ik denk: als we het over Christus en Zijn kruis hebben, dan gaat het om dat soort vragen.

 

In het evangelie van deze zondag is Jezus zelf opnieuw ons leven binnengewandeld. In gedachten hebben wij met Hem en enkele van Zijn leerlingen de berg bestegen. De chaos, de malaise, de vuiligheid, de rotzooi, de verschrikkingen en vernederingen van deze wereld laat Hij en laten wij mét Hem even achter ons. Wij zien Hem bidden. Zijn uiterlijk verandert. Zijn kleren worden stralend wit. Dat is het gebed veelgeliefden. In het gebed worden wij getransformeerd, veranderen wij van gedaante. In het gebed kun je licht zíen en kun je licht wórden. En in het gebed zijn er geen grenzen van ruimte en tijd. Jezus is in gesprek met Mozes en Elia, twee richtingwijzende figuren voor en in het geloof van Israël, het joodse volk waartoe Jezus behoort. Met hen spreekt Hij "over Zijn heengaan (...), de voleinding van Zijn leven in Jeruzalem." Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt is het woord "exodus", dat betekent: uit-weg.

 

Ook voor ons, veelgeliefden, is dat een vraag: Waar is voor ons de uit-weg? Hoe ontkomen wij, hoe ontsnappen wij aan de ééndimensionaliteit van ons bestaan? Hoe ontkomen, hoe ontsnappen wij uit het doodlopende straatje waarin wij met ons leven, zelfs binnen onze kerk (denk aan Reusel, denk aan de Sint-Jan op dit eigenste moment) terecht kunnen komen? Ach veelgeliefden, de Heer is ons midden, Jezus is erbij. Maak je leven eenvoudig vast aan het Zijne en die uitweg is er, je ziet hem, je vindt hem, je gáát, met Hem, die weg. Dus maak je dan verder geen zorgen. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 21 februari 2010, de eerste zondag van de Veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Deuteronomium (26, 4-10), Psalm 91 (ged.), uit de brief aan de Romeinen (10, 8-13) en uit het Lucas-evangelie (4, 1-13).

 

Onze kerk en meer specifiek: het "personeel" ervan (priesters, bisschoppen, paus), heeft de laatste weken in de media weer zwaar onder vuur gelegen. In de krant verschenen allerlei artikelen over seksueel misbruik in Ierland en op een college van Jezuďeten in Berlijn en ook: recensies van een nieuw boek van de journalist Gerard van Westerloo over het seksuele misbruik door een priester van zijn zus[15]. Die situatie heeft zich afgespeeld in ons eigen stadsdeel. En dan heeft vorig weekend de pastoor van het Noord-Brabantse Reusel geweigerd de communie te geven aan Gijs den Urste, de prins carnaval van het plaatsje, een lieve jongen van 23, die samenwoont met zijn vriend.

 

De teneur van de berichtgeving en van allerlei commentaren op de diverse situaties, onder andere, op hoge toon, door Huub Oosterhuis[16], ook van hier, is ongeveer deze: Mensen die luisteren naar de stem van hun lichaam en van hun hart meten "ze" (de mannen van de kerk) de maat en maken ze het leven zuur en intussen knijpen ze zelf de kat in het donker. De katholieke moraal leidt tot onmogelijke, tot onleefbare situaties - óók voor degenen die diezelfde moraal verkondigen dan wel geacht worden te verkondigen. De kerk deugt niet. De moraalleer van de kerk deugt niet. De mannen van de kerk deugen niet. Het celibaat deugt niet. In niet mis te verstane bewoordingen, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, wordt ons als kerk in de media voortdurend de wacht aangezegd - nu al tientallen jaren lang eigenlijk.

 

Het is, gezien de massiviteit van dat aanhoudend "j'accuse", van de aanklacht, eigenlijk een wonder dat er in Nederland nog altijd kerkgaande katholieken zijn. Wat moeten die mensen toch? Weten ze soms niet beter?

 

We mogen het ons, dierbare gasten en parochianen, inderdaad zélf ook afvragen: Wat houdt ons hier? Wat boeit ons, ondanks alles, tóch in het katholiek-christelijk geloof en in onze kerk? Wat geeft het ons? Wat hebben wij er aan? En vandaag, meer specifiek: Wat hebben wij aan die periode van veertig dagen die voorafgaat aan Pasen, periode die wij "de Vastentijd" noemen? Wat is het wezen daarvan? En hoe kunnen wij daar zelf, in onze tijd vorm aan geven?

 

In het evangelie van deze zondag hoorden wij hoe Jezus na Zijn doop veertig dagen in de woestijn bleef. Hij is "vol van de heilige Geest", "in geestvervoering" zo hoorden we. En Hij zoekt dan de eenzaamheid op. Hij zoekt de stilte op. Hij onthoudt zich van voedsel. En dan krijgt Hij te maken met wat "de duivel" wordt genoemd: een geheimzinnig figuur, een stem die klinkt in Hemzelf of die, wie weet, ook van buiten Hem op Hem afkomt, een stem die Hem tracht te verleiden. Het zijn "almachtsfantasieën" zou je kunnen zeggen waar het om gaat. Het gaat om de verleiding van te gaan denken dat je alles naar je hand zou kunnen zetten en alles zou kunnen beheersen, dat eigenlijk de hele wereld om jou zou kunnen draaien, dat jijzelf de maat van alle dingen bent en dat jóu niets kan overkomen. In één woord samengevat zouden we het "hoogmoed" kunnen noemen - nog altijd een verleiding denk ik, ook voor ons in deze tijd: jouw perspectief, het mijne, is het enig belangrijke en het enige ware.

 

Maar Jezus is voor zichzelf niet het centrum van het heelal. Dat is God, dat is Zijn Vader. En Hij kent die God doordat Hij de Schrift kent, Jezus. Hij kent die uit z'n hoofd, a coeur zeggen de Fransen: die zit in z'n hart, de Schrift. Hij heeft met die Schrift, met de woorden ervan, een affectieve relatie. Hij is ervan doordrenkt. Hij is er vol van. En door die Schrift heeft Jezus als mens weet van heilige grenzen die er zijn en die Hij en elk mens in acht zou dienen te nemen. "Niet van brood alleen leeft de mens": Leven is méér dan wat je kunt zien en aanraken en kunt pakken en opeten. Minstens zo belangrijk als het brood dat je eet zijn Gods woorden, is Zijn belofte. En de grootste vreugde in het leven bestaat er in om ten diepste Hem te dienen en te aanbidden en niemand anders. En je moet behoedzaam, aandachtig en zorgvuldig met God omgaan. Daag Hem niet uit! Met zulke inzichten, met zulk weten lééft Jezus. Hij is geworteld in God, en daardoor staat Hij sterk tegenover alle stemmen in en buiten Hem waarvan God niet de bron is en die ook anti-God kunnen zijn. Jezus is geworteld in God. En dat is Zijn redding. En daardoor is Hij Zélf onze Redder, omdat wij door, met en in Hem in diezelfde God geworteld kunnen zijn of kunnen raken, steeds sterker wellicht.

 

Wij zijn hier in de kerk. En hoewel er in de kerk heus het nodige niet deugt en de mensen, de mannen én de vrouwen van en in de kerk geregeld níet deugen omdat wij nu eenmaal mensen zijn, wij ontvangen hier wél Gods Woord. Wij ontvangen hier Jezus Christus. En dat is goed. Gods Woord is goed. Jezus Christus is goed. Daarvan ben ik heilig overtuigd. En wie zich in deze veertigdaagse vastentijd als in een soort woestijn van al het overbodige probeert los te maken om zich op Gods Woord, op Christus te concentreren, Hem tracht te ontmoeten in de stilte, in de eenzaamheid van het eigen hart en natuurlijk ook in en tussen de mensen, die geeft mijns inziens een goede invulling aan deze veertigdaagse Vastentijd. En alle stemmen die ons in de media of waar of door wie dan ook op andere gedachten willen brengen, daar moeten we ons mijns inziens niet door laten leiden. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 24 januari 2010, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Nehemia (8, 1-12), Psalm 19, de eerste brief aan de christenen van Korinthe (12, 12-29) en uit het Lucas-evangelie (1, 1-4 + 4, 14-21).

 

"Un gran show" - "een grote show". Ik hoor het padre Romano uit Saő Paolo nóg zeggen. En ik zie ons nóg staan. Vanuit een loggia hóóg bovenin het klooster van Sant'Anselmo dat bovenop de Aventijn ligt, één van de zeven heuvelen, keken wij uit over het nachtelijke Rome. Padre Romano en ik waren daar allebei student in 2003. Op een zaterdag waren wij samen opgetrokken en we hadden allerlei kerkelijke dingen meegemaakt en toen zeí hij dat, padre Romano: "C'č un gran show", "het is een grote show" - dat Rome met al die prelaten: kardinalen en bisschoppen, gewone priesters, paters, zusters en andere gelovigen. We hebben er eens flink om gelachen daar boven in die loggia.

