Vredeskerk
|
|
Home | Vieringen | | Algemeen | Geschiedenis | Pastor Valkering | Gebeden | Koren | Links | Contact |
|
VERKONDIGING op 29 augustus 2010 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van
de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen:uit het boek Jezus Sirach (3,
17-18.20.20-28), Psalm 68 (4-7,10-11), uit de brief aan de Hebreeën (12,
18-19.22-24a) en uit het Lucas-evangelie (14, 1.7-14). Afgelopen vrijdag sta ik in om kwart over negen
op het Concertgebouwplein op de bus te wachten. "Een voedzame regen kwam
neer uit de hemel" - om het met de woorden van de 68ste psalm te zeggen.
Op een gegeven moment valt mijn oog op een grote hoeveelheid vuilniszakken
die schuin tegenover mij aan de straat is gezet. Een man en een vrouw, jong,
tussen de twintig en de dertig, maken de zakken één voor één open en
doorzoeken de inhoud. Van een afstand zien ze er niet slecht uit. De vrouw
heeft een lange, lichte jurk aan met kleine bloempjes of zo er op. Om haar
hoofd een sjaal in dezelfde stof. Van boven draagt ze een soort jumper, op
haar rug een middelgrote rugzak. Hij draagt een spijkerbroek en zo'n
sweatshirt met capuchon, grijs. De capuchon heeft hij óp. Tijdens het
doorzoeken van de zakken kíjkt hij vóórtdurend óp, de Lairessestraat ín om te
zien, ongetwijfeld, of er geen politiewagen nadert. De man en de vrouw lijken
mij Roemenen. De afgelopen jaren heb ik meer dan eens ontmoetingen met
Roemenen gehad. Door die ontmoetingen heb ik de indruk gekregen dat veel
mensen die daar wonen, in Roemenië, stráátarm zijn. Je kunt je dus best
voorstellen dat jonge mensen die armoede ontvluchten en hun heil elders
zoeken. Maar ja, wat móeten ze hier? Het doorzoeken van vuilniszakken is,
zelfs in Amsterdam Oud-Zuid, een al éven treurig alternatief lijkt mij. Wat
vonden ze? Een groot koekblik op een gegeven moment zag ik. Het zag er nog
gaaf uit. En een kleurige krans van een soort pitriet waar vanalles aanhing.
De man toonde het aan zijn vrouw. Wat zouden ze toch met zoiets kunnen
beginnen? De mevrouw die naast mij op de bushalte stond zag hen ook. En aan
de overkant van de straat, vlakbíj hen, had ook een grote, weldoorvoede,
grijzende en kalende man met twee grote, hoogpotige, langharige honden hen
opgemerkt. Hij was lángs hen gelopen, had een deur geopend en bleef in de
deuropening naar hen staan kijken. Ik denk: hij, de vrouw naast mij op de bushalte
en ook ikzelf, we waren geschokt en gealarmeerd door wat wij hier op
klaarlichte dag tegenover de entree van het Concertgebouw zagen gebeuren. Je
zág de man met de honden dénken: Moet ik iets doen? Hen aanspreken? De
politie bellen? Maar het zijn toch arme mensen? Kan ik het niet beter nog
even aanzien? Dat vuilnis is toch niets waard? Wat gaat er gebeuren als
inderdaad de politie verschijnt? Twee werelden kwamen daar samen, dierbare
gasten en parochianen, vrijdagmorgen om kwart over negen in de regen op het
Concertgebouwplein aan het begin van de Lairessestraat: de wereld van well to do-bewoners van Amsterdam
Oud-Zuid én de wereld van straatarme mensen, vermoedelijk uit Zuid-Oost
Europa in dit geval; mensen die verschijnen op onze stoep, midden in het
"pretpark Amsterdam" om met Joep van 't Hek te spreken. Een confrontérende ontmoeting zoals dat heet,
zéker waar we deze zondag in het evangelie horen dat we, als we een feestje
geven, niet onze vrienden, familie of rijke buren moeten uitnodigen (want:
"die zouden u op hun beurt uitnodigen om iets terug te doen"), máár
wel: armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden. Niet een béétje geld overmaken
naar India of Pakistan maar de deur intussen goed dicht houden. Néé, de deur
wíjd ópenzetten voor de ellende ("Wat een geluk voor u dat zij er niets
tegenover kunnen stellen. Want het zal u teruggegeven worden worden bij de
opstanding van de rechtvaardigen.") Wat een bóodschap krijgen wij hier
vandaag in dit godshuis temidden van de wierook en de kaarsen, de Latijnse
klanken en de kunst waar we maar niet over uítgepraat raken. Kom maar binnen,
verworpenen der aarde; kom maar binnen in m'n land en in m'n huis! Is dát de
bedoeling gasten en parochianen? Ongetwijfeld zit de Heer ons ook vandaag weer
dicht op de huid. Zijn hete adem voelen wij in onze nek. Hij komt, hij
morrelt aan onze grenzen, letterlijk. Hij verkent die. Hij laat ons niet met
rust. Hij irriteert ons. Ja hij térgt ons misschien wel. Waar wil Hij naar
toe? Wat wil Hij toch van ons? "Je kunt niet royaal en niet verwelkomend
genoeg zijn." Zo vat ík het maar even samen. Dat is de boodschap wat mij
betreft vandaag. Zulke rondscharrelende Roemenen: daar mag je eventueel best
contact mee maken. En daar mag je eventueel best wat voor doen. Dat is
helemaal niet verboden. Integendeel. Zij zijn ook mensen, precies als wij.
Ook zij hebben een maag die vraagt om voedsel, elke dag weer. Ook zij
verlangen naar beschutting tegen de regen en kou, ook zij verlangen naar
warmte, geborgenheid en veiligheid. Gisteren waren de zusters van Moeder Teresa, de Missionaries of Charity, een dagje
weg. In onze stad hebben zij hun klooster aan de Egelantiersstraat. Daar
geven ze elke dag tachtig tot soms wel tweehonderd mensen te eten. En geven
ze liefde. Dat is de bedoeling tenminste. Maar gisteren waren de zusters een
dagje weg en hebben de mensen van ons P.C.I. (de Parochiële Caritas
Instelling) voor de mensen gekookt. En zo zat ik zelf gistermiddag aan tafel
met Karol en met Herman. Karol uit Slowakije die met zijn vriendin Irina in
een tent bivakkeert ergens in de buurt van het station Sloterdijk en Herman
uit Amsterdam, een oud-leerling van het Ignatius-college nota bene. "Mijn vrouw kookt alleen als ik aardig voor haar
ben" zei hij. Klonk een beetje raadselachtig. Karol en Herman, leuke
kerels allebei. Zo was er ook een stel jongens, arme sloebers ongetwijfeld
ook, uit Estland. Ik was ons P.C.I. dankbaar, dierbare gasten en parochianen,
dat het mij in staat stelde om met deze mensen aan tafel te zitten. Ik vond
dat een eer. Moeten wij nu állemaal maaltijden voor daklozen
aan gaan richten, is dat de bedoeling? Ik zou zeggen: laat dat maar aan de
zusters van Moeder Teresa, aan de Missionaries
of Charity en aan het P.C.I. over, oftewel: laten wij dat als
kerkgemeenschap sámen doen. Maar: als ú nu een keer een feestje geeft, zou ik
zeggen, wees dan niet te kieskeurig met wie u wel en niet uitnodigt. Dat er
in uw huis en uw hart plaats mag zijn en ruimte voor iedereen: voor mensen
die alles hebben wat hun hartje begeert, maar zeker óók voor mensen die van
alles te kort komen. Amen. VERKONDIGING
op 22 augustus 2010, de eenentwintigste zondag door het jaar, in de Kerk van
Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek van de profeet Jesja (66,
18-21, Psalm 117, uit de brief aan de Hebreeën (12, 5-7; 11-12) en uit het
Lucas-evangelie (13, 22-30). Vandaag over een week, op zondagmiddag 29
augustus, wordt aan de Zuidelijke Wandelweg de nieuwe synagoge van de
Liberaal Joodse Gemeente ingewijd. Ik kreeg voor die inwijding een
uitnodiging, waardoor ik mij zeer vereerd voelde en waar ik heel blij mee ben
- want die uitnodiging zegt iets over de verhouding tussen joden en
katholieken in deze tijd in onze stad. Ik heb mij dus aangemeld en in de
afgelopen week viel het toegangsbewijs op naam op de deurmat. Vetgedrukt
staat er op: 14.50 uur Deuren dicht,
toegang niet meer mogelijk en uit de toelichting maak ik op dat dat ook
iets te maken heeft met de "aanwezigheid van Z.K.H. de Prins van
Oranje". Deuren dicht, toegang niet meer mogelijk.
"Vanaf het moment dat de heer des huizes is opgestaan en de deur heeft
afgesloten, zult u buiten moeten blijven. U zult op de deur gaan bonzen en
roepen ..." - etcetera: Zie, of liever gezegd, hóór het evangelie van
deze dag! Ik zie mijzelf al bonzen op de deur van de synagoge respektievelijk
op die van het koninkrijk van God. Er gaat iets dreigends uit van onze
evangelietekst vandaag - zoals er iets dreigends uitgaat van de uitnodiging
van de synagoge. Wij worden uitgenodigd, maar: lét wel! Er zijn wel
voorwaarden! In het geval van de uitnodiging van de synagoge
is die voorwaarde slechts: je moet op tijd zijn. Én "voor heren is
hoofdbedekking (...) verplicht, keppeltjes zijn bij de ingang van de synagoge
voorradig". In het evangelie gaat het om het binnenkomen door een nauwe
deur. Het bekend zijn mét de heer des huizes - waarbij wij natuurlijk meteen
denken aan Jezus zelf die de gelijkenis vertelt -; bekend zijn mét Jezus als zodanig
biedt daarbij géén garantie op toegang. Zoete broodjes worden er niet
gebakken. De toegang tot het koninkrijk is géén kwestie van "ouwe
jongens krentenbrood", is geen kwestie van "ons kent ons".
"We hebben met U gegeten en gedronken en in onze straten hebt U
onderricht gegeven" roepen degenen die op de gesloten deur bonzen. In de
afgelopen week was ik met een groep jongeren op kamp in de buurt van Zwolle -
waar Thomas a Kempis in de vijftiende eeuw zijn beroemde "Navolging van
Christus" schreef. Die "Navolging" is door een leraar van een
middelbare school in Zwolle, Mink de Vries, vertaald "in jonge
taal" en dáárin, in die vertaling, hebben wij ons in de afgelopen week
verdiept. Ergens in die "Navolging" schrijft Thomas a Kempis:
"Velen hebben de boodschap van het evangelie maar al te vaak gehoord,
maar voelen zich er niet door aangetrokken omdat ze niet de houding, niet de
geest van Jezus hebben. Wie de woorden en levensstijl van Jezus echt wil
begrijpen en ervaren, zal Christus in zijn leven dienen te volgen, in actie
moeten komen en het niet bij woorden moeten laten (...) Je bezighouden met
moeilijke, diepzinnige woorden en teksten maakt je niet opeens tot een goed
mens: een goed leven leiden, dat is
waar het om gaat. Daar is God blij
mee."[1] Of, om met het evangelie van vandaag te spreken: God verlangt van je
dat je géén onrecht bedrijft. Waar het om gaat, dat Koninkrijk, dat is voor
iederéén bedoeld, dát werd ook uit de eerste schriftlezing van deze zondag
duidelijk. De profeet Jesaja sprak over mensen van "alle volken en
talen" die "op paarden, wagens, huifkarren, muildieren en
draagstoelen naar mijn heilige berg Jeruzalem" worden gebracht. In de
antwoordpsalm (117) ging het ook heel nadrukkelijk over "alle
naties" en "alle volken" die opgeroepen worden om de Heer, de
God van Israël te loven. "Van oost en west, van noord en zuid"
zullen ze aan tafel gaan in het Koninkrijk van God zegt het evangelie. En daarbij
zullen laatsten eersten en eersten laatsten zijn. De kaarten worden opnieuw
geschud en de uitkomst wie er wel en niet bij horen, bij dat Koninkrijk, wie
er wel en niet deel van uitmaken en welkom zijn zal verrassend zijn. Gedoopt
zijn, vaak naar de kerk zijn gegaan, met regelmaat de communie hebben
ontvangen, je in de bijbel hebben verdiept ... als zodanig biedt het allemaal
geen zekerheid. Heeft het iets met je gedaan? Heb jij er zelf iets mee
gedaan? Daar gaat het om. Een paar jaar terug bracht ik met een vriend van
mij een bezoek aan de heilige berg Athos, een semi-onafhankelijke republiek
van monniken in Griekenland. Eén van de kloosters die wij er wilden bezoeken
was het Russische Hagios Panteleimenoon-klooster, een gigantisch gebouw, het
heeft misschien wel duizend kamers. Alleen: voor ons was er geen plaats.
"Het gastenkwartier wordt gerenoveerd" zei de gastenpater. En daar
sta je dan, in de hitte van de namiddag met het volgende klooster minstens
een uur gaans verwijderd, bergopwaarts. En zou daar dan wél plaats zijn? Dat
wij geen Russen waren en niet-orthodox had er misschien ook wel mee te maken
dat wij niet welkom waren. Want er wáren wel andere pas gearriveerde gasten.
Die waren wél toegelaten. Maar díe waren van het houtje! Eén van hen, Alexej,
die met zijn vader, een grote bouw-ondernemer, plus een orthodoxe priester
plus een lijfwacht reisde; Alexej was er zéér verontwaardigd over dat zij wel
naar binnen mochten en wij niet. Hij loodste ons bij het avondeten derhalve
toch gewoon de enorme, prachtig gedecoreerde eetzaal van het klooster, de
"trapeza", binnen én hij leende ons de spiksplinternieuwe
slaapzakken van hem en zijn vader, zodat wij op het strand konden slapen en
de volgende morgen in alle vroegte de liturgie in het klooster konden
meemaken. Dát werd een onvergetelijke ervaring, die nacht onder de
sterrenhemel én die liturgie. De meer dan negentigjarige "hčgemoon"
(leider, abt) van het klooster ging in die liturgie vóór. Zijn gezicht
straalde daarbij als dat van een engel. Na afloop van de urenlange viering
trok de gemeenschap zich terug in een aparte kerk op het kloosterterrein - om
even later weer naar buiten te komen: de hegemoon vooróp, om zijn schouders
een mantel van dunne stof van, ongelogen, wel dertig of veertig meter lang
die door de monniken achter hem aangedragen werd, het alles begeleid door een
hemelse zang die je door merg en been ging en die diep ontroerde. Zo trok men
opnieuw de eetzaal binnen - alsof men de hemel binnenging. Maar, u raadt het
misschien al, de grote deuren gingen wél voor ónze neus dicht. Dat was wel
even een moment om diep te doorvoelen ook: Dat was echt dat moment van
"Heer, doe open ...". En toen was daar opnieuw Alexej. Witheet was
hij toen hij begreep dat wij opnieuw waren buitengesloten. Hij ging zich bij
de leiding van het klooster over de gastenpater beklagen ("Hij zal
worden gestraft" had hij daarbij te horen gekregen) en vervolgens
toverde hij allerlei etenswaren tevoorschijn. Waren wij onrechtvaardig behandeld dierbare
gasten en parochianen? Hadden wij wél verdiend om binnengelaten te worden in
de eetzaal, in de trapeza van het klooster casu quo om aan tafel te gaan in het Koninkrijk van God? Ik was
daar zelf duidelijk veel minder van overtuigd dan Alexej. Maar hoe híj voor
ons ópkwam - dat was hartverwarmend. En ik weet zeker: aan mensen zoals die
Alexej, die met hart en ziel ópkomen voor andere mensen, voor degenen die
niet welkom zijn met name, aan hén behoort het Koninkrijk der hemelen. Heel
graag, lieve mensen, zou ik in mijn leven als dat aan de orde is (en het ís voortdurend
aan de orde) dus een beetje willen zijn ... zoals Alexej. En ik wens het ook
ú toe. Amen. VERKONDIGING op 25 juli 2010, de zeventiende zondag door het jaar,
hoogfeest van Sint-Jacobus te Compostella, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw
Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek Genesis (18, 20-32), Psalm
238 (ged.), uit de brief aan de Kolossenzen (2, 12-14) en uit het
Lucas-evangelie (11, 1-13). De laatste keer dat ik u op deze plek mocht
toespreken, dierbare parochianen, was twee weken terug, op de dag van de
finale van het wereldkampioenschap voetbal in Johannesburg, Zuid-Afrika. Op
die dag was alles oranje, zelfs in meer of mindere mate in de kerk - terwijl
de kleur van de liturgie van de zondag wél gewoon groen was, precies als
vandaag, en Jezus in het Lucas-evangelie vastberaden naar Jeruzalem gaat, de
stad van God. Jezus is op Jeruzalem gericht en niet op Jericho - dat in het
evangelie van de bewuste zondag (over "de barmhartige Samaritaan")
óók voorkomt. Jezus is niet op Jericho gericht, laat staan op Johannesburg,
wél op Jeruzalem. In dat verband heb ik u verteld dat Jeruzalem hóóg ligt, op
een berg, terwijl Jericho láág ligt, vér onder zeeniveau. De afstand tussen
beide plaatsen, Jeruzalem en Jericho, is maar twintig kilometer. Maar het
hoogteverschil is groot: wel negenhonderd meter. Ik heb u toen ook verteld
dat in het Lucas-evangelie dat hoogteverschil een theologische betekenis
heeft, namelijk in de zin van: in Jerúzalem moet je zijn voor God, níet in
Jericho. Als je naar Jericho gaat, dan beweeg je van God wég. Ga je náár
Jeruzalem, dan beweeg je naar Hem toe. En zo doet uiteraard Jezus. En Hij
nodigt ons uit om achter Hem aan te gaan. Want Hij wil ook ons bij God
brengen. In de eerste lezing van vandaag, uit het boek
Genesis, is iets dergelijks aan de hand. Daar gaat het om de steden Sodom en
Gomorra. Ook die beide steden liggen láág, precies als Jericho. De mensen
zijn er dan ook díep gezonken. Wij hoorden hoe God tegen Abraham sprak:
"Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar
is hun zonde! Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk
overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het
weten." De vraag wat er nu precies mis is met en in Sodom
en Gomorra kunnen we laten rusten dierbare gasten en parochianen. Daarover
vertelt de lezing van vandaag niet. Maar dát het daar in Gods ogen niet goed
gaat en dát Hij zich zorgen maakt en op het punt staat om "corrigerend
op te treden" omdat men daar in Sodom en Gomorra eigenlijk om vráágt,
daar mogen we vandaag wél over spreken. Die houding van God is voor ons
trouwens herkenbaar. Want ook wij kunnen ons ernstig zorgen maken over wat
wij om ons heen, met mensen, binnen onze samenleving, in onze wereld, zien
gebeuren. Wij kunnen ons er zorgen over maken. En we kunnen ons erover
opwinden. U weet, veelgeliefden, keer op keer slaagt onze
kerk er tegenwoordig in om de voorpagina van de krant en het achtuurjournaal
te halen. Nu weer vanwege "Obdam". Mijn fantastische collega Paul
Vlaar, een geweldige, in het dorp zeer geliefde pastor, die volle kerken
trekt, heeft het dit keer wel erg bont gemaakt, dat wil zeggen: erg oranje.
Zódanig dat de Heer en dat de heiligheid van de eucharistie erdoor zijn
ondergesneeuwd vindt onze bisschop Jozef Punt. En hij heeft Paul geschorst.
Hij mag zijn ambt tijdelijk niet uitoefenen. Een paar maanden lang moet hij
zich verplicht in een klooster bezinnen. Leiden in last. Heel Holland valt
weer over onze kerk en met name over de bisschop. Paul heeft duizenden
steunbetuigingen ontvangen terwijl naar eigen zeggen de disciplinaire reactie
van de bisschop "ook adhaesie" heeft opgeroepen. "Uitermate
zwaar is hun zonde!" wordt over en weer min of meer beweerd. Paul heeft
het helemaal verkeerd gedaan. De bisschop heeft het helemaal verkeerd gedaan.
Zo vindt men. In een brief die de bisschop op 19 juli aan "de gelovigen
van het bisdom haarlem-Amsterdam", aan ons dus ook, schreef; daarin
heeft hij het over een dubbele crisis waar wij als kerk mee te maken hebben:
"een morele crisis, waarvan het kindermisbruik in het verleden het
zwaarste weegt, en waarvan we ons oprecht proberen te zuiveren." Maar
daarnaast is er ook sprake van "een geloofscrisis" stelt de
bisschop. De "kwestie Obdam" zou zijns inziens illustreren dat
"het besef van Gods aanwezigheid in de eredienst, de eerbied dus voor
het heilige, in onze Nederlandse katholieke kerk is verzwakt." Zou het, dierbare parochianen en gasten; zou het
zo zijn? Is dat wáár wat onze bisschop schrijft? Ik denk: het kan helemaal
geen kwaad om ons dat af te vragen - samen met pastor Paul in het klooster
als het ware. Ik denk: de bisschop heeft daar best een punt waar hij voor
opkomt - terwijl ik tegelijkertijd denk: die pastor Paul Vlaar in Obdam, die
is helemaal uit het goede hout gesneden. Paul is ongetwijfeld diep
doordrongen van het besef van Gods heiligheid in de eredienst. Dat zie je aan
zijn gezicht zou ik bijna zeggen. Hij is, in mijn ogen althans, een edele,
zuivere jongen. En zonder dat ze er misschien zelf erg in hebben geeft hij
dat besef van Gods heiligheid aan de kerkgangers in Obdam ongetwijfeld méé -
mét en in de oranjetompouce zelfs die de kerkgangers na afloop van de viering
kregen. Daar ben ik heilig van overtuigd. Ja, veelgeliefden, graag pleit ik hier voor mijn
collega Paul, een beetje hoop ik zoals Abraham het deed voor de mensen van
Sodom en Gomorra. Natuurlijk, zij deugden niet. Wij deugen ook niet. Jezus
zegt het zélf in het evangelie van deze zondag, in een bijzin, tussen neus en
lippen door, maar tóch: "Als jullie, slecht als je bent ..." Er mag dus bést wat, of véél zelfs, aan te merken
zijn op Sodom en Gomorra, op Obdam en op Amsterdam. Maar, je kunt de zaak dan
wel op de schop nemen of er de brand in steken of hoe je dat ook wilt
aanpakken, maar ... pas op: er kan dan ook het nodige goede verloren gaan ...
Het is me niet nogal kostbaar dat in deze tijd van kerkelijke kommer en kwel
er zo duidelijk léven zit in de kerk van Obdam. Een roos bloeit in de woestijn.
"Vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven ieder die ons iets
schuldig is." De Heer heeft de vergeving toch niet voor niets tot een
kern, zo niet dé kern, nee de zíel van zijn leven en bidden en leer gemaakt?
Laat de bisschop pastor Paul alsjeblieft zo snel mogelijk zijn wel erg
enthousiaste oranjemis vergeven. En laat pastor Paul alsjeblieft de bisschop
zijn wel érg stoere "disciplinaire maatregel" vergeven. Zand erover
alsjeblieft en verder. Paulus, schrijft ons vandaag in zijn brief aan de Kolossenzen:
""Hij heeft ons al onze overtredingen vergeven. Hij heeft de
oorkonde met al haar bepalingen, die in ons nadeel was en tegen ons getuigde,
verscheurd. Hij heeft haar uit ons midden weggenomen en aan het kruis
genageld." Precies altijd in alle opzichten de regels volgen
veelgeliefden, dat lukt ons niet en als het ons al zou lukken, dan zou het
ons toch niet bij God brengen. Nee, zeker niet! Kijk maar naar Jezus,
genageld aan het kruis. Dát is wat gebeurt als we met ijzeren discipline en
consequentie de regels volgen: dan wordt leven ondraaglijk zwaar, dan gaan
mensen ten onder, dan breken ze. Als een misdadiger is Jezus aan het kruis
gestorven. "Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan"
denken de mensen dan (óók in Obdam). "Dan zal die wel wat verkeerd
hebben gedaan." "Dan zal die wel wat op z'n kerfstok, op z'n
geweten hebben". Als het met mensen niet goed gaat of zelfs
"verkeerd afloopt", dan hebben ze dat toch aan zichzelf te danken
ook. Zo denkt men. Zo denken mensen. Zo denken wij - als we niet oppassen.
Jezus van Nazareth echter heeft met en in zijn kruisdood door die rekening nu
precies een grote, dikke, vette streep gezet. Juist de mens die er volgens de
regels, volgens de wet helemaal náást zat, was "helemaal goed", zo
wist Paulus. Mogen wij het ook weten en er in ons leven van getuigen. Amen. VERKONDIGING op 11 juli 2010, de vijftiende zondag door het jaar, in
de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek Deuteronomium (30, 1-4),
Psalm 69 (ged.), uit de brief aan de christenen van Kolosse (1, 15-20) en uit
het Lucas-evangelie (10, 25-37). Aller ogen gericht, wereldwijd en zeker in
Nederland, op Johannesburg. Wordt Nederland vanavond wereldkampioen? Vandaag
hangt het antwoord op die vraag nog in de lucht. Vanavond wordt het beslist.
