Vredeskerk

Home  |   Vieringen  |   |  Algemeen  |  Geschiedenis |  Pastor Valkering  |  Gebeden  |  Koren  |   Links  |  Contact

Archief

VERKONDIGING op 7 maart 2010, de derde zondag van de Veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Exodus ((3, 1-15), Psalm xx, uit de eerste brief aan de christenen van Korinthe (10, 1-6) en uit het Lucas-evangelie (13, 1-9).

 

"Het is (...) moeilijk om nu rooms te zijn" - verzucht Kees de Wijs, gedurende 37 jaar als dirigent en organist verbonden aan deze kerk, in het pasverschenen nummer van Z.O.Z. Zie Oud Zuid. Dé wijkglossy van Oud Zuid! waarvoor hij en zijn vrouw Willemien werden geïnterviewd[1].

 

"Het is (...) moeilijk om nu rooms te zijn". Ja, geef Kees eens ongelijk. Je kunt de t.v. niet aanzetten en de krant niet openslaan of de verhalen over seksueel misbruik door priesters vliegen je om de oren. Het houdt niet op. Jezus heeft het in het evangelie van deze derde zondag in de Veertigdagentijd over de Siloam-toren die is ingestort. Achttien mensen zijn daarbij om het leven gekomen. In figuurlijke zin lijkt onze hele Roomse kerk wel in te storten dezer dagen. We worden min of meer failliet verklaard. In een aantal patershuizen, kloosters en pastoriën heeft deze of gene het ongetwijfeld benauwd of wordt vermorzeld onder de brokstukken van een ineenstortende reputatie.

 

Het scheepje van Sint-Petrus is in zwaar weer terechtgekomen. De kerk is en wordt getroffen door onheil. Het is als een natuurramp, maar deze ramp is door mensen veroorzaakt. Wie heeft er schuld? Als er een ramp gebeurt is dat altijd zo'n beetje de eerste vraag: Wie heeft er schuld? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Als het om een aardbeving gaat (L'Aquila - Italië, Haïti, Chili), dan wijst men al gauw naar bouwondernemingen die niet deugdelijk gebouwd hebben en naar de overheid die de regels voor de bouw niet goed heeft gehandhaafd en die nu ook weer tekort schiet wat betreft de hulpverlening aan de getroffenen. En nu in verband met de kerk zijn het uiteraard de plegers van het misbruik zelf naar wie men wijst, naar bisschoppen en andere kerkelijke overheden, naar het celibaat en naar heel de kerkelijke organisatie eigenlijk die niet zou deugen en verrot zou zijn. Nee, het valt op het moment inderdaad niet mee om rooms te zijn en zeker niet om de priesterboord te dragen. In verband met die Siloam-toren vraagt Jezus: "denkt u dat zij schuldiger zijn geweest dan alle andere inwoners van Jeruzalem?" Zijn antwoord is klip en klaar: "Geen sprake van!"

 

En zo is het natuurlijk inderdaad veelgeliefden: Het is niet gezegd dat degenen die níet in de schijnwerpers van de ramp staan, die níet zijn getroffen, die de dans zijn ontsprongen, dat op hen niets zou zijn aan te merken en dat zij vrijuit gaan. En omgekeerd: zij die de pineut zijn en die ten onder gaan, zij zijn niet per se slechter, in alle opzichten, dan de andere mensen die in de luwte, van de publiciteit en anderszins, blijven. "De hele schepping kreunt en lijdt onder barensweeën" schrijft Paulus in de Romeinenbrief[2]. De aarde schokt. En ook in de samenleving en in de kerk zijn er dat soort schokken, is er pijn omdat er altijd beweging in zit. Wij staan met z'n allen niet stil. Zoals het goede, geven mensen ook het kwaad aan elkaar door. We worden ermee opgezadeld en we zadelen er anderen weer mee op. Er is een interactie. Elke mens is zelf verantwoordelijk voor zijn en haar doen en laten. Maar iedereen is óók het produkt van ouders en van de religieuze en andere voorstellingen en ideeën die in een samenleving leven. En elk leven en elke samenleving brengt z'n eigen ondeugden voort. Op lichamelijkheid en seksualiteit rustte vroeger vanwege de kerk een groot taboe zegt men. Over dat alles lag de doem van de zonde. Inmiddels is in de samenleving het deksel wat dit betreft duidelijk van de pot, zijn lichamelijkheid en seksualiteit "vrij" en vaak, zeg maar, "in de uitverkoop": Overal wordt in het volle licht alles getoond en kunnen mensen op dat vlak ook duidelijk de weg kwijtraken. En díe samenleving klaagt nu de paters en de priesters aan, zodanig dat het idee van seksueel misbruik wat hen betreft bijna beeldbepalend lijkt te zijn geworden. Ik denk: laat die samenleving, laten mensen daarbinnen, laten de journalisten die, ook die van "de kwaliteitskrant", soms érg hoog van de toren kunnen blazen en die in hun berichtgeving de zorgvuldigheid gemakkelijk uit het oog kunnen verliezen en die ook een sfeer van sensatie kunnen creëren waarin mensen kunnen gaan zwelgen; laat die samenleving, allen die er deel van uitmaken, bijvoorbeeld ook de journalisten; laat men ook naar zichzelf kijken ...    

 

De normen van vroeger en de normen van nu. Zie er je weg maar in te vinden. Lichamelijkheid en seksualiteit, zie er binnen de context van je eigen leven maar eens goed vorm aan te geven. Dat is niet altijd zo'n eenvoudige zaak denk ik. "Als u zich niet bekeert, zult u allemaal, net als zij, omkomen" zegt Jezus. Met andere woorden: al het onheil dat gebeurt en dat wordt aangericht, bijvoorbeeld op het vlak van seksueel misbruik, mag voor ons een aanleiding zijn om ons eigen hart te onderzoeken en eventueel te reinigen. "Verbeter de wereld, begin bij jezelf". De spreuk van de Bond Zonder Naam blíjft ijzersterk.

 

Soms kan een mens zich zo ontmoedigd voelen dat hij of zij geneigd is om het geloof, de kerk of wat of wie dan ook maar op te geven. Wij kunnen geneigd zijn om elkáár op te geven. Hak de vijgenboom maar om! Het is over. Ik laat me uitschrijven. Ik geloof niet meer. We hebben gehoord hoe Jezus ervoor pleit daar toch voorzichtig mee te zijn en om de grond rond de boom toch nog eerst nog maar eens om te spitten en te bemesten. Wie weet kan het toch opnieuw nog weer wat worden met de Kerk, met de mensen, met U, met mij. Misschien is het mogelijk om het vuur van Gods Heilige Aanwezigheid weer op nieuwe wijze te gaan ervaren. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 28 februari 2010, de tweede zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesia (15, 5-18), uit de brief aan de Filippenzen (3, 17-4,1) en uit het Lucas-evangelie (9, 28-36).

 

"Ik ga zondag naar de kerk, ga je mee?" schreef mij afgelopen week per e-mail een vriendin, ex-katholiek. Eigenlijk opgetogen, want de wonderen zijn de wereld nog niet uit, maar toch ook al rekening houdend met een addertje onder het gras schreef ik terug: "Ik val van m'n geloof! Als 't naar de Vredeskerk in Amsterdam is: ja! (ik heb dus dienst)", waarop weer als antwoord kwam: "Neeeee (met vijf "e" 's) ....... naar 's Hertogenbosch en dan laat ik me zo'n roze driehoekje opspelden."

 

U weet het, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: Leiden is weer in last of liever gezegd, de hele natie staat bijkans weer op z'n achterste benen omdat twee weken geleden in het Noord-Brabantse Reusel de pastoor van de parochie tegen de prins-carnaval van het plaatsje heeft gezegd, dat hij in de carnavalsmis niet ter communie mocht gaan omdat hij samenleeft met een vriend. De bisschop van Den Bosch steunt de pastoor in dat oordeel en daarom zit de Sint-Jan in de Brabantse hoofdstad op ditzelfde moment vol met homoseksuele mannen en vrouwen en sympathisanten zoals de voorzitster van de Partij van de Arbeid. Uit protest. Vanwege de discriminatie. En er zal om die reden in de mis vandaag geen communie worden uitgereikt heeft men al laten weten.

 

Wat één en ander extra wrang maakt is dat juist in de afgelopen weken er weer vele berichten zijn geweest over priesterlijk seksueel misbruik van minderjarigen, óók in Nederland. Meestal gaat het om misbruik dat al tamelijk lang geleden heeft plaatsgevonden, maar toch ... De journalist Gerard van Westerloo heeft een boekje geschreven met als titel De pater en het meisje[3] over seksueel misbruik, rond 1960, door een pater Marist van zijn zus Tineke, een dame van in de zeventig nu. Dat misbruik heeft zich afgespeeld binnen onze parochie. De broeders van Huijbergen, die de jongensscholen van de parochie bestierden en het destijds bekende jongenskoor leidden, hebben op dit vlak ook géén onbevlekt blazoen, zo blijkt in dat boekje. Ja, dierbare gasten en parochianen, we staan er als kerk weer eens gekleurd op: Enerzijds zo'n lieve jongen als de prins-carnaval van Reusel, 23 jaar oud, die de stem van z'n lichaam en van z'n hart volgt, de maat meten en anderzijds kerkelijke bedienaren die zich schuldig maken aan het "weerzinwekkende misdaad", om paus Benedictus te citeren, van kindermisbruik. Maar de kerkleiding heeft zélf boter op 't hoofd omdat men meestal volstrekt inadequaat heeft gereageerd op situaties van misbruik die aan diezelfde kerkleiding werden voorgelegd. Misbruikplegers werden veelal overgeplaatst en begonnen op de nieuwe plek soms/veelal opnieuw.

 

Wat moeten we ermee?

 

Gistermorgen hadden we in de andere parochie een vergadering over de viering van de zondagsliturgie. Geen eenvoudig onderwerp. De ideeën die mensen daarover hebben kunnen nogal verschillen en dat kan tot veel opwinding leiden. Tegen het eind van de vergadering zei een oude, maar heel wakkere en montere dame: "Ik denk: als Jezus hier toch eens bij ons naar binnen zou kunnen komen. Wat zou Hij er dan van vinden?" Een hartekreet. Woorden van goud uit een hart van goud. Ik heb die dame met haar woorden gecomplimenteerd en haar gezegd: "Mét dat je dit zegt gebéurt het ook en kómt Jezus binnen." Ja dat geloof ik. En ik citeer haar woorden nu ook vandaag in verband met dat probleem van die communieweigering enerzijds en dat priesterlijk seksueel misbruik en medeplichtige kerkelijke autoriteiten anderzijds. Kwam Jezus hier nou maar binnen. En: wat zou Hij er van vinden en van zeggen?"