 

Gisteren was ik in Breda bij een priesterwijding. Bescheidener dan in Rome uiteraard maar toch: ook daar konden we weer getuige zijn van een stukje van die grote show. Altijd in zulke omstandigheden moet ik aan de woorden padre Romano denken. Ook in Breda wemelde het van de priesters met hun witte boordjes, in hun lange gewaden, met hun mooie priesterstola's, knielend, buigend, elkaar op hun zonnigst begroetend. Zien en gezien worden. Dat is wat er in zo'n situatie gebeurt. En wat gaat er om in al die priesterhoofden en -harten? Wat leeft daar? Oprechte vroomheid ongetwijfeld of minstens het verlangen daarnaar, oprechte belangstelling vóór, gevoelens van toegenegenheid en vriendschap ten aanzien van de collega's of ten aanzien van bepáálde collega's, maar ook: afkeuring en afkeer van collega's, jaloezie, vormen van haat misschien zelfs, carričrezucht, verlangen naar bevestiging, vooral van de zijde van bisschoppen en alle flemerigheid die daar het gevolg van kan zijn. Het klinkt misschien allemaal wat scherp, maar ook sporen dáárvan meende ik waar te nemen gisteren daar in de kathedraal van Breda. Ik nam het waar in elk geval bij mijzelf, in mijn eigen priesterhart- en hoofd. Nee, veelgeliefden, niets menselijks is ook de priester vreemd. En de werkvloer van de kerk, al is het ook de verheven werkvloer van het priesterkoor van een kathedraal; de werkvloer van de kerk lijkt zonder meer op die van elk ander bedrijf, van elk kantoor en elke andere instelling. Het hoogste en het laagste dat in en tussen mensen omgaat en gebeurt, je komt het overal tegen, óók in de kerk dus.

 

Maar waaróm hier vandaag over uitwijden? Mooie introductie voor de doop- en vormselkandidaten! denkt U misschien wel. Wat zullen ze niet denken? Waar kom ik in godsnaam in terecht? Waar ga ik mij aan verbinden? Kan ik niet beter rechtsomkeert maken? Je maakt het ze tégen door zo te spreken!

 

Ach ja, dierbaren gasten en parochianen van deze Vredeskerk. Zelf denk ik: het is maar beter om je ook over de kerk van meet af aan maar geen enkele illusie te maken. Want dan kan het in tweede of derde instantie ook niet tegenvallen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Dus ik wáárschuw onze doop- en vormselkandidaten en iedereen hier: Maak je over de kerk géén illusies. Mensen ín de kerk zijn in principe helaas geen háár beter dan buíten de kerk.

 

Heel duidelijk spreekt dát als achtergrond uit de tweede lezing die we vandaag hoorden, die uit de eerste brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinthe. Paulus vergelijkt daarin de gemeenschap van de christenen met een lichaam. Oog en oor, hand en voet en ook "de edele delen": we hebt het allemaal nodig. Zo hebben we, opdat de kérkgemeenschap goed functioneert ook mensen nodig met uiteenlopende kwaliteiten. Paulus heeft het over "apostelen", "profeten" en "leraren" en ook over mensen die "wonderen doen", die "genezen", die "helpen", "besturen" en die "in talen spreken". Als we dat vertalen naar onze omstandigheden, dan denk ik aan de leden van het parochiebestuur, aan de mensen die de kerk schoonmaken, de bloemen schikken, de liturgieboekjes maken, ik denk aan de bisschoppen, ik denk aan de mensen die in de kerk op authentieke wijze iets van God openbaren, ik denk aan de mensen die doop- en vormselkandidaten begeleiden en aan de mensen die in ons midden echt heilzaam aanwezig zijn, mensen van wie je blij en gelukkig wordt én ik denk aan de mensen die goed zijn voor hun alleenstaande, ongelukkige, zieke buurvrouw. En ga zo maar door. We hebben al die mensen nodig. En wat de één kan, dat kan de ander niet per se. En wat de één mág doen, dat mag de ander niet per se. Want de kerk heeft daarvoor allerlei regels en wetten: over wie bepaalde dingen wel en niet mag doen. In de beschrijving van de kathedraal van Breda van zoëven kan het U mogelijk weer erg getroffen hebben: De Roomse kerk is een mannenbolwerk. Vrouwen komen er in de kerkleiding en de liturgie vaak nauwelijks aan te pas. Een charmante dame met hoge laarzen aan was gisteren lector. En daarmee was ze de enige vrouw die op het priesterkoor "iets deed" temidden van al die mannen in de wierook. Met een knipoog naar Paulus kun je dan uit de lezing van vandaag nog dat zinnetje aanhalen: "die lichaamsdelen die wij beschouwen als minder eerbaar, eren wij des te meer". Moeten we daarbij soms aan al die heren-op-het-priesterkoor denken? Nou aan díe implicatie zal Paulus wel niet gedacht hebben bij het schrijven van zijn brief, maar toch ... één ding is duidelijk: Er werd in Paulus' dagen duidelijk gemord in Korinthe binnen de kerkgemeenschap. Er was bij sommigen duidelijk onvrede over "wie wat deed". Sommigen voelden zich duidelijk ondergewaardeerd en ten achter gesteld bij anderen. En Paulus zegt dan: Kijk goed naar het menselijk lichaam. Daarin doet ook niet elk orgaan álles. Ook voor de kerk geldt: Doe daarin alleen dátgene wat werkelijk op jouw weg ligt en werkelijk bij jóu past én wat jou ook wordt toegestaan.

 

En trouwens, veelgeliefden, daar gaat het natuurlijk ten diepste helemaal niet om in de kerk, om "wie wat doet". Want als kerk zijn wij op God gericht. Hij moet tot Zijn recht komen in de kerk. Dáár gaat het om. Prachtig, in de eerste lezing uit het boek Nehemia, hoe de priester Ezra urenlang, "vanaf de dageraad tot de middag" staat er; hoe hij voorlas uit het boek van de leer van Mozes. Prachtig zoals wij horen dat "het volk aandachtig luisterde" en hoe de mensen enthousiast worden, hoe zij "hun handen omhoog staken en hun hoofd bogen". Prachtig zoals er staat dat de medewerkers van Ezra óók "lazen uit het boek van Gods leer, het uitlegden en de betekenis verklaarden, zodat iedereen de lezing begreep." Prachtig zoals er staat dat "het hele volk in tranen was uitgebarsten toen het de woorden van de leer hoorde" en hoe er vervolgens op last van Ezra uitbundig feest gevierd wordt met zoete drank en al. Prachtig zoals in het evangelie in de synagoge in Nazareth "alle ogen" op Jezus gericht zijn als Hij de profeet Jesaja voorleest en dan zegt: "Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan". Vandaag is het werkelijkheid geworden. Welk schriftwoord? Dat over die armen die de goede boodschap horen, dat over de gevangenen aan wie hun vrijlating wordt aangekondigd, dat over blinden die licht krijgen in hun ogen, dat over verdrukten die in vrijheid mogen gáán. Dáár gaat het om veelgeliefden. "Goede nieuws", "vrijheid" en "licht" zijn de sleutelwoorden. Goed nieuws, vrijheid en licht die de armen, de gevangenen en de blínden zelfs, of nee: juíst zij, kunnen zien en ervaren. Binnen onze samenleving maken wij ons bijvoorbeeld erg druk en ongerust over de almaar toenemende criminaliteit. Er moet steeds langer en harder gestraft word. Dáár wordt om geroepen. Maar ik denk: als wij met z'n allen, zoals de mensen verzameld rond de priester Ezra in de eerste lezing en rond Jezus in de evangelielezing en zoals gisteren in de kathedraal van Breda rond die zeer capabel lijkende bisschop van den Hende en zoals we nu hier verzameld zijn; als we aldus met z'n allen op één punt, op God gericht zijn, luisterend naar Zijn Woord, als wij luisteren, met name, naar hoe dat Woord klinkt en vlees en bloed geworden is in Jezus; als wij daar zélf naar luisteren en ons er door laten ráken tot in onze diepste vezels, tot in onze vingertoppen, tenen en kruin, als dat Woord dan onze soms zo troebele gedachten reinigt en ons verandert en tot betere mensen maakt en als wij daardoor ook andere mensen bewegen om naar datzelfde Woord van God te gaan luisteren, dan zullen gevangenissen en straffen uiteindelijk helemaal niet meer nodig zijn, omdat mensen, wij, dan alleen nog maar zullen verlangen om waar, oprecht en goed te leven.

 

"C'č un gran show" - "het is een grote show". Ik vind het voor mezelf goed en bijdragen aan mijn geestelijke gezondheid door af en toe aan zo'n "grote show" als gisteren in Breda deel te nemen. Want hier sta ik voortdurend op deze plek en ben ik toch een soort haantje ook. Maar bij zo'n gebeurtenis als gisteren ervaar ik heel sterk: Je bent er maar één van de velen. En je neemt temidden daarvan maar een bescheiden plaats in. En: het gaat allemaal niet om jóu - al kan een mens soms wel geneigd zijn om te denken. Nee, samen zijn we gericht op iets anders, op de Andere, op de Eeuwige die Licht is en Liefde. De grote show, hier en in Breda, in Rome en destijds misschien ook zelfs in Jeruzalem en Nazareth. Er is een buitenkant. De dingen van het geloof moeten nu eenmaal op een bepaalde manier vorm krijgen. Maar het eigenlijke gebeurt van binnen. Móge het gebeuren. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 3 januari 2010, hoogfeest van de Openbaring des Heren, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (60, 1-6), Psalm 72 (ged.), uit de brief aan de christenen van Efeze (3, 2-3a.5-6) en uit het Mattheü-evangelie (2, 1-12).