Aller ogen gericht op Johannesburg. Overal oranje. Mijn collega Paul Vlaar,
de pastoor van de Sint-Victorparochie te Obdam, in West-Friesland, het dorp
waar mijn vader geboren is; Paul heeft z'n hele kerk met oranje vlaggetjes
volgehangen, hij gaat vandaag vóór in een oranje kazuifel en na afloop van de
viering krijgt iedereen een oranje tompoes. Oranje-gekte die zelfs een
pastoor in z'n greep kan krijgen dus. Míj gaat dat allemaal veel te ver - al
zijn ook wíj niet ontkomen aan oranje bloemen voor het altaar. Gelukkig
ervóór, niet erbovenop zeg ik op zo'n dag. We mogen onze lol vanwege oranje
en ons verlangen naar de overwinning best beleven voor Gods aangezicht. We
mogen het Hem best vóórleggen. Wie weet heeft God er schik in en ziet Hij in
deze genadig op het Nederlands elftal, "op ons", neer ... Wie weet
... Aller ogen gericht op Johannesburg, alles oranje ... maar de kleur van de
liturgie is vandaag, op deze vijftiende zondag door het jaar, wél gróen en de
Heer is niet gefocust op Johannesburg, maar op Jeruzalem. Zo is dat met
Jezus, zeker in het Lucas-evangelie: Jeruzalem is de stad waar Hij op gericht
is, waarheen Hij op weg is, waar Hij naar toeleeft. In Jeruzalem, niet in
Johannesburg, gebeurt het. In
Jeruzalem, niet in Johannesburg, valt de beslissing. Johannesburg - dat is in
wezen toch de waan van de dag. Maar in Jeruzalem - daar gebeurt het heil van
God, voor alle tijden en plaatsen. De tweede lezing vandaag was uit de brief aan
de Kolossenzen, de grote Christus-hymne die we vinden in die brief. Daarin
wordt het bezongen, dat beslissende heil dat ons in Hem, in Jezus Christus,
van Godswege ten deel is gevallen: "Hij is het beeld van de onzichtbare
God, de eerstgeborene van heel de schepping. (...) in Hem is alles geschapen,
in de hemel en op de aarde (...) In Hem heeft heel de volheid willen wonen om
door Hem alles met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed, aan
het kruis vergoten." Toe maar. Het is duidelijk, dierbare gasten en
parochianen van deze Vredeskerk: voor de schrijver van die brief aan de
Kolossenzen is Jezus en is speciaal ook Jezus' kruisdood álles. Jezus en zijn
kruis zijn de sleutel tot het verstaan van het hele mysterie van dat
wonderlijke, mooie en wrede leven van ons; óók van dat van ons nú, in deze
tijd. De woorden van de brief aan de Kolossenzen hebben betrekking op
verleden, heden en toekomst. Jeruzalem dus. Dat is Gods stad. En dat is dus
ook Jezus' stad. Jeruzalem is de eeuwige stad, níet Rome, laat staan
Johannesburg. Maar nu is het zo wonderlijk in het evangelie van
deze zondag: daar ontmoeten we een mens, een reiziger, Jezus vertelt over
hem, die gaat níet naar Jeruzalem, maar die gaat in de omgekeerde richting,
hij gaat naar Jericho. De weg tussen die steden is maar zo'n twintig
kilometer. Maar het hoogteverschil is enorm. Jeruzalem ligt hoog, op een
berg, zo'n zevenhonderd meter boven zeeniveau. Maar Jericho ligt eronder,
tweehonderd meter of zo. Een hoogteverschil van bijna een kilometer dus. Zo
is de geografie van het Heilig Land op dit punt. En iedereen weet: je moet in
Jeruzalem zijn, daarboven. Jezus weet het, Hij gaat erheen. En ook die
priester en die leviet over wie hij vertelt in zijn parabel; ook zij weten
het, ook zij gaan erheen, naar Jeruzalem. Ze weten niet hoe snel ze er moeten
komen die laatste twee. Als vliegen op de stroop, zo trekken ze naar
Jeruzalem. En ook: met oogkleppen op. Die mens die daar halfdood aan de kant
van de weg ligt, die zien ze niet. Of liever gezegd: die wíllen ze niet zien.
Ze zijn een beetje obsessioneel bezig met hun Jeruzalem en met hun God. Die halfdode, wist die het misschien níet, dat
Jeruzalem the place to be is? Hij
ging niet omhoog, naar Jeruzalem, maar hij zakte juist af, naar Jericho. Geen
wonder dus eigenlijk dat hem iets naars overkomt. Hij is de goede weg, de
goede richting in zijn leven blijkbaar kwijt. Hij stevent af op duistere,
diepliggende regionen. Let wel mensen! Als zodanig is er met Jericho
natuurlijk niets mis, maar Lucas vertelt ons de parabel bij monde van Jezus
omdat hij ons óók met en door de ligging van die twee steden, Jeruzalem en
Jericho, ten opzichte van elkaar iets duidelijk wil maken van een andere
orde: "Jeruzalem" - dat is het leven mét God, gericht op God, in
harmonie met God, zoals God het wil. "Jericho" - dat is: ver van
huis, de weg kwijt, dat is verloren lopen en dat het met een mens niet goed
gaat. En met zulke mensen "moeten we dus iets", daar mogen we dus
niet in een grote boog omheen lopen, juíst omwille van de God die zich in
Jeruzalem laat kennen en die we daar mogen ontmoeten. Ik zei: daar "moeten we iets mee", met
zo'n halfdode pechvogel aan de kant van de weg. Maar dat "moeten"
is het totaal verkeerde woord in dit verband. Dan krijg je geforceerde toestanden:
zoals met iemand die je tegen het lijf loopt in de supermarkt en met wie je
voor je gevoel wel even móet praten - al staat je hoofd daar helemaal niet
naar en heb je er misschien helemaal geen zin in. Dan kun je het dus beter
laten ... Het prachtige van die Samaritaan die Jezus bij Lucas beschrijft is
nu juist dat die meteen wérkelijk geráákt wordt door die halfdode figuur
langs de weg. "Hij zag hem en was ten diepste met hem begaan".
Zien, veelgeliefden, werkelijk zien. Mensen echt zien, iemand echt zien. De
hele gestalte van iemand en het wezen goed tot je laten doordringen, dat is
niet iets vanzelfsprekends. Vaak zien we de mensen, de dieren en de dingen
wel maar zien we ze niet. Ze komen niet bij ons binnen, feitelijk sluit je
jezelf áf - want je moet zo nodig naar Jeruzalem. Of naar Johannesburg.
Voetbal kijken. Boodschappen doen. Bidden. En zo gebeurt het dat we
voorbijgaan aan de openbaring van God in ons leven. Hij laat zich zien, op de
eerste plaats in mensen die in nood zijn, die jou nodig hebben en voor wie
jij iets zou kunnen doen. God laat zich zien. Maar wij verschuilen ons. Adam
waar ben je? Niet thuis! Zo niet de Samaritaan. Hij is wel thuis - al is
hij dan "op reis". Hij laat onmiddellijk zijn hart spreken. Het
gebeurt gewoon. Hij denkt er niet eens over na in de zin van "wat zou ik
in het licht van mijn geloof nu in deze situatie kunnen of misschien wel
moeten doen?" Hij denkt niet na over God, de Samaritaan (iemand die
"niet van het houtje" is dus), maar hij "dóet" God wél.
Het is met hem, met die Samaritaan, zoals in het boek Deuteronomium, de
eerste lezing van vandaag, gesproken wordt over Gods geboden. Die zijn niet
te zwaar voor je en die liggen niet buiten je bereik. Je hoeft niet naar de
hemel of de zee over te steken om erbij te kunnen. "Nee, het woord is
dicht bij je, in je mond en in je hart. Dus je kunt het volbrengen" -
zoals de Samaritaan laat zien. De hulp die hij biedt is adequaat, royaal,
nuchter, niet sentimenteel, die wordt niet overgoten met een godsdienstig
sausje. De Samaritaan neemt de tijd voor het slachtoffer. Hij trekt met hem
in een herberg. Maar hij heeft ook zijn grenzen. De andere dag moet hij echt
verder, maar dan doet hij een beroep op de herbergier voor verdere zorg - en
stelt zich dan ook nog eens garant in verband met de eventuele kosten. Wat
mij er in aanspreekt, in hoe hij het aanpakt, die Samaritaan, dat is het
frisse, het niet-tobberige van zijn aanpak: "Wat moet ik doen om deel te
krijgen aan het eeuwige leven?" en "Wie is mijn naaste?" - de
vragen die de wetgeleerde Jezus stelt, zulke vragen stelt hij, de Samaritaan,
niet. Hij laat z'n hart spreken. Proberen wij het ook: in Jericho en
Jeruzalem. In Johannesburg. In Obdam en in Amsterdam. Amen. VERKONDIGING op 27 juni 2010, de dertiende zondag door het jaar, in de
Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het eerste boek der Koningen (19,
16b.19-21), Psalm 16 (ged.), de brief aan de Galaten (5, 1.13-18) en uit het
Lucas-evangelie (9, 51-62). Zoals in "de Da Vinci-code" of
"het Bernini-mysterie"! - de wereldwijde best-sellers van Dan Brown. De bisschoppen van België door
justitie negen uur lang vastgehouden in het aartsbisschoppelijk paleis in
Mechelen. Hun mobieltjes moesten ze inleveren. Het huis van kardinaal
Danneels doorzocht, dossiers meegenomen, computers meegenomen. En als klap op
de vuurpijl: In de Sint-Romboutskathedraal werd de aartsbisschoppelijke
grafkelder geopend. Dat alles op zoek naar belastende documenten in verband
met onderzoek naar kindermisbruik binnen de kerk. De doofpotten van kardinaal
Danneels. Bestaan die? Waar zijn ze? Het leek wel een scčne uit de Da
Vinci-code of het Bernini-mysterie van Dan Brown. Of nee: het boek en de film
verbleken erbij. Want dit is écht! Real-life
soap. Zo langzamerhand krijg ik als priester van de Roomse kerk soms het
gevoel alsof ik voor een criminele organisatie werk. Dat er zó tegen ons
aangekeken wordt. Bij tijd en wijle voelt dat enigzins onbehaaglijk - een
onbehaaglijkheid die natuurlijk in het niet valt bij wat slachtoffers van
misbruik hebben moeten ervaren. En iedereen snapt: het is in ieders belang,
in het belang van slachtoffers, van daders en van de kerk dat de zogenaamde
"waarheid" zoveel mogelijk aan het licht komt - al zou je daarbij
wensen dat zulke Dan Brownachtige scčnes vermeden zouden kunnen worden. Quod non blijkbaar. Rome is natuurlijk
weer boos, op de teentjes getrapt. Maar de bisschoppen van België hebben het
gelaten over zich heen laten komen is mijn indruk (ja, wat moeten ze anders)
en temidden van alle commotie met gepaste vreugde toch Jozef, Sjef, De Kesel
gepresenteerd als nieuwe bisschop van Brugge, als opvolger van de vanwege
misbruik afgetreden bisschop Vangheluwe. Da's een goeie geloof ik, De Kesel.
Maar ja, dat dachten we van Vangheluwe ook altijd. Nou ja, we zullen wel
zien. We gaan in elk geval vérder als kerk, wat er ook gebeurt. En we wenden ons opnieuw, met zo groot mogelijke
aandacht, naar het evangelie, naar Jezus, want daar gaat het toch om. Hij is
toch de kern, Hij is toch het hart van de zaak waar het ons om gaat in de
kerk. Of niet soms? "Terwijl zij onderweg waren". Díe woorden
klinken vandaag in het evangelie. De Willibrordvertaling van 1995 vertaalt:
"terwijl zij hun reis voortzetten." Zo is het dierbare gasten en
parochianen: wij zijn als kerk onderweg, wij zijn op reis. Jézus is het. Het
reisdoel is Jeruzalem. Daar wacht Hem het kruis. Maar in het evangelie van
deze zondag wordt daarvoor het woord "verheffing" gebruikt. Pieter
Oussoren, de vertaler van de Naardense Bijbel heeft het over
"opneming". En de Willibrordvertaling van 1995 schrijft: "Toen
de tijd naderde dat Hij zou worden weggenomen." Wegnemen, opnemen,
verheffen. Welk woord je ook kiest, het is duidelijk dat vooruitgeblikt wordt
naar Jeruzalem en naar het kruis - niet als een definitief einde, maar als
een doortocht. Het gaat om Jezus' exodus,
om zijn uittocht, om zijn uitweg - zijn escape
om met Dan Brown te spreken. Jezus gaat gekruisigd worden. Maar op dat
kruis gaat Hij ontsnappen. Het is zijn uitweg, op weg naar Gods Koninkrijk.
En het is dus de bedoeling dat wij Hem, Jezus, op die weg volgen, dat wij Hem
návolgen. De navolging van Christus, daar gaat het om. Op zijn weg ontmoet Jezus vandaag drie naamloze
figuren. Dat is wel interessant, want dan kunnen wij onze eigen naam daar
invullen. De eerste is erg enthousiast: "Ik wil U volgen, waar u ook
naartoe gaat." En Jezus zegt dan: "De vossen hebben een hol, en de
vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nérgens het hoofd
neerleggen" - wat voor mij en voor U dan natuurlijk meteen de vraag
oplevert: Nestel ik mij niet veel
te veel in wat ik zogenaamd "heb", in mijn zogenaamde
"positie", in mijn zogenaamde "identiteit". Zijn dat
huis, die meubels, die bankrekening, die maaltijden en wat erbij gedronken
wordt niet allemaal te veel: te groot, te zwaar, te dik? Ben ik niet zelf een
ongelooflijk meubel geworden? niet
te vertillen of te verschuiven ... niet weg te bránden gewoon, weinig
flexibel, niet erg dynamisch ... Op dit punt kán voor ons een uitdaging
liggen dierbare gasten en parochianen. De tweede anonymus lijkt in principe wel bereid
om op Jezus' uitnodiging, of liever gezegd: bevel (want Jezus zegt gewoon:
"Volg Mij"); om daar op in te gaan, maar hij of zij is zo'n type
van "eerst nog even dit en nog even dat". Daar moet je dus erg mee
oppassen veelgeliefden. Want als je eerst nog even dit of eerst nog even dat
wil doen, dan loop je het gevaar dat je net de boot mist, de boot van het
Koninkrijk wel te verstaan. En die boot wíl je niet missen. En waar gaat het
dan in concreto om? Ik denk: de
Geest Gods, die van Jezus, die spreekt in ons. En die geeft ons vanalles in:
om contact op te nemen met deze of gene, om dan dit of dat te zeggen. Of je
zit op de fiets, je ziet iemand lopen op straat, een bekende. Blikken kruisen
elkaar. Je lacht elkaar misschien toe. De Geest in jou zegt: "nu".
Maar jij fietst door, want je hebt zogenaamd haast. Oftewel: je zit vast aan je
eigen plan en staat niet open voor dat van God. Gemiste kans. Het omgekeerde
komt ook voor. Iemand vertelde mij ooit dat een vriend van hem op de trap van
de metro in Parijs zo ongeveer letterlijk tegen een onbekende was opgelopen.
Er gebeurde iets in beider ogen. En hij is níet doorgelopen. Ze hebben elkaar
ontmoet, ze zijn getrouwd en hebben drie kinderen. Zo werkt de Geest Gods,
die van Jezus. Zo is de weg die leidt naar het Koninkrijk. Let op je
ingevingen, heb er aandacht voor. En negeer ze niet - ook al moet je bij
wijze van spreken of zelfs in de meest letterlijke zin je vader gaan begraven
... Paulus, in de tweede lezing vandaag, uit de brief
aan de Galaten, onderscheidt tegenóver de Geest een andere kracht die hij
noemt: "zelfzucht" en: "egoďsme". "Leef naar de
Geest, dan zult ge niet uitvoeren wat de zelfzucht dicteert". Heel
dwingend kan die zelfzucht zijn, náár-geestig, onaangenaam. Ik denk,
veelgeliefden, aan de vruchten herkennen we wat dit betreft de boom: De Geest
van God, het luisteren naar de ingevingen dáárvan, maakt ons blij en licht en
gelukkig. Het luisteren naar de ingevingen van zelfzucht en egoďsme maakt ons
droevig, zwaar en óngelukkig. "Bemint uw naaste als uzelf!" Paulus
herinnert ons aan hét grote gebod Gods. En hij voegt de Galaten vervolgens
toe: "Maar als u elkaar blijft bijten en klauwen, dan vrees ik dat u
elkaar op den duur zult verslinden." Er is veel haat en nijd. Buiten de
kerk. Ten aanzien van de kerk. Maar ook binnen de kerk. Het is soms wérkelijk
een Dan Brownachtige toestand. We hebben nog een hele weg te gaan wat betreft
die "navolging van Christus". Maar we geven niet op. Want de uitweg
is er. Die weg loopt naar en door Jeruzalem. Het is de weg van het kruis die
een weg is van verheffing, van opneming, van weggenomen worden. Amen. VERKONDIGING op 16 mei 2010, de zevende
zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te
Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de
Apostelen (7, 55-60), Psalm 97 (ged.), het boek der Openbaringen van Johannes
(22, 12-20) en uit het Johannes-evangelie (17, 20-26). Ze heette, dierbare gasten en parochianen van
deze Vredeskerk, ze heette Daniëla. Ze was een Italiaanse. Ze was de dochter
van een collega van één van onze docenten. Met een paar vriendinnen bezocht
ze Amsterdam en via haar vader en diens Amsterdamse collega had ze onderdak
gevonden bij ons, bij onze leefgemeenschap ("leefgroep" heette dat
in die jaren) van theologiestudenten aan de Marnixstraat. En ze zag hoe wij
afwasten: in een teiltje, met een sopje en dan afdrogen. Zonder eerst de
chemicaliën van het afwasmiddel af te spoelen onder de kraan. Nee! Terribile! Met Italiaanse dramatiek gaf ze uitdrukking
aan haar afschuw. Hoe kónden wij zóiets doen: dat was toch verschrikkelijk
ongezond! Ja, dierbare gasten en parochianen, het mag wel
een wonder heten dat ik het hier na zoveel jaren nog kan navertellen. Waarom?
Waarom vertel ik dit u vandaag? - Bij wijze van voorbeeld van hoe mensen
verschillend over dingen kunnen denken en hoe ze verschillend kunnen doen. Je
hoeft daarvoor nog niet eens met een buitenlander of buitenlandse van doen te
hebben. Partners en huisgenoten kunnen verschillende gewoontes en ideeën
hebben. En ook binnen de familie, op het werk, op de trap en ook in de kerk
kunnen die uiteenlopen en ook frictie opleveren. Hoe richten we het huis en
de tuin in? Wie doet dat? Hoe doen we het met eten? Hoe geven we het geld
uit? Wie zet de vuilniszak buiten? Enzovoort. Het zijn de kleine dingen die
het doen - in de goede én in de moeilijke zin. Wij kunnen ons door elkaar
gezíen en geliefd voelen. Wij kunnen ons door elkaar bekrachtigd, gesteund en
gestimuleerd voelen. Maar wij kunnen voor elkaar ook een bron van ergernis en
verdriet zijn. Wij kunnen ons door elkaar ook afgewezen, geremd en óntkracht
voelen: keer op keer naar beneden geschoten in onze ópvlucht als het ware. Zo
kan het zijn. En als het in onze "kleine wereld" al zo ingewikkeld
en moeilijk kan zijn om tot elkaar te komen, om elkaar goed aan te voelen en
om goed met elkaar om te gaan, om harmonie en een zekere eenheid te ervaren,
wat mogen we op dat vlak dan in "de grote wereld" verwachten, de
grote wereld van de verhoudingen tussen de volken, tussen mensen van
verschillende ethniciteit, met verschillende talen, culturen, godsdiensten en
levensbeschouwingen? In het evangelie van deze dag bidt de Heer om eenheid,
maar in de eerste lezing wordt Stefanus door zijn eigen volks- en
geloofsgenoten afgemaakt, dat wil zeggen: Stefanus was dan een jood die in
Jezus was gaan geloven, maar daar kon men blijkbaar niet tegen, zoals het
voor mensen nog altíjd onverdraaglijk kan zijn om iemand met een kruis een
keppeltje of een hoofddoek te zien. Er zijn omstandigheden waarin zulke
uiterlijke tekenen van een bepaald soort gelovigheid je de kop kunnen kosten. Omgaan met verschillen. Hoe moeilijk is dat. Het evangelie van deze dag moet heel langzaam
gelezen worden, meditatief. Het is als de dans van derwisjen: die Turkse
mannen in die lange witte gewaden met van die torenhoge hoeden op hun hoofd.
Terwijl ze dansen, om elkaar heencirkelen, letterlijk, bollen de gewaden op.
Magnetiserend, hypnotiserend is het. De dansers én de toeschouwers raken in
trance. Zo is ook het evangelie van deze dag: "Zoals U, Vader, in Mij
bent en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn (...) Ik heb hen laten delen in de
heerlijkheid waarin U Mij hebt laten delen, opdat ze één mogen zijn zoals Wij
één zijn: Ik in hen zoals U in Mij (...). Eenheid tussen hemel en aarde.
Eenheid tussen mensen - op grond daarvan, van daar uit. Hoe komen wij tot die eenheid veelgeliefden? Ik
denk, als wij in en vanuit de Kerk daarover spreken, dan moeten we zeggen:
Die eenheid kunnen wij alleen maar vinden als we op Gód gericht zijn. Daarom
insisteer ik altijd zo op het gebed. Daarom laat ik níet af om het onder uw
aandacht te brengen, soms tot grote irritatie van sommigen. Echter, laten we
het ná in de kerk, blijft de kerk gesloten en wordt er niet gebeden, dan
worden het de vergaderingen en dan wordt het de onderlinge gezelligheid en
dan wordt het ook "het gedoe" en ook eventueel het gekibbel en het
geruzie dat ons met elkaar verbindt. Vergaderingen en onderlinge gezelligheid
zijn natuurlijk óók belangrijk. En dat gedoe, gekibbel en geruzie blijkt
helaas niet altijd te voorkómen. En laten we ook vooral niet vergeten dat er
onder ons gelukkig ook sprake is van veel oprechte zorg en betrokkenheid en
ondersteuning. En toch veelgeliefden: in het gebed gebéurt het. Het gebed is
het hart. Het gebed is de kern van de zaak. In het gebed ervaren wij de
fascinatie door God. In het gebed trachten wij open te staan voor Hem. In het
gebed worden wij, wellicht, hopelijk, zo nu en dan, rechtstreeks door Hem
geráákt. Kijk maar naar de eerste lezing, naar de bedreigde Stefanus. Daar
gebeurt het: "Hij richtte zijn blik op de hemel, zag de heerlijkheid van
God, en daar stond Jezus aan Gods rechterhand." Dat is gebed
veelgeliefden: Jezus zien. In de tweede lezing, uit het boek der Openbaringen
van Johannes vandaag, zit het ook. De door Jezus beminde leerling ziet óók de
hemel open en erváárt Jezus: "Ik ben de wortel uit het geslacht van
David, de stralende morgenster." Ook dat is: de fascinatie van en in het
gebed. "Kom! Wie dorst heeft kome. Wie wil, neme het water dat leven
geeft, voor niets." Het essentiële, veelgeliefden, wordt ons geschonken.
Het essentiële gebeurt gewoon. Wij maken dat niet. Het is alleen maar een
kwestie van ervoor openstaan, van het láten gebeuren. En dat is gebed. En al
het andere: de onderlinge betrokkenheid en zorg, de gezelligheid, de
vergaderingen en de hele rataplan en dat alles in een goede geest,
geďnspireerd door Góds Geest én daarvan getuigend, dat vloeit er als het goed
is uit voort, uit het gebed. "Zoals U, Vader, in Mij bent en ik in U, zo
moeten zij in Ons zijn, zodat de wereld
kan geloven dat U Mij hebt gezonden." Met andere woorden
veelgeliefden: In onze manier van omgaan met elkaar, in onze manier van
kerk-zijn laten wij Jézus zien - of niet. Want we kunnen Hem daarin en
daardoor ook juist verbergen, verduisteren en onderschoffelen als kerk.
"Diegenen die U Mij hebt toevertrouwd, zou ik graag bij Mij hebben waar
Ik ben". Zo is het: Jezus wil ons hebben waar Hij is. Hij wil ons
betrekken in Zijn manier van leven, betrekken bij Zijn ervaring, díe aan óns
geven. "Uw naam heb Ik hun bekend gemaakt en dat zal Ik blijven doen,
opdat de liefde die U Mij hebt toegedragen, in hen mag zijn - opdat Ik in hen
mag zijn." Van Jezus, ook van de hemelse Jezus, gaat een stroom uit, een
constante stroom. En met en in die stroom geeft Jezus ons Gods Liefde, geeft
Hij ons zichzelf. Die stroom ervaren wij in ons gebed en vandaaruit
beďnvloedt het, nee beďnvloedt Híj al onze verhoudingen. Dat wij één zijn. Daar bidt Jezus om. En hoe
worden wij één? Het antwoord wordt óók gegeven op de onvolprezen
Münsterschwarzacher Bildkalender die bij mij op het toilet hangt. Een paar
weken geleden las ik daar: "Wonach man jagt, das bekommt man nicht; aber
was man werden lässt, das fliegt einem zu." Een uitspraak van ene
Pinchas Rabbi. "Waar je naar jaagt, dat krijg je niet. Wat je laat
gebeuren, dat vliegt naar je toe." Mogen wij het zó meemaken
veelgeliefden. Moge de eenheid onder ons, bij het afwassen en bij alles wat
ons bezighoudt; moge die eenheid waar wij biddend naar verlangen ons in de
schoot geworpen worden. Amen. VERKONDIGING op de zesde zondag van Pasen, 19 mei 2010, in de Kerk van
Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de
Apostelen (15, 1-2.22-29), Psalm 67 (ged.), de Openbaring van Johannes (21,
10-14.22-23) en uit het Johannes-evangelie (14, 23-29). "All you need is love" zongen de
Beatles in de jaren zestig. Niets wat jij kúnt doen is onmogelijk om te doen.
Niets van wat je kunt weten is ónbekend. Niets van wat je kunt zien wordt
níet getoond[2].
Daarvoor heb je alleen een beetje liefde nodig. Zo luidt de simpele boodschap
van dat liedje. En dat alles is natuurlijk heel erg waar. En tóch, dierbare gasten
en parochianen, kort nadat die genieën van de Beatles dat liedje zongen,
gingen ze uit elkaar. Er waren meningsverschillen en rancune. En iedereen
begreep dat het toch niet zo simpel was[3]. Zo is het ook met ons geloof en met onze kerk. Zo
is het daarmee in deze tijd. En zo was het daarmee al in de begintijd.
"Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef ik u" heeft Jezus tegen ons
gezegd. Maar in de eerste lezing van deze zondag, uit het boek der
Handelingen van de Apostelen, blijkt toch niet alles peis en vree te zijn. Er
is sprake van onenigheid en van "een felle woordenwisseling". Ja,
veelgeliefden, zo is dat. Hoe wij met elkaar omgaan, hoe wij mét en helaas
vooral ook óver elkaar soms spreken, de honden lusten daar soms geen brood
van. "De liefde tussen de broeders en zusters is vaak ver te zoeken;
binnen de kerk is evenzeer wereldsheid als daarbuiten" - woorden van
onze bisschop Jozef Punt[4]. Wat moeten we ermee veelgeliefden? Wat doen we
als we er met elkaar niet meer goed uitkomen? De jonge christelijke
gemeenschap in Antiochië zoals we die tegenkomen in het boek der Handelingen
van de Apostelen stuurt een delegatie "naar de apostelen en oudsten in
Jeruzalem". Daar bespreekt men de zaak en men komt met een antwoord, een
antwoord dat ingeleid wordt met dat geweldige zinnetje: "De heilige
Geest en wij hebben besloten ..." Dat is iets prachtigs van ons geloof
en van onze kerk veelgeliefden. De heilige Geest, die van Jezus, is bij ons.
Die Geest vergezelt ons, staat ons terzijde en staat áchter ons, die backt ons, die geeft ons ruggesteun.
En als wij bij allerlei verschillen van inzicht en onenigheden die ook wij
kunnen hebben, oprecht vrágen om die Geest van Jezus, er een beroep op doen,
dan zál ons die Geest van Jezus (die Dezelfde is als die van God zelf); dan
zál die Geest ons ook gegéven worden, en dan zúllen we er als kerk ook altijd
uitkomen. Dat is een duidelijk verschil met de Beatles. Die gingen uit
elkaar. Maar wij als Kerk gaan dóór - wat er ook gebeurt. Als je er zelf niet uitkomt, als we er samen niet
uitkomen, dan is het altijd goed om anderen, geloofsgenoten of soms ook
andere wijze en verstandige mensen; om die te raadplegen. Eén van de vragen
die in deze tijd als Kerk op ons afkomt is de vraag: wat moeten we doen als
we niet meer in staat zijn, omdat er niet meer zoveel priesters zijn als
vroeger, om élke zondag in élke parochiekerk de heilige eucharistie te
vieren? Moeten we in plaats daarvan dan bijvoorbeeld een "viering van
woord en gebed" houden? Of moeten we op zo'n zondag onze eigen kerk maar
gesloten houden en met z'n allen naar een andere kerk gaan en/of omgekeerd:
dat men van daar naar ons toe komt? Zoals Paulus en Barnabas met de delegatie
van de gemeenschap van Antochië eens naar Jeruzalem togen voor ruggespraak,
zo ben ik zelf afgelopen vrijdagmiddag naar Haarlem getogen, naar onze
bisschop om met hem over onder andere díe vraag ook met hem te spreken. Daar
heb ik van tijd tot tijd gewoon even behoefte aan, om met de bisschop te
spreken over zaken die bij ons spelen. Niet omdat de bisschop altijd in alle
omstandigheden de wijsheid van de Heilige Geest geheel in pacht zou hebben,
maar omdat voor u en voor mijzelf hetzelfde geldt: ook wij hebben die elk
voor zich niet in pacht. Maar samen hebben we die Geest hopelijk wel. Die
Geest wordt ons namelijk geschonken binnen de gemeenschap van gelovigen. En
binnen die gemeenschap is de bisschop een factor, en wel een heel
belangrijke. Als er dingen, vragen in je leven spelen waar je niet goed
uitkomt, vráág dan raad. Voor mij is dát een belangrijke boodschap uit de
eerste lezing vandaag. En het antwoord dat je krijgt, "neem je mee"
zoals dat heet. Je bewaart het, zoals Maria dat deed, Maria aan wie deze
mei-maand speciaal gewijd is. Je neemt, zoals zij, de woorden mee in je hart
en je denkt erover na[5].
En zó geef je de Heilige Geest de kans om in jou te werken. "All you need is love" zongen de
Beatles en ze hadden gelijk. Het heeft allemaal met liefde te maken.
"Als iemand Mij liefheeft, (dan) zal hij mijn woord onderhouden; mijn
Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem
nemen" zegt Jezus in het evangelie van deze zondag. Zo is het
veelgeliefden. Liefde is de basis. Als je je liefde op Jezus weet te richten,
als je werkelijk Hém bemint, dan gaat alles in het leven veel gemakkelijker,
dan wordt het leven in zekere zin tamelijk eenvoudig en simpel, om niet te
zeggen: dan gaat het op een gegeven moment vanzelf, dan komt er een eind aan
allerlei getob, gedoe, gesteggel en geruzie. Waarom gaat het eventueel mis
met mensen, met individuele mensen en tussen geliefden, tussen huisgenoten,
in gezinnen, in de kerk, in de samenleving en in de wereld? Vanuit het
perspectief van ons geloof moet, veelgeliefden, het antwoord op die vraag
luiden: omdat God, omdat (opnieuw: binnen het perspectief van ons geloof);
omdat Jezus niet centraal staat, omdat wij Hém niet het hart laten zijn van
ons bestaan, van ons leven, van onze relatie, van ons gezin, van onze
samenleving en wereld en ja, soms zelfs niet van onze Kerk. Zie je dat in,
herken je dat, érken je dat en breng je daarin verandering, om te beginnen
jíj, ú, bij je-, bij uzelf, dan zal er vervolgens iets veranderen, dan zul je
gaan merken dat alles goed gaat komen en op z'n plaats gaat vallen, zeker
weten. Maar hoe doe je dat dan: God, Jezus centraal
stellen in je leven? Ik denk: dat begint in en met het gebed. Bidden dat is:
een injectie ontvangen van de Heilige Geest. En zoals dat bij elke injectie
geldt, geldt ook voor deze injectie: je moet er zelf aan meewerken, anders
gaat het niet. Het gebed, dat zijn: góede woorden die leiden tot góede
gedachten; woorden en gedachten die zuiveren en die verlichten. Zo wordt onze
geest steeds meer één met de Heilige Geest, die van God, die van Jezus. De
goede Geest, die van God in ons: goede werken en goede daden die hangen
daarmee samen, die vloeien daaruit voort als het goed is. Als je goed bidt,
dan komen de goede daden als het ware vanzelf, die zijn dan niet moeilijk
meer. Bidden, dat is: "bezig zijn" met God, met
Jezus, met de heiligen, met Maria, met "Het", nee met "Dé
Heilige". "Heilig" is "heel". "Heiligheid"
is "heelheid". In het gebed, in het gesprek, in het bezig-zijn met,
in het verkeren met God is Hij, in en door Zijn Geest, genezend met ons
bezig: "(...) de Helper, de Heilige Geest, die de Vader in mijn naam zal
zenden, Hij zal u alles leren (...)". Zo is dat veelgeliefden. In het
gebed leren wij. En gebed geneest - soms zelfs heel fysiek, zeker weten. Maar hoe moet je dan bidden? Zoals bekend wordt
die vraag ook ergens aan Jezus gesteld[6].
En dan geeft Hij aan zijn leerlingen de woorden van het Onze Vader. Dus dat
kun je in elk geval doen. Van tijd tot tijd, liefst dagelijks, liefst zo
rustig en aandachtig, zo geconcentreerd mogelijk die woorden van het Onze
Vader uitspreken, het voor jezelf of samen met anderen, bijvoorbeeld in het
gezin, bidden. Maar in deze meimaand denken we natuurlijk ook aan het
rozenkransgebed en zo zijn er binnen onze Kerk, uitgaande van wat de Heer ons
leerde, nog vele andere "wegen van gebed" gebaand, wegen die soms
misschien voor ons een beetje overwoekerd zijn geraakt door onkruid, maar dat
kun je verwijderen als je wilt - opdat je opnieuw of voor het eerst jouw
eigen weg van gebed kunt vinden en vooral kunt gáán. Ik wens het u allen van
harte toe, om gaande die weg vrede te gaan ervaren, "niet zoals de
wereld die geeft", maar zoals Hij die geeft. "All you need is
love" en om liefde te ervaren is de koninklijke weg die van het gebed.
"All you need is love". En mensen die samen bidden blijven, anders
dan destijds de Beatles, bij elkáár. Ik wens ons allen toe het te mogen
ervaren. Amen VERKONDIGING op 25 april 2010, de vierde zondag van Pasen, zondag van
de Goede Herder, "roepingenzondag", in de Kerk van Onze Lieve Vrouw
van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de
Apostelen (13, 14 + 43-52), Psalm 100, Apokalypse 7, 9 + 14b-17) en uit het
Johannes-evangelie (10, 27-30). Is Roger Vangheluwe die, tót afgelopen vrijdag,
ruim vijfentwintig jaar lang bisschop van Brugge was; was hij een goede
herder? Je zou altijd hebben gedacht van wel. Hij was populair. Hij was zeer
gezien, in alle lagen van de bevolking. Ook met niet-gelovigen en mensen die
heel anders dachten als hijzelf had hij contact. Zijn preken waren eenvoudig,
rechttoe rechtaan, pretentieloos en warm[7].
Als hij het niet eens was met "Rome", dan zei hij dat gewoon in het
openbaar. Hij was vóór de priesterwijding van vrouwen. Mensen die ooit
kerkelijk gehuwd waren maar van wie het huwelijk mislukte, moesten kunnen
hertrouwen vond hij. Opinies dus die moderne, verlichte mensen graag horen in
de kerk. Mensen in financiële nood werden door hem geholpen. Maar hij
schreeuwde dat niet van de daken. Kortom: een bisschop, helemaal uit het
goede hout gesneden zou je denken. "Waren alle bisschoppen maar zo"
zeiden de mensen. Ja, maar diezelfde bisschop Vangheluwe heeft,
naar afgelopen vrijdag bekend werd; hij heeft wél voordat hij bisschop werd
en ook nog daarna járenlang een neef van hem seksueel misbruikt. Toen het
begon was die neef nog maar een kind. Jarenlang heeft die jongen er niet over
kunnen praten. Toen hij het een paar jaar terug wél kon en hij zijn oom vroeg
om af te treden als bisschop, omdat hij er niet langer tegenkon, na wat hij
met hem had meegemaakt, om in de media en in de publieke opinie voortdurend
met "de goede herder " te worden geconfronteerd; toen de neef zijn
oom vroeg, bij herhaling, om af te treden, toen deed hij dat niet. De
bisschop klampte zich vast aan zijn positie. En het belang van zijn neef
offerde hij daar feitelijk aan op. Door zijn weigering om af te treden werd
dat misbruikverleden voor die neef een onverwérkbaar en nog altíjd zíekmakend
verleden dat alle aspecten van het leven aantast - zei een psychiater daar
over. Reeds vele malen heb ik in de afgelopen periode
hier en in de Vredeskerk over dat kerkelijk seksueel misbruik gesproken
dierbare gasten en parochianen. Ik had zo'n stille hoop dat we het inmiddels
misschien even zouden kunnen laten rusten. Maar toen kwam afgelopen vrijdag
het nieuws over Vangheluwe. En het is vandaag de zondag van de Goede Herder,
"roepingenzondag". En wie zou, terwijl zó'n kwestie speelt, mét
alle vragen die daardoor opnieuw gesteld worden bij de wijze waarop het
priesterschap en met name het celibaat in dat verband functioneert (want, is
dat geen systeemfout?); wie zou in zo'n verband jonge mensen nog durven te
stimuleren in die richting van een toekomst als priester of als kloosterling:
pater, zuster of broeder? We moeten er dus opnieuw over spreken. Was Roger Vangheluwe een goede herder? Het bekend
worden van het seksueel misbruik door hem gepleegd maakt dat we de heel
sympathieke wijze waarop hij als bisschop zijn herderschap heeft uitgeoefend nu
in een heel ander licht zien, in een goor licht. Er ligt nu een grauwsluier
over. Verbijstering, ongeloof en afschuw is wat mensen nu ervaren. Onder de
oppervlakte van dat goede herderschap is al die tijd een walgelijk onrecht
schuilgegaan. Een populaire herder, een aimabele herder, een herder met
ideeën is dus met andere woorden niet per
se ook een góede herder. Met die kwalificatie "goed" moeten we
erg uitkijken, dat blijkt maar weer eens. Jezus zegt ergens in het
Marcus-evangelie[8] nota bene in verband met zichzelf:
"Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God" - en hoe die
uitspraak verstaan kan worden in verband met de kerkelijke leer over de
Drieëenheid, dat weet ik ook niet ... Het Johannes-evangelie spreekt wél over Jezus als
de Goede Herder. Het personeel van de kerk representéert die Goede Herder op
sacramentele wijze (vandaar die speciale kleding), maar ís Hem,
veelgeliefden, daarbij dus nadrukkelijk níet. De paus, bisschoppen, priesters
of wie dan ook: ménsen kúnnen wel dingen hebben die ons aan Jezus herinneren,
mensen kúnnen andere mensen wel op Jezus' weg zetten, maar ze vallen nóóit
met Hem samen, nou ja, misschien eventjes soms. Zo hoorde ik van de week over
een uit Suriname afkomstige wijkverpleegkundige die trouw elke morgen, zeven
dagen per week, met grote toewijding en altijd opgewekt, een verlamde man
douchet en aankleedt. Zo iemand is wel een zegen natuurlijk. Een zieke voelt
zich bij zo iemand veilig en geborgen. Jezus zegt in het evangelie van deze zondag:
"Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij. Ik
geef hun eeuwig leven: nooit zullen ze verloren gaan, niemand zal ze aan mijn
hand ontrukken." We moeten door mensen héén kijken. En we moeten door
hun stemmen héén luisteren. Het gezicht en de stem van de Goede Herder kan in
het gezicht en in de stem van mensen die wij ontmoeten héén klinken en héén
schijnen, maar er kan in diezelfde stemmen ook de nodige "ruis"
meeklinken. En die gezichten, de onze, kunnen de zaak, nee kunnen Jezus, óók
vertroebelen. Daar moeten we dan maar misschien niet te veel op letten. Ruis
en schijn moeten we, als we dat tenminste kunnen, maar loslaten. Mensen
hebben hun schaduwzijde. Levens hebben hun rafelranden, hun losse eindjes,
hun openstaande rekeningen ... Daar moeten we mee omgaan. We moeten ermee in
het reine komen en liefst uítkomen natuurlijk. Gisteren vierden de monniken
van de abdij van Egmond dat abt Gerard Mathijsen vijftig jaar geleden monnik
werd en dat de renovatie van de kloostergebouwen voltooid is. Ik mocht aanwezig
zijn. In de lange kloostergang kwam ik een mevrouw tegen die ik een beetje
ken, een mevrouw met een protestantse achtergrond. In gesprek met haar kwam
ook het seksueel misbruik ter sprake. Zij zei: "De levieten moeten
gereinigd worden." (De levieten, dat waren in het oude Israël de
priesters, gerecruteerd uit de stam Levi - óók een manier om het
priesterschap te structureren) "Zoals uit een etterende wond, zo moet
eerst het vuil er uit komen. En pas dan kan die wond genezen. En dan krijgen
we een nieuwe kerk." Ik vond dat ware en wijze woorden. In het bewustzijn van onze eigen armzaligheid,
feilbaarheid, ja zondigheid - om die beladen term maar eens gewoon te laten
vallen; in het bewustzijn dáárvan moeten we denk ik als christenen altijd van
onszélf afwijzen, naar Jezus tóe. "Richt uw ogen op Jezus" is de
wapenspreuk van die beklagenswaardige, zo verschrikkelijk door de mand
gevallen bisschop Vangheluwe. Dat is wel een goeie, die wapenspreuk. Jezus
zelf láát mensen niet verloren gaan. Gewone mensen, zelfs bisschoppen, zijn
er nadrukkelijk wél toe in staat. De evangelist Johannes, aan wie wij ook de
Apokalypse danken, het laatste bijbelboek, waaruit wij vandaag in de tweede
lezing hoorden voorlezen, hij ziet in zijn visioen mensen "uit alle rassen
en stammen en volken en talen" "voor de troon en voor het lam"
staan. "Dat zijn degenen die uit de grote verdrukking komen",
mensen zoals het neefje van bisschop Vangheluwe dan bijvoorbeeld denk ik.
"Hij die op de troon zetelt zal zijn tent over hen uitspreiden",
"het lam midden voor de troon zal hen weiden en voeren naar de
waterbronnen van het leven, en God zal alle tranen uit hun ogen wissen"
- ook die uit de neef van de bisschop dus. Ik denk: dáár moeten we ons aan
vasthouden. Dát tróóst. Mij wel tenminste. Jezus is de Goede Herder. Zijn
volgelingen, het personeel van de kerk voorop, is vaak niet meer dan een
flauwe afspiegeling. En daar zullen we het toch helaas mee moeten doen, nu en
in de toekomst, met zulke mensen. Laat allerlei niet-ideale schoonzonen en
schoondochters zich dus gerust melden aan de kloosterpoort, bij de
priesteropleiding en de theologische faculteit. Want God schrijft récht langs
kromme lijnen. Of ben ik nu te somber? Laat ik dan besluiten met
een optimistisch geluid. Het komt van de jubilaris van gisteren, van abt
Gerard. Hij zei in zijn dankwoord: "De laatste tijd lijkt het wel of het
in de kerk allemaal kommer en kwel is, decadentie en domheid. Voor haar
geestelijke rijkdom, haar heiligheid en haar schoonheid is geen aandacht.
Toch is dat de grote werkelijkheid waarin het heerlijk is te mogen leven, en
waarop je niet uitgekeken raakt." Dat het ook voor ons zo mag zijn
veelgeliefden. Amen. VERKONDIGING
op 18 april 2010, de derde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw
Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de
Apostelen (5, 27-41), Psalm 30 (ged.), uit de Openbaringen van Johannes (5,
11-14) en uit het Johannes-evangelie (21, 1-19). Wat doe je als mens als je net iets
verschrikkelijks hebt meegemaakt, een tragedie, een drama - als je daar
getuige van bent geweest, als je daar nauw bij betrokken bent geweest? Toen
hij halverwege de twintig was is de enige broer van mijn beste vriend van de
middelbare school om het leven gekomen bij een motorongeluk in Frankrijk. Ik
herinner mij dat hun vader altijd zo bezorgd was vanwege zijn beide jongens:
kijk je goed uit ... En nu werd zijn grootste vrees werkelijkheid. Onverwacht
de politie aan de deur: Wij komen u een slecht bericht brengen ... Als je
zoiets meemaakt: de dood van je kind of de dood van je vriend, wat doe je dan
de dag erna? Precíes, dierbare gasten en parochianen van deze
Vredeskerk, precíes denk ik wat Petrus deed: "Ik ga vissen" zei
hij. "Ik ga naar de winkel", "ik ga een stuk fietsen",
"ik ga maandag toch maar weer naar m'n werk" - dat alles kun je
doen, in je eentje of met iemand samen. "We gaan met je mee" zeggen
Petrus' vrienden, de leerlingen van de zo afschuwelijk, aan het kruis
gestorven Jezus van Nazareth. Ze gaan vissen, maar erg geďnspireerd zijn ze
niet, die vrienden. Ze hebben er niet echt zín in. En, die ervaring hebben we
waarschijnlijk allemaal wel mensen, als je ergens geen zin in hebt, als je er
niet in gelooft, dan wórdt het ook niks. "Ik kan niet zingen",
"Ik kan geen noten lezen", "Ik kan niet zelfstandig een
sopraan-, alt-, tenor- of baspartij zingen. Daar ben ik niet sterk genoeg
voor". Ik verzeker u, dierbare gasten en parochianen, als je er zó in
staat, als je niet durft te gelóven in jezelf, in dat je het wél kunt, zingen
bijvoorbeeld, dat je daarin je vermogen wél kunt ontwikkelen, nee, dan wordt
het natuurlijk zéker niks ... "Ik ga vissen" zegt Petrus. "Dan
gaan wij mee". Maar Petrus en de anderen gelóven er niet meer in na
alles wat ze hebben meegemaakt. Ze geloven niet meer in God. Ze geloven niet
meer in Jezus. Ze geloven niet meer dat hun leven zin heeft. Ze geloven denk
ik niet eens meer in zichzelf. En is het dan gek, geliefden, dat ze
vervolgens óók niets vangen, dat het niet lukt dat vissen? De wereld is voor
jou wat jij bent voor de wereld. De wereld houdt je in die zin altijd een
spiegel voor. Maar ze doet nog meer, die wereld. Ze geeft ook
aan teleurgestelde, ontgoochelde, nukkige mensen altijd nieuwe kansen, nieuwe
mogelijkheden. En altijd komen die nieuwe kansen en mogelijkheden in en door
ontmoetingen met andere mensen. Die kunnen je er uit halen, uit de gevangenis
waarin de gebeurtenissen van het leven je hebben opgesloten en waarin jij ook
vooral jezelf hebt opgesloten. Een ander kan je er uit halen; een ontmoeting
met een ander, een gesprek met een ander. Jezus' leerlingen maken het mee. Op nieuwe wijze
komt Hij tot hen. Hij ziet er blijkbaar anders uit. Misschien heeft hij z'n
haar anders? In eerste instantie herkennen ze Hem in elk geval niet. Dat
dialoogje dat ze voeren, de nog niet herkende Jezus en zijn voor zijn nieuwe
aanwezigheid nog blinde leerlingen vind ik altijd iets onweerstaanbaar
grappigs hebben: "Hij riep hun toe: "Vrienden, hebben
jullie soms iets te eten?" "Nee", riepen ze terug." En
Hij, de onbekende, mister X, geeft
dan een aanwijzing - precies zoals vroeger op de camping de meneer met
verstand van kamperen aan mijn vader die daar soms niet goed uit kwam, uit
het opezetten van de tent. "Werp dan het net uit, rechts van de
boot", zei Hij, "daar zul je wel iets vinden". En het wonder
gebeurt. Waar eerst onvermogen en armoede heerste, daar komt nu overvloed en
vreugde. Niet voor niets, geliefden, is het "de leerling van wie Jezus
hield" zoals er staat, die Hem als eerste herkent. "Het is de
Heer" zegt die geliefde leerling. Hoe heeft Hij Jezus herkend? Niet aan
zijn gezicht dus. Maar wél aan die plotselinge overvloed die zij ervaren. De
donkere, sombere wolken zijn opeens verdwenen. De zon straalt weer. Hij, de
beminde leerling, weet het als geen ander: Waar Jezus verschijnt en aanwezig
is gebeurt dat. Jezus is licht, Jezus is leven, sterker dan elke dood. De onstuimige Petrus heeft nog niet gehoord dat
het de Heer is of hij stort zich in het water om zo snel mogelijk bij Hem te
zijn. En het wonderlijke is dan: Waar de nu herkende Jezus eerder om gevraagd
had ("Vrienden, hebben jullie soms iets te eten?"), dat blijkt nu
reeds aanwezig! Er is reeds een houtskoolvuur aangelegd, "met vis erop
en brood ernaast". Maar dat snappen we natuurlijk als het om Jezus gaat.
Want Hij kent dus geen nood en geen tekort. En toch zegt Hij tegen de
leerlingen: "Breng wat van de vis die jullie zojuist gevangen
hebben." Het zijne wordt het onze en wat zogenaamd "van ons"
komt neemt Hij op. Hij geeft zich aan ons en wij geven het onze, ja onszelf
aan Hem. En zo vegroeien wij met elkaar, Hij en wij. Hij, Jezus, is van
godswege geworden zoals wij. En wij worden zoals Hij. Dat is wat gebeurt bij
die ochtendlijke picknick op het strand van het meer van Tiberias - voor de
motorrijders die vandaag onze gasten zijn, zal het een bekende situatie zijn:
een stop langs de kant van de weg. Hetzelfde gebeurt, in optima forma, in de viering van de heilige eucharistie die wij
ook zodadelijk weer mogen "mee-maken" - in alle betekenissen van
het woord: die viering overkomt ons als een geschenk en als een genade, maar
we hebben er ook zelf een actief aandeel in. En zo is het bij elk geslaagd
samenzijn van mensen: je organiseert misschien het nodige, je doet er je best
voor, maar je kunt het niet forceren, je kunt het niet afdwingen, je moet ook
vooral altijd en overal loslaten en je overgeven aan hoe het nu eenmaal gaat,
aan wat gebeurt. Dán gaat het strómen, dan gebéurt het, dan wordt het
verschil tussen jou en mij, tussen tijd en eeuwigheid een beetje opgeheven en
opgelost, dan delen wij samen in de goddelijke liefde, dan kun je en ga je
ervaren: Hij, Jezus de Heer, is inderdaad aanwezig. Ik wil graag besluiten met een gedicht van Ida
Gerhardt, een zeer bekend gedicht van haar. "De gestorvene" heet
het: Zeven
maal om de aarde te gaan, als
het zou moeten op handen en voeten; zeven
maal, om die éne te groeten die
daar lachend te wachten zou staan. Zeven
maal om de aarde te gaan. Zeven
maal over de zeeën te gaan, schraal
in de kleren, wat zou het mij deren, kon
uit de dood ik die éne doen keren. Zeven
maal over de zeeën te gaan- zeven
maal, om met zijn tweeën te staan. Dit is het wonder van ons christelijk geloof
geliefden: Die ene zál ons opnieuw groeten, die zál lachend op ons te wachten
staan, die kéért terug uit de dood. Wij maken het mee. En we zullen het
steeds weer meemaken. Het is ons beloofd. En die belofte ís reeds vervuld en
die belofte zál opnieuw worden waargemaakt. Amen. VERKONDIGING op 11
april 2010, Beloken Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de
Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre
Valkering Gelezen:
Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5, 12-16), Psalm 118 (ged.),
uit hde Openbaring van Johannes ( (1, 9-19) en uit het Johannes-evangelie
(20, 19-31). Eén van
mijn beste vrienden, dierbare gasten en parochianen; één van mijn beste
vrienden is psychiater. Hij is blíj met al die aandacht die er de laatste
tijd is geweest voor seksueel misbruik door priesters en kloosterlingen.