 

We hebben over Jezus net gehoord in Paulus' brief aan de Filippenzen: "Broeders en zusters", zo schrijft hij, "volg mijn voorbeeld en kijk naar hen die zich gedragen naar het voorbeeld dat wij u gegeven hebben. Want velen leiden een leven - ik heb u al vaak over hen gesproken maar nu herhaal ik het onder tranen - als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is hun ondergang, hun god is hun buik, ze stellen hun eer in schande, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse. Maar óns vaderland is in de hemel, vanwaar wij ook onze redder verwachten, de Heer Jezus Christus." Paulus durft! Hij durft zichzelf en mensen die leven zoals hijzelf ten voorbeeld te stellen aan de christenen van Filippi. Dan moet je wel echt overtuigd zijn van je eigen morele integriteit en voortreffelijkheid ... En dan zet Paulus zich af tegen degenen die een leven leiden "als vijanden van het kruis van Christus", mensen voor wie hun buik hun god is en die hun zinnen zetten op het aardse. Wie bedoelt hij? En, getransponeerd naar onze dagen: wie zouden daar nú onder vallen? Mensen die te veel eten en andere verslaafden? Margot Käsemann die is afgetreden als protestantse bisschop van Hannover omdat ze na te veel gedronken te hebben door rood licht is gereden en werd aangehouden? Priesters en kloosterlingen die seksueel misbruik plegen? En hoe zit het met de prins-carnaval van Reusel? En hoe zit 't met de pastoor van Reusel en met de bisschop van Den Bosch en met U en met mij? Wie blijft er qua levenswijze binnen de christelijke boot en wie valt er buiten?

 

Het kan geen kwaad veelgeliefden, zo dunkt mij, om het je af te vragen, op de allereerste plaats wat je zelf betreft: Lééf ik goed in het licht van Christus' kruis? Uit liefde heeft Hij zichzelf gegeven aan onze wereld, voor alle mensen, dus ook voor mij. En hoe zit het dan met mijn wederliefde? Geef ik óók mijzelf, liefdevol, zelfs als dat moeite, lijden en pijn met zich meebrengt? Of ben ik er eerder op uit om van mijn eigen leven een warm dan wel lauw bad te maken en loop ik met een grote boog om de problemen, de ellende en de nood van mijn medemensen heen? Ik denk: als we het over Christus en Zijn kruis hebben, dan gaat het om dat soort vragen.

 

In het evangelie van deze zondag is Jezus zelf opnieuw ons leven binnengewandeld. In gedachten hebben wij met Hem en enkele van Zijn leerlingen de berg bestegen. De chaos, de malaise, de vuiligheid, de rotzooi, de verschrikkingen en vernederingen van deze wereld laat Hij en laten wij mét Hem even achter ons. Wij zien Hem bidden. Zijn uiterlijk verandert. Zijn kleren worden stralend wit. Dat is het gebed veelgeliefden. In het gebed worden wij getransformeerd, veranderen wij van gedaante. In het gebed kun je licht zíen en kun je licht wórden. En in het gebed zijn er geen grenzen van ruimte en tijd. Jezus is in gesprek met Mozes en Elia, twee richtingwijzende figuren voor en in het geloof van Israël, het joodse volk waartoe Jezus behoort. Met hen spreekt Hij "over Zijn heengaan (...), de voleinding van Zijn leven in Jeruzalem." Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt is het woord "exodus", dat betekent: uit-weg.

 

Ook voor ons, veelgeliefden, is dat een vraag: Waar is voor ons de uit-weg? Hoe ontkomen wij, hoe ontsnappen wij aan de ééndimensionaliteit van ons bestaan? Hoe ontkomen, hoe ontsnappen wij uit het doodlopende straatje waarin wij met ons leven, zelfs binnen onze kerk (denk aan Reusel, denk aan de Sint-Jan op dit eigenste moment) terecht kunnen komen? Ach veelgeliefden, de Heer is ons midden, Jezus is erbij. Maak je leven eenvoudig vast aan het Zijne en die uitweg is er, je ziet hem, je vindt hem, je gáát, met Hem, die weg. Dus maak je dan verder geen zorgen. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 21 februari 2010, de eerste zondag van de Veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Deuteronomium (26, 4-10), Psalm 91 (ged.), uit de brief aan de Romeinen (10, 8-13) en uit het Lucas-evangelie (4, 1-13).

 

Onze kerk en meer specifiek: het "personeel" ervan (priesters, bisschoppen, paus), heeft de laatste weken in de media weer zwaar onder vuur gelegen. In de krant verschenen allerlei artikelen over seksueel misbruik in Ierland en op een college van Jezuïeten in Berlijn en ook: recensies van een nieuw boek van de journalist Gerard van Westerloo over het seksuele misbruik door een priester van zijn zus[4]. Die situatie heeft zich afgespeeld in ons eigen stadsdeel. En dan heeft vorig weekend de pastoor van het Noord-Brabantse Reusel geweigerd de communie te geven aan Gijs den Urste, de prins carnaval van het plaatsje, een lieve jongen van 23, die samenwoont met zijn vriend.

 

De teneur van de berichtgeving en van allerlei commentaren op de diverse situaties, onder andere, op hoge toon, door Huub Oosterhuis[5], ook van hier, is ongeveer deze: Mensen die luisteren naar de stem van hun lichaam en van hun hart meten "ze" (de mannen van de kerk) de maat en maken ze het leven zuur en intussen knijpen ze zelf de kat in het donker. De katholieke moraal leidt tot onmogelijke, tot onleefbare situaties - óók voor degenen die diezelfde moraal verkondigen dan wel geacht worden te verkondigen. De kerk deugt niet. De moraalleer van de kerk deugt niet. De mannen van de kerk deugen niet. Het celibaat deugt niet. In niet mis te verstane bewoordingen, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, wordt ons als kerk in de media voortdurend de wacht aangezegd - nu al tientallen jaren lang eigenlijk.

 

Het is, gezien de massiviteit van dat aanhoudend "j'accuse", van de aanklacht, eigenlijk een wonder dat er in Nederland nog altijd kerkgaande katholieken zijn. Wat moeten die mensen toch? Weten ze soms niet beter?

 

We mogen het ons, dierbare gasten en parochianen, inderdaad zélf ook afvragen: Wat houdt ons hier? Wat boeit ons, ondanks alles, tóch in het katholiek-christelijk geloof en in onze kerk? Wat geeft het ons? Wat hebben wij er aan? En vandaag, meer specifiek: Wat hebben wij aan die periode van veertig dagen die voorafgaat aan Pasen, periode die wij "de Vastentijd" noemen? Wat is het wezen daarvan? En hoe kunnen wij daar zelf, in onze tijd vorm aan geven?

 

In het evangelie van deze zondag hoorden wij hoe Jezus na Zijn doop veertig dagen in de woestijn bleef. Hij is "vol van de heilige Geest", "in geestvervoering" zo hoorden we. En Hij zoekt dan de eenzaamheid op. Hij zoekt de stilte op. Hij onthoudt zich van voedsel. En dan krijgt Hij te maken met wat "de duivel" wordt genoemd: een geheimzinnig figuur, een stem die klinkt in Hemzelf of die, wie weet, ook van buiten Hem op Hem afkomt, een stem die Hem tracht te verleiden. Het zijn "almachtsfantasieën" zou je kunnen zeggen waar het om gaat. Het gaat om de verleiding van te gaan denken dat je alles naar je hand zou kunnen zetten en alles zou kunnen beheersen, dat eigenlijk de hele wereld om jou zou kunnen draaien, dat jijzelf de maat van alle dingen bent en dat jóu niets kan overkomen. In één woord samengevat zouden we het "hoogmoed" kunnen noemen - nog altijd een verleiding denk ik, ook voor ons in deze tijd: jouw perspectief, het mijne, is het enig belangrijke en het enige ware.

 

Maar Jezus is voor zichzelf niet het centrum van het heelal. Dat is God, dat is Zijn Vader. En Hij kent die God doordat Hij de Schrift kent, Jezus. Hij kent die uit z'n hoofd, a coeur zeggen de Fransen: die zit in z'n hart, de Schrift. Hij heeft met die Schrift, met de woorden ervan, een affectieve relatie. Hij is ervan doordrenkt. Hij is er vol van. En door die Schrift heeft Jezus als mens weet van heilige grenzen die er zijn en die Hij en elk mens in acht zou dienen te nemen. "Niet van brood alleen leeft de mens": Leven is méér dan wat je kunt zien en aanraken en kunt pakken en opeten. Minstens zo belangrijk als het brood dat je eet zijn Gods woorden, is Zijn belofte. En de grootste vreugde in het leven bestaat er in om ten diepste Hem te dienen en te aanbidden en niemand anders. En je moet behoedzaam, aandachtig en zorgvuldig met God omgaan. Daag Hem niet uit! Met zulke inzichten, met zulk weten lééft Jezus. Hij is geworteld in God, en daardoor staat Hij sterk tegenover alle stemmen in en buiten Hem waarvan God niet de bron is en die ook anti-God kunnen zijn. Jezus is geworteld in God. En dat is Zijn redding. En daardoor is Hij Zélf onze Redder, omdat wij door, met en in Hem in diezelfde God geworteld kunnen zijn of kunnen raken, steeds sterker wellicht.

 

Wij zijn hier in de kerk. En hoewel er in de kerk heus het nodige niet deugt en de mensen, de mannen én de vrouwen van en in de kerk geregeld níet deugen omdat wij nu eenmaal mensen zijn, wij ontvangen hier wél Gods Woord. Wij ontvangen hier Jezus Christus. En dat is goed. Gods Woord is goed. Jezus Christus is goed. Daarvan ben ik heilig overtuigd. En wie zich in deze veertigdaagse vastentijd als in een soort woestijn van al het overbodige probeert los te maken om zich op Gods Woord, op Christus te concentreren, Hem tracht te ontmoeten in de stilte, in de eenzaamheid van het eigen hart en natuurlijk ook in en tussen de mensen, die geeft mijns inziens een goede invulling aan deze veertigdaagse Vastentijd. En alle stemmen die ons in de media of waar of door wie dan ook op andere gedachten willen brengen, daar moeten we ons mijns inziens niet door laten leiden. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 24 januari 2010, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Nehemia (8, 1-12), Psalm 19, de eerste brief aan de christenen van Korinthe (12, 12-29) en uit het Lucas-evangelie (1, 1-4 + 4, 14-21).

 

"Un gran show" - "een grote show". Ik hoor het padre Romano uit Saõ Paolo nóg zeggen. En ik zie ons nóg staan. Vanuit een loggia hóóg bovenin het klooster van Sant'Anselmo dat bovenop de Aventijn ligt, één van de zeven heuvelen, keken wij uit over het nachtelijke Rome. Padre Romano en ik waren daar allebei student in 2003. Op een zaterdag waren wij samen opgetrokken en we hadden allerlei kerkelijke dingen meegemaakt en toen zeí hij dat, padre Romano: "C'è un gran show", "het is een grote show" - dat Rome met al die prelaten: kardinalen en bisschoppen, gewone priesters, paters, zusters en andere gelovigen. We hebben er eens flink om gelachen daar boven in die loggia.