 

Iemand gaf mij na afloop van de mis op Nieuwjaarsdag een ei. "Happy New Year 2010" stond er op. Een ei - vruchtbaarheid. "Dat je een vruchtbaar jaar mag hebben." Dat is denk ik wat de gever van dat ei mij met dat geschenk wilde zeggen. Later op de dag, bij de uitgang van het Concertgebouw, na het bezoeken van de gemeentelijke Nieuwjaarsreceptie, kreeg ik een fluoriscerende band om de mouw van mijn jas geklikt. "Dat je veilig mag gáán, nu weer het donker in. Dat je een verkeersveilig 2010 mag hebben. Neem je verantwoordelijkheid daarvoor." Dat is de boodschap die de gemeente Amsterdam mij en alle andere bezoekers van de Nieuwjaarsreceptie wilde meegeven mét dat geschenk van die fluoriscerende band.

 

Mensen houden ervan om elkaar cadeautjes te geven. En een góed geschenk, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk; een goed geschenk zegt iets wezenlijks óver en áán de ontvanger van dat geschenk. Én het zegt iets over de gever van dat geschenk zélf. Zeg me wat je geschenken zijn en ik zeg jou wie jij bent.

 

De wijzen uit het oosten, vandaag op bezoek bij de pasgeboren Jezus, zij geven hem goud, wierook en mirre: " 't Goud is de koning toegewijd,/de wierook prijst Gods majesteit,/maar, ach, de mirre, zij beduidt/dat eenmaal Hem het graf omsluit."[17] Kostbare, betékenisrijke geschenken zijn het. De wijzen drukken er in uit wie Jézus is én wie zij zelf zijn, want, zoals gezegd, het goede geschenk is trait d'union tussen gever en ontvanger, het verbíndt beiden. Ze zien, de wijzen, Jezus' koningschap. Ze zien God in Hem. En de mirre is profetisch ten aanzien van Jezus' dood, Zijn dood die de apotheose zal zijn van Zijn leven; Zijn dood waarin Hij zich ten volle zal geven voor het leven van de wereld; Zijn dood die zal blijken te zijn: Zijn grootste geschenk aan ons. Goud, wierook en mirre, de geschenken waarmee de wijzen tegelijk uitdrukken de adel van hun eigen hart, hun bíddend hart en hun eigen sterfelijk mens-zijn.

 

Hebt U gisteravond op Nederland 1 Theo Maassen gezien? Zijn laatste conférence, "Zonder pardon" is de titel. Een mitrailleurvuur van woorden waarin Theo zijn eigen bestaanservaring en die van zijn landgenoten en van vooral uiteraard zijn leeftijdgenoten onder hen tot uitdrukking brengt. Geniaal. Arrogant. Macho. Banaal. Grof. Provocerend. Schokkend - als in deze tijd ons nog iets schokken kan ... Hij laat ook z'n aardige kanten zien - om ze steeds weer genadeloos onderuit te halen en weg te maaien. En hij is natuurlijk wanhopig. "Het leven is een experiment. En ik ben zelf het proefkonijn" zegt hij. Het proefkonijn Theo Maassen dat zichzelf aan z'n eigen haren (nou ja, die heeft hij niet; aan z'n eigen gemillimeterde kop) omhoog tracht te trekken. Maar in wezen rent hij, Theo, in al z'n genialiteit, steeds hetzelfde rondje, zoals een diertje in z'n kooi, zoals een konijn in z'n rennetje. Een mens kán zichzelf niet redden. Wij kúnnen onszelf niet redden veelgeliefden. Die redding moet van elders komen.

 

En dit is ons geloof: dat in Jezus Christus God Zélf Zijn verlossende hand naar ons heeft uitgestrekt. Híj is de Redder. Híj is de Verlosser - van Israël, van alle volken, van alle mensen. Dat is wat de wijzen uit het oosten in Hem zien. Jezus kan mensen verlossen. Hij kan voor ons het kooitje, het rennetje openen. Hij hééft dat feitelijk gedaan in en door Zijn menswording en Zijn leven, in Zijn woorden en Zijn werken, in Zijn lijden, in Zijn sterven, in Zijn verrijzenis en in Zijn Geest die Hij heeft gegeven aan Zijn kerk, aan de mensen die samen Zijn kerk vormen, Zijn lichaam, de gemeenschap van mensen waarvan Hij het hoofd is. Jezus hééft de mensheid daarin en daardoor verlost. Het kooitje, het rennetje stáát open. Maar je moet het natuurlijk wel zien. En je moet er natuurlijk wel zélf uitlopen, de vrijheid in, de oneindige ...

 

En hoe doe je dat dan, veelgeliefden? Hoe gaat, in concreto, dan in z'n werk? Nou, door Jezus op te eten. "Betlehem" betekent "huis van brood", "broodhuis". En dát is Hij dan ook precies voor ons geworden Jezus: brood. En wijn. "Om op te eten". Mensen zeggen dat soms over een kind en met name over een zuigeling. Theo Maassen had het er nog over gisteravond op de t.v. Hij is pas vader geworden. Nou veelgeliefden, Jezus kún je dus opeten. Maar Hij gáát nooit op. Hij wordt er niet minder van als jij Hem opeet, Hij wordt er alleen maar méér van. Want Hij zit dan ook in jou. En Hij werkt dan ook ín en dóór en via jou.

 

De wijzen uit het oosten geven Jezus hun geschenken. En het weggeven aan Hem van die geschenken maakt hen niet armer. Nee, integendeel, het maakt hen rijker. Want de Jezus die ze gevonden hebben, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor ons en voor alle mensen, Hij is voor hen een onuitputtelijke rijkdom die ze gratis en voor niets krijgen. Hij bevrijdt hun hart. En Hij maakt het vol. "Zij werden vervuld van overgrote vreugde" zo staat er. En die vreugde zal niemand hen meer kunnen ontnemen en ook ons niet, hopelijk.

 

Dat wil zeggen, veelgeliefden: soms voelen we ons niet zo. Mensen, ook christenen, kunnen zich benauwd en angstig en ook beróófd voelen. Gisteravond nog sprak ik met een mevrouw bij wie er net was ingebroken. Bij haar was niet iemand, een wijze of zo, goud komen bréngen.  Nee, iemand, een onbekende, was het komen hálen - sieraden met name die ze van haar overleden man nog heeft gehad. "Ik ben boos" zei ze. "Ik ben zó boos." Ja, dat kunnen we ons voorstellen. Dat is heel menselijk. Ik zou het zelf denk ik ook zijn, boos, in zo'n situatie. Maar hoe diep gaat zo'n boosheid bij ons veelgeliefden? Niet al te diep hoop ik. Want wij hebben Jezus. Hij is ons komen verlossen. Hij is onze Heer. Híj is onze rijkdom. En niemand neemt ons díe af. Amen.

 

 

VERKONDIGING op Nieuwjaarsdag 2010, hoogfeest van de Moeder Gods en wereldgebedsdag voor de vrede, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Numeri (6, 22-27), uit de brief aan de Galaten (4, 4-7) en uit het Lucas-evangelie (2, 16-21).

 

2010. Een nieuw jaar, een nieuwe preek. Tjee, alwéér preken. Sinds het begin van het Kerstoctaaf héb ik dat reeds driemaal uitgebreid gedaan: in de nachtmis, op eerste Kerstdag én op de zondag onder het octaaf van Kerstmis, het feest van de Heilige Familie. En nu dus wéér. Opnieuw worden we uitgenodigd om de blik te richten op Bethlehem, op Het Kind in de kribbe, op de herders, op Jozef en vandaag vooral op Maria, want we vieren op deze octaafdag, de achtste dag van Kerstmis, het hoogfeest van de Moeder Gods. Het kan niet op. En alwéér preken. Maar wat valt er nog te zeggen? Valt er nog iets nieuws te zeggen? Kan dit nieuwe jaar 2010 ons soms iets nieuws nog brengen, iets dat we niet al kenden, iets dat we niet al wisten? Al tweeduizend jaar lang wordt er in de christelijke kerken gepreekt. Het is een oeverloze vloed van woorden die ook uit míjn mond komen. Maar wat hebben we er aan? Waar dienen ze toe? Nog toe?

 

Ach ja, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, het is zoals de heilige Teresa van Avila ergens zegt: Ik ben als een vogel. Ik zing steeds hetzelfde lied. Maar ik móet nu eenmaal zingen. Mijn Héer moet en wil ik bezingen. Ik kan niet anders.

 

Het eerste e-mailtje dat ik in dit nieuwe jaar ontving kwam van een mevrouw die pas haar man heeft verloren. Ze is van katholieken huize, maar beschouwt zichzelf al lang niet meer als "gelovig". Ze schreef mij nu: "Wij strompelen voort en doen ons best. Het zou préttig zijn als iemand daarboven ons gadesloeg, ons diepste wezen kende. Maar dat is een menselijke gedachte, voortkomend uit onze behoefte aan troost, appellerend aan onze diepe eenzaamheid, god als uitvinding van de mens, dat zoogdier dat de ratio aankan."