Mensen die in hun leven op welke manier dan ook met seksueel misbruik te
maken hebben gehad, die hebben daar baat bij, zo zegt hij op grond van zijn
ervaring met mensen die bij hem in behandeling zijn; die hebben er werkelijk
baat bij dat over dat misbruik de laatste tijd zo openlijk en uitvoerig
gesproken mocht worden. Dat doet degenen die er onder geleden hebben goed
zegt hij. Het staat hen toe om de hele diepte van dat misbruik en van de
wonden in hun leven, daardóór; om die onder ogen te zien, om die te
verkennen, om er voor zichzelf en in gesprek met anderen ruimte aan te geven.
Dat doet goed. Dat is helend. Dat is genezend. "De graven gaan
open!" dacht ik meteen toen hij dat zei, die vriend-psychiater. De
evangelist Mattheüs schrijft dat. Op het moment dat Jezus sterft aan het
kruis, "gingen de graven open en de lichamen van veel heiligen die
ontslapen waren, werden tot leven gewekt. Toen Jezus zelf tot leven was
gewekt, kwamen ze uit de graven en gingen ze naar de heilige stad, waar ze
aan velen verschenen." Bijbelverzen, evangeliewoorden die in de veelheid
en in het geweld van de Goede Week, van Palmzondag bijvoorbeeld, waarop wij eens
in de drie jaar "De Mattheüs" lezen; woorden die daarin gemakkelijk
passeren, verloren gaan, oplossen ... Ik denk: het is goed om er eens de
aandacht op te vestigen. Jezus sterft. En de graven gaan open. En nu, in onze
dagen, de Kerk een beetje sterft, vanwege al die bedroevende, ontluisterende
en beschamende berichten over dat kerkelijk seksueel misbruik; - de Kerk
sterft daardoor een beetje, maar de mensen die het geleden hebben, dat
misbruik, die leven nu óp. Het doet hen goed. Dat is zeer te hopen. "De
lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt. Toen
Jezus zelf tot leven was gewekt, kwamen ze uit de graven."
"Heilig" dat woord hangt samen met "heel":
"ongeschonden, volledig, gezond, geheel, rein, oprecht" definieert
het woordenboek. Zoals een mens ter wereld komt eigenlijk, hopelijk. Maar die
oorspronkelijke heiligheid en heelheid van veel mensen, daarin kunnen ze al
vroeg deuken en kwetsuren oplopen. Mensen, kinderen ook, worden geschonden en
op een bepaalde manier kan dat hun dood betekenen. Mensen kunnen leven als
on-doden. Ze zijn er wel, ze leven wel, maar ze leven als gestorvenen. Ze
hebben een leven van niets, een on-leven, een leven met weinig of geen
kwaliteit, een leven met weinig of geen vreugde. Geen tinteling, geen sprankeling.
Jezus is gestorven en de Kerk als Zijn Lichaam mag Hem daarin navolgen; Jezus
sterft en ook de Kerk sterft dus, opdat geschonden en gestorven mensen
genezen, heel-worden en léven. Zo versta ik de geciteerde woorden uit het
Mattheüs-evangelie over de graven die opengaan. Ik denk,
veelgeliefden, de evangelietekst van déze zondag, Beloken Pasen, kunnen we
geheel in het verlengde hiervan verstaan. Ik denk: de dood van een mens kan
voor nabestaanden, voor degenen, voor iemand die overblijft een grote wonde
en een grote pijn zijn. Als wij Thomas vandaag horen zeggen "ik wil zijn
handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers
voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen", dan hóren
en voelen wij in die woorden de diepe pijn, dan horen en voelen wij de wonden
die Jezus' kruisiging en dood bij Thomas zélf hebben veroorzaakt en geslagen.
Mét Christus is hijzelf gekruisigd. Het leed dat je geliefden overkomt is je
eigen leed. Erger en groter is 't misschien nog wel, want zíj lijden het, zíj
ondergaan het en gaan er misschien ín en door ten onder, zij over-lijden
misschien op enig moment. Zij zijn dan over hun lijden heen. Maar jij kijkt
ernaar en kunt niets doen. Jij moet het aanzien en staat met lege handen. En
jij moet verder - met je afschuwelijke herinneringen ... "Ik wil zijn
handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers
voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders geloof
ik niet" zegt Thomas. Pijn, woede, verbittering. Dat voel je bij hem. "Wie
zijn wonden toont, wordt genezen; wie zijn wonden verbergt, wordt niet
genezen" - woorden van de Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986). Ik
denk: ze zijn van toepassing op wat we zien bij en meemaken met Thomas. Hij
toont zijn wonden Thomas. Hij verbergt ze niet. En daardoor kan hij genezen -
net als die onbekende mevrouw die ons van de week aansprak in een
horeca-etablissement (ik was, na alle paasdrukte, een dagje wandelen met een
vriend). Twee jaar terug was haar man gestorven. Ze hadden het altijd zo goed
gehad samen. Hij was altijd zo lief en zo zorgzaam geweest voor haar. Het
verdriet, de weemoed, het heimwee vanwege haar gestorven man kon je van haar
gezicht scheppen ... En een paar keer sloeg ze een kruis, die onbekende vrouw
en ze was blij dat ze bij ons beiden óók om de nek een kruisje hangen zag.
Dat deed haar goed zei ze. Ja. Jezus komt
naar Thomas toe en gééft hem wat hij verlangt. Dat is het wonder van Beloken
Pasen, van de achtste dag ná die eerste dag van de week waarop de vrouwen de
boodschap ontvingen van het lege graf en het al tot eerste ontmoetingen kwam
met de Verrezene. Hij laat zich nu aan Thomas zien: "Kijk maar, hier
zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening
in mijn zijde te voelen. (En) Wees niet langer ongelovig, maar gelovig."
De jonge onderzoeker in ons, de kritische geest, de scepticus en de zuurpruim
worden hier over een afstand van twintig eeuwen in het hart getroffen
veelgeliefden. Hoe kan dit? Tracht men ons hier, weliswaar op superieure
wijze maar tóch, iets op de mouw te spelden? Hierin kúnnen wij toch niet
meegaan? Hieraan kúnnen wij ons toch niet overgeven? Nou ja,
misschien toch wel. Hopelijk toch wel als wij ons bedenken dat die Thomas als
twee druppels water lijkt op onszelf. Hij is zo zweverig als een blok beton,
Thomas. Maar toch geeft hij zich gewonnen. Hij kan niet anders. Hij moet wel.
Zo overwéldigend is voor hem zijn ervaring met de gestorven en verrezen Heer. Ja, maar ik
heb zo'n ervaring tot op heden nog niet gehad! Ik hóór het u al denken. Dan
zou het kunnen zijn dat u tot op heden nog te weinig hebt stilgestaan bij de
wonden in uw leven veelgeliefden; dat u er nog te weinig bij hebt
stilgestaan, dat u zich er nog te weinig van bewust bent geworden, ze nog te
weinig hebt onderzocht, er nog niet diep genoeg in bent doorgedrongen en ze
nog te weinig hebt laten zien, ze nog te weinig aan andere mensen en aan uw
God hebt getoond; dat u er nog te weinig over hebt gecommuniceerd en uitgewisseld.
Het zou dan kunnen zijn dat u tot op heden nog te veel mooi weer hebt
gespeeld en eventuele misčre in uw leven nog te veel hebt verborgen achter
een fraaie façade. "Wie zijn wonden toont, wordt genezen; wie zijn
wonden verbergt, wordt niet genezen" - zegt Joseph Beuys. En genézen,
veelgeliefden, moeten wij ook in 2010 nog vooral van ons ongeloof. Moge het
ons gebeuren. Dat Gods Geest, die van Jezus, het voor en met en in ons mag
doen. Amen. VERKONDIGING op Eerste Paasdag, 4 april 2010, in de Kerk van Onze
Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek der Handelingen van de
Apostelen (10, 34a, 37-43), de brief aan de Kolossenzen (3, 1-4) en uit het
Lucas-evangelie (24, 1-12). Het wil nog maar geen voorjaar worden. De knoppen
staan op springen, maar het wil nog niet echt. In mijn tuin staan wel een
paar bloemen, maar de meeste tulpen en narcissen blijven nog binnen. Mij te
koud! En wij denken er hetzelfde over. Het klimaat wat onze kerk betreft is ook erg kil.
Oef! Wat een Veertigdagentijd hebben we gehad! Vele malen begon het
achtuurjournaal met "ons", met onze kerk, in verband met het
seksueel misbruik door priesters, paters, zusters en broeders én het
toedekken van dat misbruik door de kerkleiding. Beerputten van heel onfris
gedrag zijn opengegaan. En aan de kant van slachtoffers zijn zeeën van
verdriet en ellende en zijn stormen van woede en frustratie zichtbaar
geworden. Oef! Wat een Veertigdagentijd! Dat is tegelijk het enig goede dat
we er van kunnen zeggen, van wat nu aan de oppervlakte is gekomen: Het paste
precies in de tijd van het kerkelijk jaar. De Veertigdagentijd is immers een
tijd van opnieuw naar jezelf en naar onszelf, óók als Kerk, kijken. De
Veertigdagentijd ís een tijd van bekering, van reiniging en van orde op zaken
stellen. Ja, die tsunami van ervaringen van kerkelijk seksueel kwam in díe
zin precies "op tijd" - al heeft het natuurlijk veel te lang geduurd
voordat er ruimte en gehoor was voor het verhaal van slachtoffers en hebben
ze er in vele gevallen veel te lang mee moeten rondlopen - met alle gevolgen
van dien. Het wil nog maar geen voorjaar worden en in de
beleving van vele katholieken en anderen al helemaal niet in de Kerk. Met
weemoed denken veel mensen wat dat betreft terug aan Johannes XXIII, aan de
dikke paus aan het begin van de sixties,
de jaren zestig van de vorige eeuw. Hij wilde een "aggiornamento".
Hij wilde de Kerk bij de tijd brengen en de tijd bij de Kerk. Lente in de
Kerk. De ramen en deuren open. Laat het maar eens lekker doortochten. Geef de
adem Gods, geef de Geest, die van Jezus, die "weldoende rondtrok en
allen genas die in de macht van de duivel waren", gééf die Geest maar lekker
vrij spel. De goede paus Johannes begon het Tweede Vaticaans Concilie. Maar
al spoedig stierf hij en stierf in de beleving en beoordeling van velen mét
hem ook de geest van het concilie. Lente in de Kerk maar er kwam nachtvorst
en die nachtvorst houdt maar aan. Het wil nog maar geen voorjaar worden. Maar intussen is het dus wel Pasen. De
Veertigdagentijd, de Vasten, is echt voorbij. "Hij is niet hier, Hij is
tot leven gewekt" zeggen de mannen in de stralend witte kleren tegen de
vrouwen die 's morgens heel vroeg naar het graf gekomen zijn. Het is Pasen.
Maar durven we het nog wel te vieren? En durven we nog Kerk te zijn? Willen
we er nog wel bij horen? Wint onze schaamte, teleurstelling en boosheid het
niet van ons vertrouwen, van ons geloof, van onze hoop? De vrouwen
"wisten niet wat ze ervan moesten denken", van het lege graf. En
wij kunnen precies zó érg in dubio zijn. Als de vrouwen hun verhaal doen is dat
"onzin" in de ogen van de apostelen. Ze geloofden hen niet. En wij
kunnen ons dat ongeloof denk ik goed voorstellen. Petrus "holde", zo staat er, echter
tóch naar het graf. Ach ja, Petrus, de eerste paus. Een beetje een
brokkenpiloot is hij, een struikelende, héél feilbare figuur. In die zin kan
paus Benedictus XVI zich wél aan hem spiegelen zo dunkt mij. Ook op hem valt
veel aan te merken. En dat gebeurt dan ook. In de media, op straat en ook
binnen de kerk krijgt hij dezer dagen voortdurend onder uit de zak. Arme
paus. De hele wereld, of in elk geval óns deel ervan, valt over hem heen. Maar ik moet zeggen: op Goede Vrijdag werd ik wél
door hem geraakt. De paus nam deel, in Rome, bij het Colloseum, de grote
arena waar in de oudheid ook christenen gemarteld zijn; de paus nam er deel
aan de kruisweg. Ook hij tilde er het kruis op. En hij zei: "Ons falen,
onze desillusies, onze verbittering die het signaal van de totale
ineenstorting lijken, worden verlicht door de hoop." Volgens de paus is
dát de essentie van Pasen. Ik vind dat goed gezegd. De krant[9]
citeerde een Mexicaanse student, Juan Paolo Hernandez. Die was er bij en hij
zei: "Het is indrukwekkend hoe hij na alle aanvallen de rust bewaart en
de ogen op God richt." Ik moet zeggen veelgeliefden: dat herken ik van
de paus. Inderdaad, dat doet hij, zo is ook mijn indruk. De paus, Petrus,
bewaart de rust en richt zijn ogen op God. Maar wat is dat? En hoe doe je dat, je ogen op
God richten? Ik denk, onze tweede lezing op deze Eerste Paasdag, uit de brief
aan de Kolossenzen, brengt dat onder woorden: "Als u met Christus ten
leven bent gewekt, zoek dan (...) wat boven is. (...) Zet uw zinnen op wat
boven is, niet op het aardse. U bent immers gestorven en uw leven is met
Christus verborgen in God." Als mens je uitgangspunt, je oriëntatiepunt
en het punt waarnaar je streeft niet binnen de zichtbare en tastbare werkelijkheid
zoeken, maar het vinden, dat punt, in een ándere werkelijkheid, áchter de
horizon van deze wereld: "daar waar Christus zetelt aan de rechterhand
van God" om met de Kolossenzenbrief te spreken. De inhoud van Jezus'
leven, wie Hij was, Zijn werkelijkheid, het, díe, is onaantastbaar. En het,
nee Híj, is voorgoed in veiligheid gebracht, geborgen bij en in God. Niemand
kan daar aankomen en er iets aan afdoen. Jezus is en blijft een levende
werkelijkheid. Je kunt je nog altijd voor Hem openstellen. Je kunt je door
Hem nog altijd laten raken. Wie het vatten kan die vatte het. Of ben ik aan het luchtfietsen mensen? Spreek ik
abstracte taal waar u helemaal niets mee kunt? Dat kan zijn. Want hoewel
Jezus' werkelijkheid nog altijd een concrete is, kun je die toch niet
vastpakken. Mensen kúnnen er echter wél door gepakt wórden. Mensen kunnen wel
door Hém, door Jezus, door Zijn Vader, door hun beider Geest gepákt worden.
Vorig jaar op vaderdag was Steven Hendrik hier voor het eerst in de kerk. Hij
heeft mij toestemming gegeven om aan u te vertellen dat hij het toen moeilijk
had. Hij liep bij de Jellinek, hier in de straat. Een soort laatste kans. Die
pakte hij. En die pakte hij óók hier in de kerk. Hij is hier in het afgelopen
jaar echt een trouwe kerkganger geworden. En vandaag wordt hij in ons midden
gedoopt; wordt hij opgenomen in Christus' Lichaam dat de Kerk ondanks alle
ellende toch ook ís en blijft. In de afgelopen Paasnacht hadden we in de
andere kerk al zes volwassen dopelingen, waaronder twee van hier. Steven
wilde graag hier en nu gedoopt worden. En wij zijn hem er dankbaar voor. Want
zo wordt zichtbaar dat Hij, dat Christus tot leven is gewekt en Steven mét
Hem. Veelgeliefden, moge het met ons allen en met onze kerk evenzo gebeuren.
Het wil nog maar geen voorjaar worden, maar het is wel Pasen - al dringt het
tot de vrouwen bij het lege graf, tot de apostelen, Petrus voorop, en ook tot
ons misschien nog maar nauwelijks door. Het echte geloof dat Hij, dat Jezus
is opgestaan, dat moet misschien nog komen. Van harte wens ik u toe dat u
zich er aan over wilt en kunt geven. Van harte wens ik u een Zálig Pasen.
Amen. Alleluia. Christus is verrezen. Hij is waarlijk verrezen. Alleluia. Praise the Lord. VERKONDIGING in de Paasnacht van 2010 (3-4 april) in de Kerk van Onze
Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek Genesis (1,1 - 2,2), Exodus
(14, 15-21), Ezechiël (37, 1-14), de brief aan de Romeinen (6, 3-11) en het
Johannes-evangelie (20, 11-18). "God zie ik hier niet" - zou Yuri
Gagarin gezegd hebben toen hij op 12 april 1961 als eerste mensenkind in de
ruimte kwam. Dat schijnt toch niet te kloppen. Een vriend van hem zei in 2006
in een interview dat het niet waar is, dat Gagarin dat níet zelf gezegd
heeft. De woorden zijn van Nikita Chroetsjov, de toenmalige leider van de
Sovjet-Unie en van de communistische partij aldaar. Wat Gagarin in elk geval
wél gezegd heeft toen hij vanuit de ruimte naar de aarde keek, was: "De
aarde is blauw. Wat prachtig. Wat bijzonder." En op Kerstavond 1968 kwam de Amerikaanse Apollo
8 in een baan rond de maan. Jim Lovell, één van de astronauten zei in een live televisiereportage vanuit het
ruimteschip: "We zijn gekomen (...) om de maan te verkennen, maar het
belangrijkste dat we ontdekken is de aarde. Alles wat we hebben is
dáár", zei hij. Het is dan ook veelzeggend dat de astronauten de
uitzending besloten met het voorlezen van het scheppingsverhaal uit Genesis
dat wij in deze Paasnacht óók hebben gehoord. Michael Collins, aan boord van de Apollo 11,
beschreef hoe fragiel de aarde lijkt in dat oneindig en verder zo
onherbergzame heelal. Hij zei: "De aarde moet worden zoals ze er uit
ziet: blauw en wit, niet kapitalistisch of communistisch; blauw en wit, niet
rijk of arm, niet jaloers of omstreden. Klein, glanzend, sereen, blauw en
wit, kwetsbaar." En als astronaut Edgar Mitchell tenslotte, aan
boord van de Apollo 14, door het kleine raam naar de sterren, de zon en de
aarde kijkt, overkomt hem een gevoel dat hij als volgt beschrijft: "Ik
realiseerde mij plotseling dat ik een verbinding met de sterren daarbuiten
voelde en dat de moleculen van mijn lichaam, de moleculen van ons ruimteschip
en die van het lichaam van mijn medeastronauten, prototypen waren van of gefabriceerd
waren in oude generaties sterren. Dit ging gepaard met een extase, een
vreugde die ik nog nooit had ervaren. Ik kreeg een overweldigend gevoel van
eenheid en verbondenheid. Het ging niet meer om zij en wij, maar om: (...)
het is een eenheid." Verwondering, extase vanwege alles wat is.
Verwondering en extase aan boord van het ruimteschip. Verwondering en extase
in het eerste hoofdstuk van de bijbel: Het werd avond en het werd morgen. En
God zag dat het goed was, heel goed. Mensen, wij, zijn erg geneigd om het grote, het
omvattende perspectief en die eenheid van alles en iedereen en de
fundamentele goedheid ervan, om die uit het oog te verliezen. En ze, wij,
bederven het leven op aarde. We vissen die prachtige oceanen leeg en al ons
plastic komt er in terecht. En de ene mens buit de andere uit en maakt die
tot een slaaf. Mensen kunnen verdorren. Ze kunnen de moed verliezen. Ze
kunnen gaan denken "we gaan naar de bliksem", "het is met ons
gedaan", "we zijn ten dode opgeschreven". In de voorlezing uit
het boek van de profeet Ezechiël werd die manier van denken en in het leven
staan verwoord. Veelgeliefden, dierbare doop-kandidaten, families
en vrienden van de doop-kandidaten en reeds gedoopte gelovigen: Zo is het
niet! We hebben het gehoord in de bijbel, in de Heilige Schrift. Daarin
wordt, op de manier van voorstellen van twee- drieduizend jaar geleden, de
oorsprong, het wezen en de toekomst, de bedoeling van ons leven in woorden
verbeeld en uitgedrukt. De aarde is goed. Wij mensen zijn goed. We zijn gemaakt
om vrij te zijn. We zijn er om te leven. We zijn er niet om elkaar te
onderdrukken, de dood aan te doen en om te sterven. Er is leven, zelfs
voorbij de dood. Leven is iets oneindigs. Leven is nog veel meer dan we
denken. Veelgeliefde doop-kandidaten, zoals de reeds
langer gedoopten die hier aanwezig zijn, hebben jullie die oneindige
kostbaarheid van ons leven op die kleine, glanzende, serene, blauwe en witte,
kwetsbare aarde en van jullie eigen leven daar op; jullie hebben die ervaren.
Én jullie hebben gehoord in alles wat is, in de natuur die ons omringt en
waar wij zelf deel van uitmaken, in mensen wier levensweg die van jullie
heeft gekruist, in mensen met wie jullie samen door het leven gaan; jullie
hebben in en door de gebeurtenissen van jullie leven héén een stem gehoord,
"alsof iemand jullie bij naam en toenaam heeft geroepen". Die stem
hebben jullie ook herkend in de bijbel en speciaal in Jezus van Nazareth die
wij noemen "Gods Zoon". Zijn stem hebben jullie herkend in de Kerk.
En jullie zijn bezield geraakt door het verlangen om antwoord te geven op die
stem. Jullie hebben ernaar verlangd om "ja" te zeggen tegen God,
tegen Jezus die jullie riep en roept. Dat moment van jullie "ja" is
nu aangebroken. Amen. VERKONDIGING op 1 april 2010, Witte Donderdag, in de Kerk van Onze
Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek Exodus (12, 1-14), Psalm
116 (12-18), uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de
christenen van Korinthe (11, 23-26) en uit het Johannes-evangelie (13, 1-15). "Mijn interniste was (...) verbaasd dat er
helemaal niks in m'n longen zat. "De ziekte heeft een station
overgeslagen". Dat is dan weer mooi meegenomen". - Zo schreef van de week een vriend van mij in
een update per e-mail aan z'n
familie en vrienden. Afgelopen zomer kreeg hij opeens een enorme bult in z'n
nek. Er werd een vorm van kanker bij hem vastgesteld. De ziekte die een station overslaat. Zodadelijk
zal, in de eerste schriftlezing, uit het boek Exodus, verhaald worden hoe de
Heer in de nacht van de uittocht "alle eerstgeborenen van Egypte"
"slaat", dat wil zeggen: doet sterven. Maar de Israëlieten hebben
in opdracht van diezelfde Heer een beetje bloed van het paaslam dat ieder
heeft geslacht, uítgestreken "over de beide deurposten en over de
bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten" werd. En dat
bloed aan de huizen was een teken. "Als Ik het bloed aan uw huizen zie,
zal ik aan u voorbijgaan. De vernietigende plaag zal u niet treffen als ik
Egypte sla." - zegt diezelfde Heer. Pasen. Pesach. Het woord betekent
"overspringen", "voorbijgaan". De ziekte, de dood slaat
een huis, slaat een station, slaat een mens, sláat mensen over. Wat is ons leven en ons lot grillig dierbare
gasten en parochianen van deze Vredeskerk. Wát een Veertigdagentijd hebben
wij gehad in verband met al die onthullingen over seksueel misbruik van
kinderen en jeugdigen door priesters en kloosterlingen - óók in Nederland op
een veel grotere schaal dan wij gedacht hadden. Het is níet aan ons
voorbijgegaan. Wij hoeven ons dus tóch, níets te verbeelden - zo in de zin
van: dat soort dingen gebeurt alleen maar in Amerika en Ierland. Nee. Het is
ook bij ons gebeurd. Wat is ons leven en ons lot grillig
veelgeliefden. Zó mankeer je niets en zó ben je ziek en realiseer je jezelf
op een heel nieuwe, "existentiële" manier hoe kwetsbaar je leven
is. Of een buurman, een politieagent nota bene belt aan. Je dochter is
alleen thuis. Hij neemt haar mee. Hij misbruikt haar. Hij killt haar en begraaft haar in z'n
achtertuin - twee huizen maar bij je eigen huis vandaan. Slechts één huis is
hij voorbijgegaan, heeft hij overgeslagen. Wat is ons leven en ons lot grillig. Een
indringer dringt bij je ouders binnen. Ze overleven het wel of ze overleven
het niet. Of er is een bomaanslag in de metro. Moskou. Je
partner, je kind, je moeder, oneindig dierbaar, ze worden getroffen, ze
worden geslagen of ze worden misschien overgeslagen, ontspringen de dans. "Engel des doods, ga ons voorbij/Zie op het
bloed dat als een teken/aan onze deurpost is gestreken/Engel, ga onze deur
voorbij" - zullen we zodadelijk biddend zingen. Maar, veelgeliefden, is
dat lied, dat gebed niet loos? En geldt niet hetzelfde voor deze hele
plechtigheid en voor heel ons Pasen? Want ben je als mens niet onderwerpen
aan een blind noodlot? Nog vanmorgen vertelde mij iemand dat ze naar de
tandarts ging, een nieuwe tandarts, want de oude, een fantastische vent, was
samen met zijn vrouw in de bergen verongelukt. Het kan je toch altijd
gebeuren, een goed mens of niet en: gelovig of niet ... "Ja, als je als
gelovige, als katholiek bijvoorbeeld duídelijk beter af zou zijn, ja dan werd
de hele wereld natuurlijk katholiek ..." zei iemand ooit tegen mij. Maar
zo is het niet ... -dat wil zeggen: Pater van Kilsdonk zaliger
gedachtenis heeft wel eens verteld dat in zijn jeugd als er onweer kwam zijn
moeder met wijwater door het huis ging onder het motto: "Het is beter
mét Christus in brand te vliegen dan zónder Hem." Veelgeliefden, daar
zit iets, zo niet véél, ín ... Christus', Jezus' levenseinde met de herdenking
waarvan wij met deze viering een begin gaan maken - en dat zal morgen op
Goede Vrijdag doorgaan en op Stille Zaterdag, dag van Christus' grafrust en
"nederdaling ter helle" en in de Paaswake totdat op Paasmorgen de
nacht voorbij is en Hij, en wij met Hem, opnieuw en nieuwgemaakt in het licht
zullen staan - Christus', Jezus' levenseinde is niettemin in de ogen van de wereld
inktzwart. Een beetje "een ridder van de droevige figuur", Jezus,
zoals Don Quichotte. Een dromer, een malloot, níet van deze wereld. Nee, veelgeliefden, inderdaad: níet van deze
wereld. Jezus is van een andere wereld. Hij is van de wereld van God.
"Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel". Dat is Zijn, dat is
Jezus' gebed. Jezus kent de hemel. Vanuit de hemel staat en leeft Hij op
aarde. Om de mensen van de aarde óók bij en in diezelfde hemel te brengen. De
hemel, de wereld van God, is Jezus' vertrekpunt en oriëntatiepunt en punt van
bestemming. Op aarde leeft Hij reeds vanuit en ook al ín de hemel. En daar
wil Hij óns in betrekken. Wij gedenken Jezus in deze viering in twee machtige
en prachtige tekenen, machtig en prachtig juist omdat ze zo nederig zijn:
Jezus wast de voeten van Zijn leerlingen, die van ons. Hij is onze meester
juist omdat Hij onze dienaar is. In Jezus' dagen was dat slávenwerk: het
wassen van iemands voeten. Jezus staat dicht bij mensen die in onze dagen
billen en w.c.'s schoonmaken. Nederig werk. Maar hoe gróót kunnen juist de
mensen zijn die zúlk werk doen! Jezus wast de voeten van Zijn leerlingen en
aan tafel neemt, breekt en deelt Hij brood en reikt Hij de wijn aan en zegt
dan: Dit ben ik zelf. In deze tekenen geef ik mijzelf aan jullie, helemaal.
In brood en wijn zal ik altijd bij jullie zijn, zolang de wereld duurt. Het, Hij is níet van deze wereld veelgeliefden.
En juist dat maakt Hem voor ons oneindig waardevol. Want alles wat in deze
wereld belangrijk gevonden wordt (gezondheid, schoonheid, bezit, geld,
aanzien), vroeg of laat komt elk mens er hopelijk achter dat de waarde van al
die dingen uiteindelijk verbleekt, dat ze voorbijgaan en je zeker níet kunnen
redden. Terwijl Jezus jou wél kan redden. Als je jezelf opent voor wat Hij je
geven kan, als je jezelf aan Hem toevertrouwt en je Hem laat begaan, als je
Hem met je laat doen, als je Hem jou voeten laat wassen en openstaat voor
Zijn Lichaam en Bloed, bereid bent het te ontvangen en Hem dóór jou en mét
jou en ín jou laat leven, als je deel gaat uitmaken van Zijn Lichaam en in
zekere zin Hem wórdt, dán word je gered ... Dan ga ook jij hier op aarde
reeds delen in Jezus' hemelse leven, in het leven van die andere wereld en
kunnen ziekte en dood, hoe die ook komt, die dood, jou niet meer werkelijk
raken en stukmaken. Dan word en ben je en blijf je héél, ook al word je
gebroken. Dan gaat de engel van de dood in een diepere zin inderdaad aan jou
voorbij. Graag besluit in deze lange inleiding op onze Witte
Donderdagviering met een paar regels uit een anoniem gedicht dat ik vond op
de Veertigdagenkalender 2010 van de emeritus-predikant van de Oranjekerk,
dominee Joke van der Velden. Het staat op het kalenderblad van gisteren: Wraakpsalmen
heft men aan, tot óns gericht, die
over vrede zingen in de kerken. (Maar)
Pas als de láatste bomen zijn verzuurd, geen
meeuwen minzaam op de zee neerstrijken en
álle akkers zijn verspeeld, zal blijken dat
geld níet voedt, dat dom succes níet duurt. Het
goede wint, waar ópstanding begon. Niet
wie dáár in geloven, dromen, maar
wie nog heil ziet in de háat. Wíj komen tegen
de tijdstroom íngaand bij de Bron.
Moge de Heer in deze viering veelgeliefden de
onuitputtelijke Bron die Hij zelf is voor ons openen. En mogen wij er allen
uit putten. INLEIDING OP DE GOEDE-VRIJDAGVIERING 2010 in de Kerk van Onze Lieve
Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering "Ik werd 's nachts wakker gemaakt op de
slaapzaal. De broeder nam mij mee. Ik moest op mijn knieën gaan zitten. Ik
kreeg vijftien dekens over me heen. Zo zat ik daar drie kwartier te
transpireren. Vervolgens moest ik hem bevredigen ... Dat heeft zich nagenoeg
wekelijks, een jaar lang, herhaald. Op allerlei mogelijke manieren. Je wist
als kind niet wat er gebeurde. Later probeerde hij me ook te verkrachten. Hij
was zó groot en sterk. Zijn handen gingen over mijn hele gezicht." Na
anderhalf jaar was de broeder opeens verdwenen, maar Dolf van wie de ervaring
in de krant werd opgetekend[10],
was voorgoed getekend. Hij is één van de véle slachtoffers van seksueel
misbruik door priesters en kloosterlingen die de laatste tijd hun verhaal
hebben gedaan. "Het allerergste", zei Dolf, "was de combinatie
van eenzaamheid, onveiligheid en heimwee. Mijn ouders waren ver weg. Ik kon
geen kant op." In een brief zijn nood klagen kon ook niet. Alle post aan
en van de leerlingen werd door de broeders gecontroleerd. Dolf, gepensioneerd
nu, maar nog steeds vol verdriet over wat hem als jongen is overkomen; hij
zocht eind vorig jaar contact met de Broeders van Liefde van wie het
internaat was waarop hij zat. "Mijn verhaal werd gebagatelliseerd. Die
broeder was een beetje gek, zeiden ze. Maar verder viel het reuze mee." Afgelopen dinsdagavond was ik gast in de Liberaal
Joodse Synagoge bij een zogenaamde "gast-seider": een Joodse
paasviering zoals die in huiselijke kring wordt gevierd, uitgelegd en gedaan
vóór en mét niet-joodse gasten. Eén van de elementen van die seider-maaltijd
is de zogenaamde "jachats": drie matzes, ongezuurde broden, op
elkaar. Het middelste symboliseert de mensen die klem zitten, die geen kant
op kunnen. Kunt u voorbeelden noemen van mensen in zulke omstandigheden vroeg
rabbijn Menno ten Brink aan zijn gasten. Nou, dierbare gasten en parochianen,
ik denk: die slachtoffers van seksueel misbruik door priesters en
kloosterlingen, bijvoorbeeld die Dolf in dat internaat van de Broeders van
Liefde destijds, die zijn daar een schoolvoorbeeld van ... Als wij op deze Goede Vrijdag 2010 in deze
viering biddend de kruisweg lopen, dan doen wij dat ditmaal met speciaal ook
de slachtoffers van kerkelijke seksueel misbruik in het hart zo stel ik voor.
Sinds jaar en dag vieren wij hier op dit uur samen met onze broeders en
zusters van de Oranjekerk, met dominee Jantien Heuvelink, interim-opvolgster
van dominee Joke van der Velden, dit jaar vooróp. Hen wil ik vragen om ons
dat kruis van het kerkelijk seksueel misbruik in deze viering te helpen
dragen - het is natuurlijk ook geen exclusief katholiek fenomeen. Jezus de
Heer, de Gekruisigde, staat aan de kant van de slachtoffers. Dat mogen wij
geloven. Iedereen die deze kruisweg mee wil lopen, achter ons aan wil lopen,
speciaal ook de kinderen, nodig ik daartoe van harte uit. Ik wens ons allen
een goede viering. VERKONDIGING op 28 maart 2010, Palmzondag, in de Kerk van Onze Lieve
Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (50, 4-7),
uit de brief aan de Filippenzen (2, 6-11) en uit het Lucas-evangelie (19,
28-40 en 22,14-23,56). "Wir haben es nicht gewußt". Dat zei
men in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog toen men ter verantwoording
geroepen werd vanwege de misdaden gedurende de nazi-tijd. "Wir haben es
nicht gewußt". Woorden met een nare nasmaak omdat ze klinken als een
slap excuus: Had men wérkelijk niet geweten wat zich ook in eigen dorp of
stad, voor de eigen neus dus, aan verschrikkelijks had afgespeeld of wílde
men het niet weten; wilde men het niet
méér weten, zéker na de oorlog niet? Had men al die tijd liever
weggekeken omdat dat natuurlijk wel zo rustig was? Mijn naam is haas en ík
weet nergens van. "Wir haben es nicht gewußt". Afgelopen
dinsdag klonken de woorden, in verband met seksueel misbruik van kinderen en
opgroeiende jeugd door priesters en kloosterlingen, uit de mond van kardinaal
Simonis, de emeritus-aartsbisschop van Utrecht, gedurende vierentwintig jaar for better and for worse, tegen wil en
dank, het boegbeeld van de katholieke kerk in ons land. "Wir haben es
nicht gewußt". De kardinaal heeft kritiek gehad op die woorden. Ze
zouden een faux pas zijn. Daar ben
ik het niet mee eens. Volgens mij zijn die woorden juist een schot in de roos
en drukken ze precies uit hoe in verband met seksueel misbruik binnen onze
kerk de vork steeds in de steel gezeten heeft. "Wir haben es nicht
gewußt". Wegkijken, signalen, feiten en klachten negeren, uit gęne en
onvermogen om met name zaken die met seksualiteit te maken hebben rustig en
zorgvuldig te onderzoeken én te bespreken én goed te behandelen, de kop maar
in het zand steken en met een grote boog om de problemen heenlopen:
onmiskenbaar is dát het beeld dat de leiding van onze kerk op dit punt te
zien geeft. Én maar het eigen straatje schoonvegen. Bah! Ik heb er geen ander
woord voor. In de media, op straat, in het café, in de
huiskamer en op de preekstoel de zonden, tekorten en misdaden van andere
mensen, binnen en buiten de kerk én van bijvoorbeeld "De Kerk" als
zodanig, aan de kaak stellen, daar zijn we intussen goed in. De hand in eígen
boezem steken en bedenken en belijden waar je zelf de fout in bent gegaan,
dat vinden mensen meestal veel moeilijker en daarvoor deinzen ze veelal terug
- terwijl dát wél de verlossende weg is. "Ik, pastor Pierre Valkering,
ben mij ervan bewust dat ik in mijn persoonlijke verhoudingen en in mijn
manier van omgaan met mijn seksualiteit óók mijn fouten heb gemaakt."
Of: "Ik, Jozef Ratzinger, paus Benedictus XVI, ben in de tijd dat ik
prefect van de Congregatie van de Geloofsleer was, in welke hoedanigheid ik
alle verantwoordelijkheid voor seksueel misbruikzaken juist naar mij
toegetrokken heb; ik ben destijds ernstig tekort geschoten wat betreft de
behandeling van diezelfde zaken". Deze laatste woorden hebben we van de
dienaar der dienaren Gods tot op heden echter nog níet mogen vernemen terwijl
juist zulke woorden, woorden waarmee iemand werkelijk zélf
verantwóórdelijkheid neemt voor het eigen doen en voor de eigen nalatigheid,
toch enorm de lucht zouden kunnen klaren en de Kerk écht goed zouden kunnen
doen in de huidige nachtmerrieachtige omstandigheden waarin zij is
terechtgekomen. Op de eerste plaats de paus, maar ook wij allen, hebben in
deze aan de apostel Petrus zoals wij hem in het lijdensverhaal tegenkomen
toch een geweldig voorbeeld ... Het was nacht, ook toen, en driemaal kraaide de
haan. En op dat moment draaide Jezus zich naar Petrus om - die zich op dat
moment pas realiseerde dat hij Jezus verloochend had - Jezus die op Palmzondag
gezeten op een veulen Jeruzalem was binnengetrokken. "Een veulen ...
waarop nog geen mens heeft gezeten" was het. Ik denk: dat nog onbereden
veulen is een prachtig beeld van de eerste berijder ervan, dat jonge dier is
een prachtig beeld van Jezus' pure en onbedorven mens-zijn. Ja, in Hem, in
Jezus, mogen alle misbruikte en mishandelde kinderen zeker hun bondgenoot
zien. Want Zijn onschuld was als de hunne. En ook Hij zal, zoals zij, het
slachtoffer worden van mensen die aan die onschuld vergrijpen. "Wir haben es nicht gewußt". De
onschuldige wordt het slachtoffer. Men staat er met de neus bovenop. Men is
erbij. En men grijpt niet in. Men laat het gebeuren. Men is als verlamd. Men
zit te slapen. Men werkt er bewust of onbewust aan mee. "Men"? Nee!
Ik! Jij! Zo was het destijds in Jeruzalem. En zo was het in de jaren vijftig,
zestig en zeventig van de vorige eeuw en in vermoedelijk alle eeuwen ervoor
in allerlei kerkelijke jeugdinstellingen. Misbruik is van alle eeuwen ben ik
bang. En het moet aan het licht gebracht worden, dat is goed en dat is recht.
"Wie de waarheid doet, komt naar het licht toe" zegt het
Johannes-evangelie[11].
Welnu, veelgeliefden, Jezus van Nazareth, de Christus, is beide: waarheid en
licht. Bidden wij derhalve op deze Palmzondag dat Zijn waarheid en licht elke
ónwaarachtigheid en duisternis in ons aan het licht mag brengen. Bidden wij
dat Zijn Geest in ons áán ons de moed mag geven om onze eigen zonden,
tekorten en mis-daden eventueel eerlijk onder ogen te zien en te doen
bekennen - opdat wij óók de vergeving van God en mensen mogen gaan ervaren.
Moge Jezus' licht in ons en in onze gemeenschap zó groeien. Amen. VERKONDIGING
op 7 maart 2010, de derde zondag van de Veertigdagentijd, in de Kerk van Onze
Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek Exodus ((3, 1-15), Psalm
xx, uit de eerste brief aan de christenen van Korinthe (10, 1-6) en uit het
Lucas-evangelie (13, 1-9). "Het is (...) moeilijk om nu rooms te
zijn" - verzucht Kees de Wijs, gedurende 37 jaar als dirigent en
organist verbonden aan deze kerk, in het pasverschenen nummer van Z.O.Z. Zie Oud Zuid. Dé wijkglossy van Oud
Zuid! waarvoor hij en zijn vrouw Willemien werden geďnterviewd[12]. "Het is (...) moeilijk om nu rooms te
zijn". Ja, geef Kees eens ongelijk. Je kunt de t.v. niet aanzetten en de
krant niet openslaan of de verhalen over seksueel misbruik door priesters
vliegen je om de oren. Het houdt niet op. Jezus heeft het in het evangelie
van deze derde zondag in de Veertigdagentijd over de Siloam-toren die is
ingestort. Achttien mensen zijn daarbij om het leven gekomen. In figuurlijke
zin lijkt onze hele Roomse kerk wel in te storten dezer dagen. We worden min
of meer failliet verklaard. In een aantal patershuizen, kloosters en
pastoriën heeft deze of gene het ongetwijfeld benauwd of wordt vermorzeld
onder de brokstukken van een ineenstortende reputatie. Het scheepje van Sint-Petrus is in zwaar weer terechtgekomen.
De kerk is en wordt getroffen door onheil. Het is als een natuurramp, maar
deze ramp is door mensen veroorzaakt. Wie heeft er schuld? Als er een ramp
gebeurt is dat altijd zo'n beetje de eerste vraag: Wie heeft er schuld? Wie
is hiervoor verantwoordelijk? Als het om een aardbeving gaat (L'Aquila -
Italië, Haďti, Chili), dan wijst men al gauw naar bouwondernemingen die niet
deugdelijk gebouwd hebben en naar de overheid die de regels voor de bouw niet
goed heeft gehandhaafd en die nu ook weer tekort schiet wat betreft de
hulpverlening aan de getroffenen. En nu in verband met de kerk zijn het
uiteraard de plegers van het misbruik zelf naar wie men wijst, naar
bisschoppen en andere kerkelijke overheden, naar het celibaat en naar heel de
kerkelijke organisatie eigenlijk die niet zou deugen en verrot zou zijn. Nee,
het valt op het moment inderdaad niet mee om rooms te zijn en zeker niet om
de priesterboord te dragen. In verband met die Siloam-toren vraagt Jezus:
"denkt u dat zij schuldiger zijn geweest dan alle andere inwoners van
Jeruzalem?" Zijn antwoord is klip en klaar: "Geen sprake van!" En zo is het natuurlijk inderdaad veelgeliefden:
Het is niet gezegd dat degenen die níet in de schijnwerpers van de ramp
staan, die níet zijn getroffen, die de dans zijn ontsprongen, dat op hen
niets zou zijn aan te merken en dat zij vrijuit gaan. En omgekeerd: zij die
de pineut zijn en die ten onder gaan, zij zijn niet per se slechter, in alle opzichten, dan de andere mensen die in
de luwte, van de publiciteit en anderszins, blijven. "De hele schepping
kreunt en lijdt onder barensweeën" schrijft Paulus in de Romeinenbrief[13].
De aarde schokt. En ook in de samenleving en in de kerk zijn er dat soort
schokken, is er pijn omdat er altijd beweging in zit. Wij staan met z'n allen
niet stil. Zoals het goede, geven mensen ook het kwaad aan elkaar door. We
worden ermee opgezadeld en we zadelen er anderen weer mee op. Er is een
interactie. Elke mens is zelf verantwoordelijk voor zijn en haar doen en
laten. Maar iedereen is óók het produkt van ouders en van de religieuze en
andere voorstellingen en ideeën die in een samenleving leven. En elk leven en
elke samenleving brengt z'n eigen ondeugden voort. Op lichamelijkheid en
seksualiteit rustte vroeger vanwege de kerk een groot taboe zegt men. Over
dat alles lag de doem van de zonde. Inmiddels is in de samenleving het deksel
wat dit betreft duidelijk van de pot, zijn lichamelijkheid en seksualiteit
"vrij" en vaak, zeg maar, "in de uitverkoop": Overal
wordt in het volle licht alles getoond en kunnen mensen op dat vlak ook
duidelijk de weg kwijtraken. En díe samenleving klaagt nu de paters en de
priesters aan, zodanig dat het idee van seksueel misbruik wat hen betreft
bijna beeldbepalend lijkt te zijn geworden. Ik denk: laat die samenleving,
laten mensen daarbinnen, laten de journalisten die, ook die van "de
kwaliteitskrant", soms érg hoog van de toren kunnen blazen en die in hun
berichtgeving de zorgvuldigheid gemakkelijk uit het oog kunnen verliezen en
die ook een sfeer van sensatie kunnen creëren waarin mensen kunnen gaan
zwelgen; laat die samenleving, allen die er deel van uitmaken, bijvoorbeeld
ook de journalisten; laat men ook naar zichzelf kijken ... De normen van vroeger en de normen van nu. Zie er
je weg maar in te vinden. Lichamelijkheid en seksualiteit, zie er binnen de
context van je eigen leven maar eens goed vorm aan te geven. Dat is niet
altijd zo'n eenvoudige zaak denk ik. "Als u zich niet bekeert, zult u
allemaal, net als zij, omkomen" zegt Jezus. Met andere woorden: al het
onheil dat gebeurt en dat wordt aangericht, bijvoorbeeld op het vlak van
seksueel misbruik, mag voor ons een aanleiding zijn om ons eigen hart te
onderzoeken en eventueel te reinigen. "Verbeter de wereld, begin bij
jezelf". De spreuk van de Bond Zonder Naam blíjft ijzersterk. Soms kan een mens zich zo ontmoedigd voelen dat
hij of zij geneigd is om het geloof, de kerk of wat of wie dan ook maar op te
geven. Wij kunnen geneigd zijn om elkáár op te geven. Hak de vijgenboom maar
om! Het is over. Ik laat me uitschrijven. Ik geloof niet meer. We hebben
gehoord hoe Jezus ervoor pleit daar toch voorzichtig mee te zijn en om de
grond rond de boom toch nog eerst nog maar eens om te spitten en te bemesten.
Wie weet kan het toch opnieuw nog weer wat worden met de Kerk, met de mensen,
met U, met mij. Misschien is het mogelijk om het vuur van Gods Heilige
Aanwezigheid weer op nieuwe wijze te gaan ervaren. Amen. VERKONDIGING
op 28 februari 2010, de tweede zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van
Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek Genesia (15, 5-18), uit de
brief aan de Filippenzen (3, 17-4,1) en uit het Lucas-evangelie (9, 28-36). "Ik ga zondag naar de kerk, ga je mee?"
schreef mij afgelopen week per e-mail een vriendin, ex-katholiek. Eigenlijk
opgetogen, want de wonderen zijn de wereld nog niet uit, maar toch ook al
rekening houdend met een addertje onder het gras schreef ik terug: "Ik
val van m'n geloof! Als 't naar de Vredeskerk in Amsterdam is: ja! (ik heb
dus dienst)", waarop weer als antwoord kwam: "Neeeee (met vijf
"e" 's) ....... naar 's Hertogenbosch en dan laat ik me zo'n roze
driehoekje opspelden." U weet het, dierbare gasten en parochianen van
deze Vredeskerk: Leiden is weer in last of liever gezegd, de hele natie staat
bijkans weer op z'n achterste benen omdat twee weken geleden in het
Noord-Brabantse Reusel de pastoor van de parochie tegen de prins-carnaval van
het plaatsje heeft gezegd, dat hij in de carnavalsmis niet ter communie mocht
gaan omdat hij samenleeft met een vriend. De bisschop van Den Bosch steunt de
pastoor in dat oordeel en daarom zit de Sint-Jan in de Brabantse hoofdstad op
ditzelfde moment vol met homoseksuele mannen en vrouwen en sympathisanten
zoals de voorzitster van de Partij van de Arbeid. Uit protest. Vanwege de
discriminatie. En er zal om die reden in de mis vandaag geen communie worden
uitgereikt heeft men al laten weten. Wat één en ander extra wrang maakt is dat juist
in de afgelopen weken er weer vele berichten zijn geweest over priesterlijk
seksueel misbruik van minderjarigen, óók in Nederland. Meestal gaat het om
misbruik dat al tamelijk lang geleden heeft plaatsgevonden, maar toch ... De
journalist Gerard van Westerloo heeft een boekje geschreven met als titel De pater en het meisje[14]
over seksueel misbruik, rond 1960, door een pater Marist van zijn zus
Tineke, een dame van in de zeventig nu. Dat misbruik heeft zich afgespeeld binnen
onze parochie. De broeders van Huijbergen, die de jongensscholen van de
parochie bestierden en het destijds bekende jongenskoor leidden, hebben op
dit vlak ook géén onbevlekt blazoen, zo blijkt in dat boekje. Ja, dierbare
gasten en parochianen, we staan er als kerk weer eens gekleurd op: Enerzijds
zo'n lieve jongen als de prins-carnaval van Reusel, 23 jaar oud, die de stem
van z'n lichaam en van z'n hart volgt, de maat meten en anderzijds kerkelijke
bedienaren die zich schuldig maken aan het "weerzinwekkende
misdaad", om paus Benedictus te citeren, van kindermisbruik. Maar de
kerkleiding heeft zélf boter op 't hoofd omdat men meestal volstrekt
inadequaat heeft gereageerd op situaties van misbruik die aan diezelfde
kerkleiding werden voorgelegd. Misbruikplegers werden veelal overgeplaatst en
begonnen op de nieuwe plek soms/veelal opnieuw. Wat moeten we ermee? Gistermorgen hadden we in de andere parochie een
vergadering over de viering van de zondagsliturgie. Geen eenvoudig onderwerp.
De ideeën die mensen daarover hebben kunnen nogal verschillen en dat kan tot
veel opwinding leiden. Tegen het eind van de vergadering zei een oude, maar
heel wakkere en montere dame: "Ik denk: als Jezus hier toch eens bij ons
naar binnen zou kunnen komen. Wat zou Hij er dan van vinden?" Een
hartekreet. Woorden van goud uit een hart van goud. Ik heb die dame met haar
woorden gecomplimenteerd en haar gezegd: "Mét dat je dit zegt gebéurt
het ook en kómt Jezus binnen." Ja dat geloof ik. En ik citeer haar
woorden nu ook vandaag in verband met dat probleem van die communieweigering
enerzijds en dat priesterlijk seksueel misbruik en medeplichtige kerkelijke
autoriteiten anderzijds. Kwam Jezus hier nou maar binnen. En: wat zou Hij er
van vinden en van zeggen?" We hebben over Jezus net gehoord in Paulus' brief
aan de Filippenzen: "Broeders en zusters", zo schrijft hij,
"volg mijn voorbeeld en kijk naar hen die zich gedragen naar het
voorbeeld dat wij u gegeven hebben. Want velen leiden een leven - ik heb u al
vaak over hen gesproken maar nu herhaal ik het onder tranen - als vijanden
van het kruis van Christus. Hun einde is hun ondergang, hun god is hun buik,
ze stellen hun eer in schande, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse.
Maar óns vaderland is in de hemel, vanwaar wij ook onze redder verwachten, de
Heer Jezus Christus." Paulus durft! Hij durft zichzelf en mensen die
leven zoals hijzelf ten voorbeeld te stellen aan de christenen van Filippi.