 

Gisteren was ik in Breda bij een priesterwijding. Bescheidener dan in Rome uiteraard maar toch: ook daar konden we weer getuige zijn van een stukje van die grote show. Altijd in zulke omstandigheden moet ik aan de woorden padre Romano denken. Ook in Breda wemelde het van de priesters met hun witte boordjes, in hun lange gewaden, met hun mooie priesterstola's, knielend, buigend, elkaar op hun zonnigst begroetend. Zien en gezien worden. Dat is wat er in zo'n situatie gebeurt. En wat gaat er om in al die priesterhoofden en -harten? Wat leeft daar? Oprechte vroomheid ongetwijfeld of minstens het verlangen daarnaar, oprechte belangstelling vóór, gevoelens van toegenegenheid en vriendschap ten aanzien van de collega's of ten aanzien van bepáálde collega's, maar ook: afkeuring en afkeer van collega's, jaloezie, vormen van haat misschien zelfs, carrièrezucht, verlangen naar bevestiging, vooral van de zijde van bisschoppen en alle flemerigheid die daar het gevolg van kan zijn. Het klinkt misschien allemaal wat scherp, maar ook sporen dáárvan meende ik waar te nemen gisteren daar in de kathedraal van Breda. Ik nam het waar in elk geval bij mijzelf, in mijn eigen priesterhart- en hoofd. Nee, veelgeliefden, niets menselijks is ook de priester vreemd. En de werkvloer van de kerk, al is het ook de verheven werkvloer van het priesterkoor van een kathedraal; de werkvloer van de kerk lijkt zonder meer op die van elk ander bedrijf, van elk kantoor en elke andere instelling. Het hoogste en het laagste dat in en tussen mensen omgaat en gebeurt, je komt het overal tegen, óók in de kerk dus.

 

Maar waaróm hier vandaag over uitwijden? Mooie introductie voor de doop- en vormselkandidaten! denkt U misschien wel. Wat zullen ze niet denken? Waar kom ik in godsnaam in terecht? Waar ga ik mij aan verbinden? Kan ik niet beter rechtsomkeert maken? Je maakt het ze tégen door zo te spreken!

 

Ach ja, dierbaren gasten en parochianen van deze Vredeskerk. Zelf denk ik: het is maar beter om je ook over de kerk van meet af aan maar geen enkele illusie te maken. Want dan kan het in tweede of derde instantie ook niet tegenvallen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Dus ik wáárschuw onze doop- en vormselkandidaten en iedereen hier: Maak je over de kerk géén illusies. Mensen ín de kerk zijn in principe helaas geen háár beter dan buíten de kerk.

 

Heel duidelijk spreekt dát als achtergrond uit de tweede lezing die we vandaag hoorden, die uit de eerste brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinthe. Paulus vergelijkt daarin de gemeenschap van de christenen met een lichaam. Oog en oor, hand en voet en ook "de edele delen": we hebt het allemaal nodig. Zo hebben we, opdat de kérkgemeenschap goed functioneert ook mensen nodig met uiteenlopende kwaliteiten. Paulus heeft het over "apostelen", "profeten" en "leraren" en ook over mensen die "wonderen doen", die "genezen", die "helpen", "besturen" en die "in talen spreken". Als we dat vertalen naar onze omstandigheden, dan denk ik aan de leden van het parochiebestuur, aan de mensen die de kerk schoonmaken, de bloemen schikken, de liturgieboekjes maken, ik denk aan de bisschoppen, ik denk aan de mensen die in de kerk op authentieke wijze iets van God openbaren, ik denk aan de mensen die doop- en vormselkandidaten begeleiden en aan de mensen die in ons midden echt heilzaam aanwezig zijn, mensen van wie je blij en gelukkig wordt én ik denk aan de mensen die goed zijn voor hun alleenstaande, ongelukkige, zieke buurvrouw. En ga zo maar door. We hebben al die mensen nodig. En wat de één kan, dat kan de ander niet per se. En wat de één mág doen, dat mag de ander niet per se. Want de kerk heeft daarvoor allerlei regels en wetten: over wie bepaalde dingen wel en niet mag doen. In de beschrijving van de kathedraal van Breda van zoëven kan het U mogelijk weer erg getroffen hebben: De Roomse kerk is een mannenbolwerk. Vrouwen komen er in de kerkleiding en de liturgie vaak nauwelijks aan te pas. Een charmante dame met hoge laarzen aan was gisteren lector. En daarmee was ze de enige vrouw die op het priesterkoor "iets deed" temidden van al die mannen in de wierook. Met een knipoog naar Paulus kun je dan uit de lezing van vandaag nog dat zinnetje aanhalen: "die lichaamsdelen die wij beschouwen als minder eerbaar, eren wij des te meer". Moeten we daarbij soms aan al die heren-op-het-priesterkoor denken? Nou aan díe implicatie zal Paulus wel niet gedacht hebben bij het schrijven van zijn brief, maar toch ... één ding is duidelijk: Er werd in Paulus' dagen duidelijk gemord in Korinthe binnen de kerkgemeenschap. Er was bij sommigen duidelijk onvrede over "wie wat deed". Sommigen voelden zich duidelijk ondergewaardeerd en ten achter gesteld bij anderen. En Paulus zegt dan: Kijk goed naar het menselijk lichaam. Daarin doet ook niet elk orgaan álles. Ook voor de kerk geldt: Doe daarin alleen dátgene wat werkelijk op jouw weg ligt en werkelijk bij jóu past én wat jou ook wordt toegestaan.

 

En trouwens, veelgeliefden, daar gaat het natuurlijk ten diepste helemaal niet om in de kerk, om "wie wat doet". Want als kerk zijn wij op God gericht. Hij moet tot Zijn recht komen in de kerk. Dáár gaat het om. Prachtig, in de eerste lezing uit het boek Nehemia, hoe de priester Ezra urenlang, "vanaf de dageraad tot de middag" staat er; hoe hij voorlas uit het boek van de leer van Mozes. Prachtig zoals wij horen dat "het volk aandachtig luisterde" en hoe de mensen enthousiast worden, hoe zij "hun handen omhoog staken en hun hoofd bogen". Prachtig zoals er staat dat de medewerkers van Ezra óók "lazen uit het boek van Gods leer, het uitlegden en de betekenis verklaarden, zodat iedereen de lezing begreep." Prachtig zoals er staat dat "het hele volk in tranen was uitgebarsten toen het de woorden van de leer hoorde" en hoe er vervolgens op last van Ezra uitbundig feest gevierd wordt met zoete drank en al. Prachtig zoals in het evangelie in de synagoge in Nazareth "alle ogen" op Jezus gericht zijn als Hij de profeet Jesaja voorleest en dan zegt: "Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan". Vandaag is het werkelijkheid geworden. Welk schriftwoord? Dat over die armen die de goede boodschap horen, dat over de gevangenen aan wie hun vrijlating wordt aangekondigd, dat over blinden die licht krijgen in hun ogen, dat over verdrukten die in vrijheid mogen gáán. Dáár gaat het om veelgeliefden. "Goede nieuws", "vrijheid" en "licht" zijn de sleutelwoorden. Goed nieuws, vrijheid en licht die de armen, de gevangenen en de blínden zelfs, of nee: juíst zij, kunnen zien en ervaren. Binnen onze samenleving maken wij ons bijvoorbeeld erg druk en ongerust over de almaar toenemende criminaliteit. Er moet steeds langer en harder gestraft word. Dáár wordt om geroepen. Maar ik denk: als wij met z'n allen, zoals de mensen verzameld rond de priester Ezra in de eerste lezing en rond Jezus in de evangelielezing en zoals gisteren in de kathedraal van Breda rond die zeer capabel lijkende bisschop van den Hende en zoals we nu hier verzameld zijn; als we aldus met z'n allen op één punt, op God gericht zijn, luisterend naar Zijn Woord, als wij luisteren, met name, naar hoe dat Woord klinkt en vlees en bloed geworden is in Jezus; als wij daar zélf naar luisteren en ons er door laten ráken tot in onze diepste vezels, tot in onze vingertoppen, tenen en kruin, als dat Woord dan onze soms zo troebele gedachten reinigt en ons verandert en tot betere mensen maakt en als wij daardoor ook andere mensen bewegen om naar datzelfde Woord van God te gaan luisteren, dan zullen gevangenissen en straffen uiteindelijk helemaal niet meer nodig zijn, omdat mensen, wij, dan alleen nog maar zullen verlangen om waar, oprecht en goed te leven.

 

"C'è un gran show" - "het is een grote show". Ik vind het voor mezelf goed en bijdragen aan mijn geestelijke gezondheid door af en toe aan zo'n "grote show" als gisteren in Breda deel te nemen. Want hier sta ik voortdurend op deze plek en ben ik toch een soort haantje ook. Maar bij zo'n gebeurtenis als gisteren ervaar ik heel sterk: Je bent er maar één van de velen. En je neemt temidden daarvan maar een bescheiden plaats in. En: het gaat allemaal niet om jóu - al kan een mens soms wel geneigd zijn om te denken. Nee, samen zijn we gericht op iets anders, op de Andere, op de Eeuwige die Licht is en Liefde. De grote show, hier en in Breda, in Rome en destijds misschien ook zelfs in Jeruzalem en Nazareth. Er is een buitenkant. De dingen van het geloof moeten nu eenmaal op een bepaalde manier vorm krijgen. Maar het eigenlijke gebeurt van binnen. Móge het gebeuren. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 3 januari 2010, hoogfeest van de Openbaring des Heren, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (60, 1-6), Psalm 72 (ged.), uit de brief aan de christenen van Efeze (3, 2-3a.5-6) en uit het Mattheü-evangelie (2, 1-12).

 

Iemand gaf mij na afloop van de mis op Nieuwjaarsdag een ei. "Happy New Year 2010" stond er op. Een ei - vruchtbaarheid. "Dat je een vruchtbaar jaar mag hebben." Dat is denk ik wat de gever van dat ei mij met dat geschenk wilde zeggen. Later op de dag, bij de uitgang van het Concertgebouw, na het bezoeken van de gemeentelijke Nieuwjaarsreceptie, kreeg ik een fluoriscerende band om de mouw van mijn jas geklikt. "Dat je veilig mag gáán, nu weer het donker in. Dat je een verkeersveilig 2010 mag hebben. Neem je verantwoordelijkheid daarvoor." Dat is de boodschap die de gemeente Amsterdam mij en alle andere bezoekers van de Nieuwjaarsreceptie wilde meegeven mét dat geschenk van die fluoriscerende band.