 

Ja, bij zulke woorden moet ik denken aan wat de onvergetelijke pater van Kilsdonk S.J., talloze jaren studentenpastor hier ter stede; aan wat híj ooit zei: "Als ik met een ongelovig iemand praat, dan is het net of ik mezelf hoor." Zo is het. Die woorden van die mevrouw die net haar man verloren heeft: ze zijn woord voor woord te begrijpen en méé te denken en méé te voelen. (...) En daar komen wíj dan aan met onze Moeder Gods. Geloven we daar in? Is het geen geloof tegen de klippen op? tegen echt héel veel beter weten in? Kán een zinnig mens zo'n geloof wel vólhouden? "Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden (...) Moge Hij zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken" - de woorden van de aäronitische zegen uit het bijbelboek Numeri, onze eerste lezing vandaag. Maar ís er áchter, bóven en ín onze ondermaanse werkelijkheid verborgen wel zo'n "gelaat". Is die werkelijkheid niet ten diepste totaal kil en gevoelloos? Dus kun je je nieuwjaarswensen niet beter beperken tot een nuchter "Gelukkig Nieuwjaar" of "de beste wensen"? Ís die "glans van het gelaat van de Heer die Hij over je mag spreiden" niet in wezen overbodige versiering en loze praat? En blijven we in onze kerken niet maar bezig met ons daarin te koesteren als in een warm bad? Maken we onszelf en anderen niets wijs? Praten we het onszelf maar áán c.q. sméren we het "de mensen", U, maar aan en kunnen we daar maar niet beter zo snel mogelijk mee ophouden? Ben ik een handelaar in oud roest? Kunnen we de tent niet beter sluiten en ons geld niet nuttiger en beter besteden?

 

Zo denken mensen. Zo denk ik. Het zit ook in mij.

 

Terug nu naar Bethlehem. Terug nu naar de stal en de kribbe, naar het Kind en Zijn Moeder. Daar zit zij, de Eeuwige Moeder. Het blijft een prachtig en een zeer troostrijk beeld. "Geboren uit een vrouw", ja dat zijn wij allen. Jezus vormde daarop geen uitzondering. Maar: "God heeft Zijn Zoon gezonden" schrijft de apostel Paulus óók in zijn Galatenbrief en dáár wringt hem de schoen, dát kunnen wij moeilijk of gewoon níet aannemen: zo'n buitenwereldlijke, zo'n buitenmenselijke oorsprong van een mens, van Jezus. Daar blokkeren wij. Daar stokt en staakt ons verstand. Daar kunnen wij niet bij.

 

Ja, dat kan voorkomen in ons leven, dat wij stilvallen, gelukkig wel. Zodadelijk na deze toespraak gaat tot mijn grote vreugde gezongen worden het "O suver Maeght van Israël", een Middeleeuws, Oud-Nederlands kerstlied, zeer meditatief. Tot mijn grote verdriet zal het maar heel gedeeltelijk gezongen worden waardoor we enkele prachtige inhoudsrijke strofen moeten missen: bijvoorbeeld die over Jozef die, nadat hij begrepen heeft dat Maria is bevrucht - maar niet door hem "peynsde in sinen gronde hem waer beter gheu(v)lucht". Je zíet Jozef peinzen "in sinen gronde", in het diepst van zichzelf. Dan, verderop in het lied: de engel die de hérders toespreekt: "Met groter anxticheyde worden si beu(v)aen". En dan zégt de engel: "laet v(u) gedachten staen/ende gaet tot bethleem binnen." "Laat je gedachten stáán". Geweldig. Een prachtige boodschap, ook in deze tijd: Laat je gedachten staan, laat ze toch in godsnaam eens staan. Of doe als Maria, in het evangelie van deze dag: die dacht er wél over na, over wat de herders dan op hun beurt weer zeiden - van angstige lieden zijn zij zelf engelen of apostelen geworden die de goede boodschap van de menswording Gods verkondigen! Maria dacht erover na, - maar haar nadenken was een bewaren van die woorden in haar hart zoals er óók over gezegd wordt. Woorden bewaren in je hart als een kostbare schat. Heerlijk. Prachtig.

 

Bij ons boven in de pastorie (en hiermee naderen we het einde van deze toespraak hoor!); daar hangt op de w.c. de schitterende "Münsterschwarzacher Bildkalender", een uitgave van de Benedictijner abdij van Münsterschwarzach in Beieren[18]. Eén van de monniken daar is de beroemde Anselm Grün. Op het laatste kalenderblad van 2009 vond ik van hem de volgende tekst die ik U graag méé het nieuwe jaar in geef:

 

"Voor de geestelijke traditie gebeurt het ervaren van God bij uitstek in het zwijgen. Door te zwijgen komt niet alleen de herrie in ons hart tot rust. Zwijgen betekent niet alleen dat ik mijn zorgelijke gedachten en mijn ergernissen loslaat, maar ook, dat ik ophoud om over God na te denken. De gedachten en beelden die ik heb over God zwijgen. Alleen dan, zegt Evagrius Ponticus, zullen we God erváren. Anders blijven we bij de gedachten over en bij de beelden van God staan en steken. Meester Eckehart heeft deze gedachte uit het vroege monnikendom verder ontwikkeld. Voor hem is het zwijgen het mooiste dat de mens kan doen. In de binnenkant van het zwijgen, waar nooit een gedachte komt, waar je geen plannen maakt en niet zit te broeden, waar je niet over andere mensen nadenkt en hen niet beoordeelt en waar je ophoudt een waardeoordeel over jezelf te geven, dáár wordt God in ons geboren. In het zwijgen laat je alles los. En juist dan, als jij je gedachten over God loslaat, dan laat God zich zien als de Nabije, als degene die in ons geboren wordt. In God ervaar ik dan wie ikzelf ten diepste ben."

 

Aldus Anselm Grün[19] - die spreekt vanuit de eeuwenoude traditie van het christelijk monnikendom. God is mens geworden in Jezus. Maria is Zijn moeder. Zij is de Moeder Gods. Daar kun je over nadenken. Je kunt zulke geloofsuitspraken bewaren in je hart. Maar op een rijtje krijg je het nooit helemaal. Je zult er nooit helemaal je vinger op kunnen leggen en achter kunnen krijgen. Op dit punt kunnen we alleen maar zwijgen. Op dit punt past alleen gelovige óvergave. En alleen zó vinden wij ons heil. Ik wens U een Zalig Nieuwjaar. Amen.

 

VERKONDIGING op 27 december 2009, Feest van de Heilige Familie, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Jezus Sirach (3, 2-14), Psalm 128, uit de brief aan de Kolossenzen (3, 12-21) en uit het Lucas-evangelie (2, 41-52).

 

Ja, ik moet bekennen, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftwel Obrechtkerk; ik moet bekennen, het is waar: Ik héb heimwee naar de Middeleeuwen, een tijd die reeds vér achter ons ligt, maar waarmee we, zeker als katholieken, in de kersttijd steeds weer nadrukkelijk geconfronteerd worden. Ik denk dan aan de vele kerstvoorstellingen die bij wijze van kerstwensen op de deurmat vallen. Ik denk aan de kerststal hier in de kerk en thuis. En ik denk aan de kerstliedjes die we in elk geval in de kerk nog zingen. Op mijn MP3-speler, ahum, staat een CD met Oud-Hollandse kerstliederen gezongen door Herman van Veen. Daar heb ik de afgelopen week met de sneeuw in de trein en ook gisteren nog, lopend door de historische binnenstad van Delft op weg naar mijn jongste zus waar "de familie" zich verzamelde; vele malen heb ik daarnaar geluisterd. Veel van onze kerstliederen en kerstvoorstellingen zijn middeleeuws of hebben middeleeuwse wortels en ik moet dus bekennen: Ik houd daarvan, ik heb er een "hang" naar. Waarom? Omdat die liederen en voorstellingen een kwaliteit hebben die je, die ík in elk geval in de huidige tijd vaak mis, een kwaliteit die ik "innig" zou willen noemen. Een ouderwets woord, innig. Het heeft te maken met "in", met: de binnenkant. "Innerlijk, inwendig, uit iemands binnenste" geeft het woordenboek als omschrijvingen en ook: vroom. In die oude liederen en voorstellingen kun je horen en zien: warme, gloedvolle liefde voor hetgeen of liever gezegd voor dégene die wordt of degenen die wórden afgebeeld en over wie gezongen wordt; liefde voor de pasgeboren Jezus, het "kindeke", voor Maria, voor Jozef, voor de herders, voor de engelen. "Devotie" is een ander, ook al zo ouderwets woord, voor die vorm van liefde. Devotie: "toewijding, opoffering", "wij willen geven, hart en geest en leven, venite adoremus." Je hart, je geest, je leven géven aan en voor Jezus, Maria, Jozef enzovoort. Kom daar maar eens om in deze tijd. Wie doet het nog? Wie waagt zich daar nog aan? Nee, zó hóóg geacht als in het kerstlied wordt de "Maged reine" niet meer, zo krijg je de indruk. Wie is daar nog mee bezig? Voor wie leeft dat nog? Wie lééft er nog echt met Jezus, met Maria, met Jozef? Wie staat met de verschillende personen die samen de Heilige Familie vormen nog in levendige betrekking? Wie communiceert daar werkelijk mee? Nou, wij dus. De kerkgangers, die zoeken dat op de één of andere manier denk ik. Maar gemakkelijk kun je jezelf daarin en daarmee, met een knipoog naar het evangelie van deze zondag, "een vreemdeling in Jeruzalem" voelen. Eilandjes van (pogingen tot) geloof temidden van een zee van ongeloof en onverschilligheid. Het klinkt misschien wat scherp en bitter, maar zo is toch wel onze positie als kerk en als christenen in de huidige samenleving. Zo beleef ík het tenminste.

