Vredeskerk

Home  |   Vieringen  |   |  Algemeen  |  Geschiedenis |  Pastor Valkering  |  Gebeden  |  Koren  |   Links  |  Contact

Archief

                                                                                    

 

VERKONDIGING op 29 januari 2012, de vierde zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Deuteronomium (18, 15-20), Psalm 95 (94), 1-2.6-9), uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (7, 32-35) en uit het Marcus-evangelie (1, 21-28).

 

Afgelopen woensdag stond er in de krant een fantastische foto van het oppervlakte van de zon. Er onder stond geschreven: "De zon is een enorme kernfusiereactor die temperaturen van miljoenen graden opwekt (...) De buitenste lagen van de zon lijken daardoor op een kookpot waarin grote bellen gloeiend heet plasma opstijgen."[1] - Daar kunnen we, dierbare gasten en parochianen; daar kunnen we dus beter een beetje vandaan blijven, van de zon.

 

Dat gold voor de Israëlieten ook wat God betreft. Zij hadden het inzicht, getuige onze eerste lezing vandaag, uit het bijbelboek Deuteronomium, dat je ook bij God beter wat uit de buurt kon blijven: "Laat mij de stem van Heer, mijn God, niet meer horen, en dat grote vuur niet meer zien; anders sterf ik", zo geeft Mozes dat inzicht van de Israëlieten wéér. En Mozes zegt dan, van Godswege nota bene: "Zij hebben gelijk". En vervolgens schildert hij de positie en de rol van de profeet als die van een soort "hitteschild" tussen God, die grote, gloeiende, onverdraaglijk hete zon enerzijds en de mensen  anderzijds. Het is de functie van de profeet dat híj weet te luisteren. God legt hem dan Zíjn woorden in de mond. De profeet moet zeggen wat God hem opdraagt, niet minder, maar ook niet méér. Want God zal de profeet ter verantwoording roepen voor de woorden die hij spreekt. De profeet zal rekenschap moeten afleggen.

 

Dat is, dierbare parochianen en gasten; dat is dus een grote verantwoordelijkheid voor Mozes en alle profeten en ook voor mij en alle andere mensen die in de kerk het woord voeren. God zó ter sprake brengen dat wij het kunnen begrijpen, dat wij het kunnen verdragen en zodat wij "er iets mee kunnen" zoals dat heet. Slagen wij, slaagt de predikant daar in, in deze taak? Ja, dat is natuurlijk altijd afwachten. Het is voor die predikant natuurlijk altijd goed om feed-back te krijgen. Het is natuurlijk voor mensen zoals ik altijd goed om na afloop van de viering, bij de deur van de kerk of bij de koffie of per brief of e-mail van mensen, van u bijvoorbeeld, te horen wat de woorden die wij hebben gesproken met u gedaan hebben, hoe ze bij u zijn aangekomen en wat ze met u doen, op welke manier dan ook.

 

De mensen in de synagoge te Kafarnaüm waren buiten zichzelf van verbazing over Jezus' leer, zo hoorden wij, "want Hij onderrichtte hen niet zoals de schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit." "Je moet niet autoritair zijn, je moet een autoriteit zijn", aldus Emile Roemer, de partijleider van de SP, over het leraarschap[2]. Zo is dat. Boven het raam van de erker aan de voorzijde van het huis van mijn grootouders van moederszijde in Castricum stonden geschilderd de woorden: "Be not seem". Dat betekent: "Lijk (er) niet (op). (Maar) wéés (het)." Oftewel: doe niet alsof, speel geen toneel. Goed voor mij, de toen aankomend priester en predikant; goed voor mij om reeds als kind met die toen raadselachtige woorden te worden geconfronteerd. "Be not seem." Wees geen schijnwezen, geen schaduw, speel geen toneel, doe niet alsof, líjk niet. Maar bén het echt.

 

Hoe doen we het wat dit betreft dierbare gasten en parochianen? Hoe doet de politicus het en de leraar? Hoe doet de paus het en de kardinaal, de bisschop, de pastoor en de dominee? Hoe doe ik het en hoe doet u het? Hoe echt ben je?

 

Jezus heeft gezag. "Er bevond zich in de synagoge juist een man die in de macht was van een onreine geest." Wat is een onreine geest? Ik denk: een onreine geest is een geest die het leven van een mens vertroebelt. Een onreine geest is een geest die een mens onécht maakt, een geest die een mens ervan weerhoudt om zichzelf te zijn, een geest die een mens verhindert om, geheel ontspannen, te zijn wie hij of zij is. Een onreine geest maakt dat een mens gemaakt en verkrampt overkomt.

 

Jezus is de Zoon van God. In Hem leeft de Heilige Geest. En overal waar de Heilige Geest is of komt, dierbare parochianen en gasten; overal waar de Heilige Geest is of komt, daar gaan de onreine geesten zich ongemakkelijk voelen. En dan gaan ze strapatsen maken, die onreine geesten. Dan gaan ze theater maken en zich heftig roeren. Maar Jezus zegt: "Zwijg! Stil! Ga uit hem weg! Ga uit haar weg!" En het gebeurt. En dat is voor de mens in kwestie natuurlijk iets geweldig heilzaams en heerlijks. Want zo iemand hoeft dan niet langer toneel te spelen. Die hoeft dan niet langer iets te lijken, maar kan eenvoudig zijn wie hij of zij is. Be not seem.

 

Wij zijn hier bijeen in de kerk, heilige ruimte van Gods aanwezigheid midden onder ons. Hier is Jezus. Hier is Zijn Geest. Hier héérst die Geest. Zo zou het in elk geval moeten zijn. Hoe zit het met die Geest in ons veelgeliefden? Laten u en ik die Heilige Geest werkelijk heersen in ons? Bent u en ben ik helemaal schoon en vrij van binnen? Of is er toch sprake van onreine geesten die nog in ons, die nog in u of mij standhouden omdat wij ze nog vasthouden; onreine geesten die zich verzetten tégen Jezus' Heilige Geest, tegen de Geest van Jezus' Vader? Het is maar een vraag.

 

Misschien dat deze of gene, of dat bijvoorbeeld ook ikzelf, tot de conclusie zou kunnen komen dat het goed zou zijn om te biechten: om het sacrament van de vergeving te ontvangen, om de ontmoeting met Jezus die de onreine geesten uitdrijft, om die ontmoeting expliciet te zoeken, om er om te vragen, ópdat het gebeuren mág en kán, dát Hij die onreine geesten uit jóuw leven beveelt heen te gaan, opdat jij groeien kunt in vrijheid, in liefde en in vrede. Want uiteindelijk gaat het dáár om. (Moge het zo zijn. Amen.)

 

("Broeders en zusters, ik zou willen dat gij zonder zorgen waart" schrijft de apostel Paulus in  zijn eerste brief aan de christenen van Korinthe, de tweede lezing vandaag. 1441 ZZ, de postcode van mijn ouders. ZZ, "zonder zorgen" zegt mijn vader altijd. En als hij dat zegt, dan zijn die woorden misschien de uitdrukking van een ervaring, zeker. Maar ze zijn ook de uitdrukking van een verlangen, een verlangen dat natuurlijk in elk van óns leeft: óm zonder zorgen te zijn. Wat Paulus paradoxaal genoeg vervolgens dóet is: bespreken waarvoor mensen in verschillende levensomstandigheden mógen zorgen. Hij spreekt over mensen die niet getrouwd zijn, misschien nóg niet. En hij spreekt over mensen die wél getrouwd zijn. Ook spreekt hij over de weduwe. Enerzijds is er de "zorg voor aardse zaken". Paulus heeft het in dat verband over het behagen van de partner. Anderzijds is er de "zorg voor de dingen van de Heer". Ik denk dat we daarbij moeten denken aan het gebed, aan het vasten (die jaarlijkse grote spirituele oefenperiode staat er ook voor ons weer aan te komen) én aan alles wat de Geest ons ingeeft om te doen, namelijk het mensen in de diepste zin van het woord góed doen, materieel en/of spiritueel. Maar ís er in dit verband wel een spanning of zelfs tegenstelling tussen de zorg voor "aardse zaken" en de zorg voor "de dingen van de Heer"? Feitelijk misschien wel, maar zo'n spanning of tegenstelling zou er ten diepste niet moeten of behoeven te zijn denk ik - en denkt ook Paulus, want hij schrijft: "Dit alles schrijf ik tot uw bestwil, niet om uw vrijheid aan banden te leggen; het gaat mij alleen (...) om een onverdeelde toewijding aan de Heer." Zorgen vóór de dingen van de Heer en in dat verband ook voor aardse zaken is goed en het is duidelijk dat mensen dat dit in verschillende levensomstandigheden verschillende vormen zal aannemen. Zorgen vóór is goed. Maar je zorgen maken, veelgeliefden, dát is niet nodig, dát is te allen tijde zónde van de tijd, en van de energie. Dus ik zeg het mijn vader na: ZZ, zonder zorgen. En zonder onreine geesten voeg ik er in Jezus' kielzog aan toe. Zonder onreine geesten en zonder zorgen, mogen wij het allen zijn. Amen.)  

 

 

Overweging 29  I  2012 – door Leo Jacobs ofs

 

Lezingen:   Deut. 18: 15-20;  1Kor 7: 32-35;  Mc 1: 21-28.

 

Het liefst, zusters & broeders, zou ik een enquęte onder jullie willen houden, welke van die twee teksten uit Deuteronomium jullie het meest aanspreken:

*de eerste met de aankondiging dat God uit het volk een profeet van het formaat van Mozes zal doen opstaan, naar wie wij goed moeten luisteren, omdat God zelf door Zijn mond spreekt,  of

*de tweede, waarin het volk zijn angst verwoordt om te zullen sterven wanneer God het rechtstreeks toespreekt.  Doodsbang zijn die mensen om Hem aan te horen; ook het vuur, dat daarmee gepaard gaat, schrikt hen af.

 

Die 2e tekst grijpt terug op het verhaal in Exodus over de tocht van de Israëlieten door de woestijn, na ontkomen te zijn uit Egypte (Ex 20: 18-21). Mozes praat dan regelmatig met God op de berg Horeb in de Sinai- woestijn. Zijn mensen verzamelen zich aan de voet van die berg. Hun is strikt verboden om Mozes te volgen en de berg op te gaan, als zij dat al zouden durven. Want God verbergt zich achter een vuurzee, en rook-  en donderwolken. Dat is ook best eng.

 

Om met de laatste vraag te beginnen:  bang zijn om naar God te luisteren  -  zijn wij christenen dat ?   Wij hebben  zojuist geluisterd naar Gods Woord. En als wij bidden  -  is dat niet een vorm van praten met de almachtige Vader ?  Maar krijgen wij dan ook antwoord ?    Tal van gelovigen, heiligen zelfs, zoals Teresa van Avila en Johannes van het Kruis of meer van onze tijd  Moeder Teresa  -  zij  hebben  gebeden tot zij er bij neervielen, soms zelfs letterlijk en wachtten  niet zelden vergeefs op antwoord.

 

Sommigen vervielen in diepe wanhoop, ervoeren uitblijven van een reactie van hun God als de duisterste nacht.  Maar als er een antwoord komt  -  zouden wij dan schrikken ?  Ik weet het niet. Als ik bid  -  dan heb ik wel eens het gevoel dat ik antwoord krijg, maar dan weet ik niet zeker of ik mij niet iets inbeeld. Maar  ik schrik er niet van, tot nu toe tenminste.   Luisteren naar de stem van God: kan dat vreeswekkend zijn ?

 

  *   *   *

 

Laten wij het nu hebben over de 1e tekst, die aankondiging in Deuteronomium  van een profeet, via welke God rechtstreeks tot ons spreekt. ‘’Uit uw eigen broeders zal de Heer uw God een profeet doen opstaan  …’’   en zo verder.  Wij christenen geloven, of misschien moet ik zeggen: wij weten, dat die profeet zo’n 2000 jaar geleden geboren werd in Bethlehem en dat deze Jezus de Masjiach,  de Christos, de beloofde Verlosser is   -   dat leiden wij o.m. af  uit de vele wonderen die Hij verrichtte.

 

Zoals dat wonder, waarover  ons zoeven is voorgelezen uit het evangelie volgens Marcus: het wonder in het gebedshuis in Kfar Nahum (Kafarnaum, het dorp van Nahum, oudtestamentische profeet),  waar Hij, Jezus uit die schreeuwlelijk een onreine geest opdracht gaf uit die mens weg te gaan. Het wonder is dat het ook werkelijk gebeurde. Die onreine geest werd uitgedreven.

 

Maar wat is dat eigenlijk:   onrein  ?

 

Het evangelie volgens Markus is tot ons gekomen in het Grieks. De Griekse term, die vertaald is als ‘’onrein ‘’, luidt  ‘’akathartos’’.  Dat kan vies, ongewassen betekenen,  maar ook gemeen, onkuis, onzedelijk.

 

In die laatste betekenis zou het mooi aansluiten bij de tekst uit de 1e Korinthiërs- brief, die vanochtend werd gelezen. Daarin praat  de H. apostel Paulus ons warempel het celibaat aan, maar dit terzijde. In de joodse traditie houdt het begrip onrein   - treife -   zoiets in als ‘’door God verboden’’, en dat is eigenlijk alles wat niet koosjer is; daarmee komen wij niet veel verder.  Maar dat woord ‘’akathartos’’ kan nog iets heel anders betekenen, n.l.

’’ niet geboet, onverzoend’’.

 

Een van de 7 sacramenten in onze kerk is het sacrament van boete en verzoening. Ik denk dat het wonder in het gemeenschapshuis in Kfar Nahum daarop betrekking heeft. Die mens daar was onrein omdat het hem niet mogelijk was boete te doen en verzoening te aanvaarden. Zijn geest was verduisterd maar Jezus verdreef die duisternis en bracht er licht en verlichting. Uit de context valt af te leiden dat de religieuze leiders toen en daar niet tot zo’n huzarenstukje in staat waren.  Dat, en ook het gezag waarmee Hij optrad   -   daardoor werd Hij op dat moment herkend als de Gezondene.

 

Wij mogen aannemen, dat die bezetene geen geestelijk gestoorde was, waar  in onze tijd een psychiater op af was gestuurd. Want in de tijd van Jezus zou hij stellig zijn opgevangen door een wijze rabbijn of behandeld door een daartoe bekwame parnas van dat gemeenschapshuis in Kfar Nahum.  Behandeling van geesteszieken bestaat waarschijnlijk   langer dan het schrift al zijn de methodes veranderd.  En ongewassen of zedeloos zou in dit verband  nergens op slaan.  Ook daarom kwam ik uit op boete en verzoening.

 

Waarom is dat sacrament van boete en verzoening voor ons katholieken zo belangrijk?   Om verschillende redenen, bijvoorbeeld omdat zondebesef,  en de erfzonde   -  die krijgen in onze geloofsbeleving heel veel nadruk. De verzoeningsleer is een van de belangrijkste leerstellingen van de kerk.  Dat zou er naar mijn idee - ik ben ook maar een leek -   onder meer toe geleid kunnen hebben dat de seksuele vergrijpen binnen de kerkelijke gemeenschap een extra negatieve lading meekregen, vooral ook voor de slachtoffers. Het heeft er de schijn van dat die zich mede daardoor soms schuldiger voelden dan de daders.

 

Onze relatie met de God van oneindige vertroosting, van grenzeloze ontferming (2Kor.1: 3 -4),  boete en verzoening  -  het speelt een rol in ieders leven. Maar dat houdt in dat wij niet bang mogen zijn om Zijn Stem te horen.  Wees niet bang,  houdt Jezus Zijn volgelingen voor (Joh 6:20). En Hij leert ons ook ‘’Wie oren heeft om te horen, hij luistere’’ (Mc 4: 9). Vaak heeft dit sacrament, dat tot verzoening moest leiden, niet de vreselijke angst weggenomen, die ouderen onder u gekend zullen hebben: bij elke scheet dreigden in het hiernamaals de vlammen van vagevuur en hel. De tijden zijn gelukkig veranderd, althans dat hoop ik.

 

De buitenwacht denkt vaak dat iemand, die biecht en vervolgens de absolutie ontvangt er met een penitentie vanaf is. Zo gemakkelijk is het niet. Behalve oprecht berouw en de stellige intentie om het nooit meer te doen bestaat ook nog de verplichting om in elk geval te proberen de gevolgen van de zonde te repareren.  Dat kan  niet altijd: zo zal een moordenaar het slachtoffer niet tot leven kunnen wekken.  Maar  herstel van aangesticht kwaad   - voor zover mogelijk -   blijft een dwingend vereiste, een wezenlijke noodzaak.

 

De vraag, of dat bevredigend gebeurt, hetzij op individuele basis, hetzij binnen de gemeenschap bij alles, waarmee wij dezer dagen worden geconfronteerd  -  die klemmende vraag laat ik onbeantwoord. Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, leert ons Jezus (Mt.7: 1). 

 

En dan nog dit:  hoe is het gesteld met de vergeving door het slachtoffer ?  Ons geloof is ontstaan uit de joodse traditie. Ondanks alle onderlinge verschillen mogen wij dat nooit vergeten. In die joodse traditie is vergeving alleen mogelijk wanneer het slachtoffer bereid is te vergeven. Hoe zit dat bij ons  ?  Is dat niet een beetje ondergesneeuwd ?  Misschien zelfs een beetje erg ?

 

In  het verhaal bij Markus kunnen wij lezen dat alleen Jezus in staat was die onreine geest te verdrijven*. Nu, 20 eeuwen later, is dat volgens mij nog niet veranderd: niemand, ook niet de Schriftgeleerden of een kardinaal of andere hotemetoten kunnen dat, als het niet de Geest van Jezus Christus is die hun bezielt.

 

En, voor ons als christenen  -  dit geldt voor ons allemaal.   Amen.

 

*Zie ook Mc 3: 22-30.

 

Leo Jacobs  ofs

 

                                                                          

VERKONDIGING op 8 januari 2012, Hoogfeest van de Openbaring des Heren ("Driekoningen") in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (60, 1-6), de brief aan de christenen van Efeze (3, 2-6), en het Mattheüs-evangelie (2, 1-12).

 

In het gezin waarin ik geboren ben zijn er vijf kinderen. De oudste ben ik. Dan komen er drie zussen. En mijn broer is de jongste. Afgelopen september kregen wij een bericht van mijn jongste zus. Zij schreef: "Lieve broers en zusters, Hoe gaat het met jullie, nee, hoe gaat het écht met jullie ... Regelmatig sta ik er bij stil hoe bijzonder het is dat wij als gezin van zeven personen (ook mijn ouders!) nog steeds samen zijn. Wel lijkt het dat de momenten die wij met zijn allen bij elkaar zijn steeds minder worden. Het delen van Sinterklaas, verjaardagen, feestdagen ... iedereen gaat naar het lijkt steeds meer zijn eigen weg. Vroeger, in onze kindertijd, kwamen we nog regelmatig bij opa en oma op bezoek. Nu hebben we onze activiteiten, gezinnetjes, elkaar en lieve vrienden waar we veel mee delen. Dat is goed, maar ik vind het ook ontzettend jammer het contact met jullie, naar het lijkt, steeds meer kwijt te raken. Dit terwijl wij zoveel samen hebben gedeeld. Ik zou het daarom leuk vinden om een gezellige middag en/of avond te organiseren om herinneringen op te halen 'uit de oude doos'." Etcetera. Tot zover dat bericht van mijn jongste zus. Er is goed op gereageerd. Half november was het zover. Toen zijn wij een dag bij elkaar geweest. Van half tien in de morgen totdat het donker werd hebben wij met elkaar gesproken. Over vroeger. En over nu. Over hoe het nu echt met elk van ons gaat ...

 

U denkt misschien: nou, leuk voor jullie, maar wat heeft dat te maken met waarvoor we vandaag naar de kerk gekomen zijn? Wat heeft het te maken met het hoogfeest van de Openbaring des Heren? Wat heeft het te maken met die wijzen uit het oosten die de pasgeboren koning van de Joden zochten?

 

Ach ja, dierbare gasten en parochianen. Ik denk: die wijzen, dat waren en dat zijn, ménsen, vreemden, van ver, die op zoek zijn naar één van ons, naar dat Kind waaromtrent zij een belangrijke intuďtie hebben gekregen. In die intuďtie hebben die wijzen elkaar gevonden. Ze hebben die tegelijk gehad, simultaan. De bijbel, de profeet Micha, waarin Bethlehem wordt genoemd als plaats van de geboorte van de koning van de Joden, van die "leider" "die herder zal zijn van mijn volk Israël"; de wijzen kenden Micha de profeet niet ... Nee, zij hadden alléén hun gedeelde en heel sterke intuďtie: dáár moeten we zijn. In die hoek moeten we Hem zoeken. En we gaan dat ook doen. We gaan erheen. We gaan op weg ... Ze hadden alleen hun intuďtie. Én er was natuurlijk die ster, die geheimzinnige, heel speciaal flónkerende ster. Twinkle, twinkle little star. En ik denk: die ster was en is van de intuďtie van die wijzen het prachtige beeld - precies zoals mijn heel lieve en prachtige jongste zus ook háár intuďtie heeft gehad, precies zoals ook zij "de stem" daarvan heeft gehoord en ernaar heeft geluisterd en die intuďtie aan ons, haar broers en haar zussen, heeft voorgelegd: "Lieve broers en zusters, hoe gaat het met jullie, nee, hoe gaat het écht met jullie ... ?" Haar intuďtie was: Wij dreigen elkaar voor een stuk kwijt te raken. Wij dreigen het échte, diepe, persoonlijke contact met elkaar te verliezen ... En: dat wil ik niet. Ik wil niet dat dat gebeurt. Laten we elkaar dus opzoeken. Laten we opnieuw op weg gaan naar elkaar. Laten we elkaar opnieuw pogen te ontdekken en te vinden.

 

Want ja, zo is het veelgeliefden, je kunt het wel ver wég zoeken, ver van huis, en natuurlijk: ook dat kan nodig zijn en ook dat kan z'n zin hebben, maar soms zoeken we het, en zoeken we ook Hem, om wie het in de kerk gáát; soms zoeken we het en zoeken we Hem ook verder weg dan nodig is. Bethlehem ligt misschien veel dichter bij dan we denken. Het ligt misschien wel vlak voor onze voeten. Maar zie je het wel? Hopelijk gaat er in de kerk vandaag voor ons een lichtje op, een ster die ons er de weg naar wijst: naar dat Bethlehem, naar óns Bethlehem, naar jouw Bethlehem, naar dat van u, naar dat van mij. Waar ligt jouw Bethlehem? Waar is het, nee, waar is Hij voor jou te vinden? Om die vraag gaat het denk ik in wezen veelgeliefden.

 

Eén van ons schreef mij over afgelopen Kerstavond: "Wij waren om elf uur in de Obrecht, nadat wij met veertien personen/persoontjes aan tafel hebben gezeten. Wat voel je je dan rijk! Twee ouders, drie kinderen met hun partners en zes kleinkinderen. Fantastisch." Ja, die heeft op Kerstavond zijn Bethlehem gevonden ...

 

niet alleen thuis dus, maar óók in de kerk. Zoals de wijzen in het oosten is dat hele gezelschap van veertien personen op een gegeven moment toch van tafel opgestaan, heeft het zich in beweging gezet en is ter kerke gegaan, om hier de pasgeboren koning van de Joden te zoeken en te vinden. Hopelijk hebben zij Hem alle veertien hier inderdáád een beetje, of een beetje véél, of liefst natuurlijk helemáál gevonden. Altijd blijft dat een spannende vraag: Kun je het vinden in de kerk? Kun je Hem er vinden? Onze antwoorden op die vraag lopen natuurlijk uiteen. Elk mens gaat hierin zijn en haar eigen weg. En het is goed om elkaar daarover te vertellen: over de weg die jij gaat. Door daarover aan elkaar te vertellen inspireren wij hopelijk elkaar en helpen wij elkaar voort.

 

Wat of wie is het hart, het licht, het ijkpunt van jouw leven? Om wie of waar omheen cirkelt dat? Sta jij zelf in het middelpunt van jouw leven en jouw wereld? Ben jij voor jezelf het licht? Geloof je alleen in jezelf? En wil je graag door mensen gezíen, bewonderd en geëerd worden? Zit je daar op te wachten? Heb je dat nodig? - In dat geval lijk je op koning Herodes want díe beleeft zichzelf op die manier. En hij kan het niet uitstaan dat de wijzen uit het oosten op zoek zijn naar heel iemand ánders en dat ze in zekere zin langs en dóór hem heen kijken en hem alleen als vraagbaak, als hun toeristisch informatiepunt gebruiken. Herodes is echt zo'n mánnetje dat heel gauw op z'n teentjes en op z'n pik is getrapt. Een haantje dat in zijn kuif wordt gepikt. Hij voelt zich snel tekort gedaan. Hij voelt zich snel beledigd. "Ga een nauwkeurig onderzoek instellen naar het kind. Wanneer u het gevonden hebt, laat het mij dan weten; dan kan ook ik het gaan huldigen". Dat zegt Herodes tegen de wijzen. Het klinkt poeslief. Maar hij is een vals loeder, die Herodes. En als jij voor jezelf het middelpunt van het universum bent, dan is het gevaar niet denkbeeldig dat die onoprechtheid ook bij jou naar binnen sluipt.

 

Wat of wie is het hart, het licht, het ijkpunt van jouw leven? Ben je het zelf? Is het je partner? Is het je familie, je werk? Is het geld of goed? Is het je reputatie? Ook van dát alles kan gelden, veelgeliefden, dat het in feite een verlengstuk van je eigen ik is en in die zin: "vals licht". Op de televisie is momenteel een reclamespotje te zien voor een bank of verzekeringsmaatschappij. Je ziet daarin een well-to-do familie rond een tafel verenigd. En dan komt de vader/grootvader van het hele spul in beeld die dan met een zuinig en zelfvoldaan trekje om de mond tegen z'n vrouw zegt: "Ik vind dat wij dat goed geregeld hebben" - financieel. De strekking van het spotje is: Wij hebben onze schaapjes goed op het droge en het blijft allemaal lekker in de familie. Ik vind dat spotje niet zo geweldig sympathiek. Het is mij te behoudzuchtig, te bezadigd, te benauwd en afgesloten en te weinig Bethlehem.

 

Het wáre licht, veelgeliefden, hebben wij niet van onszelf en is géén familiebezit. Het ware licht, daar kun je wel een intuďtie van hebben, maar je moet het gaan zoeken. Je moet er het huis voor uit. Het ware licht ís beschikbaar. Het ís te vinden. Het ís ons geschonken. Ook jíj kunt er in delen. Elk mens kan dat. Iedereen is welkom en is uitgenodigd om het te ontvangen. Maar we hebben het niet van onszelf en het is niet ons eigendom. Zó wordt ons vandaag op dit hoogfeest van de Openbaring des Heren denk ik te verstaan gegeven.

 

De wijzen, "haalden hun schatten tevoorschijn en gaven Hem goud, wierook en mirre als geschenk." Die drie geschenken zijn de uitdrukking van hun intuďtie omtrent de betekenis van het Kind dat zij zijn gaan zoeken en nu gevonden hebben. Dat Kind is koninklijk: goud. Dat Kind is goddelijk: wierook. En de betekenis die dat Kind voor ons heeft zal pas ten volle duidelijk worden in en door zijn sterven: mirre - dat symbool staat voor lijden en dood.

 

Het hart, het licht, het ijkpunt van ons leven, veelgeliefden, is voor ons als kerkgemeenschap en als christenen ten diepste het Kind van Bethlehem en niets en niemand anders. Dat Hij dus leven mag en leven blijft: in het hart van elk van ons, in het hart van onze families en in het hart van onze wereld. Amen.

                                                                 

 

VERKONDIGING op 1 januari 2012, Hoogfeest van de Moeder Gods, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

Gelezen: uit het boek Numeri (6, 22-27), de brief aan de Galaten (4, 4-7) en het Lucasevangelie (2, 16-21).

 

"Jongens, het is afgelopen nacht misschien laat geworden, en jullie hebben misschien wat gedronken ... we zullen het jullie dus niet te moeilijk maken." Alsof, alsof, dierbare gasten en parochianen, alsóf de samenstellers van de liturgie van deze Nieuwjaarsdag, hoogfeest van de Moeder Gods, alsof zij dát gedacht hebben. Want de drie schriftlezingen voor deze dag zijn ultra-kort.