 

Mensen houden ervan om elkaar cadeautjes te geven. En een góed geschenk, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk; een goed geschenk zegt iets wezenlijks óver en áán de ontvanger van dat geschenk. Én het zegt iets over de gever van dat geschenk zélf. Zeg me wat je geschenken zijn en ik zeg jou wie jij bent.

 

De wijzen uit het oosten, vandaag op bezoek bij de pasgeboren Jezus, zij geven hem goud, wierook en mirre: " 't Goud is de koning toegewijd,/de wierook prijst Gods majesteit,/maar, ach, de mirre, zij beduidt/dat eenmaal Hem het graf omsluit."[6] Kostbare, betékenisrijke geschenken zijn het. De wijzen drukken er in uit wie Jézus is én wie zij zelf zijn, want, zoals gezegd, het goede geschenk is trait d'union tussen gever en ontvanger, het verbíndt beiden. Ze zien, de wijzen, Jezus' koningschap. Ze zien God in Hem. En de mirre is profetisch ten aanzien van Jezus' dood, Zijn dood die de apotheose zal zijn van Zijn leven; Zijn dood waarin Hij zich ten volle zal geven voor het leven van de wereld; Zijn dood die zal blijken te zijn: Zijn grootste geschenk aan ons. Goud, wierook en mirre, de geschenken waarmee de wijzen tegelijk uitdrukken de adel van hun eigen hart, hun bíddend hart en hun eigen sterfelijk mens-zijn.

 

Hebt U gisteravond op Nederland 1 Theo Maassen gezien? Zijn laatste conférence, "Zonder pardon" is de titel. Een mitrailleurvuur van woorden waarin Theo zijn eigen bestaanservaring en die van zijn landgenoten en van vooral uiteraard zijn leeftijdgenoten onder hen tot uitdrukking brengt. Geniaal. Arrogant. Macho. Banaal. Grof. Provocerend. Schokkend - als in deze tijd ons nog iets schokken kan ... Hij laat ook z'n aardige kanten zien - om ze steeds weer genadeloos onderuit te halen en weg te maaien. En hij is natuurlijk wanhopig. "Het leven is een experiment. En ik ben zelf het proefkonijn" zegt hij. Het proefkonijn Theo Maassen dat zichzelf aan z'n eigen haren (nou ja, die heeft hij niet; aan z'n eigen gemillimeterde kop) omhoog tracht te trekken. Maar in wezen rent hij, Theo, in al z'n genialiteit, steeds hetzelfde rondje, zoals een diertje in z'n kooi, zoals een konijn in z'n rennetje. Een mens kán zichzelf niet redden. Wij kúnnen onszelf niet redden veelgeliefden. Die redding moet van elders komen.

 

En dit is ons geloof: dat in Jezus Christus God Zélf Zijn verlossende hand naar ons heeft uitgestrekt. Híj is de Redder. Híj is de Verlosser - van Israël, van alle volken, van alle mensen. Dat is wat de wijzen uit het oosten in Hem zien. Jezus kan mensen verlossen. Hij kan voor ons het kooitje, het rennetje openen. Hij hééft dat feitelijk gedaan in en door Zijn menswording en Zijn leven, in Zijn woorden en Zijn werken, in Zijn lijden, in Zijn sterven, in Zijn verrijzenis en in Zijn Geest die Hij heeft gegeven aan Zijn kerk, aan de mensen die samen Zijn kerk vormen, Zijn lichaam, de gemeenschap van mensen waarvan Hij het hoofd is. Jezus hééft de mensheid daarin en daardoor verlost. Het kooitje, het rennetje stáát open. Maar je moet het natuurlijk wel zien. En je moet er natuurlijk wel zélf uitlopen, de vrijheid in, de oneindige ...

 

En hoe doe je dat dan, veelgeliefden? Hoe gaat, in concreto, dan in z'n werk? Nou, door Jezus op te eten. "Betlehem" betekent "huis van brood", "broodhuis". En dát is Hij dan ook precies voor ons geworden Jezus: brood. En wijn. "Om op te eten". Mensen zeggen dat soms over een kind en met name over een zuigeling. Theo Maassen had het er nog over gisteravond op de t.v. Hij is pas vader geworden. Nou veelgeliefden, Jezus kún je dus opeten. Maar Hij gáát nooit op. Hij wordt er niet minder van als jij Hem opeet, Hij wordt er alleen maar méér van. Want Hij zit dan ook in jou. En Hij werkt dan ook ín en dóór en via jou.

 

De wijzen uit het oosten geven Jezus hun geschenken. En het weggeven aan Hem van die geschenken maakt hen niet armer. Nee, integendeel, het maakt hen rijker. Want de Jezus die ze gevonden hebben, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor ons en voor alle mensen, Hij is voor hen een onuitputtelijke rijkdom die ze gratis en voor niets krijgen. Hij bevrijdt hun hart. En Hij maakt het vol. "Zij werden vervuld van overgrote vreugde" zo staat er. En die vreugde zal niemand hen meer kunnen ontnemen en ook ons niet, hopelijk.

 

Dat wil zeggen, veelgeliefden: soms voelen we ons niet zo. Mensen, ook christenen, kunnen zich benauwd en angstig en ook beróófd voelen. Gisteravond nog sprak ik met een mevrouw bij wie er net was ingebroken. Bij haar was niet iemand, een wijze of zo, goud komen bréngen.  Nee, iemand, een onbekende, was het komen hálen - sieraden met name die ze van haar overleden man nog heeft gehad. "Ik ben boos" zei ze. "Ik ben zó boos." Ja, dat kunnen we ons voorstellen. Dat is heel menselijk. Ik zou het zelf denk ik ook zijn, boos, in zo'n situatie. Maar hoe diep gaat zo'n boosheid bij ons veelgeliefden? Niet al te diep hoop ik. Want wij hebben Jezus. Hij is ons komen verlossen. Hij is onze Heer. Híj is onze rijkdom. En niemand neemt ons díe af. Amen.

 

 

VERKONDIGING op Nieuwjaarsdag 2010, hoogfeest van de Moeder Gods en wereldgebedsdag voor de vrede, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Numeri (6, 22-27), uit de brief aan de Galaten (4, 4-7) en uit het Lucas-evangelie (2, 16-21).

 

2010. Een nieuw jaar, een nieuwe preek. Tjee, alwéér preken. Sinds het begin van het Kerstoctaaf héb ik dat reeds driemaal uitgebreid gedaan: in de nachtmis, op eerste Kerstdag én op de zondag onder het octaaf van Kerstmis, het feest van de Heilige Familie. En nu dus wéér. Opnieuw worden we uitgenodigd om de blik te richten op Bethlehem, op Het Kind in de kribbe, op de herders, op Jozef en vandaag vooral op Maria, want we vieren op deze octaafdag, de achtste dag van Kerstmis, het hoogfeest van de Moeder Gods. Het kan niet op. En alwéér preken. Maar wat valt er nog te zeggen? Valt er nog iets nieuws te zeggen? Kan dit nieuwe jaar 2010 ons soms iets nieuws nog brengen, iets dat we niet al kenden, iets dat we niet al wisten? Al tweeduizend jaar lang wordt er in de christelijke kerken gepreekt. Het is een oeverloze vloed van woorden die ook uit míjn mond komen. Maar wat hebben we er aan? Waar dienen ze toe? Nog toe?

 

Ach ja, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, het is zoals de heilige Teresa van Avila ergens zegt: Ik ben als een vogel. Ik zing steeds hetzelfde lied. Maar ik móet nu eenmaal zingen. Mijn Héer moet en wil ik bezingen. Ik kan niet anders.

 

Het eerste e-mailtje dat ik in dit nieuwe jaar ontving kwam van een mevrouw die pas haar man heeft verloren. Ze is van katholieken huize, maar beschouwt zichzelf al lang niet meer als "gelovig". Ze schreef mij nu: "Wij strompelen voort en doen ons best. Het zou préttig zijn als iemand daarboven ons gadesloeg, ons diepste wezen kende. Maar dat is een menselijke gedachte, voortkomend uit onze behoefte aan troost, appellerend aan onze diepe eenzaamheid, god als uitvinding van de mens, dat zoogdier dat de ratio aankan."

 

Ja, bij zulke woorden moet ik denken aan wat de onvergetelijke pater van Kilsdonk S.J., talloze jaren studentenpastor hier ter stede; aan wat híj ooit zei: "Als ik met een ongelovig iemand praat, dan is het net of ik mezelf hoor." Zo is het. Die woorden van die mevrouw die net haar man verloren heeft: ze zijn woord voor woord te begrijpen en méé te denken en méé te voelen. (...) En daar komen wíj dan aan met onze Moeder Gods. Geloven we daar in? Is het geen geloof tegen de klippen op? tegen echt héel veel beter weten in? Kán een zinnig mens zo'n geloof wel vólhouden? "Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden (...) Moge Hij zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken" - de woorden van de aäronitische zegen uit het bijbelboek Numeri, onze eerste lezing vandaag. Maar ís er áchter, bóven en ín onze ondermaanse werkelijkheid verborgen wel zo'n "gelaat". Is die werkelijkheid niet ten diepste totaal kil en gevoelloos? Dus kun je je nieuwjaarswensen niet beter beperken tot een nuchter "Gelukkig Nieuwjaar" of "de beste wensen"? Ís die "glans van het gelaat van de Heer die Hij over je mag spreiden" niet in wezen overbodige versiering en loze praat? En blijven we in onze kerken niet maar bezig met ons daarin te koesteren als in een warm bad? Maken we onszelf en anderen niets wijs? Praten we het onszelf maar áán c.q. sméren we het "de mensen", U, maar aan en kunnen we daar maar niet beter zo snel mogelijk mee ophouden? Ben ik een handelaar in oud roest? Kunnen we de tent niet beter sluiten en ons geld niet nuttiger en beter besteden?

 

Zo denken mensen. Zo denk ik. Het zit ook in mij.

 

Terug nu naar Bethlehem. Terug nu naar de stal en de kribbe, naar het Kind en Zijn Moeder. Daar zit zij, de Eeuwige Moeder. Het blijft een prachtig en een zeer troostrijk beeld. "Geboren uit een vrouw", ja dat zijn wij allen. Jezus vormde daarop geen uitzondering. Maar: "God heeft Zijn Zoon gezonden" schrijft de apostel Paulus óók in zijn Galatenbrief en dáár wringt hem de schoen, dát kunnen wij moeilijk of gewoon níet aannemen: zo'n buitenwereldlijke, zo'n buitenmenselijke oorsprong van een mens, van Jezus. Daar blokkeren wij. Daar stokt en staakt ons verstand. Daar kunnen wij niet bij.