Dan moet je wel echt overtuigd zijn van je eigen morele integriteit en
voortreffelijkheid ... En dan zet Paulus zich af tegen degenen die een leven
leiden "als vijanden van het kruis van Christus", mensen voor wie
hun buik hun god is en die hun zinnen zetten op het aardse. Wie bedoelt hij?
En, getransponeerd naar onze dagen: wie zouden daar nú onder vallen? Mensen
die te veel eten en andere verslaafden? Margot Käsemann die is afgetreden als
protestantse bisschop van Hannover omdat ze na te veel gedronken te hebben
door rood licht is gereden en werd aangehouden? Priesters en kloosterlingen die
seksueel misbruik plegen? En hoe zit het met de prins-carnaval van Reusel? En
hoe zit 't met de pastoor van Reusel en met de bisschop van Den Bosch en met
U en met mij? Wie blijft er qua levenswijze binnen de christelijke boot en
wie valt er buiten? Het kan geen kwaad veelgeliefden, zo dunkt mij,
om het je af te vragen, op de allereerste plaats wat je zelf betreft: Lééf ik
goed in het licht van Christus' kruis? Uit liefde heeft Hij zichzelf gegeven
aan onze wereld, voor alle mensen, dus ook voor mij. En hoe zit het dan met
mijn wederliefde? Geef ik óók mijzelf, liefdevol, zelfs als dat moeite,
lijden en pijn met zich meebrengt? Of ben ik er eerder op uit om van mijn
eigen leven een warm dan wel lauw bad te maken en loop ik met een grote boog
om de problemen, de ellende en de nood van mijn medemensen heen? Ik denk: als
we het over Christus en Zijn kruis hebben, dan gaat het om dat soort vragen. In het evangelie van deze zondag is Jezus zelf opnieuw
ons leven binnengewandeld. In gedachten hebben wij met Hem en enkele van Zijn
leerlingen de berg bestegen. De chaos, de malaise, de vuiligheid, de rotzooi,
de verschrikkingen en vernederingen van deze wereld laat Hij en laten wij mét
Hem even achter ons. Wij zien Hem bidden. Zijn uiterlijk verandert. Zijn
kleren worden stralend wit. Dat is het gebed veelgeliefden. In het gebed
worden wij getransformeerd, veranderen wij van gedaante. In het gebed kun je
licht zíen en kun je licht wórden. En in het gebed zijn er geen grenzen van
ruimte en tijd. Jezus is in gesprek met Mozes en Elia, twee richtingwijzende
figuren voor en in het geloof van Israël, het joodse volk waartoe Jezus
behoort. Met hen spreekt Hij "over Zijn heengaan (...), de voleinding van
Zijn leven in Jeruzalem." Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt is
het woord "exodus", dat betekent: uit-weg. Ook voor ons, veelgeliefden, is dat een vraag:
Waar is voor ons de uit-weg? Hoe ontkomen wij, hoe ontsnappen wij aan de
ééndimensionaliteit van ons bestaan? Hoe ontkomen, hoe ontsnappen wij uit het
doodlopende straatje waarin wij met ons leven, zelfs binnen onze kerk (denk
aan Reusel, denk aan de Sint-Jan op dit eigenste moment) terecht kunnen
komen? Ach veelgeliefden, de Heer is ons midden, Jezus is erbij. Maak je
leven eenvoudig vast aan het Zijne en die uitweg is er, je ziet hem, je vindt
hem, je gáát, met Hem, die weg. Dus maak je dan verder geen zorgen. Amen. VERKONDIGING op 21 februari 2010, de eerste zondag van de
Veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste
Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek Deuteronomium (26, 4-10),
Psalm 91 (ged.), uit de brief aan de Romeinen (10, 8-13) en uit het
Lucas-evangelie (4, 1-13). Onze kerk en meer specifiek: het
"personeel" ervan (priesters, bisschoppen, paus), heeft de laatste
weken in de media weer zwaar onder vuur gelegen. In de krant verschenen
allerlei artikelen over seksueel misbruik in Ierland en op een college van
Jezuďeten in Berlijn en ook: recensies van een nieuw boek van de journalist
Gerard van Westerloo over het seksuele misbruik door een priester van zijn
zus[15].
Die situatie heeft zich afgespeeld in ons eigen stadsdeel. En dan heeft vorig
weekend de pastoor van het Noord-Brabantse Reusel geweigerd de communie te
geven aan Gijs den Urste, de prins carnaval van het plaatsje, een lieve
jongen van 23, die samenwoont met zijn vriend. De teneur van de berichtgeving en van allerlei
commentaren op de diverse situaties, onder andere, op hoge toon, door Huub
Oosterhuis[16],
ook van hier, is ongeveer deze: Mensen die luisteren naar de stem van hun
lichaam en van hun hart meten "ze" (de mannen van de kerk) de maat
en maken ze het leven zuur en intussen knijpen ze zelf de kat in het donker.
De katholieke moraal leidt tot onmogelijke, tot onleefbare situaties - óók
voor degenen die diezelfde moraal verkondigen dan wel geacht worden te
verkondigen. De kerk deugt niet. De moraalleer van de kerk deugt niet. De
mannen van de kerk deugen niet. Het celibaat deugt niet. In niet mis te
verstane bewoordingen, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans-
oftewel Obrechtkerk, wordt ons als kerk in de media voortdurend de wacht
aangezegd - nu al tientallen jaren lang eigenlijk. Het is, gezien de massiviteit van dat aanhoudend
"j'accuse", van de aanklacht, eigenlijk een wonder dat er in
Nederland nog altijd kerkgaande katholieken zijn. Wat moeten die mensen toch?
Weten ze soms niet beter? We mogen het ons, dierbare gasten en parochianen,
inderdaad zélf ook afvragen: Wat houdt ons hier? Wat boeit ons, ondanks
alles, tóch in het katholiek-christelijk geloof en in onze kerk? Wat geeft
het ons? Wat hebben wij er aan? En vandaag, meer specifiek: Wat hebben wij
aan die periode van veertig dagen die voorafgaat aan Pasen, periode die wij
"de Vastentijd" noemen? Wat is het wezen daarvan? En hoe kunnen wij
daar zelf, in onze tijd vorm aan geven? In het evangelie van deze zondag hoorden wij hoe
Jezus na Zijn doop veertig dagen in de woestijn bleef. Hij is "vol van
de heilige Geest", "in geestvervoering" zo hoorden we. En Hij
zoekt dan de eenzaamheid op. Hij zoekt de stilte op. Hij onthoudt zich van
voedsel. En dan krijgt Hij te maken met wat "de duivel" wordt
genoemd: een geheimzinnig figuur, een stem die klinkt in Hemzelf of die, wie
weet, ook van buiten Hem op Hem afkomt, een stem die Hem tracht te verleiden.
Het zijn "almachtsfantasieën" zou je kunnen zeggen waar het om
gaat. Het gaat om de verleiding van te gaan denken dat je alles naar je hand
zou kunnen zetten en alles zou kunnen beheersen, dat eigenlijk de hele wereld
om jou zou kunnen draaien, dat jijzelf de maat van alle dingen bent en dat
jóu niets kan overkomen. In één woord samengevat zouden we het
"hoogmoed" kunnen noemen - nog altijd een verleiding denk ik, ook
voor ons in deze tijd: jouw perspectief, het mijne, is het enig belangrijke
en het enige ware. Maar Jezus is voor zichzelf niet het centrum van
het heelal. Dat is God, dat is Zijn Vader. En Hij kent die God doordat Hij de
Schrift kent, Jezus. Hij kent die uit z'n hoofd, a coeur zeggen de Fransen: die zit in z'n hart, de Schrift. Hij
heeft met die Schrift, met de woorden ervan, een affectieve relatie. Hij is
ervan doordrenkt. Hij is er vol van. En door die Schrift heeft Jezus als mens
weet van heilige grenzen die er zijn en die Hij en elk mens in acht zou
dienen te nemen. "Niet van brood alleen leeft de mens": Leven is
méér dan wat je kunt zien en aanraken en kunt pakken en opeten. Minstens zo
belangrijk als het brood dat je eet zijn Gods woorden, is Zijn belofte. En de
grootste vreugde in het leven bestaat er in om ten diepste Hem te dienen en
te aanbidden en niemand anders. En je moet behoedzaam, aandachtig en
zorgvuldig met God omgaan. Daag Hem niet uit! Met zulke inzichten, met zulk
weten lééft Jezus. Hij is geworteld in God, en daardoor staat Hij sterk
tegenover alle stemmen in en buiten Hem waarvan God niet de bron is en die
ook anti-God kunnen zijn. Jezus is geworteld in God. En dat is Zijn redding.
En daardoor is Hij Zélf onze Redder, omdat wij door, met en in Hem in
diezelfde God geworteld kunnen zijn of kunnen raken, steeds sterker wellicht.
Wij zijn hier in de kerk. En hoewel er in de kerk
heus het nodige niet deugt en de mensen, de mannen én de vrouwen van en in de
kerk geregeld níet deugen omdat wij nu eenmaal mensen zijn, wij ontvangen
hier wél Gods Woord. Wij ontvangen hier Jezus Christus. En dat is goed. Gods
Woord is goed. Jezus Christus is goed. Daarvan ben ik heilig overtuigd. En
wie zich in deze veertigdaagse vastentijd als in een soort woestijn van al
het overbodige probeert los te maken om zich op Gods Woord, op Christus te
concentreren, Hem tracht te ontmoeten in de stilte, in de eenzaamheid van het
eigen hart en natuurlijk ook in en tussen de mensen, die geeft mijns inziens
een goede invulling aan deze veertigdaagse Vastentijd. En alle stemmen die
ons in de media of waar of door wie dan ook op andere gedachten willen
brengen, daar moeten we ons mijns inziens niet door laten leiden. Amen. VERKONDIGING
op 24 januari 2010, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te
Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek Nehemia (8, 1-12), Psalm
19, de eerste brief aan de christenen van Korinthe (12, 12-29) en uit het
Lucas-evangelie (1, 1-4 + 4, 14-21). "Un gran show" - "een grote
show". Ik hoor het padre Romano uit Saő Paolo nóg zeggen. En ik zie ons
nóg staan. Vanuit een loggia hóóg bovenin het klooster van Sant'Anselmo dat
bovenop de Aventijn ligt, één van de zeven heuvelen, keken wij uit over het
nachtelijke Rome. Padre Romano en ik waren daar allebei student in 2003. Op
een zaterdag waren wij samen opgetrokken en we hadden allerlei kerkelijke
dingen meegemaakt en toen zeí hij dat, padre Romano: "C'č un gran
show", "het is een grote show" - dat Rome met al die prelaten:
kardinalen en bisschoppen, gewone priesters, paters, zusters en andere
gelovigen. We hebben er eens flink om gelachen daar boven in die loggia. Gisteren was ik in Breda bij een priesterwijding.
Bescheidener dan in Rome uiteraard maar toch: ook daar konden we weer getuige
zijn van een stukje van die grote show. Altijd in zulke omstandigheden moet
ik aan de woorden padre Romano denken. Ook in Breda wemelde het van de
priesters met hun witte boordjes, in hun lange gewaden, met hun mooie priesterstola's,
knielend, buigend, elkaar op hun zonnigst begroetend. Zien en gezien worden.
Dat is wat er in zo'n situatie gebeurt. En wat gaat er om in al die
priesterhoofden en -harten? Wat leeft daar? Oprechte vroomheid ongetwijfeld
of minstens het verlangen daarnaar, oprechte belangstelling vóór, gevoelens
van toegenegenheid en vriendschap ten aanzien van de collega's of ten aanzien
van bepáálde collega's, maar ook: afkeuring en afkeer van collega's,
jaloezie, vormen van haat misschien zelfs, carričrezucht, verlangen naar
bevestiging, vooral van de zijde van bisschoppen en alle flemerigheid die
daar het gevolg van kan zijn. Het klinkt misschien allemaal wat scherp, maar
ook sporen dáárvan meende ik waar te nemen gisteren daar in de kathedraal van
Breda. Ik nam het waar in elk geval bij mijzelf, in mijn eigen priesterhart-
en hoofd. Nee, veelgeliefden, niets menselijks is ook de priester vreemd. En
de werkvloer van de kerk, al is het ook de verheven werkvloer van het
priesterkoor van een kathedraal; de werkvloer van de kerk lijkt zonder meer
op die van elk ander bedrijf, van elk kantoor en elke andere instelling. Het
hoogste en het laagste dat in en tussen mensen omgaat en gebeurt, je komt het
overal tegen, óók in de kerk dus. Maar waaróm hier vandaag over uitwijden? Mooie
introductie voor de doop- en vormselkandidaten! denkt U misschien wel. Wat
zullen ze niet denken? Waar kom ik in godsnaam in terecht? Waar ga ik mij aan
verbinden? Kan ik niet beter rechtsomkeert maken? Je maakt het ze tégen door
zo te spreken! Ach ja, dierbaren gasten en parochianen van deze
Vredeskerk. Zelf denk ik: het is maar beter om je ook over de kerk van meet
af aan maar geen enkele illusie te maken. Want dan kan het in tweede of derde
instantie ook niet tegenvallen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Dus ik
wáárschuw onze doop- en vormselkandidaten en iedereen hier: Maak je over de
kerk géén illusies. Mensen ín de kerk zijn in principe helaas geen háár beter
dan buíten de kerk. Heel duidelijk spreekt dát als achtergrond uit de
tweede lezing die we vandaag hoorden, die uit de eerste brief van de apostel
Paulus aan de christenen van Korinthe. Paulus vergelijkt daarin de
gemeenschap van de christenen met een lichaam. Oog en oor, hand en voet en
ook "de edele delen": we hebt het allemaal nodig. Zo hebben we,
opdat de kérkgemeenschap goed functioneert ook mensen nodig met uiteenlopende
kwaliteiten. Paulus heeft het over "apostelen",
"profeten" en "leraren" en ook over mensen die
"wonderen doen", die "genezen", die "helpen",
"besturen" en die "in talen spreken". Als we dat vertalen
naar onze omstandigheden, dan denk ik aan de leden van het parochiebestuur,
aan de mensen die de kerk schoonmaken, de bloemen schikken, de
liturgieboekjes maken, ik denk aan de bisschoppen, ik denk aan de mensen die
in de kerk op authentieke wijze iets van God openbaren, ik denk aan de mensen
die doop- en vormselkandidaten begeleiden en aan de mensen die in ons midden
echt heilzaam aanwezig zijn, mensen van wie je blij en gelukkig wordt én ik
denk aan de mensen die goed zijn voor hun alleenstaande, ongelukkige, zieke
buurvrouw. En ga zo maar door. We hebben al die mensen nodig. En wat de één
kan, dat kan de ander niet per se. En
wat de één mág doen, dat mag de ander niet per se. Want de kerk heeft daarvoor allerlei regels en wetten:
over wie bepaalde dingen wel en niet mag doen. In de beschrijving van de
kathedraal van Breda van zoëven kan het U mogelijk weer erg getroffen hebben:
De Roomse kerk is een mannenbolwerk. Vrouwen komen er in de kerkleiding en de
liturgie vaak nauwelijks aan te pas. Een charmante dame met hoge laarzen aan
was gisteren lector. En daarmee was ze de enige vrouw die op het priesterkoor
"iets deed" temidden van al die mannen in de wierook. Met een
knipoog naar Paulus kun je dan uit de lezing van vandaag nog dat zinnetje
aanhalen: "die lichaamsdelen die wij beschouwen als minder eerbaar, eren
wij des te meer". Moeten we daarbij soms aan al die
heren-op-het-priesterkoor denken? Nou aan díe implicatie zal Paulus wel niet
gedacht hebben bij het schrijven van zijn brief, maar toch ... één ding is
duidelijk: Er werd in Paulus' dagen duidelijk gemord in Korinthe binnen de
kerkgemeenschap. Er was bij sommigen duidelijk onvrede over "wie wat
deed". Sommigen voelden zich duidelijk ondergewaardeerd en ten achter
gesteld bij anderen. En Paulus zegt dan: Kijk goed naar het menselijk
lichaam. Daarin doet ook niet elk orgaan álles. Ook voor de kerk geldt: Doe
daarin alleen dátgene wat werkelijk op jouw weg ligt en werkelijk bij jóu
past én wat jou ook wordt toegestaan. En trouwens, veelgeliefden, daar gaat het
natuurlijk ten diepste helemaal niet om in de kerk, om "wie wat
doet". Want als kerk zijn wij op God gericht. Hij moet tot Zijn recht
komen in de kerk. Dáár gaat het om. Prachtig, in de eerste lezing uit het
boek Nehemia, hoe de priester Ezra urenlang, "vanaf de dageraad tot de
middag" staat er; hoe hij voorlas uit het boek van de leer van Mozes.
Prachtig zoals wij horen dat "het volk aandachtig luisterde" en hoe
de mensen enthousiast worden, hoe zij "hun handen omhoog staken en hun
hoofd bogen". Prachtig zoals er staat dat de medewerkers van Ezra óók
"lazen uit het boek van Gods leer, het uitlegden en de betekenis
verklaarden, zodat iedereen de lezing begreep." Prachtig zoals er staat
dat "het hele volk in tranen was uitgebarsten toen het de woorden van de
leer hoorde" en hoe er vervolgens op last van Ezra uitbundig feest
gevierd wordt met zoete drank en al. Prachtig zoals in het evangelie in de
synagoge in Nazareth "alle ogen" op Jezus gericht zijn als Hij de
profeet Jesaja voorleest en dan zegt: "Vandaag is het schriftwoord dat u
gehoord hebt in vervulling gegaan". Vandaag is het werkelijkheid
geworden. Welk schriftwoord? Dat over die armen die de goede boodschap horen,
dat over de gevangenen aan wie hun vrijlating wordt aangekondigd, dat over
blinden die licht krijgen in hun ogen, dat over verdrukten die in vrijheid
mogen gáán. Dáár gaat het om veelgeliefden. "Goede nieuws",
"vrijheid" en "licht" zijn de sleutelwoorden. Goed
nieuws, vrijheid en licht die de armen, de gevangenen en de blínden zelfs, of
nee: juíst zij, kunnen zien en ervaren. Binnen onze samenleving maken wij ons
bijvoorbeeld erg druk en ongerust over de almaar toenemende criminaliteit. Er
moet steeds langer en harder gestraft word. Dáár wordt om geroepen. Maar ik
denk: als wij met z'n allen, zoals de mensen verzameld rond de priester Ezra
in de eerste lezing en rond Jezus in de evangelielezing en zoals gisteren in
de kathedraal van Breda rond die zeer capabel lijkende bisschop van den Hende
en zoals we nu hier verzameld zijn; als we aldus met z'n allen op één punt,
op God gericht zijn, luisterend naar Zijn Woord, als wij luisteren, met name,
naar hoe dat Woord klinkt en vlees en bloed geworden is in Jezus; als wij
daar zélf naar luisteren en ons er door laten ráken tot in onze diepste
vezels, tot in onze vingertoppen, tenen en kruin, als dat Woord dan onze soms
zo troebele gedachten reinigt en ons verandert en tot betere mensen maakt en
als wij daardoor ook andere mensen bewegen om naar datzelfde Woord van God te
gaan luisteren, dan zullen gevangenissen en straffen uiteindelijk helemaal
niet meer nodig zijn, omdat mensen, wij, dan alleen nog maar zullen verlangen
om waar, oprecht en goed te leven. "C'č un gran show" - "het is een
grote show". Ik vind het voor mezelf goed en bijdragen aan mijn
geestelijke gezondheid door af en toe aan zo'n "grote show" als
gisteren in Breda deel te nemen. Want hier sta ik voortdurend op deze plek en
ben ik toch een soort haantje ook. Maar bij zo'n gebeurtenis als gisteren
ervaar ik heel sterk: Je bent er maar één van de velen. En je neemt temidden
daarvan maar een bescheiden plaats in. En: het gaat allemaal niet om jóu - al
kan een mens soms wel geneigd zijn om te denken. Nee, samen zijn we gericht
op iets anders, op de Andere, op de Eeuwige die Licht is en Liefde. De grote
show, hier en in Breda, in Rome en destijds misschien ook zelfs in Jeruzalem
en Nazareth. Er is een buitenkant. De dingen van het geloof moeten nu eenmaal
op een bepaalde manier vorm krijgen. Maar het eigenlijke gebeurt van binnen.
Móge het gebeuren. Amen. VERKONDIGING op 3 januari 2010, hoogfeest van de Openbaring des Heren,
in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (60,
1-6), Psalm 72 (ged.), uit de brief aan de christenen van Efeze (3, 2-3a.5-6)
en uit het Mattheü-evangelie (2, 1-12). Iemand gaf mij na afloop van de mis op
Nieuwjaarsdag een ei. "Happy New Year 2010" stond er op. Een ei -
vruchtbaarheid. "Dat je een vruchtbaar jaar mag hebben." Dat is
denk ik wat de gever van dat ei mij met dat geschenk wilde zeggen. Later op
de dag, bij de uitgang van het Concertgebouw, na het bezoeken van de
gemeentelijke Nieuwjaarsreceptie, kreeg ik een fluoriscerende band om de mouw
van mijn jas geklikt. "Dat je veilig mag gáán, nu weer het donker in.
Dat je een verkeersveilig 2010 mag hebben. Neem je verantwoordelijkheid
daarvoor." Dat is de boodschap die de gemeente Amsterdam mij en alle
andere bezoekers van de Nieuwjaarsreceptie wilde meegeven mét dat geschenk
van die fluoriscerende band. Mensen houden ervan om elkaar cadeautjes te
geven. En een góed geschenk, dierbare gasten en parochianen van deze
Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk; een goed geschenk zegt iets wezenlijks óver
en áán de ontvanger van dat geschenk. Én het zegt iets over de gever van dat
geschenk zélf. Zeg me wat je geschenken zijn en ik zeg jou wie jij bent. De wijzen uit het oosten, vandaag op bezoek bij
de pasgeboren Jezus, zij geven hem goud, wierook en mirre: " 't Goud is
de koning toegewijd,/de wierook prijst Gods majesteit,/maar, ach, de mirre,
zij beduidt/dat eenmaal Hem het graf omsluit."[17]
Kostbare, betékenisrijke geschenken zijn het. De wijzen drukken er in uit wie
Jézus is én wie zij zelf zijn, want, zoals gezegd, het goede geschenk is trait d'union tussen gever en
ontvanger, het verbíndt beiden. Ze zien, de wijzen, Jezus' koningschap. Ze
zien God in Hem. En de mirre is profetisch ten aanzien van Jezus' dood, Zijn
dood die de apotheose zal zijn van Zijn leven; Zijn dood waarin Hij zich ten
volle zal geven voor het leven van de wereld; Zijn dood die zal blijken te
zijn: Zijn grootste geschenk aan ons. Goud, wierook en mirre, de geschenken
waarmee de wijzen tegelijk uitdrukken de adel van hun eigen hart, hun bíddend
hart en hun eigen sterfelijk mens-zijn. Hebt U gisteravond op Nederland 1 Theo Maassen
gezien? Zijn laatste conférence, "Zonder pardon" is de titel. Een mitrailleurvuur
van woorden waarin Theo zijn eigen bestaanservaring en die van zijn
landgenoten en van vooral uiteraard zijn leeftijdgenoten onder hen tot
uitdrukking brengt. Geniaal. Arrogant. Macho. Banaal. Grof. Provocerend.
Schokkend - als in deze tijd ons nog iets schokken kan ... Hij laat ook z'n
aardige kanten zien - om ze steeds weer genadeloos onderuit te halen en weg
te maaien. En hij is natuurlijk wanhopig. "Het leven is een experiment.
En ik ben zelf het proefkonijn" zegt hij. Het proefkonijn Theo Maassen
dat zichzelf aan z'n eigen haren (nou ja, die heeft hij niet; aan z'n eigen
gemillimeterde kop) omhoog tracht te trekken. Maar in wezen rent hij, Theo,
in al z'n genialiteit, steeds hetzelfde rondje, zoals een diertje in z'n
kooi, zoals een konijn in z'n rennetje. Een mens kán zichzelf niet redden.
Wij kúnnen onszelf niet redden veelgeliefden. Die redding moet van elders
komen. En dit is ons geloof: dat in Jezus Christus God
Zélf Zijn verlossende hand naar ons heeft uitgestrekt. Híj is de Redder. Híj
is de Verlosser - van Israël, van alle volken, van alle mensen. Dat is wat de
wijzen uit het oosten in Hem zien. Jezus kan mensen verlossen. Hij kan voor
ons het kooitje, het rennetje openen. Hij hééft dat feitelijk gedaan in en
door Zijn menswording en Zijn leven, in Zijn woorden en Zijn werken, in Zijn
lijden, in Zijn sterven, in Zijn verrijzenis en in Zijn Geest die Hij heeft
gegeven aan Zijn kerk, aan de mensen die samen Zijn kerk vormen, Zijn
lichaam, de gemeenschap van mensen waarvan Hij het hoofd is. Jezus hééft de
mensheid daarin en daardoor verlost. Het kooitje, het rennetje stáát open.
Maar je moet het natuurlijk wel zien. En je moet er natuurlijk wel zélf
uitlopen, de vrijheid in, de oneindige ... En hoe doe je dat dan, veelgeliefden? Hoe gaat,
in concreto, dan in z'n werk? Nou, door Jezus op te eten.
"Betlehem" betekent "huis van brood",
"broodhuis". En dát is Hij dan ook precies voor ons geworden Jezus:
brood. En wijn. "Om op te eten". Mensen zeggen dat soms over een
kind en met name over een zuigeling. Theo Maassen had het er nog over
gisteravond op de t.v. Hij is pas vader geworden. Nou veelgeliefden, Jezus
kún je dus opeten. Maar Hij gáát nooit op. Hij wordt er niet minder van als
jij Hem opeet, Hij wordt er alleen maar méér van. Want Hij zit dan ook in
jou. En Hij werkt dan ook ín en dóór en via jou. De wijzen uit het oosten geven Jezus hun
geschenken. En het weggeven aan Hem van die geschenken maakt hen niet armer.