 

Wij hoorden het vervolg van het evangelie van de Kerstnacht. "Haastig gingen ze (de herders) erheen (naar Bethlehem) en vonden Maria en Jozef, en het kind dat in de voerbak lag." Ons altaarkribje, met 't gipsen kindje, vroeger hoogblond maar nu alweer een flink aantal jaren bruinharig, op mijn verzoek destijds door Fred van Stigt multi-cultureel, en meer semitisch ook, bijgekleurd; dat gipsen kindje in het altaarkribje met de armpjes zo verwelkomend gestrekt, het is alweer in de coulissen van de sacristie van uw Vredeskerk verdwenen. Nu vinden we aan het begin van het middenpad van de kerk, op de altaartreden, een beeld , eveneens van gips, maar van veel recenter datum als het neo-gótische kindje: een beeld van Maria met kind, uit de jaren vijftig-zestig denk ik. Maria als sterke, gespierde jonge moeder, een werkende vrouw, de voeten staan stevig op de grond, de knieën wijken uiteen. En op de linkerknie zit haar kind. En beiden, moeder en kind, lachen. Zij hebben een duidelijke lach om de mond. "Zij ziet lachend de komende dag tegemoet". Aan díe woorden uit het bijbelboek der Spreuken, uit het loflied op de sterke vrouw[3], denk ik als ik dit beeld zie. Maria, een sterke vrouw, een vrouw die zich, met haar kind en met Sint-Jozef, zoals voor de herders in Bethlehem, in deze kerk altijd door ons vinden laat, die er altijd op ons wacht en bij wie we altijd welkom zijn.

 

Verbazingwekkende dingen zijn het, die de herders zeggen over het kind. En "Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na." Belangrijke, essentiële  woorden zijn dat over Maria. Woorden die haar ten diepste tekenen en die haar betekenis voor óns ook duidelijk maken. Maria bewaart in haar hart. Ook wat wíj haar toevertrouwen. Zij bewaart het in haar hart en denkt erover na. Een nádenkende, een bedachtzame vrouw, Maria. Iemand die kan zwijgen.

 

Zo treffen wij haar aan in de beelden die we van haar in de kerk hebben, altijd zwijgend. "Hij zegt niks terug" hoor je mensen wel eens zeggen als het om God gaat en als het om bidden gaat. Hetzelfde kan gezegd worden in verband met Maria. Een zwijgzame gestalte. Máár iemand die kan luisteren, naar de herders van Bethlehem, destijds, maar ook naar ons. Want als het om God gaat telt in de bijbel ieder woord en is elk detail van blijvend, ja van eeuwigdurend belang, óók dus als het over Maria gaat. Maria zwijgt. Zij luistert. Zij is vol aandacht. Zij denkt na. Oók over wat wij haar toevertrouwen. Je kunt dat werkelijk met haar delen.

 

Elke morgen en elke avond sta ik hier in de kerk met een handjevol mensen voor het beeld van de Koningin van de Vrede. Wij kijken op naar dat beeld. Wij kijken naar Maria. En zij kijkt naar ons. Over de grens van tijd en eeuwigheid héén maak je contact met haar, met hoe jij je haar voorstelt, met wie zij voor jou ís. Wij zingen het Engel des Heren in het Nederlands of één van de aanroepingen van de Moeder Gods in het Latijn. Je tracht met je geest werkelijk bij haar te zijn, bij de woorden die je zingt, bij de klanken die je hoort en die je zelf mede voortbrengt. Intussen kunnen er ook nog allerlei andere gedachten in je spelen. Je ziet gezichten van mensen voor je. Gedachten aan bepaalde omstandigheden en zorgen komen in je op, terwijl je zingt, terwijl je bidt. En al die gezichten, gedachten, omstandigheden, zorgen worden op die manier opgenomen in het gebed, als balletjes in de soep. Je vertrouwt alles en iedereen toe aan Maria, aan de Moeder Gods. Zij denkt erover na. Je deelt het met haar. En in het contact met haar, dat gebedscontact met haar, dat bestaat in het kijken naar zo'n beeld, in het door je heen laten gaan van de woorden, de klanken van het gebed, maar dat ook los kan komen van woord, klank en beeld en dan alleen nog maar uit en in stilte bestaat, daardoor en daarín kunnen ook antwoorden opwellen, vanuit de diepe oergrond van Gods mysterie en van je eigen ziel. "Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na."

 

"Moge de Heer u zegenen en behoeden! Moge de Heer de glans van zijn aangezicht over u spreiden en u genadig zijn! Moge de Heer zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!" De woorden van de zogenaamde Aäronitische, de priesterlijke zegen uit het bijbelboek Numeri, de eerste lezing vandaag. Woorden die de vaste zondagse kerkgangers en kerkgangsters van deze Vredeskerk heel goed kennen want die zingen wij aan het eind van elke zondagsmis. Heerlijke woorden! De kerk geeft ze, als schriftlezing, een plek in de liturgie aan het begin van dit nieuwe jaar - als om het hele nieuwe jaar, 2012 nu, onder de zegen ervan te plaatsen.

 

"Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden (...) Moge de Heer zijn gelaat naar u keren." De kerk, in haar liturgie, nodigt ons op Nieuwjaarsdag uit om die glans van dat gelaat van de Heer te herkennen in de glans van het gelaat van Maria, Moeder Gods, in wie het gelaat van haar Zoon die ook haar Heer is op volmaakte wijze weerspiegeld wordt. "Entre les bras de Marie dort, dort, dort le petit fils. Mille anges divins, mille seraphins volent ŕ l'entour de ce grand Dieu d'amour." De tekst van een Frans kerstlied uit het begin van de zestiende eeuw. Het koor zal het zodadelijk zingen. "In de armen van Maria slaapt, slaapt, slaapt de kleine zoon. Duizend engelen Gods, duizend serafijnen vliegen rondom deze grote God van liefde." O wat mooi. Moge, dierbare gasten en parochianen, de glans van het gelaat van Maria, de glans van het gelaat van Jezus op allerlei manieren in dit nieuwe jaar 2012 in uw leven oplichten. Ik wens het u van harte toe. Zalig Nieuwjaar. Amen.

 

 

Overweging  26 XII  2011(-09-01).   Leo Jacobs ofs

 

Hnd. 6: 8-10, 7: 54-60; Ps. 31; Mt 10: 17-22.

 

Dat is nogal wat, wat Jezus Zijn volgelingen, en DUS ook ons adviseert: ‘’Neemt u in acht voor de mensen.’’  Zeker als je de zin leest, die er aan vooraf gaat:  ‘’Zie, Ik zend u als schapen tussen wolven. Weest dus omzichtig als slangen en argeloos als duiven.’’.  Is het strijdig met dat andere vermaan van Jezus, om, als je op de ene wang wordt geslagen, om dan de andere wang toe te keren ?  Ik denk het niet.  Het is wel een waarschuwing, dat Hem volgen en leven volgens Gods gebod niet door iedereen in dank wordt afgenomen. Een waarschuwing trouwens, die Hij vele malen geeft *.

 

Het doet mij denken aan de dag dat ik gedoopt en gevormd werd: 14 januari 2001 in de Tichelkerk aan de Lijnbaansgracht.  Ik was al 65; beter laat dan nooit. Bloednerveus was ik en sommigen onder u zullen 65 jaar oud vinden, maar toen ik eenmaal was opgenomen in het mystiek lichaam van Christus voelde ik mij jonger dan ooit. Tegen mijn gewoonte liep ik in een hoogst formeel pak; alleen droeg ik in plaats van een stropdas een prachtig geëmailleerd kruis: een cadeautje van een goede vriendin. En dat droeg ik ’s middags nog steeds.

 

In een euforische stemming betrad ik die middag een vernissage in Amstelveen in het Cobramuseum, waar de nog bejaarder schilder Leo Schatz nieuw werk toonde. In dat museum ontmoette ik een oude vriend, die met uitpuilende ogen naar dat kruis keek en toen uitriep: ‘’wat doe jij met dat hakenkruis om je nek ?’’. Weinig subtiel, maar duidelijk; en schelden doet geen pijn. En later voegde een andere vriend mij toe: ‘’ik heb vandaag een vriend verloren’’.  Leed mijn euforische stemming er onder ?  Nee, helemaal niet.

 

Het was ook allemaal niet zo erg. Die weerzin tegen het geloof in de Enige, het volgen van Zijn Zoon  -  het hoort er als het ware bij, en het valt zeker mee als je het bijvoorbeeld vergelijkt met  het levensgevaar dat christenen lopen in moslimlanden of in een communistische dictatuur als Noord-Korea. Wereldwijd vormen christenen al tijden de meest vervolgde religieuze gemeenschap. Herhaalt de geschiedenis zich ?

 

Want heel toepasselijk vieren wij vandaag het feest van de eerste martelaar, de Heilige Stephanus, een mooie man als ik mag afgaan op schilderijen uit renaissance en barok,  maar dit terzijde.  Aasia Bibi werd recent, in de 21e eeuw, in Pakistan op grond van de blasfemiewet van 1986 ter dood veroordeeld  voor iets wat zij niet gedaan had; de werkelijke reden was dat zij christen is.  Moslims, die zich willen bekeren tot het christendom riskeren in tal van landen de doodstraf. In veel van die landen worden christenen in volksgerichten gelyncht om hun geloof.

 

Het is wel eens anders geweest. Ooit vervolgden christenen andersdenkenden te vuur en te zwaard. Inquisitie, kruistochten, jodenvervolging, het uitmoorden en tot slaaf maken van hele volkeren in de naam van God  -  het zijn inktzwarte bladzijden in de geschiedenis van de kerk. De wantoestanden, waarvan sommige media en andere opiniemakers dezer dagen zo smullen, vallen daarbij bijkans in het niet. Het begon al toen keizer Constantijn het christendom tot staatsgodsdienst degradeerde.  Mag  je zeggen dat wij nu een koekje van eigen deeg krijgen ?

 

Je kunt het ook anders benaderen. In het door de Nationale Raad voor de Liturgie uitgegeven boek ‘’getuigen voor christus’’, over rooms-katholieke bloedgetuigen uit Nederland in de 20e eeuw, wordt paus J.P.II aangehaald. Hij wijst er in een apostolische brief uit 1994 op dat de vroege kerk werd geboren uit het bloed van de martelaren, en dat die latere staatskerk van Constantijn er zonder hun inzet nooit geweest zou zijn. En zijns inziens is de kerk aan het eind van het 2e millennium opnieuw een kerk van martelaren geworden.

 

Is dat zo ?  Het lijkt in het Europa van 2011 zo overdreven maar vergeten wij dan de martelaren in de vorige eeuw ?  Namen als die van de Karmeliet Titus Brandsma of de Karmelietes Edith Stein kennen wij allemaal, maar in het zojuist geciteerde boek lees je over tientallen priesters en andere christenen, die hun geloof eveneens met de dood bekochten.  En dan rijst de vraag: hoe zou het zijn wanneer wij WEL in levensgevaar zouden verkeren als gevolg van ons geloof ? Zouden wij standvastig zijn wanneer het de aardse dood betekent ?

 

In die oorlog van ’40 – ’45 waren er niet veel, die bereid waren hun leven te geven voor Datgene waarin zij geloofden,  maar zij waren er. Ik ben van voor de oorlog, maar ik was te jong om toen in het verzet te gaan. Ik beperkte mij tot het rondbrengen van het illegale krantje Trouw, zonder te weten trouwens dat ook dat een linke zaak was,  maar ik was 8 jaar; wist ik veel. Als ik nu eerlijk ben tegenover jullie, en ook tegenover God en mijzelf - dan moet ik erkennen dat ik mijn aardse bestaan liever niet afsluit als martelaar.

 

Maar kritiek van de buitenwacht   -  daar ben ik eigenlijk vaak wel blij om. Als het verstandige kritiek is  -  dan dwingt het mij om te bezinnen waar ik als gelovige mee bezig ben. En als het de domme smaad of laster is van mensen, die zoals dezer dagen ongehinderd door kennis van zaken andermans onbenulligheden nakakelen  -  dan is het een mooie uitdaging: blijf ik er rustig bij en reageer ik positief ?  Als dat lukt  -  dan zal vaak blijken dat ik aan die mensen mijn boodschap kwijt kan. Zou het niet zo zijn dat ons geloof zeer gebaat is bij weerstanden ? 

 

Kritiek, zelfs ongerechtvaardigde kritiek sterkt je karakter. Wij mogen ook niet verwachten dat er alleen maar positief wordt gereageerd op onze kerk, op ons geloof.  Tenslotte was en is er echt wel een en ander mis in onze gemeenschap. Tegenwoordig hoor je weer veel klagen over toenemende intolerantie. De klagers veronderstellen die intolerantie meestal bij de anderen, zelden bij zichzelf. Zijn wij zelf zo tolerant ?  Ik wil intussen nog een stap verder gaan.

 

Vieren wij vandaag de eerste marteldood van een bekeerling tot Christus  -  voor onze joodse broeders & zusters  is het vandaag de 6e dag van het chanoekafeest. Ook chanoeka heeft te maken met martelaarschap, maar het is nu  toch vooral een feest van het Licht, van de overwinning van het goede op het kwade. Het verhaal van chanoeka wordt beschreven in de bijbelboeken Makkabeeën (1 Mak 4: 36-59; 2 Mak 10: 1-8), die in onze bijbel wel zijn opgenomen en niet in de protestantse en ook niet in de canon van de joodse bijbel, de TeNaCh. Het herdenkt de reiniging en de 8 dagen durende herinwijding van de tempel in Jeruzalem in het jaar 165 v.Chr. .

 

Vergeleken met de problemen die wij christenen soms hadden en hebben  -  dat is helemaal niets vergeleken met de vervolgingen die onze joodse zusters en broeders ondergingen. En toch vieren zij nu het feest van het Licht en ontsteken zij de kaarsen van de chanoekia.  Jezus vierde het trouwens ook, zoals blijkt uit Joh. 10: 22-23.  Ook ons kerstfeest is het feest van het Licht. Het leert ons dat wij christenen licht moeten uitstralen, zoals bijv. de H. apostel Paulus schrijft in zijn brief aan de gemeente van Filippi (Fil 2: 15), licht geven als de sterren. 

 

Voor mijn gevoel sluit dat naadloos  aan bij een tekst uit de KKK, de katechismus van de katholieke kerk, de aanhef  van deel III ‘’het leven in Christus’’ (nr 1691).

Die luidt:  ‘’Christen, erken uw waardigheid. Aangezien u nu deel hebt aan de goddelijke natuur, onteer u niet door terug te keren naar de aftakeling van uw vroeger leven. Roep u in herinnering tot welk Hoofd u behoort en van welk Lichaam u lid bent. Herinner u dat u ontrukt bent aan de macht van de duisternis om te worden overgebracht naar het Licht en het Koninkrijk van God.’’ .

  

Die tekst is rechtstreeks overgenomen uit een homilie van Leo de Grote (Serm.21: 2-3), de paus die in de 5e eeuw met het kruis de Hunnen onder Attila ervan weerhield Rome te veroveren.  Later is Rome nog wel veroverd, geplunderd en verwoest, o.a. door een christelijke keizer en door christelijke koningen; die heidense Hun Attila had blijkbaar meer respect voor het kruis dan de christelijke vorsten.

 

Dat beeld van paus Leo raakt mij diep: die breekbare oude man, maar van een indrukwekkende waardigheid, die met het kruis en zijn diep geworteld geloof meer bereikte, dan de legers die later keizer Karel V niet buiten de Romeinse muren wisten te houden. En wat is zijn vermaning  nog steeds actueel: ja, ons christenen past als leden van het mystiek Lichaam van Christus  dignitas, waardigheid.

 

Zo zij het, amen.

 

 

*  Zie bijvoorbeeld naast Mt 10: 22 ook Lc 21: 12-17 en  Joh 15:18-19. Of Lc 6: 22 en Mt 5: 11. En ook het boek Handelingen en de brieven staan bol van dezelfde waarschuwing.  En denk dan aan de laatste woorden van de H. Stefanus (Hand 7:60) ‘’Heer, reken hun deze zonde niet aan.’’.

 

In het begin was het woord

Preek gehouden op 25 december 2011 door ric Bruijnis (in de Vredeskerk)

 

Johannes 1, 1-18, Jesaja 52, 7-10, Hebreeën 1,1-6, Psalm 98

 

Gisteren werd het geboorteverhaal van Jezus verteld. Hij werd in Bethlehem geboren, in een kribbe in een stal te midden van de dieren.

Een mooi verhaal.

Johannes heeft het ook over de geboorte van de Messias, Jezus Christus, maar hij gaat verder terug. Hij gaat naar de diepste oorsprong van Christus. Dat zegt hij met een hele mooie tekst.

' In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God. Het was in het begin bij God.'

Wat bedoelt Johannes nu met dat woord. Dat slaat eigenlijk op de begintekst van het OT, op het scheppingsverhaal in Genesis.

Toen sprak God: er moet licht zijn, en er was licht. God schiep door te spreken. Zo staat er ook even verder op 'en God zei: dat de aarde jong groen voortbrengt... En God zei: Dat de wateren wemelen van levende wezens...Zo schiep God al pratende de sterren, zon en maan, ook de mens.

Als kind dacht ik: hoe is dat nu mogelijk hoe maak je iets door alleen te spreken.

Verder op in de bijbel staat een ander scheppingsverhaal. Daarin staat dat God de mens van klei maakte. Ook dat bevredigde me niet als kind. God heeft toch geen handen?

Mensen geven vaak menselijke woorden aan moeilijk te doorgronden processen.

Johannes drukt met Woord een geestelijk proces uit. Woord is een vertaling van het Griekse Logos. En logos betekent veel meer dan woord. Het is ook begrip, gedachte, geest. Scheppen is een geestelijk proces, ook als je je handen gebruikt. Tegenwoordig staat de wetenschap met de mond vol tanden. Wat is geest, wat is bewustzijn? Men probeert alles te verklaren uit energie en materie. God is er niet meer.

Christenen, andere religieuze richtingen, Hindoes, Joden, Islamieten geloven dat achter onze stoffelijke wereld geest zit. Niet zichtbaar, maar voor ons allen wel aanwezig in onze woorden, in onze gedachten, onze concerten, onze schilderijen. Allemaal geest. Niet te verklaren uit de chemie, de materiële wereld.

Johannes gaat uit van het woord, de geest. Die was in het begin, en eigenlijk was die er altijd al bij God, in God. Die geest werd omgevormd tot een mens van vlees en bloed, zoals er staat: ja, het woord is vlees geworden. Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die hij als eniggeboren zoon aan de vader ontleende, vervuld als hij was van genade en waarheid.

Daar hopen de Joden op, dat God hier op aarde komt in een tent, dat zijn geest hier op aarde daalt om vrede en recht te vestigen. Met tent bedoelen ze niet een echte tent, maar dat God overal zal wonen. Niet in vaste huizen, tempels of een paleis. Ze denken daarbij ook aan de geschiedenis, hun vlucht uit Egypte, toen ze God in de woestijn ervoeren in een tempel tent, God had geen vaste verblijfplaats, maar trok altijd met hen mee.

Het vleesgeworden woord, de mens geworden geest, Jezus trok ook van stad tot stad, hij had geen vaste verblijfplaats. De geest is overal, niet alleen in een kerk of tempel.

Jezus wordt hier de 'eniggeboren zoon genoemd. Hij word zelfs gezien als één met God. Daarom kent hij God. Hij komt recht uit het hart, het centrum van God.

We lezen: niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de vader, hij heeft Hem doen kennen.'

Daarom was de zoon, het woord er al in het begin. Eigenlijk altijd al. In het Grieks staat er 'en archč' en 'en archč' kun je vertalen met ' in het begin' maar ook met 'in principe'. In principe was het Woord er, het denken van God was er altijd al, zoals God er altijd al was, kunt U het nog volgen. De joden en Islamieten zien God als één, als alleen en Jezus als een gewoon mens. Mensen, zeggen Islamieten, zeggen Joden en Christenen, zijn een schepping van God, ze zijn niet van de zelfde stof, dezelfde substantie, dezelfde verhevenheid als God. God is van een eeuwig levende een durende substantie. Christenen geloven nu dat ook de Christus, ,dat Jezus van dezelfde  substantie, verhevenheid is als God. Eeuwige substantie. Hij was de enig geboren zoon. Hij is mens geworden om een brug te slaan tussen ons en God. Hij werd een model voor ons, leefde voor hoe je een liefdevol en wijs mens kon worden. Niet een lief mens. Jezus was geen lieverdje. Leest U de verhalen maar in het NT. Jezus kon behoorlijk uit zijn slof schieten.

Volgens de joden en Islamieten is Jezus slechts een bijzonder mens.

Volgens de christenen was de Zoon, de vlees geworden Jezus, er al voor de schepping. Hij werd, hij veranderde in een aards mens, door gewoon geboren te worden bij een vrouw. Hij moest immers gelijk worden aan de mens, vlees worden. Alleen zo kon hij de mens laten zien hoe je als mens dichter bij God kon komen. De bedoeling is, dat wij allemaal het eeuwig leven krijgen, kinderen van God worden, van bijna dezelfde verhevenheid zou je kunnen zeggen.

 

We lezen in Johannes: ' in hem, ( dwz in het woord, ofwel in Jezus) was leven en dat leven was het licht der mensen, en het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan'.

Dat is de tragiek voor God, voor Jezus, en uiteindelijk voor ons mensen.

Het licht van het woord, van God werd niet begrepen, het licht had geen werking. Er was overvloedig licht bij ons katholieken, in de kloosterscholen voor kinderen. De kracht van het licht werd misbruikt voor het eigen ik van vele priesters. Gelukkig niet alle. En hoe werkt dat licht bij ons? Licht is bij Johannes het licht van inzicht van wijsheid, van liefde, het licht heeft kracht. Licht dat ons zuivert en dichter bij God brengt.

We lezen: het ware licht was er, dat elk mens verlicht en dat in de wereld moest komen. Het was in de wereld, een wereld die door Hem was ontstaan, en die wereld heeft hem niet erkend.

Let op! De tekst gaat verder: In zijn eigen huis is hij gekomen, en zijn eigen mensen hebben hem niet opgenomen.

Ooit werd dat begrepen, dat Jezus in zijn eigen huis, bij vele Joden niet werd werd gezien als de Messias, de bevrijder van ons mensen. Nu heeft dat huis een wrange betekenis. Christus werd ook bij ons katholieken niet opgenomen, weggeduwd, onder tafel geveegd. Deetman, het onderzoek heeft ons dat wel duidelijk gemaakt.

Blijven wij nu met wanhoop achter? Zal het licht dan nooit werken?

Nee, er staat geschreven: ' aan diegenen die Hem toch opnamen, heeft hij het vermogen gegeven om kinderen te worden van God, aan hen die geloven in zijn Naam

Het licht heeft ook kracht om ons tot kinderen van God te maken als je je er echt voor open stelt.

 

Amen

                                                                                             

 

VERKONDIGING op de Eerste Kerstdag van 2011 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (52, 7-10), Psalm 98 (1-6), uit de brief aan de Hebreeën (1, 1-6) en uit het Johannes-evangelie (1, 1-18).

 

Er voer een sterke emotie door mij heen toen ik zoëven het grote orgel van onze kerk weer voor het eerst hoorde tijdens de viering van de liturgie. Hoeveel uren werk en nauwgezet luisteren tijdens het stemmen, hoeveel vakmanschap, hoeveel aandacht en zorg en geld is er niet geďnvesteerd in de restauratie van dat orgel ... Geweldig dat het vandaag weer klinkt. Het is gelukt! En ik hoorde zoëven, vóór de aanvang van deze dagmis van Kerstmis: In de nachtmis waren 1180 mensen. Dat is prachtig ... 

 

Zelf ben ik dan in de Kerstnacht voorgegaan in de andere kerk, in de Vredeskerk in De Pijp. Als kerstpresentje hadden we vorige week de publicatie van het rapport van de commissie Deetman, over het seksueel misbruik in onze kerk. In verband daarmee hebben we natuurlijk weer een enorme berg negatieve publiciteit over ons heen gestort hebben gekregen. Die Roomse rotkerk én prachtkerk van ons ligt min of meer in puin zou je kunnen zeggen. Dus ik heb gedacht, afgelopen week: Dat wordt me wat met Kerst ... Ik ben benieuwd. Gaan er nog wel mensen komen?

 

Gods wegen zijn wonderbaar en ondoorgrondelijk dierbare parochianen en gasten: Het was in de Vredeskerk duidelijk nog drukker dan in voorgaande jaren. Zeker ook de kinderviering. Die heeft gisteravond gewoon geboomd. Ik kreeg ook niet de indruk dat er onder de kerstnachtbezoekers zeg maar veel "ramptoeristen" waren. Nee, allemaal blije mensen in kerststemming, precies als hier denk ik. We maakten eigenlijk een beetje mee gisteravond waarover de profeet Jesaja vandaag spreekt in de eerste lezing: "Jubel en juich, allen tezamen, puinhopen van Jeruzalem; want de Heer heeft zijn volk bemoedigd." Ja, ik voelde mij bemoedigd in de afgelopen Kerstnacht: vanwege de toevloed van mensen die, "ondanks alles", toch naar de kerk zijn gekomen én vanwege de blijde, vreugdevolle, montere, opgewekte stemming die er heerste. Geheel terecht natuurlijk. Want zégt, veelgeliefden, zegt Jesája ons vandaag niet: "Hoe welkom zijn, op de bergen, de voeten van de vreugdebode die vrede meldt, van de vreugdebode met goed nieuws, die een boodschap van heil laat horen en tegen Sion zegt: 'Uw God is koning!' " ... ?

 

Zulke woorden, veelgeliefden, die láát je jezelf niet afpakken, door géén kerkelijk seksueel misbruik of wat dan ook. Nee, de mensen hebben gelijk, ú hebt gelijk dat u ook vandaag weer naar de kerk gekomen bent. Ik citeer nogmaals Jesaja: "Luister! Uw torenwachters verheffen hun stem en jubelen eensgezind, want zij zien met eigen ogen hoe de Heer naar Sion terugkeert." Zulke woorden lees je niet in de krant, ook niet in de kwaliteitskrant. De kranten die binnen onze samenleving toch ook zo'n soort functie als die van "torenwachter", en van heraut hebben; in onze kranten léés je dat niet, nog niet, en je hoort het niet, nog niet, op radio en t.v.: dat de Heer naar Sion terugkeert. Dat hij naar de Kerk ook terugkeert. En dat Hij haar bemoedigt en haar puinhopen herstelt. Maar het gebeurt veelgeliefden. We hebben het in de Kerstviering in het jaar onzes Heren 2011 kunnen ervaren en waarnemen.

 

In de Kerstnacht lazen wij uit het Lucas-evangelie, over de herders op het veld die in de nacht bij hun kudde waakten. Die kudde én die herders: dat zijn ook wijzelf. In ons eigen leven kan het nacht zijn. En dan is het je opdracht om bij jouw kudde, hoe klein die ook is; om het daarin en daarmee eenvoudig uit te houden en om over die kudde, jouw mensen of desnoods alleen maar over jezelf als een trouwe herder goed te waken, daar zo goed mogelijk voor te zorgen: goed voor anderen zorgen, goed voor jezelf zorgen. En wie in vertrouwen, in geloof goed waakt, die zal, vroeg of laat, Gods licht zien. God dóet het, Hij kómt mensen tegemoet die bereid zijn om het in de nacht van het geloof en van de kerk ook uit te houden; God kómt hen tegemoet door hen, door óns, Zijn Zoon te schenken.

 

Wie die Zoon is daarover wordt geschreven in de brief aan de Hebreeën, onze tweede lezing vandaag: "Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen." Met die woorden karakteriseert de auteur van de Hebreeënbrief de in Bethlehem geboren Jezus. Het is verheven maar tegelijk intense en innige taal, wat mij betreft toch in het geheel niet geëxalteerd. Déze mens, in Hem ontmoeten wij God. Híj is de maat van alle dingen. In Hem ontmoeten wij wat er werkelijk toe doet in dit leven. Om Hem cirkelt in die zin ons bestaan.

 

En dan het evangelie van deze Eerste Kerstdag, het begin, de proloog van het Johannes-evangelie. Opnieuw: verheven, édele taal waarin gerefereerd wordt aan Jezus, taal waarin Johannes poogt het geheim van Diens bestaan en van Zijn betekenis voor óns te verwoorden en te vatten. Hij wordt "Het Woord" genoemd, "Het Woord" zonder meer, waarin alles wat wezenlijk van belang is gezegd kan worden, wordt samengevat. Hij wordt "Het Licht" genoemd: "Het ware licht dat elke mens verlicht." En dan schrijft Johannes: "Het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan". Tent. Dat is "tabernaculum" in het latijn. Die tent, dat tabernakel, is ook hier opgeslagen. Vervolgens: "Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid". Dit is de taal van de liefde.