 

Wat moeten we ermee? Hoe daarmee om te gaan? Nou, ik zou zeggen: Laten wíj het in elk geval niet óók nog opgeven. Laten wij in elk geval het kostbare dat wij aan geloof hebben ontvangen én aan manieren om dat geloof voor onszelf en met elkaar vorm te geven; laten wij de grote kostbaarheid daarvan in elk geval koesteren en zo nodig opnieuw cultiveren. Het kan zijn dat we "dingen", geloofspraktijken, zijn vergeten of kwijtgeraakt waar je een vraagteken bij kunt zetten of dat achteraf gezien wel zo gelukkig is geweest, ja of wijzelf er gelukkiger van geworden zijn door bepaalde devoties met name los te laten. De regelmatige kerkgang, ook door de week, het bidden van de rozenkrans, de aanbidding van Jezus Christus in het Heilig Sacrament, het in gezinsverband samen zingen van kerstliederen en ander religieus reportoire passend bij de tijd van het jaar. Ik denk veelgeliefden: het zijn allemaal manieren om het heilig vuur in onze harten te voeden. En ik denk: die harten van ons hebben dat ook nodig, want gemakkelijk kunnen ze ook verkillen. Onze samenleving kan zielloos en kil zijn. Je hebt soms het gevoel: Ik mis iets. Het hart ontbreekt. Ook binnen een leefverband, tussen partners, binnen een gezin en een familie kan dat het geval zijn. Op zoek dus naar dat hart, naar die ziel en naar warmte. Ik denk: de traditie van ons geloof wijst ons daarvoor wegen aan. Met overgave kerstliedjes zingen bijvoorbeeld, de tekst werkelijk tot je door laten dringen en je erdoor laten meenemen zoals ook door oude en nieuwe kerstvoorstellingen. Misschien een goed idee voor de komende zondagmiddag of -avond: bekijk nog een keer heel aandachtig de kerstkaarten die U hebt ontvangen: de voorstellingen er op en wat de mensen er eventueel bij hebben geschreven. Volgens mij: als je het doet, dan warmt je hart zeker op.

 

Vandaag vieren we het feest van de Heilige Familie, maar wonderlijk genoeg is er in het evangelie van deze dag juist van een beweging sprake van de familie wég. Jezus verwijdert zich van zijn ouders of liever gezegd: zij verwijderen zich ongewild en ongeweten van Hem, want Hij blijft achter in Jeruzalem. Hij moest in het huis van Zijn Vader zijn zegt Hij. Dat klinkt ook nog eens behoorlijk provocerend en gemakkelijk kunnen Maria en vooral Jozef door die woorden pijnlijk zijn geraakt. "Zij begrepen deze uitspraak niet" zo staat er veelzeggend in onze evangelietekst. Vervreemdt God, vervreemdt religie ons van ons soms van onze naasten? Is het niet soms een splijtzwam in gezinnen en families? Onmiskenbaar is dat soms het geval, ook in onze tijd. Jezus aarzelt echter geen ogenblik. Hij wéét waar en aan wie Hij prioriteit moet en wil geven. Voor Hem is dat: in Jeruzalem, bij Zijn Vader, God. God is op een nog dieper en wezenlijker manier Zijn oorsprong dan Zijn aardse vader en moeder, dan Maria en Jozef dat zijn. Bij God ligt ten diepste Zijn hart. Maar ik denk veelgeliefden: die terugtrekkende beweging van Jezus naar God heeft óók betekenis in de zin van: "reculer pour mieux sauter". Het is óók een zich terugtrekken op God om vervolgens beter in het leven te staan, om dat leven beter aan te kunnen. Wij horen hoe de twaalfjarige Jezus zich na deze grote crisis in het contact tussen Hem en Zijn ouders, zich toch naar hen schikte én dat Hij een wijs en volwassen man wordt, die steeds meer in de gunst komt bij God en de mensen. Ik denk: als het goed is, als je het goed dóet, dan werkt het inderdaad zó, dan maakt je devotie, dan maken je godsdienstige praktijken, dan maakt het je concentreren op God je tot een wijzer en volwassener en beminnelijker mens. Als het goed is, dan wint en groeit ons intermenselijk verkeer en contact daardoor - op de eerste plaats binnen het gezin, de familie of wat voor U of voor jou ook maar de binnenste kring is waarbinnen je jezelf of U Uzelf beweegt. Paulus, in de brief aan de Kolossenzen waaruit wij hoorden voorlezen, schrijft: "Bekleed u, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, met tedere ontferming, goedheid, nederigheid, zachtheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar (...) en laat de vrede van Christus heersen in uw hart. (...) Zing voor God met een dankbaar hart psalmen, hymnen en geestelijke liederen." Als het goed is, veelgeliefden, dan ís er geen tegenstelling. Van God houden en van mensen houden, goed met God omgaan en goed met mensen omgaan, kerstliedjes kwelen en je hart, je geest, je leven en je bezit delen met wie je dierbaar zijn en zelfs met wie je minder goed kent. Als het goed is, dan gaat het samen, dan leidt het één tot het ander. Mogen wij ons ervoor inzetten. En moge het ons ook gegeven zijn. Amen.

 

 

Preek op het feest van St. Stefanus, 26 december 2009 

Wilmer Smeenk

 

Lezingen:              Hand. 6, 8-10 en 7, 54-60; en

                          Evangelie Matt. 10, 17-20.

“Heer Jezus, ontvang mijn geest!”

“Heer, reken hun deze zonde niet aan!”

 

Beste mensen, gasten en parochianen, dat getuigt van een diep geloof! De eerste uitspraak geeft weer hoe de heilige Stefanus bekend staat en stond, zoals hij in de bijbel beschreven is, en de tweede uitspraak geeft aan dat hij wellicht op iemand Anders lijkt, iemand Anders met een hoofdletter, wiens geboorte we gisteren gevierd hebben.

 

Laten we dit eens wat verder uitdiepen.

 

Getuigen van het geloof, gevoed door de Geest

 

Als de elf apostelen, aangevuld met Matthias, het evangelie verkondigen en steeds meer volgelingen krijgen, klaagt de bevolking, omdat ze vindt dat hun weduwen worden verwaarloosd. Dat er niet voldoende naar hen wordt omgekeken.

Om in deze lacune te voorzien, maar het verkondigen daar niet onder te laten lijden, vragen de apostelen de gemeenschap zeven mensen naar voren te schuiven om de diaconale zorg avant la lettre, op zich te nemen. Er worden zeven mannen voorgedragen en deze worden, zoals we ook nu nog wijden, door gebed en handoplegging “gewijd” tot protodiakens. Een van hen is Sint Stefanus.

 

De bedoeling is, zoals verzocht, dat deze diakens zorgen voor de weduwen en de armen en in hun noden voorzien. Maar voor Stefanus is dat niet alles. Zoals in de Handelingen beschreven, is hij zó vol van de Heilige Geest, dat hij ook gaat verkondigen en grote wonderen verricht. Aan de ene kant getuigt hij dus van zijn geloof in daden en aan de andere kant verkondigt hij de blijde boodschap en is hij een predikheer, een prediker, een priester. De gelijkenis met Christus is makkelijk te trekken. Ook Christus genas mensen, deed wonderen onder de gelovigen en verkondigde aan de mensen hoe te leven.

 

Het verkondigen door Sint Stefanus, met name in zijn toespraak tegen de hogepriester[20], strijkt de mensen tegen de haren in. En wel zo, dat ze zich er behoorlijk aan ergeren.

Herkenbaar hč? Je wordt ergens op gewezen, je vóélt dat je fout zit en wat doe je? Net als het volk, je trekt je er niets van aan, schreeuwt en blijft volharden.

Heel herkenbaar, heel menselijk. In dat opzicht zijn wij, u en ik, net als het volk dat Stefanus stenigt. Hij brengt de boodschap waar we niet op zitten te wachten.

 

En als Stefanus het volk dan verder op hun gedrag aanspreekt, en zich in hun ogen ook nog Godslasterlijk uitlaat (hij noemt Christus de Zoon van God), dan wordt het hen teveel. Ze wilden eerder nog weglopen, of schreeuwen en hun oren bedekken, want: “ze waren niet opgewassen tegen de Geest en de wijsheid waarmee hij sprak,” maar nu gaat het verder. De enige uitweg die ze nu nog zien, is hem het zwijgen opleggen. Ze besluiten hem te stenigen.

Let wel, dat is in die tijd, in die omgeving, helaas niet geheel ongebruikelijk.

Gelukkig volstaat in onze tijd weglopen of je omdraaien.

 

 

Verkondigen als Christus zelf

“Heer, reken hun deze zonde niet aan.”

Het eerste waar ik aan dacht, toen ik deze passage las, was Christus aan het kruis.

Ook Christus vraagt God zijn moordenaars te vergeven[21]. De parallellie tussen Stefanus en Christus wordt steeds helderder.

 

In de evangelielezing van vandaag, wordt, vermoedelijk voor meer nadruk of ter verduidelijking, ook het “vol zijn” van de Heilige Geest, wat we bij Stefanus zagen, naar voren gebracht. “Want jullie zijn het niet die spreken, maar het is de Geest van je Vader die in jullie spreekt.” Dit is een kwestie van vertrouwen, van geloof, van geloven dat God er voor ons is en ons niet in de steek laat, ook niet – of misschien zelfs juist niet – op moeilijke momenten. En dat is voor ons moeilijk, althans voor mij, daarin zijn we de “kleingelovige”. Dit vergt oefening en overgave.