Nee, integendeel, het maakt hen rijker. Want de Jezus die ze gevonden hebben,
niet alleen voor zichzelf, maar ook voor ons en voor alle mensen, Hij is voor
hen een onuitputtelijke rijkdom die ze gratis en voor niets krijgen. Hij
bevrijdt hun hart. En Hij maakt het vol. "Zij werden vervuld van
overgrote vreugde" zo staat er. En die vreugde zal niemand hen meer
kunnen ontnemen en ook ons niet, hopelijk. Dat wil zeggen, veelgeliefden: soms voelen we ons
niet zo. Mensen, ook christenen, kunnen zich benauwd en angstig en ook
beróófd voelen. Gisteravond nog sprak ik met een mevrouw bij wie er net was
ingebroken. Bij haar was niet iemand, een wijze of zo, goud komen
bréngen. Nee, iemand, een onbekende,
was het komen hálen - sieraden met name die ze van haar overleden man nog
heeft gehad. "Ik ben boos" zei ze. "Ik ben zó boos." Ja,
dat kunnen we ons voorstellen. Dat is heel menselijk. Ik zou het zelf denk ik
ook zijn, boos, in zo'n situatie. Maar hoe diep gaat zo'n boosheid bij ons
veelgeliefden? Niet al te diep hoop ik. Want wij hebben Jezus. Hij is ons
komen verlossen. Hij is onze Heer. Híj is onze rijkdom. En niemand neemt ons
díe af. Amen. VERKONDIGING op Nieuwjaarsdag 2010, hoogfeest van de Moeder Gods en
wereldgebedsdag voor de vrede, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van
de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: uit het boek Numeri (6, 22-27), uit de
brief aan de Galaten (4, 4-7) en uit het Lucas-evangelie (2, 16-21). 2010. Een nieuw jaar, een nieuwe preek. Tjee,
alwéér preken. Sinds het begin van het Kerstoctaaf héb ik dat reeds driemaal
uitgebreid gedaan: in de nachtmis, op eerste Kerstdag én op de zondag onder
het octaaf van Kerstmis, het feest van de Heilige Familie. En nu dus wéér.
Opnieuw worden we uitgenodigd om de blik te richten op Bethlehem, op Het Kind
in de kribbe, op de herders, op Jozef en vandaag vooral op Maria, want we
vieren op deze octaafdag, de achtste dag van Kerstmis, het hoogfeest van de
Moeder Gods. Het kan niet op. En alwéér preken. Maar wat valt er nog te
zeggen? Valt er nog iets nieuws te zeggen? Kan dit nieuwe jaar 2010 ons soms
iets nieuws nog brengen, iets dat we niet al kenden, iets dat we niet al
wisten? Al tweeduizend jaar lang wordt er in de christelijke kerken gepreekt.
Het is een oeverloze vloed van woorden die ook uit míjn mond komen. Maar wat
hebben we er aan? Waar dienen ze toe? Nog toe? Ach ja, dierbare gasten en parochianen van deze
Vredeskerk, het is zoals de heilige Teresa van Avila ergens zegt: Ik ben als
een vogel. Ik zing steeds hetzelfde lied. Maar ik móet nu eenmaal zingen.
Mijn Héer moet en wil ik bezingen. Ik kan niet anders. Het eerste e-mailtje dat ik in dit nieuwe jaar
ontving kwam van een mevrouw die pas haar man heeft verloren. Ze is van
katholieken huize, maar beschouwt zichzelf al lang niet meer als
"gelovig". Ze schreef mij nu: "Wij strompelen voort en doen
ons best. Het zou préttig zijn als iemand daarboven ons gadesloeg, ons
diepste wezen kende. Maar dat is een menselijke gedachte, voortkomend uit
onze behoefte aan troost, appellerend aan onze diepe eenzaamheid, god als
uitvinding van de mens, dat zoogdier dat de ratio aankan." Ja, bij zulke woorden moet ik denken aan wat de
onvergetelijke pater van Kilsdonk S.J., talloze jaren studentenpastor hier
ter stede; aan wat híj ooit zei: "Als ik met een ongelovig iemand praat,
dan is het net of ik mezelf hoor." Zo is het. Die woorden van die
mevrouw die net haar man verloren heeft: ze zijn woord voor woord te
begrijpen en méé te denken en méé te voelen. (...) En daar komen wíj dan aan
met onze Moeder Gods. Geloven we daar in? Is het geen geloof tegen de klippen
op? tegen echt héel veel beter weten in? Kán een zinnig mens zo'n geloof wel
vólhouden? "Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden (...)
Moge Hij zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken" - de woorden van
de aäronitische zegen uit het bijbelboek Numeri, onze eerste lezing vandaag.
Maar ís er áchter, bóven en ín onze ondermaanse werkelijkheid verborgen wel
zo'n "gelaat". Is die werkelijkheid niet ten diepste totaal kil en
gevoelloos? Dus kun je je nieuwjaarswensen niet beter beperken tot een
nuchter "Gelukkig Nieuwjaar" of "de beste wensen"? Ís die
"glans van het gelaat van de Heer die Hij over je mag spreiden"
niet in wezen overbodige versiering en loze praat? En blijven we in onze
kerken niet maar bezig met ons daarin te koesteren als in een warm bad? Maken
we onszelf en anderen niets wijs? Praten we het onszelf maar áán c.q. sméren
we het "de mensen", U, maar aan en kunnen we daar maar niet beter
zo snel mogelijk mee ophouden? Ben ik een handelaar in oud roest? Kunnen we
de tent niet beter sluiten en ons geld niet nuttiger en beter besteden? Zo denken mensen. Zo denk ik. Het zit ook in mij.
Terug nu naar Bethlehem. Terug nu naar de stal en
de kribbe, naar het Kind en Zijn Moeder. Daar zit zij, de Eeuwige Moeder. Het
blijft een prachtig en een zeer troostrijk beeld. "Geboren uit een
vrouw", ja dat zijn wij allen. Jezus vormde daarop geen uitzondering.
Maar: "God heeft Zijn Zoon gezonden" schrijft de apostel Paulus óók
in zijn Galatenbrief en dáár wringt hem de schoen, dát kunnen wij moeilijk of
gewoon níet aannemen: zo'n buitenwereldlijke, zo'n buitenmenselijke oorsprong
van een mens, van Jezus. Daar blokkeren wij. Daar stokt en staakt ons
verstand. Daar kunnen wij niet bij. Ja, dat kan voorkomen in ons leven, dat wij stilvallen,
gelukkig wel. Zodadelijk na deze toespraak gaat tot mijn grote vreugde
gezongen worden het "O suver Maeght van Israël", een Middeleeuws,
Oud-Nederlands kerstlied, zeer meditatief. Tot mijn grote verdriet zal het
maar heel gedeeltelijk gezongen worden waardoor we enkele prachtige
inhoudsrijke strofen moeten missen: bijvoorbeeld die over Jozef die, nadat
hij begrepen heeft dat Maria is bevrucht - maar niet door hem "peynsde
in sinen gronde hem waer beter gheu(v)lucht". Je zíet Jozef peinzen
"in sinen gronde", in het diepst van zichzelf. Dan, verderop in het
lied: de engel die de hérders toespreekt: "Met groter anxticheyde worden
si beu(v)aen". En dan zégt de engel: "laet v(u) gedachten
staen/ende gaet tot bethleem binnen." "Laat je gedachten
stáán". Geweldig. Een prachtige boodschap, ook in deze tijd: Laat je
gedachten staan, laat ze toch in godsnaam eens staan. Of doe als Maria, in
het evangelie van deze dag: die dacht er wél over na, over wat de herders dan
op hun beurt weer zeiden - van angstige lieden zijn zij zelf engelen of
apostelen geworden die de goede boodschap van de menswording Gods
verkondigen! Maria dacht erover na, - maar haar nadenken was een bewaren van
die woorden in haar hart zoals er óók over gezegd wordt. Woorden bewaren in
je hart als een kostbare schat. Heerlijk. Prachtig. Bij ons boven in de pastorie (en hiermee naderen
we het einde van deze toespraak hoor!); daar hangt op de w.c. de schitterende
"Münsterschwarzacher Bildkalender", een uitgave van de
Benedictijner abdij van Münsterschwarzach in Beieren[18].
Eén van de monniken daar is de beroemde Anselm Grün. Op het laatste
kalenderblad van 2009 vond ik van hem de volgende tekst die ik U graag méé
het nieuwe jaar in geef: "Voor de geestelijke traditie gebeurt het
ervaren van God bij uitstek in het zwijgen. Door te zwijgen komt niet alleen
de herrie in ons hart tot rust. Zwijgen betekent niet alleen dat ik mijn
zorgelijke gedachten en mijn ergernissen loslaat, maar ook, dat ik ophoud om
over God na te denken. De gedachten en beelden die ik heb over God zwijgen.
Alleen dan, zegt Evagrius Ponticus, zullen we God erváren. Anders blijven we
bij de gedachten over en bij de beelden van God staan en steken. Meester
Eckehart heeft deze gedachte uit het vroege monnikendom verder ontwikkeld. Voor
hem is het zwijgen het mooiste dat de mens kan doen. In de binnenkant van het
zwijgen, waar nooit een gedachte komt, waar je geen plannen maakt en niet zit
te broeden, waar je niet over andere mensen nadenkt en hen niet beoordeelt en
waar je ophoudt een waardeoordeel over jezelf te geven, dáár wordt God in ons
geboren. In het zwijgen laat je alles los. En juist dan, als jij je gedachten
over God loslaat, dan laat God zich zien als de Nabije, als degene die in ons
geboren wordt. In God ervaar ik dan wie ikzelf ten diepste ben." Aldus Anselm Grün[19]
- die spreekt vanuit de eeuwenoude traditie van het christelijk monnikendom.
God is mens geworden in Jezus. Maria is Zijn moeder. Zij is de Moeder Gods.
Daar kun je over nadenken. Je kunt zulke geloofsuitspraken bewaren in je
hart. Maar op een rijtje krijg je het nooit helemaal. Je zult er nooit
helemaal je vinger op kunnen leggen en achter kunnen krijgen. Op dit punt
kunnen we alleen maar zwijgen. Op dit punt past alleen gelovige óvergave. En
alleen zó vinden wij ons heil. Ik wens U een Zalig Nieuwjaar. Amen. VERKONDIGING op 27 december 2009, Feest van de Heilige Familie, in de
Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek Jezus Sirach (3, 2-14),
Psalm 128, uit de brief aan de Kolossenzen (3, 12-21) en uit het
Lucas-evangelie (2, 41-52). Ja, ik moet bekennen, dierbare gasten en
parochianen van deze Rozenkrans- oftwel Obrechtkerk; ik moet bekennen, het is
waar: Ik héb heimwee naar de Middeleeuwen, een tijd die reeds vér achter ons
ligt, maar waarmee we, zeker als katholieken, in de kersttijd steeds weer
nadrukkelijk geconfronteerd worden. Ik denk dan aan de vele
kerstvoorstellingen die bij wijze van kerstwensen op de deurmat vallen. Ik
denk aan de kerststal hier in de kerk en thuis. En ik denk aan de
kerstliedjes die we in elk geval in de kerk nog zingen. Op mijn MP3-speler,
ahum, staat een CD met Oud-Hollandse kerstliederen gezongen door Herman van
Veen. Daar heb ik de afgelopen week met de sneeuw in de trein en ook gisteren
nog, lopend door de historische binnenstad van Delft op weg naar mijn jongste
zus waar "de familie" zich verzamelde; vele malen heb ik daarnaar
geluisterd. Veel van onze kerstliederen en kerstvoorstellingen zijn middeleeuws
of hebben middeleeuwse wortels en ik moet dus bekennen: Ik houd daarvan, ik
heb er een "hang" naar. Waarom? Omdat die liederen en
voorstellingen een kwaliteit hebben die je, die ík in elk geval in de huidige
tijd vaak mis, een kwaliteit die ik "innig" zou willen noemen. Een
ouderwets woord, innig. Het heeft te maken met "in", met: de
binnenkant. "Innerlijk, inwendig, uit iemands binnenste" geeft het
woordenboek als omschrijvingen en ook: vroom. In die oude liederen en voorstellingen
kun je horen en zien: warme, gloedvolle liefde voor hetgeen of liever gezegd
voor dégene die wordt of degenen die wórden afgebeeld en over wie gezongen
wordt; liefde voor de pasgeboren Jezus, het "kindeke", voor Maria,
voor Jozef, voor de herders, voor de engelen. "Devotie" is een
ander, ook al zo ouderwets woord, voor die vorm van liefde. Devotie:
"toewijding, opoffering", "wij willen geven, hart en geest en
leven, venite adoremus." Je
hart, je geest, je leven géven aan en voor Jezus, Maria, Jozef enzovoort. Kom
daar maar eens om in deze tijd. Wie doet het nog? Wie waagt zich daar nog
aan? Nee, zó hóóg geacht als in het kerstlied wordt de "Maged
reine" niet meer, zo krijg je de indruk. Wie is daar nog mee bezig? Voor
wie leeft dat nog? Wie lééft er nog echt met Jezus, met Maria, met Jozef? Wie
staat met de verschillende personen die samen de Heilige Familie vormen nog
in levendige betrekking? Wie communiceert daar werkelijk mee? Nou, wij dus.
De kerkgangers, die zoeken dat op de één of andere manier denk ik. Maar
gemakkelijk kun je jezelf daarin en daarmee, met een knipoog naar het
evangelie van deze zondag, "een vreemdeling in Jeruzalem" voelen.
Eilandjes van (pogingen tot) geloof temidden van een zee van ongeloof en
onverschilligheid. Het klinkt misschien wat scherp en bitter, maar zo is toch
wel onze positie als kerk en als christenen in de huidige samenleving. Zo
beleef ík het tenminste. Wat moeten we ermee? Hoe daarmee om te gaan? Nou,
ik zou zeggen: Laten wíj het in elk geval niet óók nog opgeven. Laten wij in
elk geval het kostbare dat wij aan geloof hebben ontvangen én aan manieren om
dat geloof voor onszelf en met elkaar vorm te geven; laten wij de grote
kostbaarheid daarvan in elk geval koesteren en zo nodig opnieuw cultiveren.
Het kan zijn dat we "dingen", geloofspraktijken, zijn vergeten of
kwijtgeraakt waar je een vraagteken bij kunt zetten of dat achteraf gezien
wel zo gelukkig is geweest, ja of wijzelf er gelukkiger van geworden zijn
door bepaalde devoties met name los te laten. De regelmatige kerkgang, ook door
de week, het bidden van de rozenkrans, de aanbidding van Jezus Christus in
het Heilig Sacrament, het in gezinsverband samen zingen van kerstliederen en
ander religieus reportoire passend bij de tijd van het jaar. Ik denk
veelgeliefden: het zijn allemaal manieren om het heilig vuur in onze harten
te voeden. En ik denk: die harten van ons hebben dat ook nodig, want
gemakkelijk kunnen ze ook verkillen. Onze samenleving kan zielloos en kil
zijn. Je hebt soms het gevoel: Ik mis iets. Het hart ontbreekt. Ook binnen
een leefverband, tussen partners, binnen een gezin en een familie kan dat het
geval zijn. Op zoek dus naar dat hart, naar die ziel en naar warmte. Ik denk:
de traditie van ons geloof wijst ons daarvoor wegen aan. Met overgave
kerstliedjes zingen bijvoorbeeld, de tekst werkelijk tot je door laten
dringen en je erdoor laten meenemen zoals ook door oude en nieuwe
kerstvoorstellingen. Misschien een goed idee voor de komende zondagmiddag of
-avond: bekijk nog een keer heel aandachtig de kerstkaarten die U hebt
ontvangen: de voorstellingen er op en wat de mensen er eventueel bij hebben
geschreven. Volgens mij: als je het doet, dan warmt je hart zeker op. Vandaag vieren we het feest van de Heilige
Familie, maar wonderlijk genoeg is er in het evangelie van deze dag juist van
een beweging sprake van de familie wég. Jezus verwijdert zich van zijn ouders
of liever gezegd: zij verwijderen zich ongewild en ongeweten van Hem, want
Hij blijft achter in Jeruzalem. Hij moest in het huis van Zijn Vader zijn
zegt Hij. Dat klinkt ook nog eens behoorlijk provocerend en gemakkelijk
kunnen Maria en vooral Jozef door die woorden pijnlijk zijn geraakt.
"Zij begrepen deze uitspraak niet" zo staat er veelzeggend in onze
evangelietekst. Vervreemdt God, vervreemdt religie ons van ons soms van onze
naasten? Is het niet soms een splijtzwam in gezinnen en families?
Onmiskenbaar is dat soms het geval, ook in onze tijd. Jezus aarzelt echter
geen ogenblik. Hij wéét waar en aan wie Hij prioriteit moet en wil geven.
Voor Hem is dat: in Jeruzalem, bij Zijn Vader, God. God is op een nog dieper
en wezenlijker manier Zijn oorsprong dan Zijn aardse vader en moeder, dan
Maria en Jozef dat zijn. Bij God ligt ten diepste Zijn hart. Maar ik denk
veelgeliefden: die terugtrekkende beweging van Jezus naar God heeft óók
betekenis in de zin van: "reculer pour mieux sauter". Het is óók
een zich terugtrekken op God om vervolgens beter in het leven te staan, om
dat leven beter aan te kunnen. Wij horen hoe de twaalfjarige Jezus zich na
deze grote crisis in het contact tussen Hem en Zijn ouders, zich toch naar
hen schikte én dat Hij een wijs en volwassen man wordt, die steeds meer in de
gunst komt bij God en de mensen. Ik denk: als het goed is, als je het goed
dóet, dan werkt het inderdaad zó, dan maakt je devotie, dan maken je
godsdienstige praktijken, dan maakt het je concentreren op God je tot een
wijzer en volwassener en beminnelijker mens. Als het goed is, dan wint en
groeit ons intermenselijk verkeer en contact daardoor - op de eerste plaats
binnen het gezin, de familie of wat voor U of voor jou ook maar de binnenste
kring is waarbinnen je jezelf of U Uzelf beweegt. Paulus, in de brief aan de
Kolossenzen waaruit wij hoorden voorlezen, schrijft: "Bekleed u, als
Gods heilige en geliefde uitverkorenen, met tedere ontferming, goedheid,
nederigheid, zachtheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar (...) en
laat de vrede van Christus heersen in uw hart. (...) Zing voor God met een
dankbaar hart psalmen, hymnen en geestelijke liederen." Als het goed is,
veelgeliefden, dan ís er geen tegenstelling. Van God houden en van mensen
houden, goed met God omgaan en goed met mensen omgaan, kerstliedjes kwelen en
je hart, je geest, je leven en je bezit delen met wie je dierbaar zijn en
zelfs met wie je minder goed kent. Als het goed is, dan gaat het samen, dan
leidt het één tot het ander. Mogen wij ons ervoor inzetten. En moge het ons
ook gegeven zijn. Amen. Preek
op het feest van St. Stefanus, 26 december 2009 Wilmer Smeenk Lezingen: Hand.
6, 8-10 en 7, 54-60; en Evangelie Matt. 10,
17-20. “Heer
Jezus, ontvang mijn geest!” “Heer,
reken hun deze zonde niet aan!” Beste
mensen, gasten en parochianen, dat getuigt van een diep geloof! De eerste
uitspraak geeft weer hoe de heilige Stefanus bekend staat en stond, zoals hij
in de bijbel beschreven is, en de tweede uitspraak geeft aan dat hij wellicht
op iemand Anders lijkt, iemand Anders met een hoofdletter, wiens geboorte we
gisteren gevierd hebben. Laten
we dit eens wat verder uitdiepen. Getuigen van het
geloof, gevoed door de Geest Als
de elf apostelen, aangevuld met Matthias, het evangelie verkondigen en steeds
meer volgelingen krijgen, klaagt de bevolking, omdat ze vindt dat hun weduwen
worden verwaarloosd. Dat er niet voldoende naar hen wordt omgekeken. Om
in deze lacune te voorzien, maar het verkondigen daar niet onder te laten
lijden, vragen de apostelen de gemeenschap zeven mensen naar voren te
schuiven om de diaconale zorg avant la
lettre, op zich te nemen. Er worden zeven mannen voorgedragen en deze
worden, zoals we ook nu nog wijden, door gebed en handoplegging “gewijd” tot
protodiakens. Een van hen is Sint Stefanus. De
bedoeling is, zoals verzocht, dat deze diakens zorgen voor de weduwen en de
armen en in hun noden voorzien. Maar voor Stefanus is dat niet alles. Zoals
in de Handelingen beschreven, is hij zó vol van de Heilige Geest, dat hij ook
gaat verkondigen en grote wonderen verricht. Aan de ene kant getuigt hij dus
van zijn geloof in daden en aan de andere kant verkondigt hij de blijde
boodschap en is hij een predikheer, een prediker, een priester. De gelijkenis
met Christus is makkelijk te trekken. Ook Christus genas mensen, deed
wonderen onder de gelovigen en verkondigde aan de mensen hoe te leven. Het
verkondigen door Sint Stefanus, met name in zijn toespraak tegen de
hogepriester[20],
strijkt de mensen tegen de haren in. En wel zo, dat ze zich er behoorlijk aan
ergeren. Herkenbaar
hč? Je wordt ergens op gewezen, je vóélt dat je fout zit en wat doe je? Net als
het volk, je trekt je er niets van aan, schreeuwt en blijft volharden. Heel
herkenbaar, heel menselijk. In dat opzicht zijn wij, u en ik, net als het
volk dat Stefanus stenigt. Hij brengt de boodschap waar we niet op zitten te
wachten. En
als Stefanus het volk dan verder op hun gedrag aanspreekt, en zich in hun
ogen ook nog Godslasterlijk uitlaat (hij noemt Christus de Zoon van God), dan
wordt het hen teveel. Ze wilden eerder nog weglopen, of schreeuwen en hun
oren bedekken, want: “ze waren niet opgewassen tegen de Geest en de wijsheid
waarmee hij sprak,” maar nu gaat het verder. De enige uitweg die ze nu nog
zien, is hem het zwijgen opleggen. Ze besluiten hem te stenigen. Let
wel, dat is in die tijd, in die omgeving, helaas niet geheel ongebruikelijk. Gelukkig
volstaat in onze tijd weglopen of je omdraaien. Verkondigen als
Christus zelf “Heer, reken hun
deze zonde niet aan.” Het eerste waar
ik aan dacht, toen ik deze passage las, was Christus aan het kruis. Ook
Christus vraagt God zijn moordenaars te vergeven[21].
De parallellie tussen Stefanus en Christus wordt steeds helderder. In
de evangelielezing van vandaag, wordt, vermoedelijk voor meer nadruk of ter
verduidelijking, ook het “vol zijn” van de Heilige Geest, wat we bij Stefanus
zagen, naar voren gebracht. “Want jullie zijn het niet die spreken, maar het
is de Geest van je Vader die in jullie spreekt.” Dit is een kwestie van
vertrouwen, van geloof, van geloven dat God er voor ons is en ons niet in de
steek laat, ook niet – of misschien zelfs juist niet – op moeilijke momenten.
En dat is voor ons moeilijk, althans voor mij, daarin zijn we de
“kleingelovige”. Dit vergt oefening en overgave. En
die overgave, die heeft Sint Stefanus. En dat vertrouwen, dat geloof? Dat is
Sint Stefanus. Stefanus had dŕt vertrouwen en straalde dŕt geloof uit. Alsof
het om een Pinksterverhaal gaat, staat er: “Maar hij stond daar, vol van de
Heilige Geest”. En
Stefanus verkondigt, verkondigt wat de mensen niet willen horen. Ook hierin
lijkt hij op Christus. Overkwam
Christus niet hetzelfde? Verkondigde en deed Hij niet wat onwelgevallig was?
Waar de mensen niet op zaten te wachten? Riep Christus het volk (en dus ook
ons) niet op, om radicaal een andere kant op te gaan? En ook daarvan wilde
het volk niets weten, ze wilden Hem niet horen. Ze wilden Hem het zwijgen
opleggen. En
terug in het verhaal uit de Handelingen, merken we dat Stefanus een volhouder
is, een doorzetter: hoe minder ze willen luisteren, hoe harder hij roept! En
ook in deze tijd, ook nu vandaag, roept het voorbeeld van deze heilige ons,
om ons te richten op Christus, op de goede zaak, om de radicale keuze te
maken. Te kiezen voor dat waarvan we weten dat het het goede is. St. Stefanus
wil óók ons de goede kant op hebben. En
daar moeten we op vertrouwen, we moeten op Christus vertrouwen en hij daagt
ons daartoe uit. Als wij uitgeleverd worden aan rechtbanken, landvoogden of
koningen of ons in meer alledaagse moeilijke situaties bevinden, hoeven we
ons geen zorgen te maken over wat we zullen zeggen “Want op dat uur zal
jullie ingegeven worden wat je moet zeggen.” Dŕt is ook het vertrouwen wat
Sint Stefanus uitademt als hij gestenigd wordt en bid: “Heer Jezus, ontvang
mijn geest.” Een act van geloof. Een échte getuigenis. Laten
we ons dus openstellen voor de (goede) richting waarheen Stefanus ons roept
en laten we vertrouwen op Christus die ons niet uit het oog verliest als we
het moeilijk hebben, maar ons kent, ons steunt en ons helpt op die
(moeilijke) momenten. Moge
de heilige Stefanus ook onze voorspreker zijn bij God, opdat ook wij mogen
geloven en verkondigen zoals hij. Amen. VERKONDIGING op de Eerste Kerstdag van 2009 in de Kerk van Onze Lieve
Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (52,
7-10), uit de brief aan de Hebreeën (1, 1-6) en uit het Johannes-evangelie
(1, 1-18). "Vanuit een oneindig klein begin begon 13,7
miljard jaar geleden de expansie (het "zich uitzetten") van het
universum" zeggen de geleerden. "Die nog steeds voortgaande
expansie creëerde ruimte en tijd. (...) Een minimale fractie na het begin
expandeerde het embryonale (het nog maar nauwelijks geboren) universum
sneller dan de lichtsnelheid, van de afmetingen van een atoom tot die van een
sterrenstelsel. (...) In totaal lijken er zo'n honderd miljard (ik herhaal:
honderd miljard) sterrenstelsels te zijn. (...) Ons zónnestelsel bevindt zich
(...) in een rustige buitenwijk van de melkweg." Daarmee wordt bedoeld:
"Er zijn geen levensgevaarlijke stralingsbronnen in de buurt die op elk
moment een eind kunnen maken aan alle leven op aarde." De condities op
aarde zijn van dien aard dat het leven zoals wij dat kennen heeft kunnen
ontstaan. Dat dat leven er uit ziet zoals het er uit ziet is het resultaat
van een veelheid van op elkaar inwerkende factoren. Het leven op aarde had er
ook heel anders uit kunnen zien. Wijzelf met name, de mensen, hadden er ook
helemaal niet kunnen zijn. En of de aarde temidden van die honderd miljard
sterrenstelsels de enige planeet is waar leven mogelijk is? Míj lijkt dat
onwaarschijnlijk ... Deze wetenschappelijke bevindingen en de
theorieën die ermee samenhangen[22],
dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, doen
een mens gemakkelijk duizelen. Het is indrukwekkend. Net zó indrukwekkend zijn de eerste zinnen van
het Johannes-evangelie die ik U zodadelijk voorlas: "In het begin was
het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin
bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat
geworden is. In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen."