 

Een vader en zijn eniggeboren zoon. Ik ken er één, de vader dan. Want de zoon is dood, op jonge leeftijd "wreed uit dit aardse leven weggerukt" zoals dat dan heet: zijn vader en moeder in wanhoop achterlatend. Zullen we zijn naam noemen in nacht- of dagmis van Kerstmis in de Rozenkranskerk? Ik merk: dat kan soms betekenisvol zijn voor mensen. Dat is wat ik voorstelde aan die vader, een buurtgenoot, in een brief. Gisteravond pas, op Kerstavond, las ik zijn antwoord. Hij schreef, ik citeer:

 

"Ik ben rijkelijk laat met mijn antwoord. Margriet en ik zouden het geweldig vinden als Tim in de 'voorbeden' van nacht- of dagmis in de Rozenkranskerk genoemd kan worden. Alleen ... wij zullen er zelf niet bij zijn. Net als vorig jaar zullen wij de kerstdagen met z'n tweeën, in gezamenlijke eenzaamheid, doorbrengen, met de dierbare herinnering aan Tim tussen ons in. Het is de enige manier voor ons om het holst van het jaar door te komen." Herders, die ouders, die waken, trouw waken, in de nacht, bij hun kudde: bij hun zoon, bij de leegte die hun dode zoon heeft achtergelaten. Ook dit: een Kersttafereel.

 

En laten we in het licht van dát tafereel dan nogmaals naar de woorden luisteren waarmee Johannes de proloog van zijn evangelie besluit. Hij schrijft: "Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die nu rust aan het hart van de Vader, Hij is de gids en de weg geweest." De ervaring met Jezus de Christus is voor Johannes de evangelist een beslissende ervaring van liefde geweest. Daardoor, door Hem, door Jezus, heeft Hij God leren kennen die de liefde zelf is, zoals dezelfde Johannes schrijft in zijn eerste brief[4]. Jezus, het kind in de kribbe, de Zoon van God, de Levende, de gekruisigde, de Verrezene, "die nu rust aan het hart van de vader" kan ook rusten aan óns hart - zoals de gestorven Tim rust aan het hart van zijn ouders en daar leeft.

 

Jezus is ooit met Kerstmis voorgoed geboren. Wát ons op die kleine aardkloot van ons ook nog maar te wachten staat, wélke rampen ons nog zullen treffen, wij mogen er wel van uitgaan: Zijn Naam, die van Jezus, blíjft. Zijn Naam zal, hoe dan ook en welke vormen de kerk in de toekomst ook maar aan mag nemen; Zijn Naam, Jezus' Naam zal blijven klinken. Hij heeft het zelf gezegd: "Weet (...) Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld."[5] Veelgeliefden, zo zal het zijn: Mensen zúllen totdat de wereld aan haar einde komt en voorbij gaat geborgenheid en verlossing blijven vinden bij Jezus, in Zijn Naam. De naam Jezus betekent "God redt". Mensen in alle tijden zullen die naam blijven uitspreken en er de waarheid en de werkelijkheid van blijven ervaren. Jezus is voor alle tijden de Liefde zelf, God zelf, in persoon, in een mens van vlees en bloed. In Hem, in Zijn Naam, zijn alle namen die wijzelf met liefde uitspreken, ook de naam van Tim; in Jezus zijn alle mensen die wij zelf liefhebben, levend of reeds gestorven; in Hem is alle liefde geborgen en komt zij thuis om te rusten aan het hart van de Vader. Amen.

                                                                          

 

VERKONDIGING in de Kerstnacht van 2011 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (9, 1-6), de brief aan Titus (2, 11-14) en het Lucas-evangelie (2, 1-13).

 

Of wij in de nachtmis dit jaar paars zouden willen dragen ... Dat verzoek werd afgelopen week gedaan door de Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik, de KLOKK - met dubbel "K". Ik merk, dierbare en dappere gasten en parochianen; ik merk dat ik dat woord "misbruik" bijna niet meer uit m'n strot kan krijgen. Het zit me werkelijk tot hier. Ik heb er de buik helemaal van vól ...

 

- En dat kan natuurlijk helemaal geen kwaad. Want hetzelfde geldt voor de slachtoffers van dat misbruik: dat díe er de buik van vol hadden en hebben. Als een loodzware, vaak verborgen last hebben ze in vele gevallen met dat misbruik en de gevolgen ervan rondgelopen en hun leven geleefd. Als met een steen in hun maag. Dat die loodzware steen, die ellende en die last nu óók gevoeld worden door de mensen van de kerk en door "de mánnen van de kerk" op de eerste plaats, dat is dan ook niet meer dan redelijk: "Helpt elkaars lasten te dragen" schrijft de apostel Paulus in de Galatenbrief; "Helpt elkaars lasten te dragen; op die manier zult u de wet van Christus vervullen"[6]. Véél te lang is er geen of véél te weinig aandacht geweest voor de ervaringen en de verhalen van slachtoffers. En u weet: wie niet horen wil, die moet maar voelen. Voor de mensen van de kerk, opnieuw: voor "de mannen van de kerk" op de eerste plaats, kan dat helemaal geen kwaad, om, in de goede zin, te vóelen, om meer gevóel te krijgen voor wat mensen te leven en te lijden hebben. Veel te vaak komen ze op ons over als ijskonijnen, die mannen van de kerk, als mensen die geen gevoel in hun body, in hun bast hebben. "Misschien was het beter geweest als wij onze empathie uitdrukkelijker hadden getoond in het begin." En: "Het gevoelsaspect heeft misschien zeker in het begin ontbroken." Aldus aartsbisschop Eijk van Utrecht in gesprek met Wilfred Kemp in Kruispunt TV op 18 december. Goed zo! Dat je het maar weet! Voel het maar.

 

In het paars. Het boetekleed aan. Not over my dead body was mijn eerste gedachte. Dat nooit! Niet in de heilige Kerstnacht! In de loop van de afgelopen dag echter ben ik van gedachten veranderd. Laten we het toch maar doen. Laten we de viering althans toch maar in het paars begínnen. Dat is niet leuk. Dat is somber en zwaar. Dat doet zelfs pijn. Maar daarin en daarmee delen wij dus in de zwaarte van de pijn van misbruikslachtoffers. Zíj hebben het ons gevraagd. En zij mógen wat vragen aan de kerk.

 

Die pijn, elke pijn die mensen lijden en dragen, weerspiegelt zich trouwens in het gegeven dat de geboorte van Jezus in de nacht plaatsvindt. "Er waren daar in de buurt herders, die in het veld overnachtten om de wacht te houden bij hun kudde." Die kudde, veelgeliefden, zijn wij. En die herders, zijn óók wij. Die herders staan ons na. Ik houd van die herders. Het is nacht op aarde. In jouw leven is het misschien ook nacht. De kerk is in de nacht - dat is zeker. De nacht is inktzwart. Maar, "daar waren in de buurt herders, die in het veld overnachtten om de wacht te houden bij hun kudde." Wat een prachtig beeld van geborgenheid, midden in de nacht. Ik ken een moeder met twee kinderen. Ze heeft geen werk. Ze heeft geen geld. Er zijn schulden. Ze heeft geen eigen huis. Maar: ze houdt de wacht, in de nacht, bij haar kleine kudde, bij haar twee kinderen. Daarover waakt zij. En dat doet zij goed. Soms, veelgeliefden, zit er werkelijk niets anders op, dan het rustig uithouden in de nacht, zoals de herders op het veld in de buurt van Bethlehem. Ik denk: wij kunnen als kerk op dit niet moment ook niet veel anders doen.

 

Ik stel voor om de daad maar even bij het woord te voegen. Laten wij het electrisch licht in de kerk doven. En laat ons ook werkelijk even een paar minuten helemaal stil worden om de nacht te voelen waarin wij ons als kerk bevinden.

 

(Tijdens deze stilte wisselen wij de paarse gewaden voor witte.)

 

Gelukkig, veelgeliefden, zijn wij juist als kerk niet gedoemd om in de nacht te blijven en daarin ten onder te gaan. "Het volk dat ronddwaalt in het donker ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op. (...) Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven." We hoorden het in de eerste lezing van deze Kerstnacht bij de profeet Jesaja. "Opeens stond er een engel van de Heer" bij de herders in het veld, "en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen". En "de engel zei: 'Schrik niet, want ik heb een goede boodschap voor u, een grote vreugde voor het hele volk. Vandaag is in de stad van David uw redder geboren. Dit is het teken voor u: u zult een kind vinden dat in doeken is gewikkeld en in een voerbak ligt.' " En: "plotseling was er bij de engel een heel leger uit de hemel; ze loofden God met de woorden: 'Glorie aan God in de hoogste hemel, en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij een welgevallen heeft." Zo hoorden wij in het evangelie. En de apostel Paulus, in de tweede lezing, uit zijn brief aan Titus schrijft: "(...) de genade van God is verschenen, de bron van redding voor alle mensen, die ons leert af te zien van goddeloosheid en wereldse begeerten, en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze wereld, in afwachting van het geluk waarop we hopen, de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en redder Jezus Christus. Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen, ons te reinigen en ons tot zijn eigen volk te maken."

 

Jezus is geboren, lang geleden. Dat is wat wij met Kerstmis gedenken en vieren. Maar Hij, Jezus Christus, moet opnieuw geboren worden, bij elk van ons, in onze eigen kleine wereld, in ieder hart. Afzien van "wereldse begeerten", en "rechtvaardig en vroom leven in deze wereld". Het moge duidelijk zijn, veelgeliefden, na alles wat we gehoord hebben en hebben meegemaakt, dat niet iedere gelovige, dat niet iedere christen en ook niet elke priester, bisschop, broeder en zuster daar goed in geslaagd ís en sláágt. En toch hebben wij met en in Hem, in Christus de Heer, "alles in huis" waardoor het wél mogelijk moet zijn. Dat blijft staan. Laten wij dus moed houden. Mogen wij het met de duisternis in onszelf en in de andere mensen uithouden. Sluiten wij Hem, Jezus de Heer, het Kind in de kribbe, de Levende, de Gekruisigde en de Verrezene, opnieuw in ons hart. Dat elk misbruik aan het licht mag komen en dat het ophouden mag. Dat Christus' Licht in ons mag werken. Moge Hij ons reinigen. Dat er nieuwe vreugde komen mag, in alle harten, in onze wereld en in de kerk. Amen.   

                                                                          

VERKONDIGING op 18 december 2011, de vierde zondag van de Advent, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het tweede boek Samuël (7, 1-17), Psalm 89 (ged.), uit de brief aan de Romeinen (16, 25-27) en uit het het Lucas-evangelie (1, 26-38).

 

Onze vorige bisschop, Monseigneur Hennie Bomers zaliger gedachtenis, was, zoals dat een bisschop betaamt, een zeer rechtzinnig man. Tóch heb ik destijds verschillende keren geregistreerd, dat ook híj zich af en toe een bepaalde kleine "liturgische vrijheid" veroorloofde, terwijl hij daar van de andere kant soms zo heftig tegen kon fulmineren: tegen vrijheden die priesters zich permitteren in de viering van de liturgie.

 

Het was ná het Onze Vader. Dan bidt de priester, mensen die de kerk geregeld bezoeken weten het; de priester bidt dan, na het Onze Vader: "Verlos ons Heer van alle kwaad." Bisschop Bomers heb ik daar verschillende keren aan horen toevoegen, wat in de tekst van de liturgie niet staat: "verlos ons kwaad, van alle verwarring". Dat woord "verwarring". Je kon horen aan de manier waarop hij dat woord "verwarring" uitsprak dat hij er een hartgrondige hekel aan had, aan die verwarring. En hij vond, hij was van mening, dat daarvan, van verwarring, in de Nederlandse samenleving en vooral ook binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland, in sterke mate sprake van was. Wij waren hier in Nederland heel erg in de war vond de bisschop.

 

Bisschop Bomers ging op zaterdag 12 september 1998 een brief posten. Hij kreeg op straat een hartverlamming en stierf ter plekke. Sinds zijn dood zijn we wat betreft die verwarring met onze kerk niet veel opgeschoten zou je kunnen denken. Nu afgelopen week de commissie Deetman het eindrapport heeft uitgebracht van haar onderzoek naar seksueel misbruik binnen onze Katholieke Kerk in Nederland, is de zaak opnieuw in rep en roer. Verwarring alom. En bleef het daar maar bij ... Maar ook binnen uw eigen parochie is er de laatste tijd veel beroering geweest vanwege een voorgenomen herstructurering van mistijden waartoe inmiddels ook besloten is. Allerlei mensen hier hebben het daar moeilijk mee. Het stelt hen voor problemen. En ze zijn in verwarring.

 

In het spreken over die verandering van mistijden zijn soms felle en ook harde woorden gesproken, woorden waar een mens niet blij van wordt. Velen hebben ook schriftelijk laten weten hoe ze over één en ander denken. Eén van de mooiste bijdragen in dit verband kwam van Yousef. Hij is afkomstig uit Annaba, de stad in Algerije, waar in de vijfde eeuw de grote kerkvader Sint-Augustinus bisschop was. Yousef schreef: "De goede verandering brengt vreugde en blijdschap. De verkeerde verandering brengt pijn en isolatie." Kijk: dát vond ik nu wijze woorden!

 

Verandering, beroering, verwarring. Hoe ermee om te gaan?

 

Ook in het evangelie van deze vierde adventszondag is sprake van verwarring. Maria "raakte geheel in verwarring door wat" de engel tegen haar zei en "zij vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had". En als die engel dan vervolgens aankondigt dat zij, ongehuwd, zwanger gaat worden, dan wordt de verwarring, ja onsteltenis nog groter: "Maar hoe moet dat dan?" zei Maria tegen de engel. "Ik heb geen omgang met een man". Wat de engel allemaal zegt over het kind, de zoon, waarvan Maria de moeder moet worden, dat is heel bijzonder, heel belofterijk. Maar ... het is geen doorsnee-zwangerschap. Want: waar is de Vader? Wíe is de vader? God is de vader! Ja, maak dat je tante maar wijs ... Je zou maar in Maria haar schoenen staan ... Haar leven schudt op z'n grondvesten. Haar verwarring is groot, oneindig véél groter dan onze verwarring vanwege de mistijden. Maar misschien mogen wij de verwarring van Maria wél vergelijken met die van slachtoffers van seksueel misbruik. Want ook voor haar geldt: Zij heeft nergens om gevraagd. En: het overkomt haar maar. En: in haar leven, haar wezen, wordt diep ingegrepen, door die zwangerschap van Godswege ... Die zwangerschap zal haar leven tekenen en het voor altijd veranderen.

 

Wat Maria meemaakt, dat maakt haar denk ik eenzaam. Want die ontmoeting die zij heeft met haar engel, dat is iets heel intiems, iets heel particuliers. Die ontmoeting speelt zich af, met name denk ik, in haar eigen hoofd en hart. En die ontmoeting, die beleving, kan zij, in elk geval in eerste instantie, met niemand delen. Wat zij meemaakt, daardoor wordt zij beproefd. Daardoor wordt met name haar geloof beproefd. Misschien hebben we er iets aan, aan die beproeving van het geloof van Maria, voor beproevingen van ons geloof die wij in deze tijd meemaken: in verband bijvoorbeeld met de verandering van de mistijden in onze kerk en de manier waarop we daartoe gekomen zijn én in verband met het seksueel misbruik. De verwarring van Maria is in die zin denk ik een heilzame verwarring.  "Voor God is niets onmogelijk" zegt de engel: Jij, Maria, een meisje nog, te jong om al moeder te worden, maar ook Elisabeth, jou verwante (je tante of je nicht): zij was al veel te oud om nog zwanger te worden, maar tóch is het gebeurd, want ... "voor God is niets onmogelijk". Ja, zo is het veelgeliefden. Wij mogen dat althans geloven. Tot dat geloof worden wij uitgenodigd: om te geloven dat door Gods kracht (de naam "Gabriël" betékent "kracht van God"!); dat daardoor onmogelijke situaties en hopeloos lijkende levens ook - dat daar nog iets van terecht kan komen, dat door nog iets moois uit kan groeien, dat mensen en situaties tegen allerlei vormen van nood, verdrukking en misbruik desnoods ín, kunnen genezen, kunnen groeien naar voltooiing en vrucht kunnen dragen.

 

Die rottige en verrotte kerk van ons, die vele mensen geheel hebben afgeschreven, kan dat nog wat worden? Gisteravond in een t.v.-programma Debat op twee kwam ook een oude priester aan het woord, Ton Hoedemaker. In zijn jonge jaren was hij werkzaam geweest op een internaat. Maar hij had zich niet schuldig gemaakt aan misbruik, integendeel. Eén van de slachtoffers, eveneens aanwezig, zei over hem: "Hij was een held. Hij ging wél integer en goed met de jongens om. Hij zette zich écht voor hen in. Hij nam het altijd voor hen op." Deze priester Ton Hoedemaker gaf als antwoord op de vraag of er nog wel toekomst zou zijn voor onze kerk als antwoord: "Als het schip vergaat, dan pas zal blijken: wie kan zwemmen, wíe dan toch nog zegt: ik ga verder met die boodschap van Jezus Christus."

 

Dierbare parochianen en gasten van deze Vredeskerk: ons geloof wordt op de proef gesteld. We maken in verband met onze kerk dingen mee die "niet leuk zijn" om het met een understatement te zeggen. We staan er binnen onze samenleving, binnen onze familie- en vriendenkring relatief alléén mee. Geloven, als katholiek, kan in deze tijd een behoorlijk heikele, zéér betwiste en aangevochten en dus eenzame zaak zijn. Van bevestiging door andere mensen hoeven we "het" niet te verwachten. En daarvan moeten we "het" ook niet hebben trouwens.

 

"De goede verandering brengt vreugde en blijheid" - de woorden van Yousef. Het aan het licht komen van het seksueel misbruik, het rapport van de commissie Deetman. Het is denk ik een goede zaak die kan leiden tot een goede verandering en dus vreugde en blijheid. Ook de verandering van mistijden waar wij vóór staan is mijns inziens een goede zaak. Als ik daar niet van overtuigd was, dierbare parochianen, dan zou ik het u níet aandoen. Als het goed is, dan zal die verandering vreugde en blijheid gaan geven - vooral vóór en in verband met de kinderen - die ons uiteraard álles waard zouden moeten, een offer ook. En, mocht ik mij vergissen en mocht die verandering "pijn en isolatie" brengen om met Yousef te spreken, dan draaien we die verandering na verloop van tijd desnoods gewoon weer terug ... simpel zat ... Maar: laten we daar niet van uitgaan, maar laten wij mét Maria vandaag onszelf en onze kerkgemeenschap toevertrouwen aan de God voor wie niets onmogelijk is.

 

Vanmorgen was ik, zoals in principe elke morgen, om zes uur reeds hier in de kerk, waar het op dat uur nog geheel donker is in deze tijd van het jaar. Ik was helemaal alleen. En mij werd aangereikt een tekst van de profeet Jesaja die ik eigenlijk niet goed kende en die voor mij verrassend was. Met enkele regels van die tekst wil ik deze verkondiging nu graag besluiten:

 

"Ik heb u gedragen van kindsbeen af, vanaf uw geboorte. Ik blijf u dragen tot in uw ouderdom, tot ge grijs zijt blijf ik u torsen. Ik blijf het doen, Ik blijf u dragen en torsen, Ik zal u redden." Moge het zo zijn. Amen.

                                                                                   

 

VERKONDIGING op 11 december 2011, de derde zondag van de Adventstijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit de profeet Jesaja (62, 1-2a. 10-11), de eerste brief aan de christenen van Tessalonica (5, 16-24), het Lucas-evangelie (1, 46-50.53-54; antwoordpsalm) en het Johannes-evangelie (1, 6-8.19-28).

 

Gaudete. Weest blij! Gebiedende wijs. "Weest altijd blij!" schrijft de apostel Paulus vandaag in de tweede lezing aan de christenen van Tessalonica en aan ons. Maar: blij zijn op commando - is dat wel mogelijk dierbare gasten en parochianen? "Blij zijn", dat is toch een gevoel? Je bent 't of je bent 't niet, blij, zou je toch zeggen? Een gevoel laat zich toch niet dwingen, wel? "Je gevoel", daarmee is het toch een beetje gesteld als met het weer? - Het kan vriezen en het kan dooien. Ménsen, u, ik, kunnen bévriezen en óntdooien, toch? Soms staat het gezicht op onweer. En soms breekt de zon door. En dat kun je toch niet sturen, beďnvloeden, laat staan dwingen toch?

 

Het kerstfeest dat nadert, worden wij daar blij van? Geschenken die mensen elkaar geven en die ze ontvangen, worden ze daar blij van? Worden wij daar blij van? - Het is maar de vraag ...

 

"Altijd blij zijn" - als basisgevoel, als basishouding van je leven. Ja, dat zou mooi zijn. Dat zou heerlijk zijn. Niets liever dan dát. Maar hoe krijg je het voor elkaar? Legt Paulus de lat voor ons gemoed, voor het gevoel waarmee wij leven, niet onmogelijk hoog?

 

Ja ... Maar hij doet het dus wél. Hij stélt die norm, die eis, Paulus. Of misschien kunnen we beter zeggen: Hij nodigt ons ertoe uit - om altijd blij te zijn. Het zou toch mooi zijn om aan die uitnodiging gehoor te kunnen geven en je die blijheid eigen te kunnen maken ...

 

Nu staat het zinnetje ("Weest altijd blij") bij Paulus niet op zichzelf. Er is een context . Op dat ene, korte zinnetje, die oneliner volgen er nóg twee. Ten eerste: "Bidt zonder ophouden" - wat ik vertaal met: in je geest en met je hart altijd bij God proberen te zijn. Hoe dicht het wolkendek dat je leven bedekt op een bepaald moment ook is: altijd contact houden met die grote zon die er achter zit. Voortdurend mét Jezus "Vader" zeggen. Vanuit het diepst van je wezen onophoudelijk God aanspreken. Steeds Hem opzoeken, in de kerk en er buiten. "Bidt zonder ophouden". En dan: "Dankt God voor alles". Ook dikke grijze wolken op de zondagmiddag of in je hoofd kun je zien en kun aannemen als een geschenk. Misschien is 't niet het geschenk dat je op je verlanglijstje had staan, maar toch ... je krijgt het misschien als ongedacht en onverwacht en ook ongewenst geschenk. Maar je krijgt het. Dus neem het maar aan. Doe het maar. Durf het maar. Dank God er maar voor. Ik denk: als je het doet, dan kan er iets veranderen bij je van binnen. Dan kan de grijsheid van het wolkendek, van de ouderdom of van je gemoed gaan stralen. Amen.

                                                                                                                     

VERKONDIGING op 4 december 2011, de tweede zondag van de Advent, in de kerk van Sint-Andries te Antwerpen

 

door pastor Pierre Valkering uit Amsterdam

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (40, 1-5 +, 9-11), Psalm 85 (85, 9-14.), uit de tweede brief van de heilige apostel Petrus (3, 8-14) en uit het Marcus-evangelie (1, 1-8).

 

Hollanders komen zoals u weet graag naar Vlaanderen. Het is de sensatie van in het buitenland te zijn, maar "in uw eigen taal" -" 't is te zeggen": Ook die taal klinkt anders: Uw tongval is anders dan de onze. En u gebruikt ook andere woorden. Zo gebruikte uw pastoor[7] gisteren tegenover mij het woord wegdeemsteren. Bij ons  is dat woord onbekend.Maar wat een prachtig woord is het! Uw pastoor bezigde het in verband met de adventskrans van het college waaraan hij als docent ook verbonden is. Hij gebruikte dat woord wegdeemsteren in verband met de verdwenen adventskrans van dat college. In vroeger jaren hing daar altijd zo'n grote adventskrans met rode elektrieke lichtjes in de refter - de refter die nog weer langer geleden kapel was overigens - over "wegdeemsteren" gesproken . Een kapel heeft het college al sinds lang niet meer. En nu is ook de adventskrans verdwenen. Foetsjie. Zoek. En niemand weet waar 't geval gebleven is. En niemand die zich daar druk om maakt. Behalve uw pastoor. Ja, als hij dat niet meer doet, en als ik dat niet meer doe en als u dat niet meer doet: zich druk maken over dit soort zaken, wie doet het dan wel?

 

Is dat, parochianen en mogelijke mede-gasten van Sint­ Andries (zijn die er?); is zo'n strijd in verband met de zichtbare tekenen van het Christendom, zeker in de publieke ruimte; is die strijd niet een nu inmiddels definitief verloren strijd? Uw pastoor heeft er een levenswerk van gemaakt[8] om alles hier in Vlaanderen en speciaal ook in Antwerpen; om alles wat hier los en vast zit in kerken en kapellen en aan de openbare weg; om alle stenen die hier verband houden met het christelijk geloof, om die nauwgezet en liefderijk te documenteren, om die "vast te leggen" zoals wij dat noemen - in verband met volgende generaties die van Jezus Christus en de kerk die Hij heeft voortgebracht misschien niet meer weten ... Rudi legt dat allemaal vast. Precies omdat hij weet: het is niet vast te leggen en het gaat misschien, of zeker, voorbij ...

 

Is er nog hoop voor het christelijk geloof? Is er nog hoop voor u en mij als christenen? Gisteren brachten Rudi en ik op mijn verzoek een bezoekje aan de Sint­ Caroluskerk alhier, waarover hij zeer recent een prachtig boekje het licht heeft doen zien[9]. Aan de binnenkant van de toegangsdeuren van de kerk vind je, als je de kerk dus verlaat, een allegorie van geloof, hoop en liefde. Maar het anker van de hoop is goeddeels verdwenen. Rudi maakte er mij op attent: een veelzeggend detail!? Is er inderdaad voor ons en onze kerk geen hoop meer?

 

Wenden wij ons tot de heilige schrift.

 

Die is unisono. De vreugdebode moet op de berg gaan staan. Met kracht moet hij zijn stem verheffen en niet bang zijn. Er moet een weg aangelegd worden door de woestijn. Er moet ruim baan gemaakt worden. Er is troost. "De heerlijkheid van de Heer zal zich openbaren, en alle mensen zullen haar zien." God komt in kracht. "Als een herder zal Hij zijn kudde weiden" (Jesaja). "Zijn heil is nabij voor hen die Hem vrezen, zijn Glorie komt weer bij ons wonen" (Psalm, 85). "De Heer talmt niet met zijn belofte (... ), maar Hij heeft geduld met u,omdat Hij wil dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat. Maar de dag van de Heer zal komen als een dief. (... ) Kijk vol verwachting uit naar de dag van God en bespoedig zijn komst" (Petrus-brief).

 

Wat moeten wij anno 2011 met zulke woorden veelgeliefden? Is het geen ijdele hoop, is het geen gebakken lucht wat zij verkondigen? Ja, Jezus is gekomen. En wie is Hij geweest? En wat heeft Hij betekend? Wat heeft Hij teweeggebracht? Wat heeft Hij ook op Zijn geweten? Wat hebben "de

mensen", wat hebben "wij", met Zijn "erfenis" gedaan? Jezus is gekomen. Maar kan Hij opnieuw komen?

 

Willen wij dat? Zou het ergens goed voor zijn? Zou het, zou Hij, goed voor ons zijn? Zouden we er iets aan hebben?

 

Een van onze grootste schrijvers, uw Dimitri Verhulst, heeft die vraag beantwoord. Dit jaar publiceerde hij De intrede van Christus in Brussel[10]. Daarin beschrijft hoe het echt op het punt staat te gebeuren, in al z'n concreetheid. Ik lees een stukje voor:

 

"Zo rustig en ruiselend het nieuws, de Blijde Boodschap zeg maar, 's middags nog naar onze aandacht dong, zo

heftig roesde het 's avonds dwars door alle gesprekken. Uiteraard besteedden de televisienetten die avond enkel aandacht aan het hoge bezoek. In allerlei praatprogramma's (... ) zaten prominenten van

uiteenlopende strekkingen knus naast elkaar op de bank te kouten over de mogelijke betekenis van Jezus

reisplan (... ), zelfs een Birgittijner zuster was bereid gevonden haar clausuur te verlaten om in de

verderfelijke wereld haar vreugde uit te schreeuwen met een stem die door het langdurig kloosterleven aan jus verloren had, gesticulerend met vingers die krom stonden van het vele kantklossen." Einde citaat.

 

De bericht van de aanstaande komst van Christus maakt, in het boek van Dimitri Verhulst, nogal wat los in de mensen. Ze komen zelf los. Ze worden vooral aardiger voor elkaar. Uiteindelijk gaat het feest toch niet door. En dan laat de ik-persoon in het boek ons weten: "U moet mij geloven wanneer ik zeg dat ik eigenlijk nooit een geloof in God te verliezen heb gehad. Ik kan dan ook niet beweren dat ik kapot zou zijn geweest van Zijn geannuleerde komst. Zo ik al ergens gedurende die dagen in gaan geloven was, dan dat ik eindelijk wonen mocht waar mensen elkander op z'n minst in de ogen keken als hun wegen zich kruisten. Waar men geen braakbal van een egoďst moest zijn, wenste men een zitje op de tram te bemachtigen. Waar men een bedelaar op een andere manier voorbijliep dan men een parkeerpaal deed. Dat onze korte en simpele bestaantjes voor elkaar op z'n minst een spaandertje tegenwoordigheid hebben mochten." Einde citaat2. Christus komst die ons zou moeten vermenselijken. Ik vind het toch bijzonder opvallend dat ook in anno 2011 een prominent schrijver als Dimitri Verhulst het een met het ander verbindt.