 

Ja, dat kan voorkomen in ons leven, dat wij stilvallen, gelukkig wel. Zodadelijk na deze toespraak gaat tot mijn grote vreugde gezongen worden het "O suver Maeght van Israël", een Middeleeuws, Oud-Nederlands kerstlied, zeer meditatief. Tot mijn grote verdriet zal het maar heel gedeeltelijk gezongen worden waardoor we enkele prachtige inhoudsrijke strofen moeten missen: bijvoorbeeld die over Jozef die, nadat hij begrepen heeft dat Maria is bevrucht - maar niet door hem "peynsde in sinen gronde hem waer beter gheu(v)lucht". Je zíet Jozef peinzen "in sinen gronde", in het diepst van zichzelf. Dan, verderop in het lied: de engel die de hérders toespreekt: "Met groter anxticheyde worden si beu(v)aen". En dan zégt de engel: "laet v(u) gedachten staen/ende gaet tot bethleem binnen." "Laat je gedachten stáán". Geweldig. Een prachtige boodschap, ook in deze tijd: Laat je gedachten staan, laat ze toch in godsnaam eens staan. Of doe als Maria, in het evangelie van deze dag: die dacht er wél over na, over wat de herders dan op hun beurt weer zeiden - van angstige lieden zijn zij zelf engelen of apostelen geworden die de goede boodschap van de menswording Gods verkondigen! Maria dacht erover na, - maar haar nadenken was een bewaren van die woorden in haar hart zoals er óók over gezegd wordt. Woorden bewaren in je hart als een kostbare schat. Heerlijk. Prachtig.

 

Bij ons boven in de pastorie (en hiermee naderen we het einde van deze toespraak hoor!); daar hangt op de w.c. de schitterende "Münsterschwarzacher Bildkalender", een uitgave van de Benedictijner abdij van Münsterschwarzach in Beieren[7]. Eén van de monniken daar is de beroemde Anselm Grün. Op het laatste kalenderblad van 2009 vond ik van hem de volgende tekst die ik U graag méé het nieuwe jaar in geef:

 

"Voor de geestelijke traditie gebeurt het ervaren van God bij uitstek in het zwijgen. Door te zwijgen komt niet alleen de herrie in ons hart tot rust. Zwijgen betekent niet alleen dat ik mijn zorgelijke gedachten en mijn ergernissen loslaat, maar ook, dat ik ophoud om over God na te denken. De gedachten en beelden die ik heb over God zwijgen. Alleen dan, zegt Evagrius Ponticus, zullen we God erváren. Anders blijven we bij de gedachten over en bij de beelden van God staan en steken. Meester Eckehart heeft deze gedachte uit het vroege monnikendom verder ontwikkeld. Voor hem is het zwijgen het mooiste dat de mens kan doen. In de binnenkant van het zwijgen, waar nooit een gedachte komt, waar je geen plannen maakt en niet zit te broeden, waar je niet over andere mensen nadenkt en hen niet beoordeelt en waar je ophoudt een waardeoordeel over jezelf te geven, dáár wordt God in ons geboren. In het zwijgen laat je alles los. En juist dan, als jij je gedachten over God loslaat, dan laat God zich zien als de Nabije, als degene die in ons geboren wordt. In God ervaar ik dan wie ikzelf ten diepste ben."

 

Aldus Anselm Grün[8] - die spreekt vanuit de eeuwenoude traditie van het christelijk monnikendom. God is mens geworden in Jezus. Maria is Zijn moeder. Zij is de Moeder Gods. Daar kun je over nadenken. Je kunt zulke geloofsuitspraken bewaren in je hart. Maar op een rijtje krijg je het nooit helemaal. Je zult er nooit helemaal je vinger op kunnen leggen en achter kunnen krijgen. Op dit punt kunnen we alleen maar zwijgen. Op dit punt past alleen gelovige óvergave. En alleen zó vinden wij ons heil. Ik wens U een Zalig Nieuwjaar. Amen.

 

VERKONDIGING op 27 december 2009, Feest van de Heilige Familie, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Jezus Sirach (3, 2-14), Psalm 128, uit de brief aan de Kolossenzen (3, 12-21) en uit het Lucas-evangelie (2, 41-52).

 

Ja, ik moet bekennen, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftwel Obrechtkerk; ik moet bekennen, het is waar: Ik héb heimwee naar de Middeleeuwen, een tijd die reeds vér achter ons ligt, maar waarmee we, zeker als katholieken, in de kersttijd steeds weer nadrukkelijk geconfronteerd worden. Ik denk dan aan de vele kerstvoorstellingen die bij wijze van kerstwensen op de deurmat vallen. Ik denk aan de kerststal hier in de kerk en thuis. En ik denk aan de kerstliedjes die we in elk geval in de kerk nog zingen. Op mijn MP3-speler, ahum, staat een CD met Oud-Hollandse kerstliederen gezongen door Herman van Veen. Daar heb ik de afgelopen week met de sneeuw in de trein en ook gisteren nog, lopend door de historische binnenstad van Delft op weg naar mijn jongste zus waar "de familie" zich verzamelde; vele malen heb ik daarnaar geluisterd. Veel van onze kerstliederen en kerstvoorstellingen zijn middeleeuws of hebben middeleeuwse wortels en ik moet dus bekennen: Ik houd daarvan, ik heb er een "hang" naar. Waarom? Omdat die liederen en voorstellingen een kwaliteit hebben die je, die ík in elk geval in de huidige tijd vaak mis, een kwaliteit die ik "innig" zou willen noemen. Een ouderwets woord, innig. Het heeft te maken met "in", met: de binnenkant. "Innerlijk, inwendig, uit iemands binnenste" geeft het woordenboek als omschrijvingen en ook: vroom. In die oude liederen en voorstellingen kun je horen en zien: warme, gloedvolle liefde voor hetgeen of liever gezegd voor dégene die wordt of degenen die wórden afgebeeld en over wie gezongen wordt; liefde voor de pasgeboren Jezus, het "kindeke", voor Maria, voor Jozef, voor de herders, voor de engelen. "Devotie" is een ander, ook al zo ouderwets woord, voor die vorm van liefde. Devotie: "toewijding, opoffering", "wij willen geven, hart en geest en leven, venite adoremus." Je hart, je geest, je leven géven aan en voor Jezus, Maria, Jozef enzovoort. Kom daar maar eens om in deze tijd. Wie doet het nog? Wie waagt zich daar nog aan? Nee, zó hóóg geacht als in het kerstlied wordt de "Maged reine" niet meer, zo krijg je de indruk. Wie is daar nog mee bezig? Voor wie leeft dat nog? Wie lééft er nog echt met Jezus, met Maria, met Jozef? Wie staat met de verschillende personen die samen de Heilige Familie vormen nog in levendige betrekking? Wie communiceert daar werkelijk mee? Nou, wij dus. De kerkgangers, die zoeken dat op de één of andere manier denk ik. Maar gemakkelijk kun je jezelf daarin en daarmee, met een knipoog naar het evangelie van deze zondag, "een vreemdeling in Jeruzalem" voelen. Eilandjes van (pogingen tot) geloof temidden van een zee van ongeloof en onverschilligheid. Het klinkt misschien wat scherp en bitter, maar zo is toch wel onze positie als kerk en als christenen in de huidige samenleving. Zo beleef ík het tenminste.

 

Wat moeten we ermee? Hoe daarmee om te gaan? Nou, ik zou zeggen: Laten wíj het in elk geval niet óók nog opgeven. Laten wij in elk geval het kostbare dat wij aan geloof hebben ontvangen én aan manieren om dat geloof voor onszelf en met elkaar vorm te geven; laten wij de grote kostbaarheid daarvan in elk geval koesteren en zo nodig opnieuw cultiveren. Het kan zijn dat we "dingen", geloofspraktijken, zijn vergeten of kwijtgeraakt waar je een vraagteken bij kunt zetten of dat achteraf gezien wel zo gelukkig is geweest, ja of wijzelf er gelukkiger van geworden zijn door bepaalde devoties met name los te laten. De regelmatige kerkgang, ook door de week, het bidden van de rozenkrans, de aanbidding van Jezus Christus in het Heilig Sacrament, het in gezinsverband samen zingen van kerstliederen en ander religieus reportoire passend bij de tijd van het jaar. Ik denk veelgeliefden: het zijn allemaal manieren om het heilig vuur in onze harten te voeden. En ik denk: die harten van ons hebben dat ook nodig, want gemakkelijk kunnen ze ook verkillen. Onze samenleving kan zielloos en kil zijn. Je hebt soms het gevoel: Ik mis iets. Het hart ontbreekt. Ook binnen een leefverband, tussen partners, binnen een gezin en een familie kan dat het geval zijn. Op zoek dus naar dat hart, naar die ziel en naar warmte. Ik denk: de traditie van ons geloof wijst ons daarvoor wegen aan. Met overgave kerstliedjes zingen bijvoorbeeld, de tekst werkelijk tot je door laten dringen en je erdoor laten meenemen zoals ook door oude en nieuwe kerstvoorstellingen. Misschien een goed idee voor de komende zondagmiddag of -avond: bekijk nog een keer heel aandachtig de kerstkaarten die U hebt ontvangen: de voorstellingen er op en wat de mensen er eventueel bij hebben geschreven. Volgens mij: als je het doet, dan warmt je hart zeker op.

 

Vandaag vieren we het feest van de Heilige Familie, maar wonderlijk genoeg is er in het evangelie van deze dag juist van een beweging sprake van de familie wég. Jezus verwijdert zich van zijn ouders of liever gezegd: zij verwijderen zich ongewild en ongeweten van Hem, want Hij blijft achter in Jeruzalem. Hij moest in het huis van Zijn Vader zijn zegt Hij. Dat klinkt ook nog eens behoorlijk provocerend en gemakkelijk kunnen Maria en vooral Jozef door die woorden pijnlijk zijn geraakt. "Zij begrepen deze uitspraak niet" zo staat er veelzeggend in onze evangelietekst. Vervreemdt God, vervreemdt religie ons van ons soms van onze naasten? Is het niet soms een splijtzwam in gezinnen en families? Onmiskenbaar is dat soms het geval, ook in onze tijd. Jezus aarzelt echter geen ogenblik. Hij wéét waar en aan wie Hij prioriteit moet en wil geven. Voor Hem is dat: in Jeruzalem, bij Zijn Vader, God. God is op een nog dieper en wezenlijker manier Zijn oorsprong dan Zijn aardse vader en moeder, dan Maria en Jozef dat zijn. Bij God ligt ten diepste Zijn hart. Maar ik denk veelgeliefden: die terugtrekkende beweging van Jezus naar God heeft óók betekenis in de zin van: "reculer pour mieux sauter". Het is óók een zich terugtrekken op God om vervolgens beter in het leven te staan, om dat leven beter aan te kunnen. Wij horen hoe de twaalfjarige Jezus zich na deze grote crisis in het contact tussen Hem en Zijn ouders, zich toch naar hen schikte én dat Hij een wijs en volwassen man wordt, die steeds meer in de gunst komt bij God en de mensen. Ik denk: als het goed is, als je het goed dóet, dan werkt het inderdaad zó, dan maakt je devotie, dan maken je godsdienstige praktijken, dan maakt het je concentreren op God je tot een wijzer en volwassener en beminnelijker mens. Als het goed is, dan wint en groeit ons intermenselijk verkeer en contact daardoor - op de eerste plaats binnen het gezin, de familie of wat voor U of voor jou ook maar de binnenste kring is waarbinnen je jezelf of U Uzelf beweegt. Paulus, in de brief aan de Kolossenzen waaruit wij hoorden voorlezen, schrijft: "Bekleed u, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, met tedere ontferming, goedheid, nederigheid, zachtheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar (...) en laat de vrede van Christus heersen in uw hart. (...) Zing voor God met een dankbaar hart psalmen, hymnen en geestelijke liederen." Als het goed is, veelgeliefden, dan ís er geen tegenstelling. Van God houden en van mensen houden, goed met God omgaan en goed met mensen omgaan, kerstliedjes kwelen en je hart, je geest, je leven en je bezit delen met wie je dierbaar zijn en zelfs met wie je minder goed kent. Als het goed is, dan gaat het samen, dan leidt het één tot het ander. Mogen wij ons ervoor inzetten. En moge het ons ook gegeven zijn. Amen.