 

En die overgave, die heeft Sint Stefanus. En dat vertrouwen, dat geloof? Dat is Sint Stefanus. Stefanus had dŕt vertrouwen en straalde dŕt geloof uit. Alsof het om een Pinksterverhaal gaat, staat er: “Maar hij stond daar, vol van de Heilige Geest”.

En Stefanus verkondigt, verkondigt wat de mensen niet willen horen. Ook hierin lijkt hij op Christus.

Overkwam Christus niet hetzelfde? Verkondigde en deed Hij niet wat onwelgevallig was? Waar de mensen niet op zaten te wachten? Riep Christus het volk (en dus ook ons) niet op, om radicaal een andere kant op te gaan? En ook daarvan wilde het volk niets weten, ze wilden Hem niet horen. Ze wilden Hem het zwijgen opleggen.

 

En terug in het verhaal uit de Handelingen, merken we dat Stefanus een volhouder is, een doorzetter: hoe minder ze willen luisteren, hoe harder hij roept! En ook in deze tijd, ook nu vandaag, roept het voorbeeld van deze heilige ons, om ons te richten op Christus, op de goede zaak, om de radicale keuze te maken. Te kiezen voor dat waarvan we weten dat het het goede is. St. Stefanus wil óók ons de goede kant op hebben.

 

En daar moeten we op vertrouwen, we moeten op Christus vertrouwen en hij daagt ons daartoe uit. Als wij uitgeleverd worden aan rechtbanken, landvoogden of koningen of ons in meer alledaagse moeilijke situaties bevinden, hoeven we ons geen zorgen te maken over wat we zullen zeggen “Want op dat uur zal jullie ingegeven worden wat je moet zeggen.” Dŕt is ook het vertrouwen wat Sint Stefanus uitademt als hij gestenigd wordt en bid: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Een act van geloof. Een échte getuigenis.

 

Laten we ons dus openstellen voor de (goede) richting waarheen Stefanus ons roept en laten we vertrouwen op Christus die ons niet uit het oog verliest als we het moeilijk hebben, maar ons kent, ons steunt en ons helpt op die (moeilijke) momenten.

 

Moge de heilige Stefanus ook onze voorspreker zijn bij God, opdat ook wij mogen geloven en verkondigen zoals hij.

 

Amen.

                                                                                             

VERKONDIGING op de Eerste Kerstdag van 2009 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (52, 7-10), uit de brief aan de Hebreeën (1, 1-6) en uit het Johannes-evangelie (1, 1-18).

 

"Vanuit een oneindig klein begin begon 13,7 miljard jaar geleden de expansie (het "zich uitzetten") van het universum" zeggen de geleerden. "Die nog steeds voortgaande expansie creëerde ruimte en tijd. (...) Een minimale fractie na het begin expandeerde het embryonale (het nog maar nauwelijks geboren) universum sneller dan de lichtsnelheid, van de afmetingen van een atoom tot die van een sterrenstelsel. (...) In totaal lijken er zo'n honderd miljard (ik herhaal: honderd miljard) sterrenstelsels te zijn. (...) Ons zónnestelsel bevindt zich (...) in een rustige buitenwijk van de melkweg." Daarmee wordt bedoeld: "Er zijn geen levensgevaarlijke stralingsbronnen in de buurt die op elk moment een eind kunnen maken aan alle leven op aarde." De condities op aarde zijn van dien aard dat het leven zoals wij dat kennen heeft kunnen ontstaan. Dat dat leven er uit ziet zoals het er uit ziet is het resultaat van een veelheid van op elkaar inwerkende factoren. Het leven op aarde had er ook heel anders uit kunnen zien. Wijzelf met name, de mensen, hadden er ook helemaal niet kunnen zijn. En of de aarde temidden van die honderd miljard sterrenstelsels de enige planeet is waar leven mogelijk is? Míj lijkt dat onwaarschijnlijk ...

 

Deze wetenschappelijke bevindingen en de theorieën die ermee samenhangen[22], dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, doen een mens gemakkelijk duizelen. Het is indrukwekkend.

 

Net zó indrukwekkend zijn de eerste zinnen van het Johannes-evangelie die ik U zodadelijk voorlas: "In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen." Met dat "Woord" bedoelt Johannes: de mens Jezus van Nazareth van wie wij jaarlijks met Kerstmis de geboorte vieren. In Hem, beweert Johannes, is iets, is iemand met eeuwigheidswaarde aan het licht gekomen.

 

Het contrast, veelgeliefden, kán bijna niet groter zijn. Aan de ene kant heb je onze wetenschappers die zeggen: Het begin van ons universum, van onze aarde en van het leven op aarde is een zielloze chemische reactie en alles is toeval. Aan de andere kant staat dan onze Johannes die naar Jezus wijst en ons zegt: Híj staat aan de oorsprong en Híj is het hoogtepunt en het doel van alles. In Johannes' eigen woorden: "Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren God die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen." Of, om het met de woorden van de brief aan de Hebreeën (de tweede lezing vandaag) te zeggen: "Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen."

 

Aan het begin van de viering, afgelopen nacht, van de nachtmis in de Sint-Pieter in Rome is paus Benedictus XVI door een mevrouw omvergegooid. Gelukkig is de paus heel gebleven en heeft hij gewoon in de viering van de nachtmis kunnen voorgaan, maar toch ... Je zou deze gebeurtenis in dit verband wél kunnen zien als een symbolische gebeurtenis. De waarheid van het christelijk geloof zoals die gepresenteerd wordt in en vanuit onze kerk, op de eerste plaats ook door de paus, die waarheid "is moeilijk staande te houden". Er wordt op afgegeven en tegenaan gebeukt. Men wil en kan die vaak niet horen. Hoofd én hart van mensen kunnen ertegen in opstand komen. Johannes schrijft: "Het ware licht dat iedere mens verlicht kwam in de wereld. Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden, en toch kende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen

aanvaardden Hem niet."

 

Sluiten die twee waarheden, de wetenschappelijke waarheid over bijvoorbeeld het ontstaan van de kosmos én de gelovige waarheid in verband met Jezus Christus; sluiten die twee vormen van waarheid elkaar uit? Voor onze Kerk in elk geval niet. Want: de waarheid kán niet met zichzelf in strijd zijn. Er kúnnen ten diepste geen twee of meer concurrerende vormen van waarheid zijn. Want dan zou waarheid ophouden waarheid te zijn. De waarheid van het geloof moet derhalve altijd samen kunnen worden gedacht met die van de wetenschap.

 

Wat we kunnen horen en zien, wat we kunnen ervaren, voelen en begrijpen in en door onze gelovige omgang met Jezus Christus, dat "kleurt" onze blik op doorslaggevende wijze, dat maakt voor ons alles anders, tegen alles kunnen we aankijken vanuit Hem en met het oog op Hem. In de veelheid van woorden temidden waarvan wij leven, en hoe nietszeggend en kil kunnen die woorden niet zijn; temidden van al die woorden zijn die van Hem, van Jezus, warm, zuiver, écht en puur. Hij is voor ons de essentie van elk woord. Zijn woord valt samen met Zijn persoon. Zijn woord is vlees en bloed. Hij heeft het geleefd. Zijn leven en Zijn persoon geven ons daardoor licht. In elk licht kunnen we Hem dan ook herkennen: in het zachte licht van kaarsen én in het röntgenlicht dat alles onthult wat onder de opppervlakte van onze huid en van ons leven verborgen is. Die hele expansie van het heelal, de hele evolutie van het leven op aarde, de hele geschiedenis: in Jezus Christus vindt die hele ontwikkeling haar hoogtepunt. Zó mogen wij wat Johannes de evangelist ons wil zeggen wel uitleggen denk ik. Hij is het hart van de geschiedenis, óók van de geschiedenis ná Zijn dood en verrijzenis. Temidden van die honderd miljard sterrenstelsels is Hij het warme kloppende hart. Moge dat hart, veelgeliefden, het onze zijn. Mogen wij erin geborgen zijn. Ik wens U een Zalig Kerstmis. Amen.

                                                                                             

 

VERKONDIGING in de Kerstnacht van 2009 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (9, 1-6), uit de brief aan Titus (2, 11-14) en uit het Lucas-evangelie (2, 1-14).

 

"Het is klaar. Het is echt klaar. Wij trekken onze handen ervan af. Ik heb het gehad" - zegt de moeder van Laura, "het zeilmeisje", 14 jaar oud. Ze heeft zich in haar hoofd gehaald om in haar eentje rond de wereld te zeilen. In dat kader onttrok ze zich onlangs aan het toezicht door het Buro Jeugdzorg door naar Sint-Maarten te vliegen, één van de Bovenwindse Eilanden, in het Caraďbisch gebied. Naar verluidt was het om een zeilboot te kopen. Maar de rechtbank heeft bepaald dat Laura toch bij haar vader mag blijven wonen. En dat is voor Laura's moeder, die de wereldzeilreis helemaal niet ziet zitten, reden om nu alle banden met haar dochter en haar ex-man door te snijden: "Het is klaar. Het is echt klaar. Wij trekken onze handen ervan af. Ik heb het gehad."