 

Gisteravond ben ik naar het theater geweest. In De Zwarte Komedie in de Leguitstraat speelt Pieter Klinck De kinderkamers van het Vaticaan. Een indringend stuk[11]. Het gaat over een situatie van veelvuldig seksueel misbruik door een onderpastoor hier in Antwerpen.

 

Teruglopend naar het huis van mijn gastheer zag ik het opeens liggen. Ik was er eerder al een paar keer langsgelopen, maar had het toen niet bewust waargenomen. Nu zag ik het, op de Sint-Paulusplaats: een enorm anker, een echt scheepsanker. Het anker dat we gemist hadden in de allegorie van geloof, hoop en liefde in de Sint-Caroluskerk vond ik hier, eindeloos veel groter, terug. Alsof God het er zelf had neergelegd. Gek is dat: hoe de gebeurtenissen en de dingen soms een taal kunnen spreken van een andere wereld, een taal van hoop. De zichtbare tekenen in onze omgeving die herinneren aan het christelijke geloof, die ebben misschien weg, die deemsteren misschien weg. Denk aan de adventskrans in de refter van het college. De blijde boodschap echter van Christus' komst gloort opnieuw aan de horizon. Die blijde boodschap heeft ooit geklonken en klinkt, voor wie die boodschap maar horen en zien wil, opnieuw: "Volgens Zijn belofte verwachten wij een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen. Kijk vol verwachting uit naar de dag van God en bespoedig zijn komst." Mogen wij aan deze woorden gehoor geven. Amen.

 

                                                                                                         

VERKONDIGING op 27 november 2011, de eerste zondag van de Advent, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (63, 16-64, 8), uit de eerste biref van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (1, 3-9) en uit het Marcus-evangelie (13, 33-37).

 

"Eerste Pinksterdag, 23 mei 2010. De klok van de Obrechtkerk had tevoren negen slagen laten horen. Het storende gebeier, om de parochianen voor de dienst op te roepen, kwam straks pas, om kwart voor elf. Klassieke zondagochtendrust in Oud-Zuid."[12]

 

Aldus A.F.Th. van der Heijden in zijn laatste boek, Tonio. Hij verhaalt daarin hoe zijn enige zoon, Tonio, in de zeer vroege ochtend van die Eerste Pinksterdag op de hoek van het Sarphatipark, bij de Oranjekerk, hier in De Pijp, afscheid neemt van een paar vrienden. Hij rijdt over de Ceintuurbaan naar de Roelof Hartstraat en de Van Baerlestraat. Vóór de brug over het Vondelpark slaat hij één van de straten naar rechts in. Bij de Hobbemastraat slaat hij linksaf. Aan het eind van de straat, waar deze uitkomt op de Stadhouderskade knippert het stoplicht oranje. "Kijk uit, wees waakzaam!" Maar Tonio kijkt niet uit. En de bestuurder van een rode Suzuki Swift die, te hard, uit de richting van de Overtoom komt aanrijden; hij let ook niet goed op. Het gaat niet goed. Tonio, eenentwintig jaar oud, wordt van zijn fiets geslingerd, raakt vreselijk gewond en sterft later die dag in het AMC. Zijn ouders, Mirjam en Adri, zijn verpletterd. Zijn vader schrijft op waar zij doorheen gaan. Amper een jaar na de dood van Tonio verschijnt reeds zijn boek. Ik kan u van harte aanraden om het te lezen. Alle mysteries van het leven van Christus, alle geheimen van de rozenkrans, komen langs. Je kunt het boek er zó overheen leggen.

 

Neem de Advent: de periode van wachten op Christus' komst die op deze zondag weer is begonnen. Dat wachten is drieledig. Wij gedenken, ten eerste, de periode die voorafging aan Jezus' geboorte. Wij zien verlangend uit, ten tweede, naar de viering van het komend Kerstfeest. En wij zien uit, ten derde, naar Christus' wederkomst.

 

Gaat dat gebeuren, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk? Gaat Jezus ooit terugkomen? Gaat Hij ooit opnieuw komen? Is dat geen wensdenken? Is het geen illusie? Ik citeer opnieuw A.F.Th. van der Heijden in Tonio: "Het zijn de onbewaakte momenten die de waarheid in pacht hebben. Het brein is nog in de ban van de halfslaap, of van een dagdroom, of van een vlaag van vermoeidheid. In zo'n ogenblik van versuffing of onoplettendheid blijkt dat ik nog steeds, of meer dan ooit, rekening houd met een terugkeer van Tonio in ons midden. Het onbewaakte moment geeft toegang tot een diepere en primitievere laag van de ziel, waar de hoop wordt gevoed dat we onze zoon ooit terug zullen vinden. Die sluimerende verwachting hebben we, blijkbaar, nodig om het verlies te kunnen overleven. (...) In klaarwakkere toestand lijken we, zij het met zelfvernietigende weerzin, de harde feiten te accepteren die duiden op de onomkeerbaarheid van Tonio's lot (...) Maar in de diepte van ons hart heerst het dierlijke ongeloof dat hij voor eeuwig uit ons leven is verdwenen."[13] Einde citaat. Is onze Advent, veelgeliefden, niet net zoiets? Is Advent het nu reeds tweeduizend jaar aanhoudend onvermogen en de onwíl om ons als kerk neer te leggen bij de onverbiddelijke en onherroepelijke dood van iemand?

 

"Kijk uit, wees waakzaam. Want je weet niet wanneer het moment daar is. (...) Wees (...) waakzaam, want je weet niet wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of midden in de nacht of bij het kraaien van de haan of bij het eerste ochtendlicht ..." Over welk uur gaat het? Gaat het soms over het "uur van onze dood" waarvoor we Maria voortdurend vragen om dán, in dat uur, voor ons te bidden, ook omdat we het dan zelf misschien niet meer kunnen? Wie zal het zeggen?

 

Eigenlijk denk ik: Die hele kerk en dat hele geloof van ons zijn één voortdurende uitnodiging om ons te openen vóór, om ons te verdiepen ín, om betrokken te zijn óp, om doordróngen te raken van en om óp te gaan in Jezus Christus, de mensgeworden God. Opdat Zijn Geest leeft in ons. Opdat Hij leeft in onze geest. Ik citeer nogmaals A.F.Th. van der Heijden: " 'Ik weet niet precies hoe ik het moet uitdrukken,' zegt Mirjam, 'maar ik heb steeds meer het gevoel dat Tonio, nou ja, in mij woont. Permanent.' 'In ons allebei,' zeg ik."[14] Einde citaat. Ik zou bijna zeggen: een Pinksterervaring. De woorden doen denken aan woorden van de apostel Paulus: "Ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij. Mijn sterfelijk leven is een leven in het geloof in der Zoon van God (...)"[15].

 

Advent. De Jezus van vlees en bloed zoals Hij ooit op aarde heeft rondgelopen is voor ons onbereikbaar geworden, precies zoals Tonio, zoals hij nog maar voor een jaar terug leefde, onbereikbaar is geworden voor Adri en Mirjam, zijn ouders. Zodadelijk met Kerstmis zetten we de kerststal weer op, dan hebben we weer het gipsen of het houten kindje in de kribbe. Dat kan iets zijn om naar uit te zien en naar toe te leven, - zoals Mirjam en Adri toeleefden naar het gereedkomen van de grafsteen van Tonio met daarop in reliëf zijn portret. Een plek waar je naar toe kunt gaan en zichtbare en tastbare tekenen, daar kunnen mensen soms veel aan beleven. Daardoor kan ook het geloof gevoed worden. Maar toch, uiteindelijk moeten wij het dáárin toch niet zoeken en moeten wij "het" dáárvan toch niet hebben: van wat zichtbaar, concreet en tastbaar is. Want de aardse gestalte van de mensen, de dieren en de dingen gaat hoe dan ook altijd voorbij. Dus, hoe dierbaar ze ons ook zijn, het is niet goed om je er aan te hechten en die gestalte koste wat het kost vast te houden, want dan kom je bedrogen uit omdat het onmogelijk is. Waaraan wij ons wél mogen hechten, dat is aan het onzichtbare en onvergankelijke wezen van de mensen en de dingen.

 

Zodadelijk na afloop van deze viering zullen wij met elkaar spreken over een voorgenomen verandering van de mistijden in deze kerk. Ik heb, in samenspraak met op de eerste plaats het parochiebestuur, besloten om, vanaf het begin van de Vastentijd, de familiemis/kindermis van de zaterdagavond te verplaatsen naar de zondagmorgen, naar hetzelfde tijdstip waarop deze ook in de Rozenkranskerk gevierd wordt, zodat we die viering steeds om en om, de ene week in de ene, en de andere week in de andere kerk kunnen vieren - op een tijdstip dat voor gezinnen met jonge kinderen optimaal lijkt. Voor deze Vredeskerk zal dat tot gevolg hebben dat ook de hoogmis een half uur later zal moeten beginnen. Heel veel mensen zijn niet blij met die verandering. Nee, natuurlijk niet! Het is altijd het gemakkelijkst om de dingen te laten zoals ze zijn. We zijn er aan gehecht om bepaalde dingen op een bepaald tijdstip te doen. Verandering is lastig! Sommige mensen weren zich dan ook tegen die voorgenomen verandering alsof hun leven ervan afhangt, dan wel of ze dreigen hun enig kind te verliezen.

 

Van harte hoop ik dat het toch iedereen mag gaan lukken om die verandering wél mee te maken. Veelgeliefden: het gáát niet om de buitenkant, om de zichtbare gestalte van ons geloof. Het gáát niet om de tijdstip waarop de mis gevierd wordt. Het gáát er ook niet om in welke kerk dat precies gebeurt - hoezeer we ook aan een bepaald gebouw en een bepaald tijdstip gehecht kunnen zijn. Waar het wél om gaat, dat is: om Jezus Christus, om Zijn Woord, om Zijn lichaam en bloed. Waar het om gaat is dát wij bijeenkomen in de zondagse viering van de Heilige Eucharistie. Waar en hoe laat: dat is bijzaak. In ons geloof en in onze kerk gaat het om Jezus Christus in zijn uiteindelijk ongrijpbare gestalte, om Jezus Christus naar wie wij uitzien. "Hij zal u laten standhouden" schrijft de apostel Paulus vandaag aan ons in zijn eerste Korinthenbrief. Moge het zo zijn. Amen.

                                                                                    

VERKONDIGING op 20 november 2011, hoogfeest van Christus, Koning van het heelal, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Ezechiël (34, 11-17), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (15, 20-28) en uit het Mattheüs-evangelie (25, 31-46).

 

Zaterdagmorgen 19 november 2011. Gistermorgen. Het is nog donker. Vanuit de tuin van de pastorie van de Vredeskerk in Amsterdam klinkt klaaglijk gemiauw. Een verdwaalde poes! Een poes in nood. Een poes die vast zit. "Ik wil naar mijn huisje toe, maar ik weet niet hoe ik daar moet komen." Waar is de uitgang?

 

De herder ligt nog in bed. Hij hoort het miauwen. En hij hééft de impuls om op te staan en om met een zaklamp in de tuin te schijnen. Hij zíet zichzelf al bezig met de kat. Die bevrijden uit z'n benarde positie. Maar ja, waar dan heen met zo'n beest? De buren langsgaan? Laten ze beter op hun poes passen, zodat iets dergelijks niet gebeuren kan ... ! De poes opnemen, minstens tijdelijk, in de pastorie? Ja, maar dat is natuurlijk een gedoe ... En er is nog zoveel anders te doen ... Het miauwen houdt op. En het begint weer. En wat doet de herder?

 

In het lot van de dieren, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, daarin herkennen wij het lot van de mensen, daarin herkennen wij onszelf. In de dieren zien we het heel zuiver en puur, onopgesmukt, zonder enige gemaaktheid en gekunsteldheid vóór ons. Honger hebben, dorst hebben, kou lijden, gevangen zitten, ziek zijn, ergens vreemd zijn, niet thuis zijn, niet welkom zijn, in nood zijn. Zie de ijsbeer en zie de poes. En zie het lam dat ter slachtbank wordt geleid (Jesaja 53, 7). Zie de varkens, de kippen en de kalveren in hun gruwelijke mensonterende megastallen.

 

De bijbel spreekt vaak over dieren. En dan worden daarmee óók en zelfs in de eerste plaats de mensen bedoeld. Ezechiël vandaag, in de eerste lezing: verdwaalde dieren, verlaten dieren, gewonde dieren, zieke dieren. Maar ook: vette en sterke dieren. En dan in het evangelie: die bokken en die schapen.

 

De eerste kudde die ik vandaag tegenkwam was tijdens een wandeling heel vroeg, in de mist, het was opnieuw nog donker: een zwerm eenden in het water van het Amstelkanaal, aan de Jozef Israëlskade. Ik kwam aanlopen en dat bracht grote opwinding teweeg onder de eenden: een druk gesnater en nerveuze beweging. Ik werd herkend als een potentiële bron van broodkruimels natuurlijk. De eenden zagen in mij een alma mater, een voedende moeder. En ik dacht: ja, dat is ons leven. Of in elk geval is het mijn leven: allemaal mensen die wat van mij willen dan wel verwachten. Ik moest denken aan al die onbeantwoorde e-mails in mijn mailbox, aan mensen waar ik "nog wat mee moet" en misschien ook wel wil; mensen die nog wachten, wellicht, op een initiatief, een bezoek, een belletje van mij ...

 

Het leven op aarde is eigenlijk één schreeuw en een concurrentieslag om aandacht denk je wel eens. Iedereen wil aandacht. Iedereen wil publiek. En hoe zit het met onze mogelijkheden en onze bereidheid om die aandacht ook te géven? En wie heeft er aandacht voor ons? Iedereen kiest daarin een eigen weg. Iedereen maakt daarin zijn en haar eigen keuzes. Dit wel. Dat niet. Die wél, nu. En die nu niet ... En maak je de goede keuzes? Soms wel, soms niet natuurlijk. Soms zit je met je aandacht midden in de roos en kan iemand of kunnen mensen geweldig verblijd zijn door jouw aandacht, door je komst en door wat je brengt. En soms sla je met je ontbrekende aandacht de plank helemaal mis en laat je iemand of mensen in de kou staan. "Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand." En de enen worden "gezegenden" genoemd, de anderen "vervloekten". Maar zo duidelijk en zo zwart-wit is het natuurlijk niet, niet altijd tenminste en dat is maar gelukkig ook. Soms doe je het goed, soms minder goed en soms helemaal níet goed.

 

Ik ken iemand die heeft ooit echt wóórden met de inmiddels zaligverklaarde moeder Teresa van Calcutta gehad. De aandacht en de zorg die hij iemand wilde geven, vond zij teveel van het goede. Onder het motto "wij zijn er alleen voor de allerarmsten" verbood zij de persoon in kwestie om een oogoperatie als ik het mij goed herinner voor iemand te betalen. Degene over wie ik spreek was boos op moeder Teresa. Ik zal u maar niet vertellen hoe hij haar noemde. Dat zou hier en nu geen pas hebben. En: "Zoiets zeg je niet over een heilige". En: misschien had Moeder Teresa ook wel gelijk ... Want: wat en hoeveel is goed om voor iemand te doen op enig moment? Hoe doseren wij onze aandacht en onze

zorg zodat die niet te klein, maar ook niet te groot is, niet te kort en niet te weinig, maar precies goed en kloppend. Waarmee, bij hoeveel en welke aandacht is iemand precies gebaat? Er zijn mensen die dienen zich soms bij je aan, min of meer onder het motto "kijk, hier ben ik, neem de verantwoordelijkheid voor mijn leven maar van mij over". Maar zo werkt het natuurlijk niet.

 

Jezus vraagt van ons, Hij probeert ons ertoe te inspireren om ook "de gevangenen te bezoeken". Waar moeten wij dan aan denken? Zouden wij ons en masse moeten melden als vrijwilligers bij de Bijlmerbajes? Ik denk dat we bij deze woorden ook mogen denken aan mensen die gevangen zitten in zichzelf, mensen die misschien geweldig verlangen naar contact, maar die het tegelijk blokkeren en afhouden. Waarom? En: Hoezo? Ja, kom daar maar eens achter ... Antoine de Saint-Exupéry schrijft in zijn beroemde boek "De kleine prins"[16] hoe de vos "centimeter voor centimeter" dichterbij iemand probeert te komen. Zo is het. Zo werkt het soms. Mensen zitten soms ingewikkeld in elkaar en vragen soms een heel omzichtige benadering.

 

Het belangrijkste, veelgeliefden, lijkt het mij om "het" en om vooral elkaar niet op te geven. En om God niet op te geven. Vandaag is het Christus Koning, de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Aanstaande zondag beginnen wij met de Advent een nieuw kerkelijk jaar. De Advent is een "sterke liturgische tijd" zoals dat heet: een tijd die er om vráágt om er een schepje bovenop te doen, op ons geloofsleven. Niet dat slappe, niet de zaak laten verslappen, maar: de rug en de knikkende kniëen recht[17]. Ik vestig aan het eind van deze verkondiging in dit verband maar weer eens de aandacht op het getijdengebed en ook op de doordeweekse missen, hier en in de Rozenkranskerk. Ik voel mij wat daarmee wel eens een roepende in de woestijn. Want sommigen van de gelovigen hier lijken zich daaraan niets of slechts weinig gelegen te laten liggen en lijken het te beschouwen als een privé-hobby van de pastoor en een aantal zonderlingen. Maar die mensen vergissen zich. Het gebed en de liturgie is het hart van de zaak, is het hart van de kerk. Als wij méér en intenser, vuriger en toegewijder zouden bidden, en vooral ook sámen zouden bidden, dan zou het met elk van ons afzonderlijk en met onze kerk- en parochiegemeenschap als geheel béter gaan. Daar ben ik heilig van overtuigd. "Zijn zijn trouw geweest aan de broederlijke gemeenschap en aan het gebed?" vraagt de celebrant aan de peters en meters van de volwassen doopkandidaten tijdens de plechtigheid van de uitverkiezing aan het begin van de Veertigdagentijd. Niet voor niets worden daar die twee zaken mét elkaar genoemd: enerzijds "broederlijke (en zusterlijke) gemeenschap" en anderzijds "gebed". Samen bidden creëert onderlinge betrokkenheid. Maar ik gęneer mij altijd enigzins als ik de vraag aan de peters en meters en doopkandidaten voorleg omdat de reeds en soms reeds lang gedoopten zich aan het beleven van het broederlijke en zusterlijke gebed én van de broederlijke en zusterlijke gemeenschap die er intrinsiek mee samenhangt niet altijd veel gelegen lijken te laten liggen. Misschien vergis ik mij en zie ik het niet goed ... Ik hoop het!

 

Nou ja, we moeten het ook maar weer loslaten steeds. Iedereen doet hopelijk zijn of haar best en doet het op eigen wijze, levert een bíjdrage op eigen wijze. Er zijn misschien nog méér en andere wegen die hopelijk óók naar Rome leiden. Laatst sprak bij een uitvaart hier iemand, een niet-katholiek of ex-katholiek denk ik, over "de sprookjeswereld van het katholicisme". De woorden klinken nog lang bij mij na. Ja. Zo kun je erover denken. Aan óns denk ik om die sprookjeswereld serieus te nemen, opdat die voor ons werkelijkheid wordt, opdat wijzelf en anderen niet verloren lopen en ten onder gaan, maar gered en gevonden worden. Amen.

 

 

Verkondiging op zondag 13 november 2011, de 33e zondag door het Jaar (jaar A), Radboudzondag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door Loek van den Ham

 

Gelezen: Uit het Boek Spreuken 31: 10-31; 1 Tess 5: 1-6; Mt 25: 14-30

 

Verging het u net als mij vanmorgen? Het is een mooie stille herfstzondag. De zon schijnt. We gaan naar de Vredeskerk. In de kerk is het redelijk warm. Het  Salve Reginakoor zingt mooie Latijnse muziek en er is en een prettige voorganger in de persoon van Wim Lokkerbol. Misschien krijgen we ook nog mooie verhalen te horen en is de verkondiging of de verkondiger niet (al te) saai. 

Nou, dat is dus een schot in de roos vandaag. Eerst in de eerste lezing dat prachtige verhaal uit Spreuken 31 over de meest fantastische vrouw die een mens, een man, zich maar wensen kan. In de tweede lezing de vermaning dat we waakzaam moeten zijn. Dan volgt in het Evangelie het mooie verhaal over de talenten. Met zoveel moois zouden we tevreden kunnen zijn en naar huis kunnen gaan. We doem het boek dicht  en we gaan over tot de orde van de dag.

 

Ik? Jij? U? Hebben we een gewoon verhaal gehoord? We hebben allemaal talenten, ieder van ons, ieder van u. Talenten zijn dingen die we kunnen, uit ons zelf óf door opleiding, hobby en ervaring. Gebruik je talent zei mijn vader tegen mij. Ik zei dat ik graag pastoor wilde worden, maar hij zei toen dat ik daar geen talent voor had. Ik vrees dat hij weer eens gelijk heeft gekregen. Op het seminarie werd ik weggestuurd en mijn talenten bleken elders te liggen.

 

Als ik op internet het woord ‘talent’ intyp, kom ik bij training en loopbaan terecht. Ik krijg dan allerlei adviezen: “Test je zelf; test je talenten; ontdek in drie stappen welke beroepen er bij jouw talenten passen. Je eigen talenten beter leren kennen én gebruiken”.

 

Iedereen heeft talenten. Grote en kleine talenten. En met je talenten moet je wat doen. Dat hoeft niet in competitie. Het is niet altijd en overal een wedstrijd zoals bij Topmodels, de X-factor of the Voice of Holland. Je moet ook niet naar de ander kijken die andere talenten heeft. Soms zeggen we, helemaal verkeerd natuurlijk, dat een ander méér kan dan ik. Kom er bij mij niet mee aan dat alleen de allerbeste of de allerhoogst opgeleiden talenten hebben. Ook een fietsenmaker heeft talent, een huismoeder, een kleuterschooljuf, een stratenmaker, een asielzoeker.

Ik heb mijn hele leven in het onderwijs gewerkt en was er daar vooral op gespitst dat talenten werden aangeboord, ontwikkeld en benut. Soms was ik blijer met een niet-gediplomeerde student die er wél wat mee ging doen, dan met een gediplomeerde die zijn talenten op de plank legde, of, zoals we vandaag in het Evangelie lezen, in de grond stopte. Je kunt wel ergens goed in zijn, maar dan moet je het ook nog goed doen. Je kunt wel beroemd en rijk zijn, maar dat wil niet zeggen dat je je talenten goed benut hebt. Zal de geschiedenis zo goed oordelen over Berlusconi als premier van Italië? Over onze bankiers? In Mattheüs lees ik dat we ons geld bij bankiers moeten uitzetten, want dan zou ik bij mijn terugkomst mijn bezit met rente hebben terug gekregen. Ja, als het goed gaat wel. Maar soms wilden we in onze hebzucht teveel en grepen er dus naast. Soms waren de bankiers niet eens betrouwbaar. Denk eens aan Scheringa en zijn DSB. Er zijn mensen die niet blij zullen zijn met het advies in het Evangelie van vandaag.

Afgelopen vrijdag was het de elfde van de elfde, het feest van St. Maarten én de start van carnaval. Maar het was ook de dag van de protestmars van Occupy Amsterdam. Dat is een ernstig protest. Er is heel veel fout gegaan in onze samenleving. Er is iets wezenlijks fout gegaan in onze maatschappij: sociale ongelijkheid, economische crisis, ecologische crisis, bezuinigingen, uitzettingen, speculatie, armoede, schulden. En ik voeg er aan toe: egoďsme, te kort aan naastenliefde en misbruik in en buiten de kerken. 

 

Vandaag is het ook Radboudzondag. Op deze zondag werd er van oudsher  gecollecteerd voor het werk van de Radboudstichting. Deze stichting spant zich in voor de vorming van jonge mensen. Zij is vooral actief op het gebied van het onderwijs, de gezondheidszorg en het maatschappelijk werk. Daar zijn veel jonge talenten die ontplooid moeten worden en daarin ondersteuning kunnen gebruiken. Jonge mensen worden gesteund en gevormd om bij te dragen aan een gezonde samenleving en dat vanuit ons katholieke gedachtengoed. Het draait dan om aandacht voor de menselijke waardigheid, voor solidariteit met de zwakkeren in deze samenleving. Dit alles vanuit een gezond oordeel en met inzet van alle ontvangen talenten.

 

Ik kom terug op mijn openingszin. Was het een gewoon verhaal vanmorgen? Is het boek echt dicht? Als dat zo zou zijn, dan hadden u en ik ook thuis kunnen blijven, een mooie cd aanzetten en verhalen kunnen gaan lezen. Of nog liever: sprookjes. Sprookjes van Andersen of van Grimm of van Moeder de Gans. Maar spookjes bestaan niet. Natuurlijk we hebben ieder ons eigen sprookje. Daarvoor hebben we verdomde hard moeten vechten en ploeteren. Het sprookje van onze relatie, van ons gezin, van ons werk.

 

Onze komst vanochtend hier naar dit kerkgebouw is niet vrijblijvend. We worden keihard met de neus op de feiten gedrukt. Hebt u nog talenten op de plank liggen? U moet er wat mee gaan doen. Kijk eens om u heen. In deze maatschappij die door het politieke klimaat verschraalt, is uw hulp hard nodig. Ik denk aan de mantelzorg en aan allerlei vrijwilligerswerk. De Zonnebloem zoekt vrijwilligers om ouderen te bezoeken. Wist  u dat er naast armoede ook veel eenzaamheid is? We hadden onlangs de week tegen de Eenzaamheid. 3,5 miljoen mensen voelt zich eenzaam. Daar zouden die resterende 13 miljoen mensen iets tegen moeten kunnen doen. Zet daarvoor uw talent eens in. Ook uw parochie is op zoek naar talenten. Elk koor kan nog wel een zanger of zangeres gebruiken; en ze zoeken hier ook nog een koster voor de donderdagochtend, eventueel slechts één keer in de veertien dagen. Misschien zoeken ze wel een grafdelver op de begraafplaatsen Buitenveldert of St. Barbara. Ik zou als ik u was dat laatste alléén doen als u er echt voor het volle honderd procent van overtuigd bent, dat u bij het graven niet zult stoten op uw eigen, ingegraven, niet gebruikte en niet ontplooide talenten.

Er staat een waarschuwing aan ons in het Evangelie van Mattheus dat we vanmorgen lazen: ‘Werp de onnutte knecht buiten in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars’.

 

Weest waakzaam! Het is vijf voor twaalf, maar het is nog niet te laat om dat lot te ontlopen.

 

Amen.

 

                                                                                    

 

VERKONDIGING op 13 november 2011, de 33ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek der Spreuken (31,10-13.19-20.30-31), Psalm 128, de eerste brief aan de Tessalonicenzen (5, 1-6) en het het Matteüsevangelie (25,14-30).

 

Heeft u 'm al in huis, dierbare gasten en parochianen: de nieuwe Quote 500, de jaarlijkse ranglijst van vijfhonderd rijkste Nederlanders? Overal in de stad, in ons deel ervan wél tenminste, wordt er reclame voor gemaakt. Je ziet de affiche overal hangen. Het interesseert de mensen blijkbaar: wie, welke rijke, hoeveel "heeft". Onze beeldpalende buurtgenoot Jort Kelder was tot voor een paar jaar terug de hoofdredacteur van het blad. Jort, die in het laatste nummer van de Z.O.Z., Zie Oud Zuid, "de wijkglossy van Zuid" over zichzelf zegt: "De hemelpoort zal niet voor me opengaan. Het wordt waarschijnlijk een enkeltje hellevuur, aankloppen overbodig."[18]

 

Toch kun je jezelf afvragen, in het licht van de schriftlezingen van deze zondag en zeker van het het evangelie of Jort niet te pessimistisch is. Want lijkt het er niet op dat de goedbedeelde mensen, de mensen die het getróffen hebben in het leven, mensen die, zo vul ik maar in, mooi en slim zijn en die rijke ouders hebben, die dus in allerlei opzichten veel hebben meegekregen en die hun verstand, rijkdom en schoonheid góed gebruiken; lijkt het er niet op dat zulke mazzelaars er ook bij God nog eens góed vanaf komen ... ? De mens met de vijf talenten die er vijf bijverdient krijgt te horen, als zijn heer "afrekening komt houden": "Uitstekend, goede en trouwe dienaar ... Ga binnen in de vreugde van uw heer." De mens met de twee talenten die er twee bijverdient krijgt hetzelfde te horen. Alleen de loser, die maar één talent had meegekregen en die dat ene dan ook nog eens begraaft; alleen die figuur vist achter het net. "Waarom heb je mijn geld niet op de bank gezet zodat het tenminste nog rente had opgebracht?" Wij horen het de heer in de gelijkenis bij monde van Jezus zeggen als ware hij de eerste de beste belegger. "Werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars." Erg sympathiek klinkt ons dat niet in de oren denk ik. Wat zullen we nou krijgen? Welk beeld van God wordt ons hier door Jezus aangereikt? Is de God van Jezus er soms Één die de rijken rijker en de armen armer laat worden? Nogmaals, veelgeliefden: Wat zullen we nou krijgen?