 

 

Preek op het feest van St. Stefanus, 26 december 2009 

Wilmer Smeenk

 

Lezingen:              Hand. 6, 8-10 en 7, 54-60; en

                          Evangelie Matt. 10, 17-20.

“Heer Jezus, ontvang mijn geest!”

“Heer, reken hun deze zonde niet aan!”

 

Beste mensen, gasten en parochianen, dat getuigt van een diep geloof! De eerste uitspraak geeft weer hoe de heilige Stefanus bekend staat en stond, zoals hij in de bijbel beschreven is, en de tweede uitspraak geeft aan dat hij wellicht op iemand Anders lijkt, iemand Anders met een hoofdletter, wiens geboorte we gisteren gevierd hebben.

 

Laten we dit eens wat verder uitdiepen.

 

Getuigen van het geloof, gevoed door de Geest

 

Als de elf apostelen, aangevuld met Matthias, het evangelie verkondigen en steeds meer volgelingen krijgen, klaagt de bevolking, omdat ze vindt dat hun weduwen worden verwaarloosd. Dat er niet voldoende naar hen wordt omgekeken.

Om in deze lacune te voorzien, maar het verkondigen daar niet onder te laten lijden, vragen de apostelen de gemeenschap zeven mensen naar voren te schuiven om de diaconale zorg avant la lettre, op zich te nemen. Er worden zeven mannen voorgedragen en deze worden, zoals we ook nu nog wijden, door gebed en handoplegging “gewijd” tot protodiakens. Een van hen is Sint Stefanus.

 

De bedoeling is, zoals verzocht, dat deze diakens zorgen voor de weduwen en de armen en in hun noden voorzien. Maar voor Stefanus is dat niet alles. Zoals in de Handelingen beschreven, is hij zó vol van de Heilige Geest, dat hij ook gaat verkondigen en grote wonderen verricht. Aan de ene kant getuigt hij dus van zijn geloof in daden en aan de andere kant verkondigt hij de blijde boodschap en is hij een predikheer, een prediker, een priester. De gelijkenis met Christus is makkelijk te trekken. Ook Christus genas mensen, deed wonderen onder de gelovigen en verkondigde aan de mensen hoe te leven.

 

Het verkondigen door Sint Stefanus, met name in zijn toespraak tegen de hogepriester[9], strijkt de mensen tegen de haren in. En wel zo, dat ze zich er behoorlijk aan ergeren.

Herkenbaar hè? Je wordt ergens op gewezen, je vóélt dat je fout zit en wat doe je? Net als het volk, je trekt je er niets van aan, schreeuwt en blijft volharden.

Heel herkenbaar, heel menselijk. In dat opzicht zijn wij, u en ik, net als het volk dat Stefanus stenigt. Hij brengt de boodschap waar we niet op zitten te wachten.

 

En als Stefanus het volk dan verder op hun gedrag aanspreekt, en zich in hun ogen ook nog Godslasterlijk uitlaat (hij noemt Christus de Zoon van God), dan wordt het hen teveel. Ze wilden eerder nog weglopen, of schreeuwen en hun oren bedekken, want: “ze waren niet opgewassen tegen de Geest en de wijsheid waarmee hij sprak,” maar nu gaat het verder. De enige uitweg die ze nu nog zien, is hem het zwijgen opleggen. Ze besluiten hem te stenigen.

Let wel, dat is in die tijd, in die omgeving, helaas niet geheel ongebruikelijk.

Gelukkig volstaat in onze tijd weglopen of je omdraaien.

 

 

Verkondigen als Christus zelf

“Heer, reken hun deze zonde niet aan.”

Het eerste waar ik aan dacht, toen ik deze passage las, was Christus aan het kruis.

Ook Christus vraagt God zijn moordenaars te vergeven[10]. De parallellie tussen Stefanus en Christus wordt steeds helderder.

 

In de evangelielezing van vandaag, wordt, vermoedelijk voor meer nadruk of ter verduidelijking, ook het “vol zijn” van de Heilige Geest, wat we bij Stefanus zagen, naar voren gebracht. “Want jullie zijn het niet die spreken, maar het is de Geest van je Vader die in jullie spreekt.” Dit is een kwestie van vertrouwen, van geloof, van geloven dat God er voor ons is en ons niet in de steek laat, ook niet – of misschien zelfs juist niet – op moeilijke momenten. En dat is voor ons moeilijk, althans voor mij, daarin zijn we de “kleingelovige”. Dit vergt oefening en overgave.

 

En die overgave, die heeft Sint Stefanus. En dat vertrouwen, dat geloof? Dat is Sint Stefanus. Stefanus had dàt vertrouwen en straalde dàt geloof uit. Alsof het om een Pinksterverhaal gaat, staat er: “Maar hij stond daar, vol van de Heilige Geest”.

En Stefanus verkondigt, verkondigt wat de mensen niet willen horen. Ook hierin lijkt hij op Christus.

Overkwam Christus niet hetzelfde? Verkondigde en deed Hij niet wat onwelgevallig was? Waar de mensen niet op zaten te wachten? Riep Christus het volk (en dus ook ons) niet op, om radicaal een andere kant op te gaan? En ook daarvan wilde het volk niets weten, ze wilden Hem niet horen. Ze wilden Hem het zwijgen opleggen.

 

En terug in het verhaal uit de Handelingen, merken we dat Stefanus een volhouder is, een doorzetter: hoe minder ze willen luisteren, hoe harder hij roept! En ook in deze tijd, ook nu vandaag, roept het voorbeeld van deze heilige ons, om ons te richten op Christus, op de goede zaak, om de radicale keuze te maken. Te kiezen voor dat waarvan we weten dat het het goede is. St. Stefanus wil óók ons de goede kant op hebben.

 

En daar moeten we op vertrouwen, we moeten op Christus vertrouwen en hij daagt ons daartoe uit. Als wij uitgeleverd worden aan rechtbanken, landvoogden of koningen of ons in meer alledaagse moeilijke situaties bevinden, hoeven we ons geen zorgen te maken over wat we zullen zeggen “Want op dat uur zal jullie ingegeven worden wat je moet zeggen.” Dàt is ook het vertrouwen wat Sint Stefanus uitademt als hij gestenigd wordt en bid: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Een act van geloof. Een échte getuigenis.

 

Laten we ons dus openstellen voor de (goede) richting waarheen Stefanus ons roept en laten we vertrouwen op Christus die ons niet uit het oog verliest als we het moeilijk hebben, maar ons kent, ons steunt en ons helpt op die (moeilijke) momenten.

 

Moge de heilige Stefanus ook onze voorspreker zijn bij God, opdat ook wij mogen geloven en verkondigen zoals hij.

 

Amen.

                                                                                             

VERKONDIGING op de Eerste Kerstdag van 2009 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (52, 7-10), uit de brief aan de Hebreeën (1, 1-6) en uit het Johannes-evangelie (1, 1-18).

 

"Vanuit een oneindig klein begin begon 13,7 miljard jaar geleden de expansie (het "zich uitzetten") van het universum" zeggen de geleerden. "Die nog steeds voortgaande expansie creëerde ruimte en tijd. (...) Een minimale fractie na het begin expandeerde het embryonale (het nog maar nauwelijks geboren) universum sneller dan de lichtsnelheid, van de afmetingen van een atoom tot die van een sterrenstelsel. (...) In totaal lijken er zo'n honderd miljard (ik herhaal: honderd miljard) sterrenstelsels te zijn. (...) Ons zónnestelsel bevindt zich (...) in een rustige buitenwijk van de melkweg." Daarmee wordt bedoeld: "Er zijn geen levensgevaarlijke stralingsbronnen in de buurt die op elk moment een eind kunnen maken aan alle leven op aarde." De condities op aarde zijn van dien aard dat het leven zoals wij dat kennen heeft kunnen ontstaan. Dat dat leven er uit ziet zoals het er uit ziet is het resultaat van een veelheid van op elkaar inwerkende factoren. Het leven op aarde had er ook heel anders uit kunnen zien. Wijzelf met name, de mensen, hadden er ook helemaal niet kunnen zijn. En of de aarde temidden van die honderd miljard sterrenstelsels de enige planeet is waar leven mogelijk is? Míj lijkt dat onwaarschijnlijk ...

 

Deze wetenschappelijke bevindingen en de theorieën die ermee samenhangen[11], dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, doen een mens gemakkelijk duizelen. Het is indrukwekkend.

 

Net zó indrukwekkend zijn de eerste zinnen van het Johannes-evangelie die ik U zodadelijk voorlas: "In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen." Met dat "Woord" bedoelt Johannes: de mens Jezus van Nazareth van wie wij jaarlijks met Kerstmis de geboorte vieren. In Hem, beweert Johannes, is iets, is iemand met eeuwigheidswaarde aan het licht gekomen.

 

Het contrast, veelgeliefden, kán bijna niet groter zijn. Aan de ene kant heb je onze wetenschappers die zeggen: Het begin van ons universum, van onze aarde en van het leven op aarde is een zielloze chemische reactie en alles is toeval. Aan de andere kant staat dan onze Johannes die naar Jezus wijst en ons zegt: Híj staat aan de oorsprong en Híj is het hoogtepunt en het doel van alles. In Johannes' eigen woorden: "Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren God die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen." Of, om het met de woorden van de brief aan de Hebreeën (de tweede lezing vandaag) te zeggen: "Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen."