Met dat "Woord" bedoelt Johannes: de mens Jezus van Nazareth van
wie wij jaarlijks met Kerstmis de geboorte vieren. In Hem, beweert Johannes,
is iets, is iemand met eeuwigheidswaarde aan het licht gekomen. Het contrast, veelgeliefden, kán bijna niet
groter zijn. Aan de ene kant heb je onze wetenschappers die zeggen: Het begin
van ons universum, van onze aarde en van het leven op aarde is een zielloze
chemische reactie en alles is toeval. Aan de andere kant staat dan onze
Johannes die naar Jezus wijst en ons zegt: Híj staat aan de oorsprong en Híj
is het hoogtepunt en het doel van alles. In Johannes' eigen woorden:
"Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren God die in de schoot van
de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen." Of, om het met de woorden van
de brief aan de Hebreeën (de tweede lezing vandaag) te zeggen: "Hij is
de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen." Aan het begin van de viering, afgelopen nacht,
van de nachtmis in de Sint-Pieter in Rome is paus Benedictus XVI door een
mevrouw omvergegooid. Gelukkig is de paus heel gebleven en heeft hij gewoon
in de viering van de nachtmis kunnen voorgaan, maar toch ... Je zou deze
gebeurtenis in dit verband wél kunnen zien als een symbolische gebeurtenis.
De waarheid van het christelijk geloof zoals die gepresenteerd wordt in en
vanuit onze kerk, op de eerste plaats ook door de paus, die waarheid "is
moeilijk staande te houden". Er wordt op afgegeven en tegenaan gebeukt.
Men wil en kan die vaak niet horen. Hoofd én hart van mensen kunnen ertegen
in opstand komen. Johannes schrijft: "Het ware licht dat iedere mens
verlicht kwam in de wereld. Hij was in de wereld; de wereld was door Hem
geworden, en toch kende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de
zijnen aanvaardden Hem niet." Sluiten die twee waarheden, de wetenschappelijke
waarheid over bijvoorbeeld het ontstaan van de kosmos én de gelovige waarheid
in verband met Jezus Christus; sluiten die twee vormen van waarheid elkaar
uit? Voor onze Kerk in elk geval niet. Want: de waarheid kán niet met
zichzelf in strijd zijn. Er kúnnen ten diepste geen twee of meer
concurrerende vormen van waarheid zijn. Want dan zou waarheid ophouden
waarheid te zijn. De waarheid van het geloof moet derhalve altijd samen
kunnen worden gedacht met die van de wetenschap. Wat we kunnen horen en zien, wat we kunnen
ervaren, voelen en begrijpen in en door onze gelovige omgang met Jezus
Christus, dat "kleurt" onze blik op doorslaggevende wijze, dat
maakt voor ons alles anders, tegen alles kunnen we aankijken vanuit Hem en
met het oog op Hem. In de veelheid van woorden temidden waarvan wij leven, en
hoe nietszeggend en kil kunnen die woorden niet zijn; temidden van al die
woorden zijn die van Hem, van Jezus, warm, zuiver, écht en puur. Hij is voor
ons de essentie van elk woord. Zijn woord valt samen met Zijn persoon. Zijn
woord is vlees en bloed. Hij heeft het geleefd. Zijn leven en Zijn persoon
geven ons daardoor licht. In elk licht kunnen we Hem dan ook herkennen: in
het zachte licht van kaarsen én in het röntgenlicht dat alles onthult wat onder
de opppervlakte van onze huid en van ons leven verborgen is. Die hele
expansie van het heelal, de hele evolutie van het leven op aarde, de hele
geschiedenis: in Jezus Christus vindt die hele ontwikkeling haar hoogtepunt.
Zó mogen wij wat Johannes de evangelist ons wil zeggen wel uitleggen denk ik.
Hij is het hart van de geschiedenis, óók van de geschiedenis ná Zijn dood en
verrijzenis. Temidden van die honderd miljard sterrenstelsels is Hij het
warme kloppende hart. Moge dat hart, veelgeliefden, het onze zijn. Mogen wij
erin geborgen zijn. Ik wens U een Zalig Kerstmis. Amen. VERKONDIGING in de Kerstnacht van 2009 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw
Koningin van de Vrede te Amsterdam door pastor Pierre Valkering Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (9,
1-6), uit de brief aan Titus (2, 11-14) en uit het Lucas-evangelie (2, 1-14). "Het is klaar. Het is echt klaar. Wij
trekken onze handen ervan af. Ik heb het gehad" - zegt de moeder van
Laura, "het zeilmeisje", 14 jaar oud. Ze heeft zich in haar hoofd
gehaald om in haar eentje rond de wereld te zeilen. In dat kader onttrok ze
zich onlangs aan het toezicht door het Buro Jeugdzorg door naar Sint-Maarten
te vliegen, één van de Bovenwindse Eilanden, in het Caraďbisch gebied. Naar
verluidt was het om een zeilboot te kopen. Maar de rechtbank heeft bepaald
dat Laura toch bij haar vader mag blijven wonen. En dat is voor Laura's
moeder, die de wereldzeilreis helemaal niet ziet zitten, reden om nu alle
banden met haar dochter en haar ex-man door te snijden: "Het is klaar.
Het is echt klaar. Wij trekken onze handen ervan af. Ik heb het gehad." Oorlog in de familie, vlak voor Kerst. Grondig
bedorven verhoudingen. De luikjes gaan dicht. Het zit muurvast. Mensen kunnen
niet meer verder met elkaar. Denk bijvoorbeeld ook even, een maand of wat
geleden, aan de burgemeester van Huizen en z'n wethouders. Er was onderling
"geen chemie" zo werd gezegd. De burgemeester is op wachtgeld
gegaan. Gelukkig voor hem is dat zeer royaal, dat wachtgeld. Hij zal vooralsnog
geen beroep hoeven doen op de voedselbank, maar toch ... "geen
chemie" - het is een bittere conclusie als dat gezegd wordt over
verhoudingen tussen mensen. Je hoort de term nogal eens de laatste tijd. Soms
zie je dingen gebeuren tussen mensen en ook in je eigen leven dat je het je
af kunt vragen: Is dít het nu? Heb ík er nu ook mee te maken? Is het gewoon
"geen chemie" wat hier speelt? Chemie, dierbare gasten en
parochianen van deze Vredeskerk; chemie is zoals bekend een kwestie van
verbindingen. Chemische stoffen, uiteenlopend van samenstelling, reagéren op
elkaar. Daar komt iets uit. Er komt iets goeds uit, iets nieuws waar we mee
verder kunnen en waar we wat aan hebben, waar we betere verf of beter
medicijnen mee kunnen maken, goede chemie ...! Maar het kan ook mis gaan. En
het kan ook doodslaan. Dat is dan slechte chemie. Mensen met hun gezicht, met
hun stem, met hun persoonlijkheid, met hun ideeën en wat ze verder in hun
hoofd hebben, mensen en de sfeer die ze met zich meebrengen, mensen lijken in
die zin op chemische stoffen. Het werkt, het stróómt tussen mensen. Dan is er
chemie. Of het gaat moeizaam of zelfs helemaal niet. Dan is er geen chemie of
is er slechte chemie tussen mensen. Wij zijn hier, veelgeliefden, bijeen in het
donker. Als we al ons kunstlicht even wegdenken, dan is het donker,
aardedonker. En zó kan ons leven zijn. De profeet Jesaja die wij hoorden
spreken in de eerste lezing van deze nacht, spreekt over een "volk dat
ronddwaalt in het donker" en over "hen die wonen in een land vol
duisternis". Nou, veelgeliefden, vul maar in zou ik zeggen: Met welke
duisternis en met welke donkere gegevens heb jij in je leven te maken en
hebben wij met z'n allen te maken? Ik denk: bijna altijd gaat het om
omstandigheden van géén of slechte chemie tussen mensen: in de familie, met
de buren, tussen collega's, in de kerk en tussen mensen met verschillende
ethnische en culturele achtergronden of mensen van verschillend geloof:
bijvoorbeeld trampersoneel met een hoofddoek óf met een groot kruis op de
borst. Het is nacht, veelgeliefden. Duisternis,
"geen chemie", is er overal in onze wereld. Maar deze nacht is de
Kerstnacht. In deze nacht ontvangen wij in onze duisternis licht. "Het
volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen
in een land vol duisternis gaat een stralend licht op." Jesaja spreekt
over vreugde: "Uitbundig laat U hen juichen en U overstelpt hen met
vreugde; zij verheugen zich voor uw aanschijn ... Want een kind wordt
geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders;
men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig,
vredevorst. Groot is de macht en eindeloos de vrede ... hij zal het stichten
en onderhouden door recht en gerechtigheid vanaf nu en voor altijd. De
geestdriftige liefde van de Heer van de machten zal dit teweegbrengen."
Aldus de profetie van Jesaja. Jesaja in zijn dagen, in de achtste eeuw voor
Christus, voorspelde het: dat zó iemand als hij beschrijft, die hij in zijn
visioen heeft gezien, ooit geboren zal worden. En wij mogen geloven
veelgeliefden, dat Jesaja's visioen vervuld ís in de geboorte, in het leven,
in de werkzaamheid, in het lijden, het sterven, in de verrijzenis en in de
Geest van Jezus van Nazareth. De evangelist Lucas heeft ons Jezus' geboorteverhaal
geschonken. Ook in dat verhaal is er, precies als bij Jesaja, sprake van
vreugde, grote vreugde zelfs: gaudium
magnum in het latijn. "Grote vreugde voor het hele volk", dát
is wat Jezus' geboorte betekent. De "herders, die in het veld
overnachtten om de wacht te houden bij hun kudde" zagen een engel die
hen het bericht van Jezus' geboorte bracht en die hen die vreugde aanzegde en
"plotseling was er bij de engel een heel leger uit de hemel" om het
te bevestigen. Dit alles stelt allerlei indringende vragen aan
óns veelgeliefden: Herkennen wij ons in die herders? Herken jij
jezelf er in? Hoe gaat het met jou en jouw kudde? Wat ís jouw kudde? Waaruit
bestaat die. Voor wie, voor wat zorg jíj? Voor wie of wat mág jij zorgen? Is het
een huis? Zijn het spullen? Zijn het mensen? En zo ja, welke mensen? Zijn het
oude mensen of jonge mensen? Zijn het je ouders? Zijn het je kinderen? Of is
het je partner? Is het een vriend, is het een vriendin? Of is het vooral een
dier waar jij voor zorgt; een poes, een hond, een paard, een schaap of een
ezel? Of zijn het geiten - dan heb je een droevige Kerst dit jaar als je
geiten hebt ... Voor wie of wat mag jíj zorgen? Of ben jij in je zorg
gefrustreerd zoals de moeder van Laura het zeilmeisje? En dan: Wat betekent voor jou, binnen jouw
levensomstandigheden; wat betekent voor jou met je kudde; wat betekent
daarvoor de geboorte van Jezus? Die vreugde waarover Jesaja en waarover bij
monde van Lucas de engel spreekt en waarin dat hele leger van engelen uit de
hemel hem of haar bijvalt - kun jij die vreugde een beetje meevoelen? En kun
je die een beetje meemáken? Kun je die vreugde krijgen, kun je die ontvangen?
En kun je vervolgens in die vreugde een actief aandeel hebben? Krijgt de
vreugde vanwege Jezus die ons van Godswege door de engel wordt aangezegd,
krijgt die vreugde een beetje vat op jou, kun je jezelf daarvoor openstellen
en voel je die vreugde vervolgens in je varen en ben jij vervolgens een mens
die de feestvreugde verhoogt? Of probeer je dat wel maar lukt het niet? Of is
en blijft de lijn, dat lijntje naar boven; blijft dat dood? Staat er géén
stroom op? Gaat de vreugde vanwege Jezus' geboorte in wezen toch langs je
heen en deel je er níet in? Als dat laatste het geval is, hoe is dat dan voor
je? Betreur je dat dan? Doet het je verdriet zelfs omdat je er wél naar
verlangt? Of kan het je niet schelen omdat die hele Jezus enzovoort je
eigenlijk helemaal niet interesseert? Hoe zou ene Jezus die tweeduizend jaar terug
leefde mij hier en nu in deze tijd blij kunnen maken? Wat heeft Laura het
zeilmeisje aan Hem? Wat heeft haar moeder aan Hem? Wat heeft haar vader aan
Hem? Wat heb ik aan Hem? Wat kúnnen we aan Hem hebben als wij ons tenminste
werkelijk in Hem verdiepen en Hem werkelijk de kans geven om tot ons door te
dringen? Ach ja mensen, wat zal ik zeggen ... ?
"Jezus" die naam betekent: "God redt". In Jezus Christus,
in wat wij in de bijbel over en van Hem horen als verpersoonlijking van het
geloof van Israël, als mens in wie God zelf vlees en bloed geworden is, in
Hem is God reddend aanwezig. In hoe wij in de Kerk met Jezus omgaan, in hoe
wij Hem ontvangen in de sacramenten, bovenal in het sacrament van het Lichaam
en Bloed des Heren dat wij ook zodadelijk in deze Kerstnacht weer zullen
mogen ontvangen, daarin is God reddend voor mij aanwezig. Als ik zodadelijk
voor U in de miskelk een beetje water bij de wijn zal doen, dan zal ik, in
stilte of hardop, uitspreken de woorden: "Water en wijn worden één, Gij
deelt ons mens-zijn en neemt ons op in uw goddelijk leven." Dát is de
chemie van de Kerstnacht veelgeliefden. Dát is de chemie van het christelijk
geloof en van de Katholieke Kerk. De term "géén chemie" en wat er
mee wil worden uitgedrukt, de overtuiging, ja het gelóóf eigenlijk dat er met
sommige mensen gewoon niet te werken en niet te leven valt, die term en die
overtuiging casu quo dat geloof die
passen helemaal niet bij het
chrístelijk geloof en bij de Katholieke Kerk. Water en wijn worden één. In
Jezus wil God, als de wijn, zich met elk van ons, als het water, verbinden.
In Jezus is Hij er voor ons allen en neemt Hij ons allen áán en in Zich op.
God geeft niemand op. God schrijft niemand af. Voor, bij en in God is altijd
een nieuw begin, een nieuwe geboorte mogelijk. In Jezus van Nazareth, heden
geboren, reikt Hij elk van ons Zijn reddende hand - opdat ook wij elkaar ten
diepste nooit afschrijven en opgeven en altijd bereid blijven elkaar opnieuw
de hand te reiken. Met Pinksteren, als wij vieren het feest van Jezus' Geest
die dezelfde is als die van de Vader en die Hij over de Kerk en alle
gelovigen heeft uitgestort, dan zingen we altijd: Lava quod est sordidum, Riga quod est aridum, Sana quod est saucium. Flecte quod est rigidum, Fove quod est frigidum, Rege quod est devium.
En dat betekent: Was (wat) wie vuil is geworden,
bevochtig (wat) wie is verdroogd, genees (wat) wie gewond is. Buig (wat) wie
stram, rigide is, verwarm (wat) wie koud is geworden, wijs opnieuw de weg
(wat) wie de weg is kwijtgeraakt. Jezus, God, hun beider Geest, redt. We hebben het
huis gereinigd. We hebben het huis versierd. Er staan bloemen. De kerstboom
staat. Lichtjes branden. We hebben de stal met de beeldjes weer tevoorschijn
gehaald en neergezet. De viering van het hoogfeest van Christus' geboorte,
"de geestdriftige liefde van de Heer van de machten" heeft ons
daartoe geďnspireerd. Een nieuw begin. Nieuwe hoop. We geven Hem en we geven
elkaar niet op. Nooit. Met iedereen valt op de één of andere altijd te leven
en te werken. Kwestie van de goede chemie. God schenkt ons die in Jezus -
voor alle omstandigheden van ons leven en voor alle mensen met wie wij te
maken hebben of te maken krijgen. Ik wens U allen een Zalig Kerstmis. Amen. OVER DE
KELKCOMMUNIE Op de laatste avond van Zijn leven heeft Jezus
van Nazareth, de Zoon van God, brood en wijn genomen en tegen Zijn leerlingen
gezegd "dit is mijn lichaam", "dit is mijn bloed" en
heeft Hij hen gevraagd om voortaan brood en wijn te eten en te drinken tot
Zijn gedachtenis. Om verschillende redenen is gedurende vele eeuwen
deelname aan de kelkcommunie (het drinken van de wijn, het Bloed des Heren)
door "het volk" niet gebruikelijk geweest en voorbehouden geraakt
aan met name de priesters. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965),
gedreven door het verlangen om de katholieke liturgie zoveel mogelijk vorm te
geven conform het verlangen van de Heer zelf en naar de wijze waarop deze
liturgie gevierd is in de Kerk tijdens de eerste eeuwen van haar bestaan,
heeft de mogelijkheid van deelname van "het volk" aan de kelkcommunie
willen verruimen. In Nederland en zeker ook in Amsterdam is men in vele
katholieke kerken van de verruiming van deze mogelijkheid tot kelkcommunie
door "het volk" gebruik gaan maken. De wijze waarop men deze
kelkcommunie vorm is gaan geven was veelal middels het zogenaamde
"indopen": Men ontvangt van de priester of een hem assisterende
leek het communiebrood en men doopt dit zelf ín in de kelk met communiewijn
die voorgehouden wordt door priester of leek. Aldus was reeds de situatie
toen ik in de zomer van 1994 pastor werd van de Amsterdamse r.k. Vredeskerk
(Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede). Tientallen jaren is de beschreven
wijze van communiceren in deze kerk met toewijding en respect gepraktizeerd,
eigenlijk tot bijna ieders tevredenheid in mijn beleving. De kerkleiding (paus en bisschoppen) is (zijn)
echter niet gelukkig met de beschreven wijze van kelkcommunie. Men stelt: de
communie, brood en wijn, behoort te worden ontvangen. Men wordt niet geacht
zelf "te nemen" - hetgeen in de beschreven wijze van kelkcommunie
wél zou gebeuren. Een weinig drinken uit de aangereikte beker/kelk is als
wijze van communiceren daarentegen wél geoorloofd. Er is dan ook geen kans
dat druppels wijn, Bloed des Heren, van het ingedoopte communiebrood vallen
eventueel. Ik ben van mening dat in deze hele materie het
hart van de zaak, namelijk de levende aanwezigheid van de Heer Jezus zelf die
ons in brood en wijn Zijn Lichaam én Bloed geschonken heeft, overschaduwd
wordt, in de publiciteit maar soms ook in de beleving van de gelovigen, door
deze naar mijn mening betrekkelijk arbitraire kerkelijke regelgeving. Immers:
de beker waaruit men drinkt wordt toch óók aangereikt en men moet er zélf de
lippen aan brengen. Ik betreur het in hoge mate als de aandacht voor de
precieze vorm van het communiceren die voor de inhoud ervan, die de Heer zelf
is, verdringt en vraag mij zelfs af of hier ook niet van toepassing is wat de
Heer zegt in het achtste vers van het zevende hoofdstuk van het
Marcus-evangelie: "De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van
mensen houdt u vast." (De Nieuwe Bijbelvertaling). De kerkleiding echter
urgeert om de haar moverende redenen, zoals uiteengezet, en ingegeven
uiteraard ook door het verlangen én de overtuiging aldus de Heer recht te
doen, in toenemende mate een verbod op "indopen". Toen mij vorig
jaar naast de leiding van de Vredesparochie eveneens die van de
Rozenkransparochie te Amsterdam werd toevertrouwd achtte ik het moment
gekomen om de wijze van communiceren in de Vredesparochie in de door de
kerkleiding gewenste zin te wijzigen omdat "de Kerk nu eenmaal niet van
mij is", ik de kerkleiding ook erken in haar verantwoordelijkheid in
deze en ik collega's waarvan wij in de gewijzigde omstandigheden (met twee
parochies) méér afhankelijk worden niet wil opzadelen met een wijze van
communiceren die niet juist wordt geacht. Sindsdien (juni 2008) is het in de
Vredeskerk dus nog slechts toegestaan om te drinken uit de beker. Wij kunnen
garanderen dat zulks op verantwoorde wijze geschiedt. Maar de kelkcommunie is
uiteraard niet verplicht. Men kan er ook voor kiezen om slechts te
communiceren door het geconsacreerde brood. De Kerk leert dat ook dit een
volwaardige communie is. Bijna een jaar nádat deze verandering is doorgevoerd
(mei 2009), heeft op een zondag een consultatie van de kerkgangers
plaatsgevonden over deze hele materie. Een aantal kerkgangers bleek er
voorstander van te zijn om de kelkcommunie maar geheel af te schaffen, een
niet onaanzienlijke minderheid wil graag de mogelijkheid behouden om onder
beide gedaantes te communiceren. Ik heb toegezegd om op basis van de
uitkomsten van dit gesprek een definitieve beslissing over de zaak te nemen.
Inmiddels lijkt de parochie als geheel tamelijk gewend aan de nieuwe gang van
zaken en wordt er door sommigen wel, door anderen niet uit de kelk gedronken. In de media is de laatste tijd nadrukkelijk de
kwestie van de hygiëne van de kelkcommunie aan de orde gesteld, met name in
verband met de dreiging van de Mexicaanse griep. Een dokter schreef mij in
dit verband: "In ben ervan overtuigd dat een griepepidemie niet
opgestuwd zal worden door het gezamenlijk uit een beker drinken". Verder
verwijs ik voor deze kwestie graag naar de evenwichtige bespreking ervan op
de website http://kattekliek.wordpress.com (thema: Griepangst en eerbied voor
de Eucharistie) pastor
Pierre Valkering, Amsterdam, 7
september 2009 |
[1] Thomas a Kempis, De navolging van Christus in jonge taal. Hertaald door Mink de Vries, ('s hertogenbosch/Mechelen) 2008, p. 14-15.
[2] There's nothing
you can do that can't be done. (...)There's nothing you can made that can't be
made. (...) There's nothing that you can know that isn't known. Nothing you can
see that isn't shown. (John
Lennon, 1967).
[3] Het begin van deze preek is ontleend aan de roman Noi van Walter Veltroni (RCS Libri, Milano, 2009), p. 262.
[4] In Nieuwe tijden, nieuwe wegen. Beleidsnota Bisdom Haarlem (2004), p. 3.
[5] Lucas 2, 19.
[6] Lucas 11, 1.
[7] Aldus senator Pol Van Den Driessche in een interview in De Morgen van 24 april 2010: "De gedachte - onvoorstelbaar en afschuwelijk". Ook te lezen op het internet: www.demorgen.be/dm/nl/2461/2010.
[8] 10, 18.
[9] NRC-Handelsblad 3-4 april 2010, voorpagina.
[10] Joep Dohmen, "De broeder kon
alles doen", in: NRC-Handelsblad van
10 maart 2010, voorpagina.
[11] Joh. 3, 21
[12] maart 2010, p. 12-15.
[13] 8, 22.
[14] Amsterdam, uitg. De Bezige Bij (2010).
[15] Gerard van Westerloo, De pater en het meisje. Amsterdam (De Bezige Bij), 2010.
[16] in NRC Handelsblad van 13 febrauari 2010 in de bijlage Opinie & debat (p. 10-11).
[17] Uit de hymne voor de metten van Epifanie in het Getijdenboek. Brussel/Zeist (1990), p. 738.
[18] Te bestellen bij de Vier-Türme GmbH, Verlag. 97359 Münsterschwarzach Abtei. Tel. 00-49932420-292. info@vier-turme.de www.vier-tuerme-verlag.de
[19] Als bron van de woorden geeft de kalender: P. Anselm Grün OSB, Wenn du Gott erfahren willst, öffne deine Sinne. Vier-Türme-Verlag, Münsterschwarzach 2000, p. 53. De vertaling hier is van mij.
[20] Vgl. Handelingen, hfdst. 7.
[21] Vgl. Lc. 23, 34.
[22] en ik ontleen deze aan een fantastische reeks op CD onder
de titel "Geschiedenis in het groot" uitgegeven hoorcolleges door
Maarten van Rossem (M. van Rossem, Geschiedenis
in het groot. Een hoorcollege over de wereldgeschiedenis, van de Big Bang tot
het heden. Home Academy Publishers, Den Haag (2007). De gegeven citaten
komen uit de bijgeleverde synopsis (p. 9).