 

Ik denk: Jezus maakt het ons niet gemakkelijk. Hij wil ons in deze gelijkenis duidelijk een beetje prikkelen, om niet te zeggen: misschien wel plagen, uitdagen of zelfs tergen. Het lijkt mij dat in Zijn, in Jezus' visie het dus niet zo is dat God per definitie aan de kant van de armen staat en dat hun bestaan zonder meer in alle opzichten van godswege gesanctioneerd zou worden terwijl Hij de rijken niet zou zien staan en aan hen geen boodschap zou hebben. Nee. Zo is het niet! De God van Jezus heeft een boodschap áán en dus betekenis voor ieder mens, ongeacht of iemand nu rijk of arm is.

 

Wat is trouwens "rijk"? En wat is "arm"? In de gelijkenis gaat het over "talenten", dat is een bepaalde hoeveelheid geld. Niet elke dienaar van de heer in de gelijkenis krijgt dezelfde hoeveelheid ervan om te beheren. Hoeveel men krijgt hangt af van de "bekwaamheid" van de dienaar in kwestie. En wat dat betreft zijn er verschillen tussen mensen. Maar het lijkt er op dat Jezus die verschillen irrelevant vindt, níet belangrijk. Waar het wél om gaat is, enerzijds, dat alles wat een mens op allerlei gebied heeft meegekregen, veel of weinig, dat hij dat of zij dat inderdaad heeft méégekregen. Het ís niet van jezelf. Het is níet je eígendom. Je uiterlijk, je karakter, je verstand ... je hebt het alleen maar in bruikleen gekregen. Én waar het om gaat, anderzijds, is dat jij met wát je hebt meegekregen hoe dan ook aan de slag gaat en je niet laat afleiden door wat anderen eventueel hebben en jij niet en dat je jezelf daardoor zeker niet laat ontmoedigen, laat staan verlammen. Ook met één talent kun je heel veel doen. Willem, word wakker!

 

De dag des Heren komt als een dief in de nacht. Juist als je denkt: "Er heerst vrede en veiligheid, juist dan overvalt hen plotseling het verderf." Zo hoorden we in de tweede lezing, uit de brief aan de Tessalonicenzen. Een voorbeeld van zo'n "verderf", zo'n onheil waardoor een mens plotseling getroffen kan worden is de ontvoering van de bierbrouwer Alfred Heineken in 1983. Er is een film over gemaakt die op dit moment in vele bioscopen draait[19]. Als Heineken en zijn chauffeur uiteindelijk worden ontzet en vrijkomen zie je hoe ze thuis worden begroet. De chauffeur wacht een warm welkom. Mensen vliegen hem om de hals en hij wordt geknuffeld. Heineken wordt opgewacht door zijn vrouw. In de film lopen ze schoorvoetend op elkaar toe. Het is duidelijk dat hier een man en een vrouw tegenover elkaar staan wier verhouding totaal is verschraald en verkild. Over talenten gesproken. Maar als Heineken dan 's nachts gekweld wordt door angstdromen, dan zoekt hij vanuit zijn aparte slaapkamer toch zijn vrouw op en laat zich door haar opvangen, in de armen nemen en kussen. Een liefdestalent dat werd begraven komt aan de oppervlakte. Een vrouw die al was afgeschreven wordt door haar man opnieuw ontdekt. De liefde tussen twee mensen op leeftijd leeft óp en we zien hoe Heineken een eind maakt aan een buitenechtelijke relatie waarvan hij nu inziet dat die niet goed is omdat hij zijn vrouw daarmee onrecht heeft aangedaan. Als 't in het leven van de bierbrouwer Heineken zo min of meer écht gebeurd is, dan is die ontvoering, die dag van verderf, inderdaad voor hem een dag des Heren geweest: een onheilsdag maar met een heilzaam effect.

 

Uiteindelijk, dierbare gasten en parochianen, is er maar één talent in ons leven dat er werkelijk toe doet en dat is het talent dat wij allemaal hebben meegekregen om liefde te geven en om liefde te ontvangen. Wie zich bewust is van dát ene talent, wie de rijkdom van de liefde en van al Gods goede gaven in zijn of haar leven ziet en ervaart en dankbaar is, die zal het alleen maar heerlijk vinden om die liefde, dat ene talent, op allerlei manieren naar allerlei mensen te laten uitgaan en hen doen delen in de onuitputtelijke overvloed die in eigen hart en ziel wordt ervaren. Om liefde te geven aan iemand hoef je niet per se wat dan heet "een relatie", een liefdesrelatie, met hem of haar te hebben. In de eerste lezing vandaag, uit het boek der Spreuken, ging het over "een sterke vrouw". Van haar wordt gezegd: "Zij opent haar hand voor de behoeftige en strekt haar armen uit naar de misdeelden". Mogen wij allen de overvloed van Gods liefde in ons ervaren. En dat de liefde stromen mag. Amen.

                                                                          

 

VERKONDIGING op 2 november 2011, Allerzielen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit de profeet Jesaja (25, 6-9), de Openbaring van Johannes (21, 1-7) en uit het Johannes-evangelie (11, 1-44).

 

Rijk de Gooijer is ook dood. Vandaag gestorven. Op deze tweede november, Allerzielen - precies zoals die baby, een meisje, dat getroffen werd, samen met haar moeder, in een zwembad in Tilburg, vandaag gestorven is. Rijk is vijfentachtig geworden, dat meisje maar vijf maanden. Een zeven jaar geleden op deze dag werd Theo van Gogh vermoord: óók op Allerzielen. Rijk de Gooijer, Theo van Gogh, dat kleine meisje ... alle drie dood. Net als de mensen met wie wij in gedachten naar hier zijn gekomen, naar de kerk op Allerzielen.

 

Allerzielen, dat zijn er héél veel ... We zijn dus nu met zeven miljard mensen op aarde. Met z'n zeven miljarden zouden we schouder aan schouder in de provincie Utrecht passen zeiden ze op het journaal. Dat klinkt leuk, solidair, dat "schouder aan schouder". Maar je moet er niet aan denken dat we het daadwerkelijk zouden moeten doen. Zeven miljard mensen als haringen in een ton. Arme kinderen. Arme oude mensen. Arme iedereen - in zo'n situatie. Je denkt dan meteen aan een concentratiekamp. Dus niet zo'n prettig gedachtenexperiment ... dat dan alleen nog maar op de levenden betrekking heeft. Denk daarbíj dan nog eens aan alle doden, aan alle levende zielen die er doorheen de geschiedenis geweest zijn. Horen de dieren daar ook bij? Ook mijn lieve poes Koetje is het afgelopen jaar gestorven. Waar is ze nu? "Egidius waer bestu bleven? Mi lanct na di, gheselle mijn"[20]. "Egidius, waar ben je gebleven? Ik verlang naar je makker ...".

 

Ja, zo is het: onder die talloos veel miljarden zijn er voor jou een paar, of is er misschien maar één, die er uitspringt of -springen. In je gedachten, in je geest licht éven, of af en toe, of geregeld, of voortdurend dat éne gezicht op. Of nu eens dít en dan weer dát gezicht. Ik moet zeggen, dat vind ik wel het mooie van zo'n speciale Allerzielendag: die nodigt daartoe toch uit. Die nodigt de doden uit om langs te komen. Allerzielen nodigt ons uit om naar ze uit te kijken. Allerzielen, dat zijn er ontiegelijk veel, niet te vatten zoveel. Terwijl het bij ons, hier, nu, vooral om die éne gaat, of die paar.

 

Ondere andere dát vind ik dan ook zo mooi aan de evangelietekst die ik zoëven heb voorgelezen, en die ik gráág voorlees. Want ze komen zó dichtbij, voel ik dan: Jezus en Martha en Maria en Lazarus. Je kunt ze bijna aanraken. Het gaat in deze tekst om één enkele dode, met een naam en een gezicht. Het gezicht kennen we niet, de naam wel: Lazarus. "God heeft geholpen" betekent die naam. Ja, zeg dat wel! God heeft geholpen. Hém wel. "Jezus hield veel van Martha, haar zuster en van Lazarus" hoorden we. Dat is gewoon góed om te horen vind ik: dat Hij, Jezus, blijkbaar een bijzonder gevoel vóór en een speciale band mét deze mensen had. Hij hield van ze. Het waren vrienden.

Jezus begint ook te huilen als Hij bij het graf komt. Huilen, net als wij - als je 't kunt, huilen ... Dan ben je een begenadigd mens, als je dat kunt. Dan heb je "de gave der tranen" ontvangen. "Zalig zij die treuren, want ze zullen getroost worden" zegt Jezus in de Bergrede[21]. "Hij moet wel veel van hem gehouden hebben" zeggen de mensen dan ook tegen elkaar als ze Jezus zien huilen.

 

Jezus laat zich niet weerhouden door het gegeven dat Lazarus al vier dagen in het graf ligt. Hij laat zich niet weerhouden door de afschuwelijke stank die ongetwijfeld uit een vers graf opstijgt als je het opent. "Lazarus, kom naar buiten!" En Lazarus kómt nota bene naar buiten. En dan denk jij aan die ene, aan jouw Lazarus, dan denk jij aan jouw mens of mensen die God ook wel mag helpen, naar wie je zielsveel verlangt misschien. O, als hij of zij toch eens uit de dood weerom zou kunnen komen ...

 

Ja.

 

Wij moeten het doen met het verhaal lieve mensen. Wij moeten het doen met Lazarus, met "God heeft geholpen". Maar vandáág nog, nota bene vandaag nog, zei mij iemand uit eigen ervaring: "Als je het goede nastreeft, als je het echt wilt, dan helpt God je, dat weet ik zeker." Een kwestie van geloven. Of nee, volgens degene met wie ik sprak dus van zeker weten. Helpt God jouw dode, jouw doden? Helpt Hij jóu met jouw doden? Helpt God Allerzielen? "De Heer God vernietigt de dood, en veegt de tranen van alle gezichten" hoorden wij in de eerste lezing deze avond, uit de profeet Jesaja. En in de Apocalyps, de Openbaring van Johannes klonk het: "Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij." Stoere beloftes. En in het evangelie huilt Jezus zelf. En Hij helpt. Hij overwint de dood.

 

Veelgeliefden, snáppen doe je het niet. Je vinger erachter krijgen kún je niet. Ons verstand kan er niet bij. En misschien wordt het wel op z'n plaats gezet, dat verstand van ons. Want je voelt, zowel bij Jesaja als bij Johannes, zowel in zijn Apocalyps/Openbaring als in zijn Evangelie: Hier worden geen grappen gemaakt. Het is hen ernst. Jesaja en Johannes. Al spreken zij in geheimtaal, het zijn geen bedriegers, geen charlatans. Ze sjoemelen niet met data. Ze zuigen het niet uit hun duim - zoals professor Diederik Stapel, de sociaal-psycholoog. God helpt. Hij heeft geholpen. En Hij zal opnieuw helpen. Jezus zegt: "Wie in Mij gelooft mag dan wel sterven, toch zal hij leven". Laten wij derhalve de namen van onze doden hier klinken zoals de naam van Lazarus hier geklonken heeft. Ontsteken wij voor hen onze kaarsen in het licht van het geloof dat Jesaja en Johannes en dat Jezus zelf in ons hebben verlangd te ontsteken. Amen.

                                                                                    

 

 

VERKONDIGING op 30 oktober 2011, de 31ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Maleachi (2,14-2,10), de eerste brief aan de christenen van Tessalonika (2,6-13) en uit het Mattheüs-evangelie (23,1-12).

 

Redt u het een beetje, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk? Lukt het u een beetje om Schwung in uw leven te houden, om er de vaart in te houden, om er plezier en zin in te houden? Of dreigt het scheepje van uw leven soms te stranden, dreigt u terecht te komen in de versukkeling, dreigt het karretje van uw leven spaak te lopen en vast te komen zitten als in rul zand?

 

Ja, het valt soms niet mee in het leven. Wij hebben er niet om gevraagd. Je wordt zomaar in dit leven geworpen. En als je geluk hebt, dan is dat gebeurd in een beetje een warm nest zoals dat heet: bij liefhebbende ouders die jou warmte en geborgenheid hebben geschonken en die je ook de nodige inzichten en wijsheid hebben meegegeven. Als je geluk hebt gehad, dan heb je een goede start gehad, thuis en op school. Maar hoe dan ook moet je het op een gegeven moment 'alleen redden' zoals dat heet: als volwassene moet je je eigen boontjes doppen en je leven zelf inrichten. Je maakt allerlei keuzes in studie, beroep en in de liefde. En hoe pakken die keuzes vervolgens uit: gelukkig of minder gelukkig? Red je het, in het leven, veelgeliefden, of red je het niet of maar moeilijk? Waar, bij wie vind je houvast?

 

Het houvast waarvoor u deze morgen naar hier bent gekomen heet 'God', en meer specifiek: God zoals die een naam en een gezicht heeft gekregen, zoals Hij concreet en tastbaar is geworden in Jezus van Nazareth. Maar ja, Jezus zelf is uit het gezicht verdwenen. Hij is opgenomen 'in den hoge', alwaar Hij zit 'aan de rechterhand Gods'. En wij hier op aarde moeten het wat betreft ons christelijk geloof binnen de katholieke kerk voor een niet onbelangrijk deel dóen met Zijn 'grondpersoneel', met name met de mánnen van de kerk, want vróuwen hebben binnen onze kerk zoals bekend en of je dat nu leuk vindt of niet 'nu eenmaal' een structureel andere positie. Veelgeliefden: ik kan dat ook niet helpen.

 

De mannen van de kerk. Nou, dat valt niet altijd mee. Niet voor hen en niet voor u. In de drie bijbellezingen die wij gehoord hebben wordt vandaag, voor ons, de schijnwerper op hen, op die mannen van de kerk gericht. Opnieuw: dat valt niet mee. Want Gods licht zoals het schijnt in de heilige schrift kan echt een röntgenlicht zijn waarin alles van mensen en met name ook de verborgen binnenkant en achterkant zichtbaar wordt.

 

Het evangelie is wat dit betreft vandaag het moeilijkst, het confronterendst. Het is een schril beeld dat Jezus daar schildert van die mannen van de kerk. Enerzijds de mensen 'zware en ondraaglijke lasten op de schouders leggen'. Waar moeten we dan aan denken? Nou, vul zelf maar in zou ik zeggen: De mannen van de kerk kunnen hóóg van de toren blazen en 'de mensen' geweldig de maat nemen als het gaat om issues die te maken hebben met liefde, seksualiteit en relaties, met het begin en het eind van het leven en met de vormgeving van de liturgie en het parochieleven. De verontwaardiging erover is vaak groot. Daarbij kunnen die mannen van de kerk ook nog eens geweldige ijdeltuiten zijn die geweldig kicken op allerlei interessante kleren, titels en omgangsvormen. Dus dat doet de zaak ook geen goed. "Noem ... niemand van u op aarde vader, want één is uw vader, die in de hemel." En tóch wordt de bisschop van Rome met name aangesproken als 'heilige vader'. Je zou zeggen: dat klópt toch niet? Dat is toch rechtstreeks in tegenspraak met wat Jezus in het evangelie zélf leert ... ? Ik denk: ook op dit punt is er voor ons binnen en met onze kerk nog een hele weg te gaan. "U bent allemaal broeders" (en zusters) zegt Jezus. Was het maar waar. Konden wij maar zó met elkaar omgaan: zo ontspannen mogelijk, zonder de één belangrijker te achten dan de ander, zonder pretenties. Ik denk: Zó heeft Jezus de omgang van zijn leerlingen met elkaar gewenst en zo heeft hij daarover gedroomd.

 

Paulus, in zijn eerste brief aan de christenen van Tessalonika, durft zichzelf te laten zien en bloot te geven; hij schroomt niet om zijn eigen gedrag en leefwijze ten voorbeeld en dus ook ter discussie te stellen. Hij, Paulus, hééft "geen eerbewijzen van mensen gezocht". Hij heeft niet geleefd op kosten van de christelijke gemeenschap, maar in zijn eigen onderhoud voorzien en daarbij zich voor diezelfde gemeenschap van christenen tot het uiterste toe ingezet, als vrijwilliger dus. Wat daarbij nog het meest treft, mij althans, dat is de warmte van de woorden waarmee hij spreekt: "Wij zijn als weerloze kinderen onder u opgetreden, zoals een voedster die haar kinderen koestert. We waren u zo innig genegen dat wij u graag niet alleen het evangelie van God, maar ook ons eigen leven hadden geschonken; zo lief was u ons geworden." Geen professionele, betaalde betrokkenheid. Maar wérkelijke betrokkenheid. De mensen tot wie hij zich richt gaan Paulus werkelijk persóónlijk ter harte. Hij houdt gewoon, eenvoudig van hen - mag ik hopen. Stond elke beroepsbeoefenaar en elk mens en stond zeker elke man van de kerk en stond elke christen maar zó in het leven.

 

Maleachi tenslotte, de eerste lezing: "De lippen van de priester moeten de kennis bewaren, en uit zijn monde verwacht men de leer" - en daarbij mag hij de mensen niet naar de ogen zien. "Mijn verbond met hem betekende leven en vrede, (...) ik heb hem die gegeven." "In vrede en rechtschapenheid verbleef hij bij Mij en velen heeft hij van het kwade weerhouden." Dicht bij Hem leven. Ik denk: dat heeft met gebed te maken. Ervaren, daardoor, wat leven en vrede werkelijk inhouden en ten diepste zijn. Je toevlucht zoeken bij de Heer. Bij God, in het gebed, geborgenheid ervaren, zoals die verwoord wordt in de 131ste psalm die wij samen hebben gebeden: "De stormen zijn bedaard in mij en vredig is mijn geest. Zoals een kind op moeders schoot, zo veilig voel ik mij." Je zou wensen dat elke gelovige, dat elke christen, dat elke man en elke vrouw van God zoiets ervaart en schenkt aan de anderen; dat wij dat vertrouwen en die geborgenheid schenken aan elkáár. Als wij het doen, dan geven wij elkaar houvast in het leven en helpen wij elkaar om niet vast te lopen maar om gaande te blijven; om vooruit te gaan op de weg die uitkomt, voortdurend, bij Hem, onze God. Als wij het doen en als wij zo met elkaar omgaan, dan komt het met die kerk van ons ook wel goed. Ga  er maar aan staan. Ja! Ga er maar aan stáán ... Amen.

 

Verslag van de Wereld Jongeren Dagen (WJD) van Tijmen van Tol

Toen ik voor het eerst een folder kreeg van de Wereld Jongerendagen dacht ik gelijk: hier ga ik niet heen. Hoewel ik me altijd met zekerheid verwant voelde aan het Katholieke geloof, nam ik altijd het liefst afstand zodra er iets georganiseerd werd en ik daaraan actief moest deelnemen. Ik weet niet precies wat de reden daarvan was, maar het was gebaseerd op een afkeer voor het ludieke gedrag van opvallend doen en jezelf uiten met als boodschap: 'Kijk, wij gelovigen zijn ook net mensen en kunnen ook plezier hebben'. Een nagenoeg lege vakantie van drie maanden, het feit dat de reis voor mij betaald zou worden en het gevoel dat je als 18-jarige in Nederland toch wel erg weinig over je geloof kan delen en dat je misschien toch wel iets bijzonders mee kan maken daar in Madrid, hebben mij over de streep geholpen: Ik ga toch maar mee. Achteraf gezien een zeer belangrijke keuze.

Ik vertrok met een groep van zo'n twintig jongeren van 18 tot 35 jaar met busjes vanuit Amsterdam. De reis werd georganiseerd door twee studenten die lid waren van het Opus Dei. We zouden in zes dagen naar Madrid rijden en ondertussen bezienswaardigheden bezoeken als de Notre-Dame van Parijs, het heiligdom in Ars en de Sagrada Família in Barcelona. Hoe verder de reis vorderde, hoe meer we van de sfeer van de wereldjongerendagen konden proeven. Kilometers van Madrid vandaan waren al tekenen van de WJD te zien; de hoeveelheid jongeren werd steeds dichter. In Madrid was het aantal onvatbaar. Het was een drukte als bij een popfestival, alleen dan was het festivalterrein niet één veld maar een hele stad. Bij de avondwake op de laatste dag was iedereen verzameld op het oude vliegveld Quatro Ventus. Meer dan een miljoen jongeren met bijna 200 verschillende nationaliteiten. Dat is uitermate bijzonder.

De succesformule van de reis was de combinatie van aan de ene kant de grootsheid van de gehele gelegenheid, en aan de andere kant het kleine groepje waarmee we de reis hebben gemaakt. En deze combinatie maakt de doelstelling van de reis zo goed mogelijk. Het is namelijk niet zomaar een vakantie als alle anderen. Hoewel het grootste gedeelte van de reis er hetzelfde uitzag als elke andere vakantie, (bezienswaardigheden bekijken, zwemmen, sporten, in de avond naar een cafeetje, etc.) heeft de WJD iets meer. Het is een reis waar je anders van terugkomt dan dat je er heen ging. Een reis die niet is afgelopen als je thuis komt, maar eigenlijk pas begint. De WJD zijn er voor om meer weet van het katholieke geloof te krijgen. En de succesformule is dat er ruimte is om dit op alle mogelijke manieren te doen. Op een algemene manier of een persoonlijke manier, op een rationele of een emotionele manier, vanuit beschouwing of ervaring, vanuit twijfel of vanuit vertrouwen. En dit zorgt er voor dat de reis eigenlijk geschikt is voor zowel een scepticus als voor een zeer overtuigd gelovige. Veelal heb ik met mensen van mijn groep gediscussieerd over geloofskwesties. Ik ben veel meer te weten gekomen over de algemene standpunten en praktijken van het geloof. Dan weer heb je een gesprek over je persoonlijke ervaringen en je praktisering van het geloof. En dan heb je ook nog de puur emotionele ervaringen die in de reis volop te beleven waren in de rituelen, waaronder de avondwake op Quatro Ventus. En dit alles geeft je een ontzettend goed beeld over wat het geloof inhoudt en wat het voor verschillende mensen betekent, én natuurlijk wat het voor jou kan betekenen.

En de vervelende vlaggetjes en petjes, en het populair maken van het geloof met slogans, bandjes en veelste enthousiaste mensen waar ik me altijd zo aan ergerde, daar is makkelijk mee om te gaan. Je weet namelijk dat dat allemaal niet hetgene is waar het om gaat. Het is slechts uiterlijk, en bij uiterlijk is het zo: het spreekt je aan, of niet. En net als met mij het geval was denk ik dat deze afwijzing op uiterlijk veelal voorkomt en er voor zorgt dat mensen ergens over oordelen zonder de inhoud te kennen. Zo is het uiterlijk van het massagebeuren er maar om één ding te bereiken: het besef dat je niet alleen bent in je geloof. Dit kan vele mensen heel erg steunen in hun zekerheid.

Want dat heb ik ook geleerd op deze reis: je kan veel meer leren over het geloof van mensen die zelf geloven dan van mensen die niet geloven. Want zo kregen wij meerdere malen te horen: 'Julie zijn de kerk'. En zo is het. Het katholieke geloof bestaat niet slechts uit de kerkgebouwen, de beelden, de geschriften en de paus; de katholieke kerk bestaat uit de mensen die er deel van zijn. En zo is het zeer zinvol voor iedereen die geďnterreseerd is in datgene wat de hele westerse wereld gedefinieerd heeft, en bovenal datgene waar wereldwijd één miljard mensen in geloven; namelijk het katholieke geloof, om, in plaats van naar de tv te staren, werkelijk met de mensen van wie het geloof is te praten: jongeren en priesters van over de hele wereld plus de paus zelf. Want niets anders kan je meer inzicht geven op het wonder dat het geloof heet.

 

VERKONDIGING op 18 september 2011 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit de profeet Jesaja (55, 6-9), Psalm 145 (ged.), de brief aan de Filippenzen (1, 20-26) en het Mattheüs-evangelie (20, 1-16).

 

"Ik wens je veel personeel!" zeiden Amsterdamse joden vroeger wel tegen elkaar als ze een hekel aan elkaar hadden of elkaar wilden plagen. Misschien doen ze het nóg. Ik heb het mij  ooit laten vertellen. We kunnen er ons denk ik wel iets bij voorstellen dierbare parochianen en gasten van deze Vredeskerk, niet? Goed personeel krijgen en hóuden, dat is voor een werkgever een voorname zorg. Want, aan de ene kant heb je de onderneming, de zaak en alle werkzaamheden die in dat kader verricht moeten worden. En aan de andere kant heb je de mensen die het allemaal zouden moeten doen. En vanzelfsprekend is dat niet.

 

Want mensen hebben hun kwaliteiten, maar ze kunnen ook hun blinde vlekken en schaduwzijden hebben. Mensen laten soms steken vallen. Je hebt natuurlijk modelwerknemers en -arbeidskrachten, mensen recht van lijf en leden, goed opgevoed, prettig in de omgang, sterk, nooit ziek, zwak en misselijk, met een goed verstand, die hun werk met grote zorg en toewijding doen. De apostel Paulus, zoals we hem vandaag in zijn brief aan de Filippenzen tegenkomen, lijkt mij zo'n typ. "Het is mijn stellige verwachting (...) dat in de volle openbaarheid, zoals altijd, ook nu Christus zal worden verheerlijkt in mijn lichaam, of ik nu levend ben of dood. Want voor mij is leven Christus en sterven winst." Toe maar! Paulus lijdt niet aan een gebrek aan zelfbewustzijn. Hij twijfelt niet aan zichzelf. Hij geeft zijn leven aan en voor Christus. Hij is Hem volkomen toegewijd. Hij staat geheel in

Christus' dienst en doet hem in alle omstandigheden eer aan, levend of dood. Een goed, een ideaal personeelslid - vindt Paulus duidelijk ook zelf. Maar hij is in dubio: Wat wil ik nu het liefst? Dood zijn? Ja, want dan zal ik helemaal met Christus verenigd zijn. Maar ja, als ik blijf leven, schrijft hij aan de Filippenzen, dan kan ik nog veel voor jullie betekenen, dan kan ik jullie helpen om vooruitgang te boeken op de weg van Christus en bijdragen aan jullie "geloofsvreugde" (mooi woord!). Die Paulus. Wat een krachtpatser.

 

Maar ja, zo zit niet iedereen in elkaar. "Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?" vraagt in het evangelie van vandaag de eigenaar van de wijngaard aan de mensen die hij tegen het eind van de werkdag nog aantreft op de plek waar losse arbeidskrachten, dagloners, zich blijkbaar verzamelen? "Omdat niemand ons gehuurd heeft" is het antwoord. Ja, waarom niet? De bijbeltekst vermeldt het niet veelgeliefden, maar we kunnen dat natuurlijk gemakkelijk invullen. Kijk maar wat er bij het sluiten van de markt op de Albert Cuyp aan groenten en bloemen overblijft: het "mindere spul". Bloemen en groenten "waar iets mee is": niet vers meer, niet mooi meer, de rot zit er misschien al in. Zo is het met mensen ook. Je hebt populaire mensen van wie iedereen houdt, die door iedereen worden bewonderd, met wie iedereen wel bevriend wil zijn en die iedereen graag in z'n zaak wil. Vaak zijn dat zelfverzekerde mensen die weten wat ze waard zijn. Denk maar aan Paulus. Maar je hebt ook mensen waar "iets mee is": mensen met een gebrek (niet sterk, niet slim, niet mooi enzovoort). Minkukels! Ridders van de droevige figuur! Vroeger op school als er in het kader van de gymles gevoetbald moest worden. De twee sterkste jongens van de klas mochten allebei een team samenstellen. Ze mochten allebei "kiezen". En wie bleven er over? Juist. Die. Zo wordt de hiërarchie van mensen gevormd. Op school begint het al. Geen gemakkelijke en plezierige situatie voor de kinderen, voor de mensen "die overblijven", "die

 

 

 

niemand wil". En niet zo'n goede methode, zo'n keuzeproces, om hen te sterken in hun gevoel van eigenwaarde en om in hen het beste naar boven te halen.

 

Maar ook die mensen bestaan veelgeliefden. Ook zij mogen een plekje onder de zon hebben. Ook zij willen te eten hebben. En hun kinderen als ze die hebben óók. Ook zij hebben allerlei noden, behoeftes en verlangens. Héél goed dus dat de eigenaar van die wijngaard hen überhaupt wáárneemt, dat hij ze ziet stáán.