 

Aan het begin van de viering, afgelopen nacht, van de nachtmis in de Sint-Pieter in Rome is paus Benedictus XVI door een mevrouw omvergegooid. Gelukkig is de paus heel gebleven en heeft hij gewoon in de viering van de nachtmis kunnen voorgaan, maar toch ... Je zou deze gebeurtenis in dit verband wél kunnen zien als een symbolische gebeurtenis. De waarheid van het christelijk geloof zoals die gepresenteerd wordt in en vanuit onze kerk, op de eerste plaats ook door de paus, die waarheid "is moeilijk staande te houden". Er wordt op afgegeven en tegenaan gebeukt. Men wil en kan die vaak niet horen. Hoofd én hart van mensen kunnen ertegen in opstand komen. Johannes schrijft: "Het ware licht dat iedere mens verlicht kwam in de wereld. Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden, en toch kende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen

aanvaardden Hem niet."

 

Sluiten die twee waarheden, de wetenschappelijke waarheid over bijvoorbeeld het ontstaan van de kosmos én de gelovige waarheid in verband met Jezus Christus; sluiten die twee vormen van waarheid elkaar uit? Voor onze Kerk in elk geval niet. Want: de waarheid kán niet met zichzelf in strijd zijn. Er kúnnen ten diepste geen twee of meer concurrerende vormen van waarheid zijn. Want dan zou waarheid ophouden waarheid te zijn. De waarheid van het geloof moet derhalve altijd samen kunnen worden gedacht met die van de wetenschap.

 

Wat we kunnen horen en zien, wat we kunnen ervaren, voelen en begrijpen in en door onze gelovige omgang met Jezus Christus, dat "kleurt" onze blik op doorslaggevende wijze, dat maakt voor ons alles anders, tegen alles kunnen we aankijken vanuit Hem en met het oog op Hem. In de veelheid van woorden temidden waarvan wij leven, en hoe nietszeggend en kil kunnen die woorden niet zijn; temidden van al die woorden zijn die van Hem, van Jezus, warm, zuiver, écht en puur. Hij is voor ons de essentie van elk woord. Zijn woord valt samen met Zijn persoon. Zijn woord is vlees en bloed. Hij heeft het geleefd. Zijn leven en Zijn persoon geven ons daardoor licht. In elk licht kunnen we Hem dan ook herkennen: in het zachte licht van kaarsen én in het röntgenlicht dat alles onthult wat onder de opppervlakte van onze huid en van ons leven verborgen is. Die hele expansie van het heelal, de hele evolutie van het leven op aarde, de hele geschiedenis: in Jezus Christus vindt die hele ontwikkeling haar hoogtepunt. Zó mogen wij wat Johannes de evangelist ons wil zeggen wel uitleggen denk ik. Hij is het hart van de geschiedenis, óók van de geschiedenis ná Zijn dood en verrijzenis. Temidden van die honderd miljard sterrenstelsels is Hij het warme kloppende hart. Moge dat hart, veelgeliefden, het onze zijn. Mogen wij erin geborgen zijn. Ik wens U een Zalig Kerstmis. Amen.

                                                                                             

 

VERKONDIGING in de Kerstnacht van 2009 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (9, 1-6), uit de brief aan Titus (2, 11-14) en uit het Lucas-evangelie (2, 1-14).

 

"Het is klaar. Het is echt klaar. Wij trekken onze handen ervan af. Ik heb het gehad" - zegt de moeder van Laura, "het zeilmeisje", 14 jaar oud. Ze heeft zich in haar hoofd gehaald om in haar eentje rond de wereld te zeilen. In dat kader onttrok ze zich onlangs aan het toezicht door het Buro Jeugdzorg door naar Sint-Maarten te vliegen, één van de Bovenwindse Eilanden, in het Caraïbisch gebied. Naar verluidt was het om een zeilboot te kopen. Maar de rechtbank heeft bepaald dat Laura toch bij haar vader mag blijven wonen. En dat is voor Laura's moeder, die de wereldzeilreis helemaal niet ziet zitten, reden om nu alle banden met haar dochter en haar ex-man door te snijden: "Het is klaar. Het is echt klaar. Wij trekken onze handen ervan af. Ik heb het gehad."

 

Oorlog in de familie, vlak voor Kerst. Grondig bedorven verhoudingen. De luikjes gaan dicht. Het zit muurvast. Mensen kunnen niet meer verder met elkaar. Denk bijvoorbeeld ook even, een maand of wat geleden, aan de burgemeester van Huizen en z'n wethouders. Er was onderling "geen chemie" zo werd gezegd. De burgemeester is op wachtgeld gegaan. Gelukkig voor hem is dat zeer royaal, dat wachtgeld. Hij zal vooralsnog geen beroep hoeven doen op de voedselbank, maar toch ... "geen chemie" - het is een bittere conclusie als dat gezegd wordt over verhoudingen tussen mensen. Je hoort de term nogal eens de laatste tijd. Soms zie je dingen gebeuren tussen mensen en ook in je eigen leven dat je het je af kunt vragen: Is dít het nu? Heb ík er nu ook mee te maken? Is het gewoon "geen chemie" wat hier speelt? Chemie, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; chemie is zoals bekend een kwestie van verbindingen. Chemische stoffen, uiteenlopend van samenstelling, reagéren op elkaar. Daar komt iets uit. Er komt iets goeds uit, iets nieuws waar we mee verder kunnen en waar we wat aan hebben, waar we betere verf of beter medicijnen mee kunnen maken, goede chemie ...! Maar het kan ook mis gaan. En het kan ook doodslaan. Dat is dan slechte chemie. Mensen met hun gezicht, met hun stem, met hun persoonlijkheid, met hun ideeën en wat ze verder in hun hoofd hebben, mensen en de sfeer die ze met zich meebrengen, mensen lijken in die zin op chemische stoffen. Het werkt, het stróómt tussen mensen. Dan is er chemie. Of het gaat moeizaam of zelfs helemaal niet. Dan is er geen chemie of is er slechte chemie tussen mensen.

 

Wij zijn hier, veelgeliefden, bijeen in het donker. Als we al ons kunstlicht even wegdenken, dan is het donker, aardedonker. En zó kan ons leven zijn. De profeet Jesaja die wij hoorden spreken in de eerste lezing van deze nacht, spreekt over een "volk dat ronddwaalt in het donker" en over "hen die wonen in een land vol duisternis". Nou, veelgeliefden, vul maar in zou ik zeggen: Met welke duisternis en met welke donkere gegevens heb jij in je leven te maken en hebben wij met z'n allen te maken? Ik denk: bijna altijd gaat het om omstandigheden van géén of slechte chemie tussen mensen: in de familie, met de buren, tussen collega's, in de kerk en tussen mensen met verschillende ethnische en culturele achtergronden of mensen van verschillend geloof: bijvoorbeeld trampersoneel met een hoofddoek óf met een groot kruis op de borst.

 

Het is nacht, veelgeliefden. Duisternis, "geen chemie", is er overal in onze wereld. Maar deze nacht is de Kerstnacht. In deze nacht ontvangen wij in onze duisternis licht. "Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op." Jesaja spreekt over vreugde: "Uitbundig laat U hen juichen en U overstelpt hen met vreugde; zij verheugen zich voor uw aanschijn ... Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst. Groot is de macht en eindeloos de vrede ... hij zal het stichten en onderhouden door recht en gerechtigheid vanaf nu en voor altijd. De geestdriftige liefde van de Heer van de machten zal dit teweegbrengen." Aldus de profetie van Jesaja. Jesaja in zijn dagen, in de achtste eeuw voor Christus, voorspelde het: dat zó iemand als hij beschrijft, die hij in zijn visioen heeft gezien, ooit geboren zal worden. En wij mogen geloven veelgeliefden, dat Jesaja's visioen vervuld ís in de geboorte, in het leven, in de werkzaamheid, in het lijden, het sterven, in de verrijzenis en in de Geest van Jezus van Nazareth. De evangelist Lucas heeft ons Jezus' geboorteverhaal geschonken. Ook in dat verhaal is er, precies als bij Jesaja, sprake van vreugde, grote vreugde zelfs: gaudium magnum in het latijn. "Grote vreugde voor het hele volk", dát is wat Jezus' geboorte betekent. De "herders, die in het veld overnachtten om de wacht te houden bij hun kudde" zagen een engel die hen het bericht van Jezus' geboorte bracht en die hen die vreugde aanzegde en "plotseling was er bij de engel een heel leger uit de hemel" om het te bevestigen.

 

Dit alles stelt allerlei indringende vragen aan óns veelgeliefden:

 

Herkennen wij ons in die herders? Herken jij jezelf er in? Hoe gaat het met jou en jouw kudde? Wat ís jouw kudde? Waaruit bestaat die. Voor wie, voor wat zorg jíj? Voor wie of wat mág jij zorgen? Is het een huis? Zijn het spullen? Zijn het mensen? En zo ja, welke mensen? Zijn het oude mensen of jonge mensen? Zijn het je ouders? Zijn het je kinderen? Of is het je partner? Is het een vriend, is het een vriendin? Of is het vooral een dier waar jij voor zorgt; een poes, een hond, een paard, een schaap of een ezel? Of zijn het geiten - dan heb je een droevige Kerst dit jaar als je geiten hebt ... Voor wie of wat mag jíj zorgen? Of ben jij in je zorg gefrustreerd zoals de moeder van Laura het zeilmeisje?

 

En dan: Wat betekent voor jou, binnen jouw levensomstandigheden; wat betekent voor jou met je kudde; wat betekent daarvoor de geboorte van Jezus? Die vreugde waarover Jesaja en waarover bij monde van Lucas de engel spreekt en waarin dat hele leger van engelen uit de hemel hem of haar bijvalt - kun jij die vreugde een beetje meevoelen? En kun je die een beetje meemáken? Kun je die vreugde krijgen, kun je die ontvangen? En kun je vervolgens in die vreugde een actief aandeel hebben? Krijgt de vreugde vanwege Jezus die ons van Godswege door de engel wordt aangezegd, krijgt die vreugde een beetje vat op jou, kun je jezelf daarvoor openstellen en voel je die vreugde vervolgens in je varen en ben jij vervolgens een mens die de feestvreugde verhoogt? Of probeer je dat wel maar lukt het niet? Of is en blijft de lijn, dat lijntje naar boven; blijft dat dood? Staat er géén stroom op? Gaat de vreugde vanwege Jezus' geboorte in wezen toch langs je heen en deel je er níet in? Als dat laatste het geval is, hoe is dat dan voor je? Betreur je dat dan? Doet het je verdriet zelfs omdat je er wél naar verlangt? Of kan het je niet schelen omdat die hele Jezus enzovoort je eigenlijk helemaal niet interesseert?

 

Hoe zou ene Jezus die tweeduizend jaar terug leefde mij hier en nu in deze tijd blij kunnen maken? Wat heeft Laura het zeilmeisje aan Hem? Wat heeft haar moeder aan Hem? Wat heeft haar vader aan Hem? Wat heb ik aan Hem? Wat kúnnen we aan Hem hebben als wij ons tenminste werkelijk in Hem verdiepen en Hem werkelijk de kans geven om tot ons door te dringen?