 

Oorlog in de familie, vlak voor Kerst. Grondig bedorven verhoudingen. De luikjes gaan dicht. Het zit muurvast. Mensen kunnen niet meer verder met elkaar. Denk bijvoorbeeld ook even, een maand of wat geleden, aan de burgemeester van Huizen en z'n wethouders. Er was onderling "geen chemie" zo werd gezegd. De burgemeester is op wachtgeld gegaan. Gelukkig voor hem is dat zeer royaal, dat wachtgeld. Hij zal vooralsnog geen beroep hoeven doen op de voedselbank, maar toch ... "geen chemie" - het is een bittere conclusie als dat gezegd wordt over verhoudingen tussen mensen. Je hoort de term nogal eens de laatste tijd. Soms zie je dingen gebeuren tussen mensen en ook in je eigen leven dat je het je af kunt vragen: Is dít het nu? Heb ík er nu ook mee te maken? Is het gewoon "geen chemie" wat hier speelt? Chemie, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; chemie is zoals bekend een kwestie van verbindingen. Chemische stoffen, uiteenlopend van samenstelling, reagéren op elkaar. Daar komt iets uit. Er komt iets goeds uit, iets nieuws waar we mee verder kunnen en waar we wat aan hebben, waar we betere verf of beter medicijnen mee kunnen maken, goede chemie ...! Maar het kan ook mis gaan. En het kan ook doodslaan. Dat is dan slechte chemie. Mensen met hun gezicht, met hun stem, met hun persoonlijkheid, met hun ideeën en wat ze verder in hun hoofd hebben, mensen en de sfeer die ze met zich meebrengen, mensen lijken in die zin op chemische stoffen. Het werkt, het stróómt tussen mensen. Dan is er chemie. Of het gaat moeizaam of zelfs helemaal niet. Dan is er geen chemie of is er slechte chemie tussen mensen.

 

Wij zijn hier, veelgeliefden, bijeen in het donker. Als we al ons kunstlicht even wegdenken, dan is het donker, aardedonker. En zó kan ons leven zijn. De profeet Jesaja die wij hoorden spreken in de eerste lezing van deze nacht, spreekt over een "volk dat ronddwaalt in het donker" en over "hen die wonen in een land vol duisternis". Nou, veelgeliefden, vul maar in zou ik zeggen: Met welke duisternis en met welke donkere gegevens heb jij in je leven te maken en hebben wij met z'n allen te maken? Ik denk: bijna altijd gaat het om omstandigheden van géén of slechte chemie tussen mensen: in de familie, met de buren, tussen collega's, in de kerk en tussen mensen met verschillende ethnische en culturele achtergronden of mensen van verschillend geloof: bijvoorbeeld trampersoneel met een hoofddoek óf met een groot kruis op de borst.

 

Het is nacht, veelgeliefden. Duisternis, "geen chemie", is er overal in onze wereld. Maar deze nacht is de Kerstnacht. In deze nacht ontvangen wij in onze duisternis licht. "Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op." Jesaja spreekt over vreugde: "Uitbundig laat U hen juichen en U overstelpt hen met vreugde; zij verheugen zich voor uw aanschijn ... Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst. Groot is de macht en eindeloos de vrede ... hij zal het stichten en onderhouden door recht en gerechtigheid vanaf nu en voor altijd. De geestdriftige liefde van de Heer van de machten zal dit teweegbrengen." Aldus de profetie van Jesaja. Jesaja in zijn dagen, in de achtste eeuw voor Christus, voorspelde het: dat zó iemand als hij beschrijft, die hij in zijn visioen heeft gezien, ooit geboren zal worden. En wij mogen geloven veelgeliefden, dat Jesaja's visioen vervuld ís in de geboorte, in het leven, in de werkzaamheid, in het lijden, het sterven, in de verrijzenis en in de Geest van Jezus van Nazareth. De evangelist Lucas heeft ons Jezus' geboorteverhaal geschonken. Ook in dat verhaal is er, precies als bij Jesaja, sprake van vreugde, grote vreugde zelfs: gaudium magnum in het latijn. "Grote vreugde voor het hele volk", dát is wat Jezus' geboorte betekent. De "herders, die in het veld overnachtten om de wacht te houden bij hun kudde" zagen een engel die hen het bericht van Jezus' geboorte bracht en die hen die vreugde aanzegde en "plotseling was er bij de engel een heel leger uit de hemel" om het te bevestigen.

 

Dit alles stelt allerlei indringende vragen aan óns veelgeliefden:

 

Herkennen wij ons in die herders? Herken jij jezelf er in? Hoe gaat het met jou en jouw kudde? Wat ís jouw kudde? Waaruit bestaat die. Voor wie, voor wat zorg jíj? Voor wie of wat mág jij zorgen? Is het een huis? Zijn het spullen? Zijn het mensen? En zo ja, welke mensen? Zijn het oude mensen of jonge mensen? Zijn het je ouders? Zijn het je kinderen? Of is het je partner? Is het een vriend, is het een vriendin? Of is het vooral een dier waar jij voor zorgt; een poes, een hond, een paard, een schaap of een ezel? Of zijn het geiten - dan heb je een droevige Kerst dit jaar als je geiten hebt ... Voor wie of wat mag jíj zorgen? Of ben jij in je zorg gefrustreerd zoals de moeder van Laura het zeilmeisje?

 

En dan: Wat betekent voor jou, binnen jouw levensomstandigheden; wat betekent voor jou met je kudde; wat betekent daarvoor de geboorte van Jezus? Die vreugde waarover Jesaja en waarover bij monde van Lucas de engel spreekt en waarin dat hele leger van engelen uit de hemel hem of haar bijvalt - kun jij die vreugde een beetje meevoelen? En kun je die een beetje meemáken? Kun je die vreugde krijgen, kun je die ontvangen? En kun je vervolgens in die vreugde een actief aandeel hebben? Krijgt de vreugde vanwege Jezus die ons van Godswege door de engel wordt aangezegd, krijgt die vreugde een beetje vat op jou, kun je jezelf daarvoor openstellen en voel je die vreugde vervolgens in je varen en ben jij vervolgens een mens die de feestvreugde verhoogt? Of probeer je dat wel maar lukt het niet? Of is en blijft de lijn, dat lijntje naar boven; blijft dat dood? Staat er géén stroom op? Gaat de vreugde vanwege Jezus' geboorte in wezen toch langs je heen en deel je er níet in? Als dat laatste het geval is, hoe is dat dan voor je? Betreur je dat dan? Doet het je verdriet zelfs omdat je er wél naar verlangt? Of kan het je niet schelen omdat die hele Jezus enzovoort je eigenlijk helemaal niet interesseert?

 

Hoe zou ene Jezus die tweeduizend jaar terug leefde mij hier en nu in deze tijd blij kunnen maken? Wat heeft Laura het zeilmeisje aan Hem? Wat heeft haar moeder aan Hem? Wat heeft haar vader aan Hem? Wat heb ik aan Hem? Wat kúnnen we aan Hem hebben als wij ons tenminste werkelijk in Hem verdiepen en Hem werkelijk de kans geven om tot ons door te dringen?

 

Ach ja mensen, wat zal ik zeggen ... ? "Jezus" die naam betekent: "God redt". In Jezus Christus, in wat wij in de bijbel over en van Hem horen als verpersoonlijking van het geloof van Israël, als mens in wie God zelf vlees en bloed geworden is, in Hem is God reddend aanwezig. In hoe wij in de Kerk met Jezus omgaan, in hoe wij Hem ontvangen in de sacramenten, bovenal in het sacrament van het Lichaam en Bloed des Heren dat wij ook zodadelijk in deze Kerstnacht weer zullen mogen ontvangen, daarin is God reddend voor mij aanwezig. Als ik zodadelijk voor U in de miskelk een beetje water bij de wijn zal doen, dan zal ik, in stilte of hardop, uitspreken de woorden: "Water en wijn worden één, Gij deelt ons mens-zijn en neemt ons op in uw goddelijk leven." Dát is de chemie van de Kerstnacht veelgeliefden. Dát is de chemie van het christelijk geloof en van de Katholieke Kerk. De term "géén chemie" en wat er mee wil worden uitgedrukt, de overtuiging, ja het gelóóf eigenlijk dat er met sommige mensen gewoon niet te werken en niet te leven valt, die term en die overtuiging casu quo dat geloof die passen helemaal niet bij het chrístelijk geloof en bij de Katholieke Kerk. Water en wijn worden één. In Jezus wil God, als de wijn, zich met elk van ons, als het water, verbinden. In Jezus is Hij er voor ons allen en neemt Hij ons allen áán en in Zich op. God geeft niemand op. God schrijft niemand af. Voor, bij en in God is altijd een nieuw begin, een nieuwe geboorte mogelijk. In Jezus van Nazareth, heden geboren, reikt Hij elk van ons Zijn reddende hand - opdat ook wij elkaar ten diepste nooit afschrijven en opgeven en altijd bereid blijven elkaar opnieuw de hand te reiken. Met Pinksteren, als wij vieren het feest van Jezus' Geest die dezelfde is als die van de Vader en die Hij over de Kerk en alle gelovigen heeft uitgestort, dan zingen we altijd: Lava quod est sordidum, Riga quod est aridum, Sana quod est saucium. Flecte quod est rigidum, Fove quod est frigidum, Rege quod est devium. En dat betekent: Was (wat) wie vuil is geworden, bevochtig (wat) wie is verdroogd, genees (wat) wie gewond is. Buig (wat) wie stram, rigide is, verwarm (wat) wie koud is geworden, wijs opnieuw de weg (wat) wie de weg is kwijtgeraakt.