 

Ik lees momenteel een boek waarin een zesentachtigejarige Westfriese man zijn leven beschrijft[22]. Hij had graag doorgeleerd, hij had daar ook de capaciteiten voor, maar ze hadden er thuis geen geld voor. Er waren nog negen andere kinderen. Veertien jaar oud, moest hij al gaan werken, bij een boer. Lange werkdagen waren het. Van 's morgens zes tot 's avonds zes. En nu op zijn oude dag kan hij zich er nog over opwinden dat de boer en ook de zoon van de boer, die vijf jaar ouder was dan hijzelf, werkelijk geen woord zeiden tegen hem, tegen dat jochie. Hij heeft er vier jaar gewerkt. En al die tijd: geen woord! Alsof hij niet bestond! En in Wenen heeft een oude dame een paar jaar terug nota bene een proefschrift geschreven over "Die unsichtbare ältere Frau"[23], "de onzichtbare oudere vrouw". Zelfde ervaring: van volkomen genegeerd te worden als alleenstaande oudere vrouw, bijvoorbeeld door de ober op het terrasje. Iedereen wordt gezien en bediend, maar zij niet.

 

"Uw gedachten zijn niet mijn gedachten, en mijn wegen zijn niet uw wegen", hoorden we in de eerste lezing vandaag, uit het boek van de profeet Jesaja. "Zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo gaan ook mijn wegen uw wegen te boven, en mijn gedachten uw gedachten". God kijkt en doet anders dan de mensen vaak doen. "De Heer is vol liefde en medelijden (...) De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte", - zo klonk het in de honderdvijfenveertigste psalm die wij samen hebben gebeden. God ziet ieder mens. Hij "ziet ieder mensenkind voor zich"[24]. En Hij kent geen "aanzien des persoons"[25].

 

De eigenaar van de wijngaard in de parabel die Jezus vandaag vertelt is een beeld van die God, van de God van Jezus. Ik kom uit een gezin van vijf kinderen. En als vroeger bij ons thuis een kind zich benadeeld voelde ten opzichte van een ander kind, bijvoorbeeld een net wat kleiner stukje van de taart of van de kip kreeg én dan protesteerde, dan irriteerde dat mijn vader: "Je moet niet alles op een goudschaaltje wegen!". Een belangrijk zinnetje waar ik mee opgevoed ben (hoop ik) en dat, zo dunkt mij, in het verlengde ligt van onze evangelietekst vandaag. Voor mensen die het in de ogen van de wereld "minder goed doen" en derhalve ook minder zouden moeten krijgen, daarvoor is God (nogmaals: in de ogen van de wereld) relatief royaal en ik krijg de indruk dat God graag ziet dat wij dat óók zijn. De waarde van een mens zit 'm voor God niet erin dat wij een perfect radertje zijn in het mechanisme van de samenleving, zit 'm er niet in dat wij voorbeeldig functioneren als werknemer, als gezinslid of wat ook. Mensen proberen te zien zoals God mensen ziet, met liefde. Zien wat mensen nodig hebben en elkaar daarbij proberen te helpen. Dat is onze taak. Amen.               

 

VERKONDIGING op 11 september 2011, de 24e zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Jezus Sirach (27, 30-28, 7), Psalm 103 (1-4.9-12), de brief aan de Romeinen (14, 7-9) en het Mattheüs-evangelie (18, 21-35).

 

Petrus heeft duidelijk een dikke huid. Hij kan tegen een stootje. Zijn naam betekent 'steen' of 'rots' en dat is duidelijk niet voor niets. Vier zondagen geleden konden wij hier horen hoe Jezus hem de lucht in stak: "Jij bent Petrus; op die steenrots zal ik mijn kerk bouwen". Maar de zondag er op, drie weken terug, werd hij door diezelfde Jezus op niet mis te verstane wijze gecorrigeerd: "Ga weg, satan, terug. Je bent een struikelblok voor mij." Petrus krijgt dus alle hoeken van de kamer te zien. Maar zoals gezegd: hij kan tegen een stootje. Je blaast hem niet zomaar omver. Een ander zou misschien gezegd hebben "Bekijk het maar" en zich zwaar beledigd en voor altijd boos terug hebben getrokken. "Satan ..." - het zou je maar gezegd worden. Zo niet Petrus. Hij incasseert Jezus' lóf, maar ook Zijn correctie. Hij slikt het. En hij gaat gewoon dóór. Jaren geleden zei een collega mij dat ooit: "Wat ik heb geleerd, is: je moet steeds maar gewoon doorgaan." Dat klinkt als een open deur intrappen, maar voor mij zijn het belangrijke woorden geweest, een 'spirituele les' als het ware. En Petrus illustreert die.

 

Kort na Pasen was ik in Ierland. Ierland staat vol met muurtjes; muurtjes die zijn gemaakt van ruwe stenen, stenen die allemaal hun onregelmatigheden en scherpe kantjes hebben. Daardoor sluiten de stenen niet naadloos op elkaar aan. Er zit ruimte tussen die stenen. Wind en water hebben er vat op. En daardoor worden in de loop van de tijd die stenen steeds meer gepolijst en afgevlakt. Het muurtje zakt daardoor een beetje in, maar het wordt ook steviger.

 

Ik denk: zoals met zulke stenen, zo is en zo gaat het met ons ook. Ook wij sluiten niet naadloos op elkaar aan. Ook wij kunnen botsen met elkaar, elkaar onrecht aandoen en elkaar pijn doen. Wij "verslijten aan elkaar"[26] in die zin. Maar als het goed is gróeien wij daardoor óók in geestelijke zin en wordt ons sociale weefsel er hechter door.

 

Het is eigenlijk humor dat die nog maar pas door Jezus zo zwaar gecorrigeerde Petrus - en ongetwijfeld heeft dat Petrus pijn gedaan en misschien voelde hij zich ook wel beledigd -; het is dan eigenlijk humor dat het nu ook weer Petrus is in het evangelie van vandaag die aan diezelfde Jezus vraagt: "Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven?"

 

Die broeder die Petrus vergeven moet is ook Jezus zelf!

 

Jezus antwoord is: Zeventig maal zevenmaal. Dat is dus vierhondernegentig maal. Maar dat bedoelt Hij natuurlijk niet. Hij bedoelt natuurlijk: Je moet ad infinitum, je moet tot in het oneindige blijven vergeven. Ik kom uit een gezin met vijf kinderen. En "je moet wat van elkaar kunnen hebben" zei mijn vader altijd. Dat was bij ons thuis een gevleugelde uitspraak. Vergeving is een levenselixer, het is een toverdrank van het leven - en zeker van het christelijk leven. Zonder vergeving gaat de machine van ons samenleven steeds stroever lopen en loopt die uiteindelijk vast. Vergeving is de olie die de machine, die ook ons eigen mechanisme nodig heeft om te werken. Vergeving - ook na de meest afschuwelijke gebeurtenissen en misdaden die mensen elkaar aandoen. Vandaag tien jaar geleden: 11 september 2001, de terroristische aanslagen in New York en Washington, de verwoesting van het World Trade Center, die twee trotse torens, de verwoesting van drieduizend mensenlevens. Wat moeten de nabestaanden (en in zekere zin zijn ook wij dat); wat moeten zij, wat moeten wij ermee? "Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks, alleen de zondaar blijft ermee lopen" hoorden we vandaag in het bijbelboek Jezus Sirach. En ook: "Vergeef uw naaste zijn onrecht", en: "houd op met haten". Je moet het maar kunnen. Maar dat kúnnen is wel van levensbelang, op de allereerste plaats ook voor jezelf, want anders beheersen haat en wrok je bestaan.

 

Tienduizend talenten was die eerste dienaar over wie Jezus in het evangelie spreekt schuldig. Tienduizend talenten, een duizelingwekkend hoge som: een bedrag dat je van je levensdagen met gewoon werken niet terug kunt betalen. Veel mensen zitten in deze tijd met dat soort schulden, bij de bank vooral, met name vanwege onbetaalbaar geworden hypotheken, of mensen vrezen om in zo'n situatie terecht te komen. Ten opzichte van God zitten we allemaal in dat schuitje. Bij God staan we allemaal in het krijt. God is als een bank waarbij wij allemaal een niet in te lossen schuld hebben. Want wie je als mens bent, alles wat je zomaar gratis en voor niets hebt meegekregen in het leven: je lichaam en je geest, je startkapitaal, je familie; je hebt het niet van jezelf en ten diepste ook niet van je ouders, nee, ten diepste komt het en is het van God. Zoals Paulus zegt vandaag: "Hém behoren wij toe".

 

Wat wij in die zin God verschuldigd zijn, zég: tienduizend talenten, dat is van een totaal andere orde als wat mensen elkaar verschuldigd kunnen zijn: in de evangelietekst wordt een bedrag genoemd van honderd denariën. En dat is een volstrekte peuleschil, peanuts vergeleken bij die tienduizend talenten waar het eerder om ging. En toch kunnen mensen zich op die peanuts ongelooflijk vastbijten. Wat een energie en wat een rancune kunnen mensen toch soms steken in allerlei kwestietjes die ze met elkaar hebben. Hun wereld kan voor mensen gaan draaien om een Chinese vaas, om een erfafscheiding, om een parkeerplaats, om een zak geld ... Mensen kunnen lijden aan een geweldig perspectiefverlies in die zin.

 

De pizzaboer tegenover mijn huis niet. Gisteravond was ik daar even. Ook bij hem gaan de zaken niet geweldig begreep ik. "Maar wij leven" zei hij. En zo is dat. Ons leven is, ondanks alles, een wonder en een geweldig en onverdiend geschenk. Dat het ons, ondanks alles, mag blijven vervullen van dankbaarheid. En dat we het niet bederven door onverzoenlijkheid. Amen.

 

 

 VERKONDIGING op 14 augustus 2011, viering van Maria's Tenhemelopneming, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Openbaringen van Johannes (11, 19a+12,1-6a+10ab), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (15, 20-26) en uit het Lucas-evangelie (1, 39-56).

 

Twelve days ago, here in the middle of the church, in front of the altar: a small coffin with a beautiful child, six candles around and cuddly toys. Dat dode kindje laatst! Drie maanden oud, gestorven in de slaap, na het drinken van melk, op het kinderdagverblijf ... Aan het eind van de uitvaartplechtigheid moest het kistje worden gesloten. Dat was het moeilijkste moment. Je weet: dit is de allerlaatste keer dat vader en moeder hun kindje zien. Closing the coffin: the very last time that the parents would be face to face with their child. Then, the grandmother of the child screams through the church: "Why? Was one not enough?" And she lifts her fist towards the altar.

 

Last week I saw the grandmother and the parents again. Afgelopen week zag ik hen terug. Ofcourse they were still devastated. Ontroostbaar natuurlijk nog. Pas nu begreep ik: De enige broer van de moeder van het kind was óók gestorven. Kanker. Drie jaar terug, zevenentwintig jaar oud. Hij stond op trouwen. Zijn zus had het niet aangekund. Ze was in therapie geweest. Pas de zwangerschap en de geboorte van haar kind hadden een eind gemaakt aan haar depressie. En dán, o nee, sterft dát kind: een prachtig, kerngezond, levenslustig kind dat de hele tijd lacht. The mothers brother had died three years earlier of cancer. The new born child had been named after him. Why did this child get born at all - if it was to die so young? Why did we, it's parents and grandmother get born at all having to live through all this? Why? Waarom? De eeuwige vraag. The eternal question. Job's question, in the Bible. Niemand heeft die vraag indringender verwoord als Job, in de bijbel: "Vervloekt de dag waarop ik geboren werd!"[27]

 

What does a priest do in such circumstances? What does he say? Ik dacht aan de vrienden van Job: "Zeven dagen en nachten zaten ze bij hem op de grond zonder een woord te zeggen, want ze zagen hoe groot zijn lijden was."[28] Like Job's friends I would have liked to only sit with these people and say nothing at all. Because: what could one say? Maar ja, dierbare gasten en parochianen, u snapt: altijd dringt de tijd. Ik moet weer naar de kerk enzovoort. I mentioned Job. Ik nóemde Job. Mother and daughter exchanged a meaningful glance. And the mother, the grandmother of the dead child said: "We are not Job! We are not Abraham! We are only mothers!" "Wij zijn gewoon moeders! Niet Job, niet Abraham" - zei oma ...

 

Today, beloved, we celebrate the Feast of Mary's Assumption. In today's first reading, from the book of the Apocalypse, we recognize her, Jesus' mother, eternally giving birth. And the baby being threatened: "An enormous red dragon with seven heads and ten horns (...). The dragon stood in front of the woman who was about to give birth, so that it might devour her child the moment it was born." In de eerste lezing vandaag: het bedreigde kind. Die draak, die het wil verslinden. We herkennen er in: de angsten van alle moeders (en vaders), van alle tijden. This red dragon: symbol of the  fears and anxieties of all parents in all ages.

 

En toch, vandaag: wij vieren Maria's Tenhemelopneming. En dat betekent: een hoopvolle boodschap voor alle door de dood beroofde mensen. Mary's Assumption means a message of hope for all bereaved parents and others.

 

"Gelukkige vrouw, zij die gelooft! Wat haar namens de Heer is gezegd, zal in vervulling gaan" - zo klinkt het in het evangelie van deze dag[29]. "Blessed is she who has believed that what the Lord has said to her will be accomplished" I believe: these words speak of Mary's faith, woorden die uitdrukken: het geloof van Maria. This faith carries her on, even when standing, one day, under the cross on which her Son is nailed. Her faith makes her look deeper and further. Het geloof van Maria maakt dat zij dieper en verder ziet. Dat geloof draagt haar, óók en juist als zij onder het kruis staat.

 

"Her child was snatched up to God and to his throne". "Haar kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon" - says the Apocalypse. And todays second reading, from the first letter to the Corinthians says: "the last of the enemies to be destroyed is death", "de laatste vijand die uitgeschakeld wordt is de dood" - zegt de eerste Korinthenbrief.

 

Christ is risen! Christus is verrezen! En Maria is ten hemel opgenomen. En dát is ook onze weg. Wij zijn op weg naar het licht van het andere leven, het leven bij God. Mary is taken up into heaven. And that's the way to which we all are called. We are called to the live in the light, to the live hereafter. Geloof je dat? Do you believe? Can you believe? Can the bereaved parents and grandmother believe? Are they and we and you able to believe? The answer is up to you. Het antwoord mag je zelf geven ...  

   

VERKONDIGING op 7 augutus 2001, Hoogfeest van de Kerkwijding van de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Ezechiël (43, 1-7a), Psalm 84 (ged.), uit de brief aan de Hebreeën (12, 18-24) en uit het Lucas-evangelie (19, 1-10).

 

Twee zondagen geleden, aan het eind van de mis heeft Pavčl van Houten, sinds enige tijd de curator van De Tribune, degene die zorgt voor de expositieruimte in onze kerk; twee weken geleden heeft Pavčl haar aan u voorgesteld: Sachi Miyachi, een jonge kunstenares uit Japan. Twee weken lang heeft zij mogen ervaren, hopelijk, waar wij het in de vierentachtigste psalm die wij zoëven hebben gebeden over hadden: "Gelukkig zij die wonen in uw huis, o Heer". Twee weken heeft Sachi in dit godshuis gebivakkeerd. Ze is er permanent aanwezig geweest. Ze heeft er gegeten en geslapen. En ze heeft er haar werk gedaan. Ze heeft gezaagd en getimmerd. Een enorme houtconstructie heeft ze gebouwd op de tribune hierboven. Het is een soort huisje, met een bed en een bureau. En daarboven een met gaasdoek overdekte corridor die twee ramen van de kerk met elkaar verbindt: een raam op het oosten, waar de zon opkomt, door die corridor verbonden met een raam op het westen waar de zon ondergaat. Een "wandelweg voor het licht" is het eigenlijk. Het licht en de stilte, dat is wat Sachi naar mijn idee in haar werk heeft willen zichtbaar maken. "Map the silence" heet het: "breng de stilte in kaart". Of: "exploreer, ontdek de stilte".

 

Gistermiddag werd de expositie van haar werk geopend. Sommigen van u waren daarbij. Sachi heeft bij die gelegenheid ook wat dan heet "een performance gedaan". Tonnie Niekus en ik mochten een paar keer met dobbelstenen werpen. Op basis van wat dat opleverde zette Sachi allerlei punten en lijnen op een kaart van die wand (voor mij de linker, voor u de rechterwand) van de kerk. Zij zat hier en iedereen keek ademloos toe. Vervolgens toog zij met een tandenborstel op een gigantische stok daarheen en heeft zij één baksteen van de ontelbaar vele waaruit de kerk is opgebouwd, die heeft zij gewassen met water uit de fontein vóór de kerk. Een wonderlijk ritueel - dat ons echter terugbracht náár en opnieuw in contact bracht mét de mensen die in 1924 deze kerk hebben gebouwd in de meest letterlijke zin van het woord: De arbeiders door wier handen destijds elke steen is gegaan en die ze met groot vakmanschap hebben samengevoegd, dίe heeft Sachi met haar performance in herinnering willen brengen en willen eren. Elke steen, elk mens is kostbaar. Elke arbeider die aan de kerk gewerkt heeft is kostbaar. Elke mens die destijds en in de loop van de jaren deel heeft uitgemaakt van de kerkgemeenschap of die er nu op de één of andere manier bijhoort is kostbaar. "Treed toe tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen maar uitverkoren door God en kostbaar in zijn ogen. Laat u als levende stenen opbouwen tot een geestelijke tempel". Zó schrijft Sint-Petrus erover in zijn eerste brief[30] en ik denk: dat sluit aan bij de intuďtie die ook Sachi gehad heeft. Elk mens is kostbaar. "Alle haren op jullie hoofd zijn geteld" zegt Jezus in het Evangelie[31].

 

Dat het hem menens is, dat blijkt wel uit de manier waarop Hij omgaat met die Zacheüs, de oppertollenaar over wie wij hoorden, iemand die voor de Romeinse bezetters van het Joodse land destijds belastingen inde. Hij "heulde" dus "met de vijand". Hij was dus "een verrader". En daarmee was hij iemand die "moeilijk lag". Geen populair iemand. Integendeel. Een rotte appel die uit de mand verwijderd moest worden. Een "uitstotingsproces" is er rond hem op gang gekomen. Hij mocht er niet meer bij horen. Zó keek "men" tegen die Zacheüs áán. De zondaar moet wég of veilig opgeborgen worden, zodat wij, de goeie mensen, er geen last van hebben en lekker onder elkaar kunnen zijn. Ja, zo denkt en doet "men". Maar Jezus denkt en doet zo niet. Jezus zet zo'n Zacheüs juist in het licht. En dát doet Zacheüs goed. Jezus' licht verwarmt en verlicht hem. Hij ontspant. En hij gaat open als een bloem. En hij verandert. Van een schraperig mens wordt hij een royaal, een vrijgevig mens. Ja, zo eenvoudig is dat dierbare gasten en parochianen. Afkeuring en afwijzing maken dat mensen verkillen en zich harnassen ten opzichte van elkaar. Vertrouwen en volgehouden welwillendheid doen altijd goed. "Ja maar ... dit en dit en dit". Dat zijn de bezwaren. Mensen hebben vaak allerlei "goede redenen" om "tegen" een bepaald iemand te zijn. Mensen kunnen inderdaad "verschrikkelijk gelijk hebben" in hun mening over anderen. Wilders en consorten enerzijds en de moslims en consorten anderzijds.  Verschrikkelijk gelijk hebben over elkaar. Verschrikkelijk!

 

Het is, veelgeliefden, een subliem idee geweest van onze Heilige Roomse Kerk om bij de viering van het hoogfeest van een kerkwijding over Zacheüs te lezen. Want: in zekere zin zijn we allemaal Zacheüs. Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan. We hebben allemaal onze zonden, tekorten, beperkingen en fouten. Op ons allemaal kan wel het één of ander aangemerkt worden. En wie zijn wij dat wij de Heer zouden mogen ontvangen, dat Hij in ons huis zou willen verblijven? Toch is dat precies wat Hij wil. Hij is bereid om ons te nemen zoals wij zijn en gaat op die basis met ons verder. Vandaaruit wil Hij ons meenemen ... naar de sterren en verder ... In de hoop natuurlijk dat ook wij bereid zijn om het met onszelf en met elkaar uit te houden en samen verder te gaan.

 

"U bent genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, tot duizenden engelen, de feestelijke vergadering van de eerstgeborenen die in de hemel zijn ingeschreven, tot God, de rechter van allen, tot de geesten van de rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben." Zó hoorden wij in de Hebreeënbrief. Het is niet niks. En dat alles, al dat mooie, is in de kerk aanwezig. In Jezus de Heer, wordt ons in de kerk Gods heerlijkheid ten volle aangereikt. De alledaagse werkelijkheid van ons persoonlijk leven steekt daar misschien maar pover en bleek bij af. Toch schenkt God in Jezus zichzelf aan ons. Hij is ons hoofd. Wij, de kerk, wij zijn Zijn lichaam. Hij doet het met ons. Wij zijn kostbaar in Zijn ogen. Sachi Miyachi, de Japanse kunstenares, heeft alle stenen van ons jarig kerkgebouw geteld[32]. Hij, onze God, heeft alle haren op ons hoofd geteld. Mogen wij elk afzonderlijk en samen, als kerkgemeenschap, mogen wij groeien in Hem. Amen.

 

 

                                                                                                                     

VERKONDIGING op 31 juli 2011, de achttiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit de profeet Jesaja (55, 1-3), Psalm 145 (ged.), de brief aan de Romeinen (8, 35.37-39) en het Matteüs-evangelie (14, 13-21).

 

Wij weten, dierbare gasten en parochianen: op dit moment is er hongersnood in de Hoorn van Afrika, in de op het Arabisch schiereiland gerichte punt van dat werelddeel, in de landen Somalië, Kenia en Ethiopië. Hoe is dat: honger hebben, sterven van de honger, of erger nog: je kίnd zien sterven van de honger en dan horen, in de bijbel, in de heilige schrift: "Gij (dat is: God) geeft (...) te rechter tijd (dat is: op tijd) spijs (eten). Gij opent uw hand voor alles wat leeft, voldoet aan al hun verlangens." Wij hoorden die woorden zoëven in de honderdvijfenveertigste psalm. En ze klinken cru, in deze omstandigheden. En je denkt dan: het is niet waar, dat is gelogen ... Want mensen in de Hoorn van Afrika, kinderen ook speciaal: ze gaan dood van de honger. Er zijn hulpacties. We mogen weer storten op giro 555 van de samenwerkende hulporganisaties. Maar voor veel mensen komt de hulp te laat. Een pijnlijk, een niet te verdragen gegeven. Je zou het maar zijn. Het zou je kind maar zijn. Honger in de wereld, ook ik 2011. Het is en blijft de grootste aanklacht die mensen tegen de hemel kunnen richten: Hoe kun Jij daarboven (ja, want zo denken en spreken wij dan toch in dit verband, zo stellen we het ons ruimtelijk toch voor), hoe kun Jij daarboven, als je er bent, als je bestaat, hoe kun Jij dit dan toelaten? Hoe kun je het laten gebeuren? 

 

Wij, dierbare gasten en parochianen, wij leven niet in Afrika. Wij beleven het niet zelf. Maar we weten ervan. En we zien het, dankzij de verrekijk, wél gebeuren. Het maakt je sprakeloos. Het doet pijn. En mensen voelen zich altijd weer schuldig, zeker als wij vandaag hier horen, uit Jezus' mond, de woorden: "Geven jullie hun maar te eten". Dan denken wij, net als Jezus' leerlingen destijds: dat kunnen wij niet, daarvoor hebben wij niet genoeg in huis, daarvoor hebben wij niet genoeg eten bij ons, daarvoor hebben wij niet genoeg mogelijkheden, niet genoeg geld. Allemaal argumenten. Allemaal bezwaren. En Hij, Jezus, die ons dan ook vandaag natuurlijk probeert duidelijk te maken dat het zó niet werkt, dat het inderdaad zó niet wérkt, dat Hίj zo niet werkt:

 

Als wij, als jij je concentreert op je eigen onvermogen in verband met allerlei huizenhoge problemen die je kunt ervaren in deze, in jouw, in onze wereld, bijvoorbeeld of met náme op dit moment in verband met de honger in Afrika; als wij ons, als jij je in dat verband concentreert op je onvermogen, inderdáad, dan gebeurt er niets. En dan verandert er niets. Dan sterven mensen van de honger en dan gaat de wereld ten onder.

 

Nodig is dat echter niet. Je kunt wel iets doen. De beperkte of zelfs schamele middelen die je hebt, die jou ter beschikking staan, daar kun je wel degelijk iets mee. Die zijn het begin. Wat is het geweldig dat die hulporganisaties samenwerken. Wat is het geweldig dat giro 555 bestaat. Wat is het goed dat je daar op mag storten elke keer als je geraakt wordt, elke keer als je jezelf durft te láten raken door wat er gebeurt in Afrika. Al zijn het maar een paar euro's per keer. Geloven in het wonder. Er aan bijdragen. Mogelijk maken, mede mogelijk maken, dat het wonder gebeurt. Ja, je kunt wél wat. Jou kleine beetje maakt het verschil, een essentieel verschil. Met jou kleine beetje kun je al die mensen te eten geven.

 

Waar Christus is, is overvloed. Daar bestaat geen tekort. Te kort, te weinig: dat heeft een christen niet. Een christen leeft vanuit Christus' overvloed. Die overvloed van Christus, daarvan is de christen het instrument. Het werkt, Hij werkt, in en door ons. Hij werkt óók in en door ons. "Gij geeft hun te rechter tijd spijs. Gij opent uw hand voor alles wat leeft, voldoet aan al hun verlangens." Als ik stort op giro 555, dan maak ίk dat waar. Dat kan ik. Dat ligt in mijn macht. En toch blaast ook op het moment dat ik deze woorden uitspreek in de Hoorn van Afrika misschien een hongerend kind de laatste adem uit. Dát kind wordt door mijn woorden en mijn daden, door mijn bijdrage op giro 555, dus duidelijk niet meer gered. Nee. Maar luisteren wij dán nog eenmaal naar de woorden van de apostel Paulus vandaag in de tweede lezing: "Broeders en zusters, wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (...) Honger? (...)" Nee! Daarover "zegevieren wij glansrijk, dank zij Hem die ons heeft liefgehad". "Ik ben ervan overtuigd", zegt Paulus, "dat ook de hongerdood" mogen wij parafraserend, hoe schokkend het ook klinkt, maar tóch rustig zeggen; "ik ben ervan overtuigd dat ook de hongerdood ons niet zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer." In 2011 sterven kinderen van de honger. Het is godgeklaagd. Nochtans gebeurt het wonder. Giro 555. En alle gestorvenen: niemand en niets scheidt ze van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer. Amen.

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op 24 juli 2011, de zeventiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het eerste boek der Koningen (3, 5.7-12), Psalm 119 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Romeinen (8, 28-30) en het Mattheüs-evangelie (13, 44-52).

 

Hoe is het mogelijk dierbare gasten en parochianen? Hoe is het mogelijk: Anders Breivik, de tweeëndertigjarige blonde Noorse man, die naar het zich laat aanzien eergisteren op het eilandje Utřya, vlak voor de kust bij Oslo, op gruwelijke wijze gedurende zo'n anderhalf uur meer dan tachtig jonge mensen de dood injoeg en die tegelijkertijd in de stad, in Oslo, een zware, zeer verwoestende autobom deed ontploffen waarmee hij ook minstens zeven mensen doodde en vele anderen verwondde, en soms zwáár verwondde, en die door deze daden heel Noorwegen in shock, verdriet en rouw dompelde en ook vele mensen elders in Europa en in de rest van de wereld; hoe is het mogelijk dierbare parochianen en gasten: deze Anders Breivik noemt zich een christen!

 

Het moge duidelijk zijn: Hij is een zeer gedreven man. Zijn gruweldaden heeft hij in koelen, ja in ijskouden bloede gepland en voorbereid. Hij is een mens die zich in zijn leven zó ontwikkeld heeft, dat hij op een gegeven moment nog maar één doel had. En aan dat doel maakte hij de levens van alle mensen die hij doodde en verwondde ondergeschikt. Daaraan offerde hij ze op. En ook zijn eigen leven offerde hij daar aan op en maakte hij daaraan ondergeschikt. In dίe zin lijkt hij inderdaad op die koopman over wie Jezus in het evangelie van vandaag spreekt: die koopman die één parel van grote waarde had gevonden en die vervolgens alles ging verkopen wat hij bezat en haar, die ene parel kocht.

 

- Maar ieder weldenkend mens en zeker iedere weldenkende christen vooral zal hopelijk zeggen: Zo'n terreurdaad is het volstrekte tegendeel van wat Jezus met die kostbare parel bedoelt. Hoe die Anders Breivik in het leven staat en ermee is omgegaan: daardoor komt niet het rijk der hemelen naderbij, maar daardoor draagt hij ertoe bij dat het leven op aarde steeds meer een hel wordt.