 

Ach ja mensen, wat zal ik zeggen ... ? "Jezus" die naam betekent: "God redt". In Jezus Christus, in wat wij in de bijbel over en van Hem horen als verpersoonlijking van het geloof van Israël, als mens in wie God zelf vlees en bloed geworden is, in Hem is God reddend aanwezig. In hoe wij in de Kerk met Jezus omgaan, in hoe wij Hem ontvangen in de sacramenten, bovenal in het sacrament van het Lichaam en Bloed des Heren dat wij ook zodadelijk in deze Kerstnacht weer zullen mogen ontvangen, daarin is God reddend voor mij aanwezig. Als ik zodadelijk voor U in de miskelk een beetje water bij de wijn zal doen, dan zal ik, in stilte of hardop, uitspreken de woorden: "Water en wijn worden één, Gij deelt ons mens-zijn en neemt ons op in uw goddelijk leven." Dát is de chemie van de Kerstnacht veelgeliefden. Dát is de chemie van het christelijk geloof en van de Katholieke Kerk. De term "géén chemie" en wat er mee wil worden uitgedrukt, de overtuiging, ja het gelóóf eigenlijk dat er met sommige mensen gewoon niet te werken en niet te leven valt, die term en die overtuiging casu quo dat geloof die passen helemaal niet bij het chrístelijk geloof en bij de Katholieke Kerk. Water en wijn worden één. In Jezus wil God, als de wijn, zich met elk van ons, als het water, verbinden. In Jezus is Hij er voor ons allen en neemt Hij ons allen áán en in Zich op. God geeft niemand op. God schrijft niemand af. Voor, bij en in God is altijd een nieuw begin, een nieuwe geboorte mogelijk. In Jezus van Nazareth, heden geboren, reikt Hij elk van ons Zijn reddende hand - opdat ook wij elkaar ten diepste nooit afschrijven en opgeven en altijd bereid blijven elkaar opnieuw de hand te reiken. Met Pinksteren, als wij vieren het feest van Jezus' Geest die dezelfde is als die van de Vader en die Hij over de Kerk en alle gelovigen heeft uitgestort, dan zingen we altijd: Lava quod est sordidum, Riga quod est aridum, Sana quod est saucium. Flecte quod est rigidum, Fove quod est frigidum, Rege quod est devium. En dat betekent: Was (wat) wie vuil is geworden, bevochtig (wat) wie is verdroogd, genees (wat) wie gewond is. Buig (wat) wie stram, rigide is, verwarm (wat) wie koud is geworden, wijs opnieuw de weg (wat) wie de weg is kwijtgeraakt.

 

Jezus, God, hun beider Geest, redt. We hebben het huis gereinigd. We hebben het huis versierd. Er staan bloemen. De kerstboom staat. Lichtjes branden. We hebben de stal met de beeldjes weer tevoorschijn gehaald en neergezet. De viering van het hoogfeest van Christus' geboorte, "de geestdriftige liefde van de Heer van de machten" heeft ons daartoe geïnspireerd. Een nieuw begin. Nieuwe hoop. We geven Hem en we geven elkaar niet op. Nooit. Met iedereen valt op de één of andere altijd te leven en te werken. Kwestie van de goede chemie. God schenkt ons die in Jezus - voor alle omstandigheden van ons leven en voor alle mensen met wie wij te maken hebben of te maken krijgen. Ik wens U allen een Zalig Kerstmis. Amen.

 

                       

OVER DE KELKCOMMUNIE

 

Op de laatste avond van Zijn leven heeft Jezus van Nazareth, de Zoon van God, brood en wijn genomen en tegen Zijn leerlingen gezegd "dit is mijn lichaam", "dit is mijn bloed" en heeft Hij hen gevraagd om voortaan brood en wijn te eten en te drinken tot Zijn gedachtenis.

 

Om verschillende redenen is gedurende vele eeuwen deelname aan de kelkcommunie (het drinken van de wijn, het Bloed des Heren) door "het volk" niet gebruikelijk geweest en voorbehouden geraakt aan met name de priesters. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), gedreven door het verlangen om de katholieke liturgie zoveel mogelijk vorm te geven conform het verlangen van de Heer zelf en naar de wijze waarop deze liturgie gevierd is in de Kerk tijdens de eerste eeuwen van haar bestaan, heeft de mogelijkheid van deelname van "het volk" aan de kelkcommunie willen verruimen. In Nederland en zeker ook in Amsterdam is men in vele katholieke kerken van de verruiming van deze mogelijkheid tot kelkcommunie door "het volk" gebruik gaan maken. De wijze waarop men deze kelkcommunie vorm is gaan geven was veelal middels het zogenaamde "indopen": Men ontvangt van de priester of een hem assisterende leek het communiebrood en men doopt dit zelf ín in de kelk met communiewijn die voorgehouden wordt door priester of leek. Aldus was reeds de situatie toen ik in de zomer van 1994 pastor werd van de Amsterdamse r.k. Vredeskerk (Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede). Tientallen jaren is de beschreven wijze van communiceren in deze kerk met toewijding en respect gepraktizeerd, eigenlijk tot bijna ieders tevredenheid in mijn beleving.

 

De kerkleiding (paus en bisschoppen) is (zijn) echter niet gelukkig met de beschreven wijze van kelkcommunie. Men stelt: de communie, brood en wijn, behoort te worden ontvangen. Men wordt niet geacht zelf "te nemen" - hetgeen in de beschreven wijze van kelkcommunie wél zou gebeuren. Een weinig drinken uit de aangereikte beker/kelk is als wijze van communiceren daarentegen wél geoorloofd. Er is dan ook geen kans dat druppels wijn, Bloed des Heren, van het ingedoopte communiebrood vallen eventueel.

 

Ik ben van mening dat in deze hele materie het hart van de zaak, namelijk de levende aanwezigheid van de Heer Jezus zelf die ons in brood en wijn Zijn Lichaam én Bloed geschonken heeft, overschaduwd wordt, in de publiciteit maar soms ook in de beleving van de gelovigen, door deze naar mijn mening betrekkelijk arbitraire kerkelijke regelgeving. Immers: de beker waaruit men drinkt wordt toch óók aangereikt en men moet er zélf de lippen aan brengen. Ik betreur het in hoge mate als de aandacht voor de precieze vorm van het communiceren die voor de inhoud ervan, die de Heer zelf is, verdringt en vraag mij zelfs af of hier ook niet van toepassing is wat de Heer zegt in het achtste vers van het zevende hoofdstuk van het Marcus-evangelie: "De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast." (De Nieuwe Bijbelvertaling). De kerkleiding echter urgeert om de haar moverende redenen, zoals uiteengezet, en ingegeven uiteraard ook door het verlangen én de overtuiging aldus de Heer recht te doen, in toenemende mate een verbod op "indopen". Toen mij vorig jaar naast de leiding van de Vredesparochie eveneens die van de Rozenkransparochie te Amsterdam werd toevertrouwd achtte ik het moment gekomen om de wijze van communiceren in de Vredesparochie in de door de kerkleiding gewenste zin te wijzigen omdat "de Kerk nu eenmaal niet van mij is", ik de kerkleiding ook erken in haar verantwoordelijkheid in deze en ik collega's waarvan wij in de gewijzigde omstandigheden (met twee parochies) méér afhankelijk worden niet wil opzadelen met een wijze van communiceren die niet juist wordt geacht. Sindsdien (juni 2008) is het in de Vredeskerk dus nog slechts toegestaan om te drinken uit de beker. Wij kunnen garanderen dat zulks op verantwoorde wijze geschiedt. Maar de kelkcommunie is uiteraard niet verplicht. Men kan er ook voor kiezen om slechts te communiceren door het geconsacreerde brood. De Kerk leert dat ook dit een volwaardige communie is. Bijna een jaar nádat deze verandering is doorgevoerd (mei 2009), heeft op een zondag een consultatie van de kerkgangers plaatsgevonden over deze hele materie. Een aantal kerkgangers bleek er voorstander van te zijn om de kelkcommunie maar geheel af te schaffen, een niet onaanzienlijke minderheid wil graag de mogelijkheid behouden om onder beide gedaantes te communiceren. Ik heb toegezegd om op basis van de uitkomsten van dit gesprek een definitieve beslissing over de zaak te nemen. Inmiddels lijkt de parochie als geheel tamelijk gewend aan de nieuwe gang van zaken en wordt er door sommigen wel, door anderen niet uit de kelk gedronken.

 

In de media is de laatste tijd nadrukkelijk de kwestie van de hygiëne van de kelkcommunie aan de orde gesteld, met name in verband met de dreiging van de Mexicaanse griep. Een dokter schreef mij in dit verband: "In ben ervan overtuigd dat een griepepidemie niet opgestuwd zal worden door het gezamenlijk uit een beker drinken". Verder verwijs ik voor deze kwestie graag naar de evenwichtige bespreking ervan op de website http://kattekliek.wordpress.com (thema: Griepangst en eerbied voor de Eucharistie)

 

 

                                                        pastor Pierre Valkering,

                                                        Amsterdam,

                                                        7 september 2009 

 

 

                                      

                                                                                    


Naar boven

 

gratis website statistieken

 



[1] maart 2010, p. 12-15.

[2] 8, 22.

[3] Amsterdam, uitg. De Bezige Bij (2010).

[4] Gerard van Westerloo, De pater en het meisje. Amsterdam (De Bezige Bij), 2010.

[5] in NRC Handelsblad van 13 febrauari 2010 in de bijlage Opinie & debat (p. 10-11).

[6] Uit de hymne voor de metten van Epifanie in het Getijdenboek. Brussel/Zeist (1990), p. 738.

[7] Te bestellen bij de Vier-Türme GmbH, Verlag. 97359 Münsterschwarzach Abtei. Tel. 00-49932420-292. info@vier-turme.de  www.vier-tuerme-verlag.de

[8] Als bron van de woorden geeft de kalender: P. Anselm Grün OSB, Wenn du Gott erfahren willst, öffne deine Sinne. Vier-Türme-Verlag, Münsterschwarzach 2000, p. 53. De vertaling hier is van mij.

[9] Vgl. Handelingen, hfdst. 7.

[10] Vgl. Lc. 23, 34.

[11] en ik ontleen deze aan een fantastische reeks op CD onder de titel "Geschiedenis in het groot" uitgegeven hoorcolleges door Maarten van Rossem (M. van Rossem, Geschiedenis in het groot. Een hoorcollege over de wereldgeschiedenis, van de Big Bang tot het heden. Home Academy Publishers, Den Haag (2007). De gegeven citaten komen uit de bijgeleverde synopsis (p. 9).