 

Jezus, God, hun beider Geest, redt. We hebben het huis gereinigd. We hebben het huis versierd. Er staan bloemen. De kerstboom staat. Lichtjes branden. We hebben de stal met de beeldjes weer tevoorschijn gehaald en neergezet. De viering van het hoogfeest van Christus' geboorte, "de geestdriftige liefde van de Heer van de machten" heeft ons daartoe geďnspireerd. Een nieuw begin. Nieuwe hoop. We geven Hem en we geven elkaar niet op. Nooit. Met iedereen valt op de één of andere altijd te leven en te werken. Kwestie van de goede chemie. God schenkt ons die in Jezus - voor alle omstandigheden van ons leven en voor alle mensen met wie wij te maken hebben of te maken krijgen. Ik wens U allen een Zalig Kerstmis. Amen.

 

                       

OVER DE KELKCOMMUNIE

 

Op de laatste avond van Zijn leven heeft Jezus van Nazareth, de Zoon van God, brood en wijn genomen en tegen Zijn leerlingen gezegd "dit is mijn lichaam", "dit is mijn bloed" en heeft Hij hen gevraagd om voortaan brood en wijn te eten en te drinken tot Zijn gedachtenis.

 

Om verschillende redenen is gedurende vele eeuwen deelname aan de kelkcommunie (het drinken van de wijn, het Bloed des Heren) door "het volk" niet gebruikelijk geweest en voorbehouden geraakt aan met name de priesters. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), gedreven door het verlangen om de katholieke liturgie zoveel mogelijk vorm te geven conform het verlangen van de Heer zelf en naar de wijze waarop deze liturgie gevierd is in de Kerk tijdens de eerste eeuwen van haar bestaan, heeft de mogelijkheid van deelname van "het volk" aan de kelkcommunie willen verruimen. In Nederland en zeker ook in Amsterdam is men in vele katholieke kerken van de verruiming van deze mogelijkheid tot kelkcommunie door "het volk" gebruik gaan maken. De wijze waarop men deze kelkcommunie vorm is gaan geven was veelal middels het zogenaamde "indopen": Men ontvangt van de priester of een hem assisterende leek het communiebrood en men doopt dit zelf ín in de kelk met communiewijn die voorgehouden wordt door priester of leek. Aldus was reeds de situatie toen ik in de zomer van 1994 pastor werd van de Amsterdamse r.k. Vredeskerk (Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede). Tientallen jaren is de beschreven wijze van communiceren in deze kerk met toewijding en respect gepraktizeerd, eigenlijk tot bijna ieders tevredenheid in mijn beleving.

 

De kerkleiding (paus en bisschoppen) is (zijn) echter niet gelukkig met de beschreven wijze van kelkcommunie. Men stelt: de communie, brood en wijn, behoort te worden ontvangen. Men wordt niet geacht zelf "te nemen" - hetgeen in de beschreven wijze van kelkcommunie wél zou gebeuren. Een weinig drinken uit de aangereikte beker/kelk is als wijze van communiceren daarentegen wél geoorloofd. Er is dan ook geen kans dat druppels wijn, Bloed des Heren, van het ingedoopte communiebrood vallen eventueel.

 

Ik ben van mening dat in deze hele materie het hart van de zaak, namelijk de levende aanwezigheid van de Heer Jezus zelf die ons in brood en wijn Zijn Lichaam én Bloed geschonken heeft, overschaduwd wordt, in de publiciteit maar soms ook in de beleving van de gelovigen, door deze naar mijn mening betrekkelijk arbitraire kerkelijke regelgeving. Immers: de beker waaruit men drinkt wordt toch óók aangereikt en men moet er zélf de lippen aan brengen. Ik betreur het in hoge mate als de aandacht voor de precieze vorm van het communiceren die voor de inhoud ervan, die de Heer zelf is, verdringt en vraag mij zelfs af of hier ook niet van toepassing is wat de Heer zegt in het achtste vers van het zevende hoofdstuk van het Marcus-evangelie: "De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast." (De Nieuwe Bijbelvertaling). De kerkleiding echter urgeert om de haar moverende redenen, zoals uiteengezet, en ingegeven uiteraard ook door het verlangen én de overtuiging aldus de Heer recht te doen, in toenemende mate een verbod op "indopen". Toen mij vorig jaar naast de leiding van de Vredesparochie eveneens die van de Rozenkransparochie te Amsterdam werd toevertrouwd achtte ik het moment gekomen om de wijze van communiceren in de Vredesparochie in de door de kerkleiding gewenste zin te wijzigen omdat "de Kerk nu eenmaal niet van mij is", ik de kerkleiding ook erken in haar verantwoordelijkheid in deze en ik collega's waarvan wij in de gewijzigde omstandigheden (met twee parochies) méér afhankelijk worden niet wil opzadelen met een wijze van communiceren die niet juist wordt geacht. Sindsdien (juni 2008) is het in de Vredeskerk dus nog slechts toegestaan om te drinken uit de beker. Wij kunnen garanderen dat zulks op verantwoorde wijze geschiedt. Maar de kelkcommunie is uiteraard niet verplicht. Men kan er ook voor kiezen om slechts te communiceren door het geconsacreerde brood. De Kerk leert dat ook dit een volwaardige communie is. Bijna een jaar nádat deze verandering is doorgevoerd (mei 2009), heeft op een zondag een consultatie van de kerkgangers plaatsgevonden over deze hele materie. Een aantal kerkgangers bleek er voorstander van te zijn om de kelkcommunie maar geheel af te schaffen, een niet onaanzienlijke minderheid wil graag de mogelijkheid behouden om onder beide gedaantes te communiceren. Ik heb toegezegd om op basis van de uitkomsten van dit gesprek een definitieve beslissing over de zaak te nemen. Inmiddels lijkt de parochie als geheel tamelijk gewend aan de nieuwe gang van zaken en wordt er door sommigen wel, door anderen niet uit de kelk gedronken.

 

In de media is de laatste tijd nadrukkelijk de kwestie van de hygiëne van de kelkcommunie aan de orde gesteld, met name in verband met de dreiging van de Mexicaanse griep. Een dokter schreef mij in dit verband: "In ben ervan overtuigd dat een griepepidemie niet opgestuwd zal worden door het gezamenlijk uit een beker drinken". Verder verwijs ik voor deze kwestie graag naar de evenwichtige bespreking ervan op de website http://kattekliek.wordpress.com (thema: Griepangst en eerbied voor de Eucharistie)

 

 

                                                        pastor Pierre Valkering,

                                                        Amsterdam,

                                                        7 september 2009 

 

 

                                      

                                                                                    


Naar boven

 

gratis website statistieken

 



[1] Thomas a Kempis, De navolging van Christus in jonge taal. Hertaald door Mink de Vries, ('s hertogenbosch/Mechelen) 2008, p. 14-15.

[2] There's nothing you can do that can't be done. (...)There's nothing you can made that can't be made. (...) There's nothing that you can know that isn't known. Nothing you can see that isn't shown. (John Lennon, 1967).

[3] Het begin van deze preek is ontleend aan de roman Noi van Walter Veltroni (RCS Libri, Milano, 2009), p. 262.

[4] In Nieuwe tijden, nieuwe wegen. Beleidsnota Bisdom Haarlem (2004), p. 3.

[5] Lucas 2, 19.

[6] Lucas 11, 1.

[7] Aldus senator Pol Van Den Driessche in een interview in De Morgen van 24 april 2010: "De gedachte - onvoorstelbaar en afschuwelijk". Ook te lezen op het internet: www.demorgen.be/dm/nl/2461/2010.

[8] 10, 18.

[9] NRC-Handelsblad 3-4 april 2010, voorpagina.

[10] Joep Dohmen, "De broeder kon alles doen", in: NRC-Handelsblad van 10 maart 2010, voorpagina.

[11] Joh. 3, 21

[12] maart 2010, p. 12-15.

[13] 8, 22.

[14] Amsterdam, uitg. De Bezige Bij (2010).

[15] Gerard van Westerloo, De pater en het meisje. Amsterdam (De Bezige Bij), 2010.

[16] in NRC Handelsblad van 13 febrauari 2010 in de bijlage Opinie & debat (p. 10-11).

[17] Uit de hymne voor de metten van Epifanie in het Getijdenboek. Brussel/Zeist (1990), p. 738.

[18] Te bestellen bij de Vier-Türme GmbH, Verlag. 97359 Münsterschwarzach Abtei. Tel. 00-49932420-292. info@vier-turme.de  www.vier-tuerme-verlag.de

[19] Als bron van de woorden geeft de kalender: P. Anselm Grün OSB, Wenn du Gott erfahren willst, öffne deine Sinne. Vier-Türme-Verlag, Münsterschwarzach 2000, p. 53. De vertaling hier is van mij.

[20] Vgl. Handelingen, hfdst. 7.

[21] Vgl. Lc. 23, 34.

[22] en ik ontleen deze aan een fantastische reeks op CD onder de titel "Geschiedenis in het groot" uitgegeven hoorcolleges door Maarten van Rossem (M. van Rossem, Geschiedenis in het groot. Een hoorcollege over de wereldgeschiedenis, van de Big Bang tot het heden. Home Academy Publishers, Den Haag (2007). De gegeven citaten komen uit de bijgeleverde synopsis (p. 9).