 

Inmiddels is reeds duidelijk dat wat hij gedaan heeft, Anders Breivik, dat het alles te maken heeft met bezwaren tégen en angst vóór mensen die "anders zijn": mensen met een andere oorsprong en achtergrond (niet-Noors, niet-Westers, niet-christelijk) als die van hemzelf. Zulke mensen moeten weg vond Anders. Ze moeten dood vond hij. En mensen, landgenoten die dat nίet met hem eens waren die moesten een lesje leren en die mochten ook gedood worden. Anders Breivik heeft de daad bij de gedachte en het woord gevoegd. En daardoor is gebleken dat hij een tweelingbroertje is van de jongens van Al-Qaeda, de islamitische terreur-organisatie. Het jasje is anders: Zij dragen een islamitisch jasje. En Anders, de Noor, draagt een christelijk jasje. Maar zij lijken op elkaar als twee druppels water zou ik zeggen: dezelfde angst, dezelfde blindheid, dezelfde verbetenheid, dezelfde wreedheid. 

 

De apostel Paulus, in de tweede lezing vandaag, uit zijn brief aan de Romeinen; daarin schrijft Paulus, ook aan ons: God bevordert in alles het heil van die Hem liefhebben. Kunnen we dat nu ook zeggen in verband met deze terreurdaad? Ik denk het wel. Want zonneklaar wordt door dit soort terreurdaden, vanuit welke achtergrond of ideologie ze ook gepleegd worden: Néé, dit is nίet de weg. Mensen die zó handelen kennen God nίet. Want daartoe heeft God ons niet bestemd: om in angst en haat te leven. God heeft ons bestemd tot "gelijkvormigheid met het beeld Zijn Zoon" schrijft Paulus. En Gods Zoon, denk ik, Jezus, werd niet gedreven door angst en haat, maar Hίj werd bezield door vertrouwen en liefde. Dáár ging Jezus voor. Daar had Hij alles voor over. Daarvoor heeft Jezus geleefd en is Hij gestorven: om ons te leren dat God liefde is. Jezus heeft liever zelf willen sterven dan die overtuiging, dan dát geloof los te laten. Aus Liebe will mein Heiland sterben, "uit liefde wil mijn Heiland sterven": één van de mooiste aria's van de Mattheüs-Passion.

 

God bevordert in alles het heil van hen die Hem liefhebben. De terreurdaden door Anders Breivik gepleegd kunnen ons helpen om na te denken over onszelf: Zijn wij, ben ik, ánders als Anders? Wat in hem zit, zit dat niet ergens ook in mij, in ons? Laat ίk mij, laten wίj ons in alle omstandigheden van ons leven leiden door vertrouwen en liefde alléén en nóóit door wantrouwen, door angst, boosheid en haat? Het is maar een vraag.

 

In de derde en laatste gelijkenis die Jezus in het evangelie van deze zondag vertelt, die over het sleepnet dat in zee geworpen wordt en waarin vissen van allerlei soorten bijeen worden gebracht, goede en slechte, spreekt Hij denk ik op de eerste plaats over ons, over de Kerk, over Zijn volgelingen, over "de christenen". Er zijn mensen die zich christen noemen (denk nog even aan Anders Breivik), maar die het ten diepste en feitelijk nίet zijn.

 

Wat en hoe een christen wél is of zou moeten zijn, dat mogen we ook invullen vanuit de eerste lezing van vandaag, uit het eerste boek der Koningen. "Wat wilt ge dat ik u geef?" vraagt God in een droom aan koning Salomo. En hij, Salomo, vraagt om "een opmerkzame geest, een geest vol wijsheid en begrip, om recht te kunnen spreken voor uw volk". Bij dat "recht spreken" hoeven we niet meteen aan de rechtszaal te denken. "Recht spreken", dat is op de allereerste plaats denk ik: spreken überhaupt op een goede en juίste manier. Spreken op een wijze waarop je récht doet aan mensen. Het is een zorgvuldig en een respectvol spreken. Spreken met en over mensen op liefdevolle wijze, ja zelfs over zo'n Anders Breivik de massamoordenaar. Over zijn slachtoffers ontfermt zich God. Maar over hem en mensen zoals hij mogen ook ménsen zich ontfermen. Ook hij, Anders Breivik, is en blijft een kind van God, of wij dat nu willen en leuk vinden of niet. Zolang hij echter in dit leven is kan hij zich tot God bekeren en hetzelfde geldt voor ons. Bekering is een levenslang groeiproces. Niet voor niets beginnen wij elke viering van de eucharistie met een boeteact. Wie er wel bij hoort en wie er niet bij hoort, wie mag blijven en wie weg moet: dat ίs niet aan ons om dat te bepalen. Juist als je dát wel wilt of doet kom je als christen in de gevarenzône. Ik denk: met name dát is ook het probleem met Anders Breivik als christen. En ik denk: mensen, speciaal christenen, moeten ervoor waken om tegen zo'n Anders Breivik en mensen zóals hij aan te kijken zoals hίj tegen mensen aankijkt. Wij moeten ervoor waken dat wij die manier van denken niet van zulke mensen overnemen. Maar de slechte vissen uitzoeken en weggooien, dat is niet onze taak. Dát mogen de engelen doen op het einde van de wereld. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 3 juli 2011, de veertiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Zacharia (9, 9-10), Psalm 145 (1-2.8-11.13-140, de brief aan de Romeinen (8, 9.11-13) en het Mattheüs-evangelie (11, 25-30).

 

"Uitgeput ... en onder lasten gebukt". Belast en beladen. Wij hier in Amsterdam denken bij die woorden natuurlijk al gauw aan Atlas, de figuur uit de Griekse mythologie die achterop het paleis op de Dam staat, "met de wereldbol op z'n schouders" denken we, maar eigenlijk is het in het verhaal het hemelgewelf, maar dat is nu voor ons niet zo belangrijk: Atlas is hoe dan ook zwaartillend. Hij is een gespierde figuur, een krachtpatser. Maar het kan bijna niet anders of hij zal bezwijken onder die enorme last op zijn schouders. Hij gaat er letterlijk onder gebukt, onder die last. De Atlas op het paleis, van koper of brons, houdt het nu al ruim drie eeuwen vol. Maar een mens van vlees en bloed natuurlijk niet. Die stort vroeg of laat in, toch, onder zo'n gewicht?

 

Waar moeten we aan denken? Waar heeft Jezus aan gedacht toen Hij Zijn woorden sprak? Of waar heeft de auteur van het evangelie aan gedacht toen hij de woorden neerschreef? Waaraan denken wij als wίj vandaag de woorden horen? Zijn er lasten die zwaar op jouw, op úw schouders wegen?

 

Is je lichaam een last? Heb je 't aan je hart? Moet je er aan geholpen worden en zie je daar erg tegenop? Krijg je 't daar erg benauwd van? Of: willen de voeten niet meer? Loop je gebogen? Of hoor of zie je steeds slechter? Lijd je er onder? Hoe zwaar is het?

 

Of zijn je lasten van andere aard? Heb je problemen met iemand of met mensen? Is er een conflict in je leven dat zwaar op je weegt? Ik ken mensen, die hebben nu al jaren geen contact met een zoon. En daarom zien ze ook hun kleinkinderen niet opgroeien. Dierbare gasten en parochianen: je ziet het aan die mensen, hoeveel verdriet ze daar van hebben. Ze gaan er echt onder gebukt.

 

En ga zo maar door: echtscheidingsperikelen, financiële problemen, je baan die op de tocht staat, zonder werk, verslavingsproblematiek, niet lekker in je vel zitten enzovoort. Het kan de vreugde die een mens in het leven heeft allemaal behoorlijk temperen, dimmen of zelfs geheel vergallen.

 

En dan horen we vandaag in de kerk Jézus zeggen: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht." Wat een heerlijke woorden. Balsem voor de ziel zijn ze. Goed luisteren naar die woorden, ze goed tot je laten doordringen, ze de ruimte van je geest en je hart laten vullen, ik denk: daar héb je werkelijk wat aan. Woorden waarin je bijna letterlijk kunt wonen zijn het. Je zou ze kunnen memoriseren. Je zou ze kunnen opslaan in je geheugen Je zou het misboekje van vandaag mee naar huis kunnen nemen. Je zou Jezus' woorden kunnen onderstrepen en regelmatig voor jezelf hardop of in stilte kunnen reciteren. En op een gegeven moment kun je die woorden dan dromen. En je kunt ze uit je geheugen opdiepen wanneer je maar wilt, en vooral: als het nodig is. Uit 't hoofd leren noemen wij dit. To learn by haert zeggen de Engelsen, uit of in je hart leren. Ik weet zeker dierbare parochianen en gasten: wie deze woorden van Jezus altijd bij zich heeft en ze in zich laat werken, die hoeft allerlei pillen niet te slikken en die hoeft niet naar de psychiater. Lekker goedkoop!

 

Wie op zo'n manier werkelijk lééft met de Heer, die is sterk en die kan veel aan, die kan veel drágen, misschien wel de hele wereld zoals Atlas. En zo iemand staat ook sterk ten opzichte van wie of wat hem of haar bedreigt. In de eerste lezing, uit de profeet Zacharia, hoorden we: "Zie uw koning komt to u ... Hij is deemoedig, hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin." In die woorden mogen wij onze Heer, mogen wij Jezus herkennen. Je denkt meteen aan palmzondag bij die woorden: aan hoe Jezus ooit Jeruzalem binnentrok om te lijden, om te sterven én om te verrijzen. Jaarlijks gedenken en vieren wij dat. In de processie aan het begin van de palmzondagviering en eigenlijk in en met de processie aan het begin van élke eucharistieviering kunnen wij beleven hoe Jezus bij onszelf "binnenkomt", in ons eigen Jeruzalem, in het Jeruzalem van ons hart. Ja, dat is wat wij hier ervaren: Jezus' aanwezigheid in ons wordt telkens vernieuwd en versterkt. En dan kun je veel aan! Dan kun je met name ook allerlei "tegenkrachten" in je leven aan. "Ik vaag de strijdwagens weg uit Efraďm, de paarden uit Jeruzalem; de strijdboog wordt gebroken" zo vervolgt de Zacharia-lezing. Strijdwagens, paarden, strijdboog: de geweldsmiddelen in Zacharias dagen. En hoe is dat voor ons? Wat is het moderne wapentuig? Met welke strijdwagens, paarden en strijdbogen worden u en ik geconfronteerd? Ik hoop veelgeliefden dat wij het niet hoeven meemaken dat men ons létterlijk met een mes of een vuurwapen naar het leven staat. En ik denk: geweld waar u en ik met náme mee te maken kunnen hebben is zogenaamd "verbaal geweld", dat zijn: wóórden waarvan je het gevoel kunt krijgen dat mensen ermee zagen aan de poten van de stoel waarop je zit, woorden die je het gevoel kunnen geven dat men ermee op je inhakt en die je kunt ervaren als giftige pijlen; woorden die een mens kunnen ondergraven, kunnen treffen, kunnen kwetsen, kunnen beschadigen, kunnen verwonden - áls een mens onbeschermd is, áls een mens geen goed schild heeft. Maar wij hebben wél een schild, een innerlijk schild! Het is Jezus, de koning op de ezel. Als Hij in je leeft, als "de kracht van zijn Geest in je verblijft", om met Paulus in zijn Romeinenbrief vandaag te spreken, dan ervaar je altijd vrede. En dan ervaar je kracht. En dan kun je van daar uit, vanuit die vrede en vanuit die kracht in het leven staan en met alle mensen omgaan - óók als ze jóu bedreigen. Als Jezus in je leeft, dan hoef je niet bezorgd te zijn. Dan hoef je nergens bang voor te zijn, voor niets en voor niemand. "De Heer ondersteunt die dreigen te vallen, richt al wie gebukt gaat weer op" zo klonk het in de hondervijfenveertigste psalm. Hoe groot en omvangrijk jouw taken in het leven ook zijn, al is jouw last zo groot en zo zwaar als die van de Atlas hoog bovenop het paleis op de Dam - met Jezus, met Zijn Geest, die van God zelf in je, wordt alles draaglijk en te doen, ja ... licht . Amen. Moge het voor ons zo zijn.

 

                                                                      

VERKONDIGING op 19 juni 2011, hoogfeest van de Heilige Drieëenheid, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam[33]

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (34, 4-9), de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (13, 11-13) en uit het Johannes-evangelie (3, 16-18).

 

A blessing in disguise. Dat is wat de Engelsen zeggen als er iets gebeurt, als jóu iets overkomt, waar je niet blij mee bent of wat zelfs verschrikkelijk is ... maar op den duur blijkt er toch een bijzonder positief effect is. A blessing in disguise, "een zegen in vermomming", zo kun je het vertalen - dáárvan is sprake in het leven van Sint-Patrick, de man die in de vijfde eeuw het christelijk geloof naar Ierland heeft gebracht en het daar heeft verspreid[34].

 

Hij kwam uit Engeland. In die tijd waren de Romeinen daar de baas. Patrick was van een nette familie. Ze waren christenen, maar het geloof interesseerde Patrick niet zoveel. Hij ging naar school en deed zijn best. Op een dag kwam er echter plotseling een eind aan zijn fijne en rustige leven. Ierse piraten kwamen aan land. Ze kwamen om te roven: vee, kostbaarheden en ook mensen. Zo werd Patrick een slaaf, in Ierland. Hij was zestien jaar. En het werk dat hij moest doen was: op schapen passen. Dat was een bitter eenzaam bestaan. Moederziel alleen zwierf hij rond in de heuvels. Hij had geen goede kleren. Hij had het vaak koud. En hij had vaak honger. Wat moest hij doen? Patrick begon te bidden. Patrick ging praten tegen God. Patrick ging praten mčt God. Later toen Patrick het verhaal van zijn leven opschreef, heeft hij ook hίerover geschreven. Ik lees een stukje voor:

 

"Schapen hoeden was mijn dagelijks werk. Overdag bad ik onafgebroken. De liefde van God en mijn ontzag voor Hem groeide. Mijn geloof werd sterker. Mijn geest werd wakker geschud, zodat ik op een dag wel honderd gebeden opzegde en als het donker werd bijna nog eens zoveel, ook als ik in de bossen was of op een berg. Ik werd wakker en bad voordat de zon opkwam, ook als het regende of sneeuwde en als het vroor. Ik was er heel ijverig in, omdat de Geest in mij zo vurig was."

 

Patrick heeft het over "de Geest in mij". Hij voelt: in mij gebeurt iets, er is een kracht in mij werkzaam, en dat is niet mijn eigen kracht, ik doe het niet zelf, maar het is de kracht van God, het is de kracht van Jezus die in mij bidt en werkt.

 

Wie God is, daarover lezen en leren wij in en vanuit de bijbel. Ook vandaag was en is dat het geval. De eerste bijbellezing vandaag was uit het boek Exodus. In die lezing kwamen wij Mozes tegen. In alle vroegte beklimt hij de berg Sinaď. Er staat: "De Heer daalde neer in een wolk. Hij kwam bij hem staan en Hij riep de naam HEER uit. De Heer ging hem voorbij en riep: HEER!" God die Zijn eigen naam roept. "De Heer is een barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw, die goedheid bewijst tot in de duizendste generatie, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, maar een schuldige niet ongestraft laat, en die de misdaden van de vaders straft in hun kinderen en kleinkinderen, in de derde en vierde generatie." God die tegen Mozes spreekt. God die tegen Patrick spreekt. God die tegen ons spreekt - als we in de bijbel lezen, als we bidden. God zegt van zichzelf: "Ik ben barmhartig en genadig. Ik ben geduldig en Ik ben groot in liefde en trouw." Ja, dat voelde Patrick ook terwijl hij rondzwierf met zijn schapen. Hij voelde: God is goed voor mij, God houdt van mij. En beter dan ooit tevoren begreep hij: als ik goede dingen doen, dingen die God wil dat ik doe, dingen waar mensen gelukkig van worden, dan is 't net als met een steen die je in het water gooit: dan komen er kringen rond de plek waar die steen in het water verdwenen is, steeds wίjdere kringen. Een goed mens en goede daden hebben een prachtig effect. Goedheid, dat is iets wat je kunt zaaien en wat zich kan voortplanten. Maar ook het omgekeerde is helaas wáár: als je slechte dingen doet, dan steek je daarmee ook andere mensen aan. Het is als met een brand. Eén vonk kan veroorzaken dat een heel bos gaat branden. Als een vader bijvoorbeeld zijn kinderen slaat, dan zijn zijn kinderen daarvan de dupe en misschien zelfs zijn kleinkinderen. Want iedereen in die familie gaat denken: ja, slaan, het doet wel pijn, maar het is blijkbaar normaal om anderen te slaan. Dus dan gaan de kinderen ook elkaar en andere kinderen slaan, thuis op school en op straat. En voor je het weet is het één en al ellende en is het eind zoek en staat een heel land of staat zelfs de hele wereld in brand. Denk bijvoorbeeld even aan wat er in Aghanistan op dit moment en al veel langer speelt.

 

Wij christenen geloven dat dezelfde God die tegen Mozes heeft gesproken; wij geloven dat die God op aarde is gekomen en geboren is als een mens van vlees en bloed, in Jezus van Nazareth. Jezus werd geboren in Bethlehem. Dat vieren we ieder jaar als 't Kerstmis is. Wij geloven dat God de Vader is van Jezus en dat Jezus dus de Zoon van God is. Jezus en Zijn Vader lijken op elkaar zoals twee druppels water op elkaar lijken. Eigenlijk zijn die twee, Jezus en Zijn Vader, dus één en dezelfde God. Met Pasen vieren we ieder jaar dat Jezus is gestorven aan het kruis, maar dat God Hem uit Zijn graf heeft laten opstaan en dat Jezus voor altijd leeft bij God. Als we bidden, dan kunnen we voelen dat de Geest van Jezus, dat de Geest van God, in ons is, dus dat God zelf in ons is. God is God. Hij is altijd zichzelf. God is Eén. Maar we hebben God op drie manieren leren kennen: Jezus is God. De Vader van Jezus is God. En de Geest van Jezus en van God in ons, die is ook God.

 

Ik geef toe, dierbare gasten parochianen: het is allemaal wel een beetje ingewikkeld, de kerkelijke leer over de Heilige Drieëenheid. Die leer roept toch veel vragen op. Gemakkelijk raak je het spoor bijster, want: is het niet net alsof God zichzelf in Jezus gekloond heeft, zoals het schaap beroemde schaap Dolly werd gekloond? Is het niet net alsof God in Jezus een fotokopie heeft gemaakt van zichzelf? Is het niet net alsof Jezus die God is zichzélf aan Zijn eigen haren uit het graf omhooghaalt? Ik bedoel: zijn het niet allemaal cirkelredeneringen waarin je jezelf, ook als kerk, uiteindelijk hopeloos vastdraait? Wordt het dan ook niet vreselijk abstract allemaal en voer voor wereldvreemde intellectuelen? Waar gaat dat op een gegeven moment nog over? En vooral: welk normaal mens ligt daar nog van wakker?

 

Ik denk: wij moeten altijd proberen om moeilijke zaken eenvoudig uit te leggen. Inderdaad: waar gaat het nu werkelijk om? Wat is de kern, wat is het hart van de zaak? Sint-Patrick heeft in zijn tijd misschien wel een klavertje-drie genomen om het uit te leggen: één steeltje met drie blaadjes[35]. Wίj kunnen vandaag ook kijken naar de bloemen voor het altaar. Daarin zien we drie oranje bloemen, ik weet niet hoe ze heten. Mariëtte die voor de bloemen zorgt heeft dat natuurlijk niet voor niets zó gedaan. Zij wist: vandaag wordt het hoogfeest van de Heilige Drieëenheid gevierd. Drie oranje bloemen, of nee: het zijn eigenlijk drie rechte stengels met oranje scheuten eraan. Ze doen me denken aan vuur. En dat is natuurlijk geen toeval. want vorige week stonden ze er ook al. Toen was het Pinksteren, het feest van de Geest van God, van Jezus, die is als vuur, vuur dat verwarmt en verlicht. Eén en hetzelfde vuur is het dat we tegenkomen in het vuur van de God die tegen Mozes spreekt, in het vuur van de God die we ontmoeten in Jezus én in het vuur dat kan leven en dat we kunnen ervaren  in ons eigen hart.

 

Is het nu noodzakelijk om als mens in Jezus en in de Heilige Drieëenheid te geloven? Je zou het kunnen denken. Want in het evangelie hoorden we: "Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de naam van de eengeboren Zoon van God." Er staat dus niet: dat mensen die niet in Jezus geloven "al veroordeeld" zouden zijn, maar wél dat mensen die niet geloven "in de naam van de eniggeboren Zoon van God." Het gaat dus om de inhoud van Jezus' naam. Welnu, "Jezus", die naam betekent "God redt". Dáár gaat het dus vooral om denk ik: om het geloof in God die naar christelijk besef in optima forma reddend aanwezig was, is en blijft in Jezus Christus. Ik denk dat we er daarbij goed aan doen om in deze tijd vooral te zoeken naar datgene en naar Degene die alle vormen van geloof met elkaar verbindt, dus naar wat en naar Wie we gemeenschappelijk hebben. Dat klavertje-drie van Sint-Patrick, je kunt daarbij in deze tijd óók denken: jodendom-christendom-islam, de drie monotheďstische godsdiensten. Drie vormen van geloof, maar de steel waarop de blaadjes zitten en de wortels zijn dezelfde ...

 

Wij als christenen geloven in Gods Heilige Drieëenheid. En ik denk: dat is in elk geval een prachtige manier, een prachtig beeld, ons door de oudste traditie van ons geloof en van onze  kerk aangereikt, om in uit te drukken wat en wie God voor ons is. Een Ierse tekst uit de achtste eeuw, een tekst die "het borstschild van Sint-Patrick" wordt genoemd, getuigt daar prachtig van. Ik wil deze verkondiging besluiten met het voorlezen van de eerste strofe ervan:

 

"Vandaag sta ik op door een machtige sterkte, Drieënige God, door het geloof in de Vader, de Zoon en de Geest, door te belijden Eén God, die hemel en aarde gemaakt heeft."[36] Mogen wij, veelgeliefden, door de machtige sterkte van die Drieënige God állen opstaan. Amen.

 

VERKONDIGING op 13 juni 2011, Tweede Pinksterdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (19, 1-6) en uit het Johannes-evangelie 14, 15-17).

 

Alsof Paulus achter een loket of balie zit, een blik werpt op de aangereikte papieren en tot de conclusie komt: Meneer, mevrouw, u bent hier helemaal aan het verkeerde adres! Of: hier klopt helemaal niets van! "Hebt u heilige Geest ontvangen toen u gelovig werd?" "Maar wij hebben nog nooit van het bestaan van een heilige Geest gehoord." "Wat voor doop hebt u dan gekregen?" "De doop van Johannes." "Johannes doopte een doop van bekering en wees het volk erop dat ze moesten geloven in degene die na hem zou komen, dat wil zeggen: in Jezus." En dan láten zij zich in Jezus dopen en "Paulus legde hun de handen op en de heilige Geest kwam op hen, en zij spraken in talen en profeteerden." - Die doop en die handoplegging hadden dus een evident heel merkbaar, heel zichtbaar effect.

 

Afgelopen zaterdagmiddag is in het heiligdom van Onze Lieve Vrouw ter Nood weer het Heilig Vormsel toegediend, het sacrament van de Geestesgave. De bisschop of zijn vertegenwoordiger heeft hetzelfde gedaan als Paulus deed: Hij legde de handen op aan de honderd-en-één vormelingen. Daar waren ook vier mensen bij uit onze twee parochies: Anastasia, Ghislaine, Nathan en Mai. Wat hebben zij gemerkt? Wat hebben zij gevoeld? Wat hebben zij en de andere aanwezigen gezien? Werden zij na de toediening van het Vormsel loslippig? Spraken zij opeens vloeiend Arabisch en Chinees? Wat gebeurde er?

 

Ik denk: de kans is groot dat zij er vrij rustig en nuchter bij gebleven zijn. Misschien was de bisschop aardig voor hen. Vast! Misschien ráákte de aanraking door hem hen ook werkelijk. Misschien was er een ontroering. Misschien. Maar misschien ook niet. Ik moet wat dit betreft altijd denken aan Godfried Bomans. In een verhaal over zijn Eerste Heilige Communie schrijft hij: "Op de dag zelf heb ik de vreugde der engelen niet gesmaakt. (...) Waar bleef nu die onmetelijke verrukking? Niets. Alle kinderen knielden met hun handen voor hun ogen in een extase van blijdschap, rijen dik zaten ze maar te genieten, ik alleen viste in mijn stijfgestreken matrozenpak weer achter het net."[37]

 

Ja. Maar wat moet je ermee, als je "niets voelt", als je "niets merkt"? Betekent dat dan dat de Heilige Geest, zoals Sinterklaas in het liedje stilletjes jouw huisje, jouw persoontje voorbij is gegaan? En betekent dat dan vervolgens ook dat jij "niet goed genoeg bent" en niet deugt? Ja. Wat moeten wij hiermee?

 

Richten wij onze aandacht naar het evangelie van deze tweede Pinksterdag. "Als jullie Mij liefhebben", zegt Jezus daar, "(dan) zul je ter harte nemen wat ik jullie opdraag." Dat zinnetje kan eigenlijk dreigend en dwingend overkomen, in de zin van: O wee als je niet doet wat ik zeg! Dan hou je dus niet van mij. Ik denk niet dat het de bedoeling is dat we het zo verstaan. Ik denk dat het juist geruststellend bedoeld is, namelijk in de zin van: Als je van Jezus houdt, als dat minstens je intentie en je verlangen is, en dat géldt toch voor ons, anders záten wij toch niet hier?; als je dus van Jezus houdt, als je van Hem wίlt houden, dan ga je gewoon automatisch, vanzelf doen wat Hij graag wil. Daar is dan geen ontkomen aan. Als je van iemand houdt, dan ga je doen waar hij of zij gelukkiger van wordt. Zo simpel is dat. Dat is de geest van die ander in jou. Dat is de Heilige Geest van Jezus, van God in jou. Jezus zegt: "Ik zal de Vader vragen jullie een andere helper te geven, die voor altijd met jullie zal zijn, de Geest van de waarheid. De wereld kan Hem niet ontvangen, omdat ze Hem niet ziet en ook niet kent, jullie kennen Hem wel, want Hij blijft bij jullie en zal in jullie zijn." Of je het nu voelt of niet voelt, of je het nu merkt of niet merkt! Dierbare gasten en parochianen, dierbare mede-gelovigen: een vis voelt en merkt ook niet dat hij in het water zwemt. Daarmee kun je het vergelijken. De Heilige Geest, dat is de lucht die mensen die van Jezus houden inademen. De Heilige Geest, dat is de ruimte "waarin wij leven, bewegen en zijn."[38] Maak je dus geen zorgen als je "niets merkt", "niets voelt". Want geloven is iets anders dan "voelen".

 

Wat het wél is, heeft in dit verband ooit paus Leo de Grote verwoord. Graag besluit ik deze verkondiging met een citaat uit een preek van hem. Paus Leo verkondigde, in de vijfde eeuw: "Van de kennis van de leer kwamen zij tot het verdragen van lijden: onbevreesd bij storm en ontij, stonden zij voortaan door de kracht van hun geloof boven de golven van de wereld en boven de woelingen van de geschiedenis."[39] Moge het ook voor ons gelden. De postcode van mijn ouders, in Purmerend, is: 1441 ZZ. "Zonder zorgen" zegt mijn vader altijd. Ja, mogen wij zonder zorgen zijn omdat wij mogen leven in het bewustzijn: die andere helper is altijd bij ons. Hij, Jezus' Geest, Gods Geest, ίs in ons en wérkt in ons, hóe dan ook. Amen.        

 

               

In Paradisum  

 

(toespraak door gastspreekster Margriet de Moor in de Rozenkranskerk)

 

Hoe ouder ik word hoe katholieker. Ik had misschien kunnen hopen: hoe ouder ik word hoe wijzer. Of vaststellen: hoe ouder hoe gekker. Maar nee, ik word steeds katholieker en misschien is dat wel iets tussen wijs en gek in. En de plek waar dat tot me doordringt is telkens, heel simpel, de kerk, het gebouw zelf dus, soms in zijn sprookjesachtige stilte, soms terwijl er een mis of een gebed aan de gang is. Op een zaterdagnamiddag, niet lang geleden, liep ik in de Pijp een kerk binnen op het moment dat daar het avondgebed begon. Ik was er gewoon, komend vanuit de supermarkt heengelokt door het klokgelui dat ik ken sinds mijn vroegste jeugd. Toen ik er binnenkwam werd ik ogenblikkelijk door de ruimte bevangen. Hoog, donker en met die typische heilige geur. Ook dacht ik even dat het er totaal verlaten was totdat ik voorin, daar bij de communiebanken, de acht of negen mensen ontdekte die juist wilden beginnen met het avondgebed; de pastoor was bezig een kaars aan te steken. Ik heb meegedaan die namiddag, in het halfdonker op rij met dat handjevol anderen, de pastoor in het midden. Ze hielden naar mijn gevoel iets in leven, met alle kracht waarover ze beschikten, dat ooit begonnen was in de catacomben van de eerste christenen. Het was een heel sterke sensatie, een wonderlijk vacuüm in een stad die zich al opmaakte om op zijn zaterdags uit zijn bol te gaan.

Die kerk dus, dat gebouw waarbinnen iets 'is'. En terwijl ik steeds kerkser word, word ik wat de katholieke leer betreft steeds onbevangener. Er zijn dingen die je gelooft en er zijn dingen die je 'wel gelooft', die je in alle gemoedsrust het mysterie laat zijn die ze zijn en waar je je verder niet mee bemoeit, niet met je hoofd althans. Men zegt dat wij mensen  redelijke wezens zijn, het zal wel. Maar goddank zijn we dat niet alleen. We zijn ook, en volgens mij niet zo'n beetje, literaire wezens. Zo heeft de goede God ons geschapen, sterker nog: Hij is zelf begonnen.  Als één boek ons dat  inprent is het wel Zijn eigen boek. Ik denk dat we allemaal de zin waarmee het evangelie van Johannes begint, wel kunnen dromen.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.

Een knappe slagzin. Een  pakkende one liner waarmee de evangelist Johannes het begin van Genesis 1 maar eventjes samenvat, het eerste hoofdstuk uit het Oude Testament waarin God bezig is hemel en aarde te scheppen en let wel: al pratend.   

'Er moet licht komen...' schijnt Hij te hebben gezegd.

'Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen...' zo heeft het geklonken.

 'Overal op aarde moet jong groen ontkiemen...'

  Enzovoort. Elke dag zijn er uit Zijn mond een paar van die poëtische regels gekomen tot aan: 'Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn...

  Wat mooi, en wat radicaal. De wereld als voorstelling, als een staaltje dichtkunst van God.

  Maar ook de held van het Nieuwe Testament, Jezus, weet wel raad met de kunst van het woord. Hij is geen schrijver zoals een paar van zijn discipelen, maar hij is wel een meesterlijke verteller die alles af weet van beeldspraak en gelijkenis, van de kracht dus van het korte verhaal. Dat van de kameel bijvoorbeeld, die alleen met veel moeite door het oog van een naald kan kruipen – dus onmogelijk is het niet, in fictie kan inderdaad alles. En het slimme, ja uitgekookte verhaal van de Barmhartige Samaritaan dat hij, Jezus, vertelt als antwoord op de toch wel erg moeilijke vraag, zeker in bepaalde oosterse kulturen, de vraag van: wie is mijn naaste? En de ontroerende, regelrechte tearjerker van De verloren zoon, dat dan ook door de eeuwen heen op talloze schilderijen is afgebeeld, want totdat de film kwam gingen verhalen en beeldende kunst samen.

  Ook wij zijn praters, niet één van ons uitgezonderd. Op het obsessieve af zijn we voortdurend bezig feiten in woorden te veranderen. Bij ontmoetingen op straat, straks bij de koffie na de mis, in de pauzes van voorstellingen, we branden altijd ogenblikkelijk los. Verwonderlijk is dat niet, geschapen als we zijn naar het beeld en de gelijkenis van een pratende God.

 Feiten en woorden. Als elke schrijver heb ik steeds te maken met het spanningsveld daartussen. Ik denk dat zich daar, tussen die feiten en woorden, ook het geloof bevindt. Je bespeurt een waarheid die je niet kent, maar waar je wel bij in de buurt kan komen. Geloven is een soort denken dat zich voor mij vlakbij de fictie bevindt. Fictie, die trouwens helemaal niet bezijden de realiteit hoeft te zijn, zoals in de wetenschap vaak genoeg achteraf is gebleken. Grote ontdekkingen beginnen bijna altijd met puur intuďtief gespeur, een soort geloven dus. Einstein had de relativiteitstheorie al lang als mogelijkheid in zijn hoofd voordat hij hem wetenschappelijk kon bewijzen.

Ik denk dat wij mensen religieuze dieren zijn. Dat men over de hele wereld gewoon wordt geobsedéérd door het goddelijke valt met het grootste gemak vast te stellen. De opvatting dat alleen dit al bewijst dat daar een realiteit achter steekt, lijkt mij nog helemaal niet zo gek. Zo'n wereldwijde ijzersterke intuďtie, gewoon...zomaar? Lijkt me heel onrealistisch.

  Als religieus dier zoek ik dus steeds vaker de katholieke kerk op. Het zijn warme kerken die niet alleen vol zitten met God, maar ook, waarschijnlijk vooral, met mensen. Gebouwen kunnen hun eigen verleden heel sterk vasthouden, denk aan de charme van oude hotels waar ik weet niet wat heeft plaatsgevonden en waar jij je dan, voor een nachtje, bij aansluit. Zou een kerk dat niet duizendmaal sterker hebben? Hier hebben de rouwdiensten en de huwelijken plaatsgevonden, hier is gesmeekt, gebeden, hier zijn de verschrikkelijkste zonden opgebiecht en hier zijn ze vergeven. Dat alles voel je als je de ruimte betreedt en je voelt het niet alleen, je maakt er deel van uit. Dus ja, inderdaad: wat is het goed dat deze bijzonder mooie kerk niet is afgebroken, dat de Onze Lieve Vrouw Van De Allerheiligste Rozenkrans is behouden, compleet met alle afsmekingen, hartekreten, twijfels en verlangens waar de honderdjarige stenen nog altijd weet van hebben.

  Onlangs, in een andere mooie kerk, een van de mooiste die we hier in Europa hebben, de Notre Dame in Parijs, luisterde ik tijdens de mis naar de preek. Die ging over bidden. Dus over de woorden waarmee de pratende mens zich tot de pratende God richt. Een volstrekt logische activiteit. Ik zat achterin. Keek naar de pracht en praal en luisterde naar een fascinerend betoog, dat erop neerkwam dat bidden geen kwestie is van het hoofd, zelfs niet in de eerste plaats van het hart, maar dat het iets is van het hele lichaam. Het bezorgde me bijna een schok van instemming: het besef dat het gebed iets lichaamlijks is, dus van de hele persoon die je bent. Dat dat zo is, voel je natuurlijk het sterkst bij het gezongen gebed. Zelfs als je niet actief meedoet voel je dat die vaak heel oude woorden ontzettend zintuiglijk zijn, ontzettend fysiek, dat ze een kwestie zijn van longen, spieren, hart en hoofd, precies als wanneer je schreeuwt, huilt of lacht: de uitersten, dus, van onze emoties.

  Ik houd erg van die rituele katholieke gebeden. We kennen ze, ze liggen als een goed stuk gereedschap in je hand en brengen je innerlijk op gang. Juist omdat ze ritueel zijn heb ik ze het liefst in het Latijn, dat je onmiddellijk het gebied inloodst waar je wilt zijn. Het lieflijke Agnus Dei, het sensuele Salve Regina, het trotse en hoopvolle In Paradisum. Heel oude nummers, die we heus niet hoeven te vertalen, we kunnen de betekenis wel dromen. Dat Kyrië Eleison 'God bewaar me!' betekent, dat weet toch iedereen?

  Bij de orthodox katholieken gaan ze ervan uit dat zich in het schilderij, de ikoon, ook echt de heilige bevindt tot wie ze zich richten. Een fascinerend idee. Minstens zo fascinerend, maar vooral diep ontroerend is voor mij het idee dat van die hartverscheurende piëta, of van die gemartelde man aan dat kruis, of van godmagweten welke heilige ook een werkelijke kracht naar je uitgaat, een nog in geen enkele natuurwet beschreven energie die is opgebouwd uit al die ogenblikken dat iemand daar heeft gestaan, geknield, iets heeft gevraagd of alleen maar heeft opgekeken.

                                                                                             

TOESPRAAK op 28 mei 2011 bij de opening van de tentoonstelling Floor pieces/Zichtlijnen #02 van Mathilde van Beekhuizen in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede (Vredeskerk/De Tribune) te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Op derde paasdag ben ik met een groep van tien mensen die verbonden zijn met deze kerk op bedevaart naar Ierland gegaan. De bedevaart stond in het teken van Sint-Patrick die in de vijfde eeuw de apostel van Ierland was. Hij bracht er het christendom. Gedurende de bedevaart lazen wij elke dag een stukje van de beknopte Confessio van Patrick waarin hij zijn levensgeschiedenis verhaalt. Terwijl dit gebeurde werd ook telkens een foto van een glas-in-lood-raam met een uiteraard fictief portret van Patrick midden in onze kring van pelgrims gezet. Aldus was Patrick in woord en beeld bij ons aanwezig. En aldus ging hij steeds meer voor ons leven en werd hij onze reisgenoot en begeleider. Doel van de bedevaart: de Croagh Patrick, de heilige berg van Patrick in de provincie Mayo in de buurt van Westport, aan de Ierse westkust. Als je die berg vanuit het noordoosten nadert, zoals wij deden, spreekt deze duidelijk tot de verbeelding. De berg ligt geďsoleerd en lijkt zeker van een afstand tamelijk regelmatig van vorm, een beetje zoals de bekende berg Fuji in Japan, ook al een heilige berg. Zoals de berg Fuji, maar een beetje spitser. Men beweert dat Patrick in het jaar 441 veertig dagen en nachten bovenop zijn berg is geweest, zoals ook Mozes en Elia en Jezus dat hebben gedaan en er hún religieuze piekervaringen hadden. Hopelijk was het in betere omstandigheden dan wij op de Croagh Patrick meemaakten. Want wij beklommen de stenenlawine waaruit de opgang bestaat in regen en wind. En bovenop de berg stormde het. En we kregen de kapel niet open. We hadden de sleutels gekregen, maar één van de vergrendelingen weigerde. Patrick liet ons niet binnen. Zo voelt dat wel op zo'n moment. Dus "we deden ons ding" toen maar buiten. Bij het klooster dat het begin van de tocht naar de top van de Croagh Patrick markeert, had een priester ons gevraagd om een scherp steentje op te rapen als beeld van onszelf. Dát steentje gooide iedereen nu weg en ieder formuleerde wat hij of zij los wilde laten. Want a pilgrimage without change of heart is useless, een bedevaart zonder bekering van het hart is zinloos. En ieder ontving een gladde steen, een kiezelsteen. Hopelijk helpt Sint-Patrick ons tóch, al liet hij ons niet binnen, om die verandering of bekering van hart, om daar iets van waar te maken. We zullen zien.

 

Dit kerkcomplex (inclusief de pastorie), vindt Mathilde van Beekhuizen, is ook een soort berg. Zij werd gefascineerd door het grondplan ervan, dat getekend is door vele scherpe en stompe hoeken, inhammen en inkepingen. Ze heeft het grondplan van de kerk éénmaal getekend met woorden van wat ze aan de buitenkant van de kerk waarneemt en nóg een keer met woorden die de functies aangeven van de verschillende onderdelen ervan aan de binnenkant. Want deze berg is hol. Het is een grot. En zoals elke kerk is ook deze kerk een beeld van de kosmos, van het universum, van het geheim "waarin wij leven, bewegen en zijn" om met de apostel Paulus te spreken[40].

 

Het centrale object van deze expositie is een beeld van de kerk binnen een verhoogde lijst. De kerk opgetild, verheven, om nog eens te accentueren denk ik: kijk ernaar, kijk er góed naar. In Japen doen ze iets dergelijks met grillig gevormde rotsblokken. Die vat men in een sjieke lijst en die noemt men dan "filosofenstenen". Het is maar een steen. En tegelijk is die steen een hele berg of een heel gebergte. Microkosmos en macrokosmos die elkaar weerspiegelen en die in wezen één zijn, één raadsel, één geheim én openbaring van dat geheim, want: alles is dáár, alles is hίer. Zie maar. Zelf heb ik het kleine scherpe steentje dat ik meenam de Croagh Patrick óp, bijna voortdurend in mijn hand gehouden en gewenteld als object van meditatie. Het raadsel, de vráág, het geheim en de openbaring van je eigen unieke leven dat er één is onder de eindeloos vele levens waarvoor hetzelfde geldt: dat leven in je eigen hand. Niet alleen zo'n kleine steen, scherp of glad, kan beeld zijn onszelf, wijzelf verkleind. Ook het kerkgebouw, de kosmos verkleind, kan beeld zijn van onszelf: wijzelf vergroot en het universum ontmoetend in dat kerkgebouw. "Muren van huis, ramen als ogen", "deur die naar stilte openstaat", "huis dat een levend lichaam wordt als wij er binnengaan". Woorden uit een kerklied van Huub Oosterhuis[41]. Ja, "wij", de kerk het lichaam van ons samen, het lichaam waar je een onderdeel van kunt zijn, ja waarin je óp kunt gaan. Zo spreekt Paulus daarover in zijn eerste brief aan de christenen van Korinthe: "u bent het lichaam van Christus, en ieder van u is van dit lichaam een onderdeel"[42]. Mijn eigen lichaam. Het lichaam van het universum. Het lichaam van de kerk ... De Japanse filosofensteen, de berg, de berg stenen die samen de kerk vormen, het steentje in mijn broekzak. Als we ernaar kijken, als we er opnieuw naar kijken (en dat is waartoe ook Mathilde ons vandaag uitnodigt), dan moeten we concluderen: het gaat allemaal over onszelf. En over de anderen. Dat is zeker. En misschien gaat het ook over God, over wat, over wie wij God noemen. Dat is aan u. Daarin is iedereen vrij. Graag bedank ik Mathilde van Beekhuizen voor deze expositie. Ik dank Pavčl van Houten dat hij haar hier heeft gebracht in deze eerste expositie van een reeks van drie die ruimte van de kerk zelf als uitgangspunt heeft en waarin gepoogd wordt om op een nieuwe manier naar de kerk en dus ook naar onszelf te kijken. En ik dank u allen voor uw aanwezigheid. En ik wens iedereen toe dat het u een beetje lukt: opnίeuw kijken en béter kijken.

 

 

VERKONDIGING op 12 juni 2011, Eerste Pinksterdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (2, 1-11), Psalm 104 (ged.), uit de eerrste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (12, 3b-7.12-13) en uit het het Johannes-evangelie (20, 19-23).

 

Wat is het toch een mooi decor, wat is het toch een mooie ambiance - zo'n kerk van ons, zeker ook met Pinksteren. Het gebouw zelf met z'n beelden en schilderingen. En dan de gewaden en de kaarsen en de muziek. Is het niet allemaal om je vingers bij af te likken? Je kunt er op kicken. Je kunt er in zwelgen. Je kunt er aan verslaafd raken: aan reli. En aan liturgie.

 

Een goedkope verslaving is het niet. Vele miljoenen kost die ons. Hier alleen al. En hoe is dat wereldwijd? Een astronomisch bedrag ongetwijfeld. Hoe zou zich het bedrag dat wij aan onze Roomse kerken en liturgie en kerkorganisatie spenderen; hoe zou zich dat bedrag verhouden tot bijvoorbeeld tot wat er wereldwijd wordt uitgegeven aan verdovende middelen, aan drugs?

 

Ongetwijfeld strijk ik velen van u ongelooflijk tegen de haren in door deze vraag op te werpen. Als je geloof, kerk en eredienst al een verslaving zou mógen noemen, dan is het toch een eerbiedwaardige en lofwaardige en waardevolle verslaving? Het gaat toch om grote kunst en om grote cultuur! En wij spannen ons daar toch met z'n allen geweldig voor in? Wij worden in en door de kerk toch aangesproken om het beste en edelste in onszelf naar boven te halen? Wij worden door de kerk toch aangemoedigd om onze stemmen zo mooi mogelijk te laten klinken en om ons hart en onze handen zo goed mogelijk te laten werken? De woorden die hier klinken, de rituelen die hier worden verricht, de sacramenten die hier worden ontvangen en die met elkaar het hart zijn van alles, die zijn toch van het hoogste goudgehalte?

 

Ja. Maar intussen: Die kaarsen steken we toch allemaal zélf aan. En het koor repeteert zich suf. En om alles gaande en draaiend en levend te houden moeten wij toch voortdurend allerlei inspanningen verrichten op allerlei gebied? Dat is toch thuis óók zo? En in de kerk is het toch niet anders? Als wίj niets doen, dan gebeurt er toch ook niets? Als wίj niets zouden doen, zou dan de zaak, in de kerk en thuis, niet spoedig spaaklopen en mislopen en doodbloeden? Zijn er niet zát voorbeelden van kerken waar het zó is gelopen en geldt niet hetzelfde voor allerlei huishoudens en individuele levens?

 

Ja. Maar ... hoe zit het dan met God? En hoe zit het dan met die Heilige Geest van Jezus?

 

In het eerste bijbelboek der Koningen wordt verhaald[43] hoe de profeet Elia een soort wedstrijd aangaat met de profeten van Baäl - dat is: van een andere god, een heel ándere god als de God van Israël; een áfgod, nίet de ware God. Zowel Elia als de Baälsprofeten bouwen een altaar. Op dat altaar wordt hout gelegd en op dat hout een offerdier. Maar het hout wordt niet aangestoken. Dat moet Baäl doen. En dat moet de God van Israël doen. Dat wordt dus bidden. De Baälsprofeten zetten alles op alles. Ze sloven zich ongelooflijk uit. Van de vroege morgen tot het middaguur dansen en springen ze bij hun gebed. Maar er gebeurt niets. Er komt geen vuur. Maar dan Elia! Eerst geeft hij opdracht om zijn offer en altaar werkelijk kletsnat te maken. Vele bakken water gaan eroverheen. En dan spreekt Elia zijn eenvoudig en innig gebed ... en vúúr slaat neer vanuit de hemel en verteert het offerdier totáál. Er blijft niets van over. Indrukwekkend. Precies zo indrukwekkend als de gekruisigde en begraven Jezus die in de avond van de eerste dag van de week, terwijl de deuren gesloten waren, zomaar het huis binnentreedt waar zijn bange leerlingen zich bevinden en in hun midden komt staan. Precies zo indrukwekkend als "dat gedruis alsof er een hevige wind opstak" en "iets dat op vuur leek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. (En) zij werden allen vervuld van de heilige Geest en zij begonnen te spreken in vreemde talen." Indrukwekkend. God die werkt sua sponte. God die eigener beweging werkt en komt met Zijn vurige Geest komt óver en ίn bánge mensen; die komt over en in mensen die daar niet op bedacht zijn ... Óf God die, in het geval van Elia, het gelovig gebed onmiddellijk royaal verhoort.

 

En dan nu wij. Zullen we het eens proberen dierbare gasten en parochianen? Zullen we de kaarsen hier in de kerk eens een keer néérzetten maar niet aansteken? En dan bidden ... ?!

 

Dus ... moet dan de conclusie niet zijn: We maken er als kerk wel een geweldige show van, de suggestie is enorm, maar ... stróóm staat er toch echt niet op ...?!

 

We hebben zoëven met elkaar de honderdenvierde psalm gebeden: "Neemt Gij hun geest weg, dan komen zij om ... Maar zendt Gij uw geest, dan komt er weer leven ..." Zou het niet kunnen zijn dat Gods Geest de kerk verlaten heeft? Is de kerk een lege en loze ruimte geworden, levenloos feitelijk? Heeft Gods Geest andere kanalen gezocht? Moet je tegenwoordig elders zijn, bij andere mensen, bij andere vormen van spiritualiteit? Ja, wie zal het zeggen?

 

Gisteravond, in de vigilie van Pinksteren, heb ik een huwelijk ingezegend. De bruidegom, een prachtige jonge arts, pas gepromoveerd, heeft mij tijdens de voorbereiding op zijn huwelijk onder andere zijn religieuze autobiografie verhaald, de geschiedenis van zijn geloof verteld. Hij zei: "Ik ben gedoopt, heb communie gedaan en ben gevormd. Toen ik dertien werd mocht ik kiezen of ik naar de kerk wilde blijven gaan. Ik wilde dat niet, ik had me er eigenlijk in mijn jeugd voor geschaamd. In de kerk zeiden de meeste verhalen me niet zoveel en buiten de kerk waren de meeste mensen niet gelovig en leek het echte leven om andere dingen te draaien. Later ging ik me nog méér afzetten: Ik en mijn vrienden schreven een bijbel met idiote versies van bijbelverhalen. We verklaarden ons drieën God in deze verhalen ... Maar nu, in deze fase van mijn leven, begin ik mij meer te verzoenen met het geloof. Ik heb er lange tijd een grote allergie voor gehad, maar ik voel inmiddels dat geloven een natuurlijke behoefte is: Wat is het waard om voor te leven? Hoe geef ik mijn gezin vorm? Hoe bestendigen wij onze relaties met elkaar? En waar geloven we in dat we met elkaar naar toegaan? Dit zijn vragen die uit ons gedeelde dialect zijn verdwenen, maar die nog wel latent aanwezig zijn. Volgens mij is het slechts een kwestie van tijd voordat ze opnieuw uitgevonden worden. De kerk is voor mij de plek waar mensen in ons werelddeel door de millennia zijn samengekomen om deze vragen te verwoorden. De kerk is tegenwoordig een plek met minder antwoorden, maar de vragen blijven even levend en de gezamenlijke discussie erover een kernwaarde in het leven." En hij vervolgt: "Ik heb een baan binnen de wetenschap. Dit zijn traditioneel niet de meest gelovige mensen omdat wetenschap een verklarend beeld voor de wereld geeft waarin god (sic!) niet nodig is. Wat ik waarneem in mijn werk is iets anders: Bij het beschouwen van de werking van het menselijk lichaam en de ingenieuze inventiviteit van de biologische systemen waaruit dit is opgebouwd in ziekte en gezondheid valt mij de onverklaarbare wonderlijkheid van het bestaan hiervan op. Zelfs als het te verklaren is door het te beschrijven blijft het een wonder dat het er is en ontstaan is. Het leven is een wonder dat het waard is om gevierd te worden."

 

Tot zover de jonge dokter. Ik ben geneigd te zeggen: De Geest Gods spreekt in hem. De Geest Gods is op nieuwe wijze bij hem binnengekomen. Niet spectaculair. De trucendoos is ditmaal dichtgebleven, maar toch ... Niet door de voordeur, maar door de achterdeur of via een dakraam of zelfs terwijl alle deuren en ramen gesloten waren: tóch is wellicht die Geest, die van Jezus hopelijk, bij hem binnengetreden. Misschien, veelgeliefden, is "de geheime ingang" in onze tijd voor de Geest wel de weg bij uitnemendheid en is er voor die Geest zelfs geen andere weg opengebleven. Voor de spectaculaire effecten zorgen wij in onze tijd immers zelf? Ik denk: de Heilige Geest kan ook schuw zijn als een hert en ook héél eenvoudig en volstrekt nίet spectaculair. Paulus, in de tweede lezing vandaag, uit de eerste brief aan de christenen van Korinthe, hij, Paulus, schrijft daar: "Niemand kan zeggen: 'Jezus is de Heer', tenzij door de Heilige Geest." Ik stel voor: laten we het dáár in elk geval op houden. Amen.

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op 22 mei 2011, de vijfde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: Handelingen van de Apostelen (6, 1-7), Psalm 33 (ged.), de eeerste brief van Petrus (2, 4-9) en het Johannes-evangelie (14, 1-12).

 

Nou, dat gaat me wat worden, komende dinsdagavond, hier in de kerk: het charity- oftewel fundraising-diner waarvan de opbrengst ten goede komt aan de restauratie van ons kerkgebouw – iets wat natuurlijk zeer welkom, om niet te zeggen: hard nodig is willen wij als parochie aan die restauratie niet ten onder gaan. Over de kerkbanken waarop u nu zit, daaroverheen wordt een vloer gelegd. Op die vloer komen vierentwintig ronde tafels te staan. Die tafels zijn verkocht aan bedrijven en particulieren die daarvoor respektievelijk zesduizend en drieduizend euro hebben betaald. Aan elke tafel is plaats voor tien áánzittenden. Ron Blaauw, van de brasserie Paardenburg in Ouderkerk aan de Amstel, “Nederlands bekendste tweesterrenkok” naar men zegt; hij zorgt voor de maaltijd. En tijdens de avond zal ook een veiling en een loterij plaatsvinden. Er zijn driehonderd loten en meer dan honderd prijzen, variërend van een cocktailjurk van Sheila de Vries, een drieliterfles Jerobeam Moët-champagne, een verblijf van drie nachten all inn in het kasteel in Schotland waar Madonna is getrouwd, paarlen oorbellen van onze overbuurman Wiewel. Enzovoort. Het is allemaal trčs Oud-Zuid.

 

En dat alles zal plaatsvinden in het huis des Heren, coram Deo - voor Zijn Aangezicht. Het is me wat. Er zijn mensen geweest die er bij mij op hebben aangedrongen om het Allerheiligste, het Heilig Sacrament des Altaars vanuit het tabernakel naar bijvoorbeeld de sacristie of de kapel in de pastorie over te brengen. Maar daar ben ik geen voorstander van. Als je dát zou doen, dán precies zou je mijns inziens als kerk verkeerd bezig zijn: als je de Gastheer in de kerk bij uitstek voor zo’n gelegenheid het veld zou doen ruimen. Waarom? Omdat je vreest dat Hij het niet zal kunnen aanzien? Omdat je vreest dat Hij het afkeurt? Ja, dat geldt natuurlijk voor eindeloos veel van wat op deze aarde zich afspeelt: dat de Schepper van hemel en aarde het niet kan aanzien en dat Hij het afkeurt. En toch gebeurt het. Maar veelgeliefden, God is geen doetje. En ik denk: Hij hoeft niet door ons tegen onszelf in bescherming te worden genomen. Je doet wat je doet, als mens en ook als kerk. Je staat daarvoor. Je neemt er de verantwoordelijkheid voor. En dan denk ik: de intentie dat alles ten goede komt aan de toekomst van onze kerk en het gegeven dat Susanne de Roy van Zuidewijn-Rive en Marie-José barones Bentinck-van Zwieteren en vele anderen zich hiervoor vrijwillig inzetten (wat zeg ik: zich ervoor uit de naad werken), dát maakt dat ík het óók kan en wil: ervoor stáán en er áchter staan, voor en achter dat charity- oftewel fundraising-diner. Ik stá er voor en ik stá er achter, zélfs, néé, juíst ook coram Deo – voor het Aanschijn des Heren.

 

Hoe we een en ander mogen of zelfs moeten zien in het licht van de schriftlezingen van deze zondag, blijft daarbij wel een zinvolle en zelfs noodzakelijke vraag. Dáár kunnen en mogen wij als individuele gelovigen en als kerk natuurlijk nóóit van afzien: van ons af te vragen wat ons leven, ons doen en laten betékent in het licht van ons geloof dat wij voortdurend pogen te voeden en te laven aan de bron die voor ons de Heilige Schrift is. Daarin ontmoeten en ontvangen wij de Heer zelf. Mijn aandacht werd, speciaal ook in verband met het Obrecht-diner, getrokken door de tweede lezing van deze zondag, uit de eerste brief van Petrus. Daar horen wij: “Treed toe tot de Heer, de levende steen, door de mensen verworpen, maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God.” Hij, onze Heer, hoort bij de losers van deze wereld. Een betaalde stoel bij het Obrecht-diner, waar Hij dus nochtans wél bij aanwezig zal zijn, zit er voor Hem niet in. Hij, de Heer, wordt in onze wereld en misschien ook wel geregeld in onze kerk, vaak níet geacht en níet genodigd. Maar om Hem drááit nochtans alles. Hij is het hart. Hij is de Gast die niet betaalt, maar die ook onbetáálbaar is. “Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel” schrijft Petrus in zijn brief. Hij heeft het over de gemeenschap zoals die rond de Heer bijeenkomt als een geestelijke werkelijkheid. De kerk zoals wίj die daarentegen ervaren en kennen is vaak zeer tastbaar. Het gaat over stenen en het gaat over centen. Het gaat over bisschop en pastoor en pater die en die. Het gaat over bloemen en over het orgel. Het gaat over koffie, over catechese en over conflicten. En nu komende dinsdag gaat het over het diner. Zo is dat. Zo is ons leven. Wij leven geen abstract leven, maar een concreet leven. Zelf zijn wij concreet, van vlees en bloed. En toch, het leven en de tempel, de kerk waar het ten diepste om gaat is van een andere orde. “Laat uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel.” Waar het om gaat, mijns inziens en zo versta ik Petrus, dat is dat wij ons innerlijk afstemmen op Jezus Christus, “de levende steen, door de mensen verworpen”. Zelf, in jouw eigen leven, voortbouwen op wie Hij is, op wat je over Hem hoort in de Heilige Schrift, voortbouwen op hoe Hij voor jou daarín maar ook daarbuiten verschijnt. “Draagt als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus”. Wat is een offer? Ik denk: een offer is iets van jezelf waaraan je gehecht bent loslaten. Loslaten en dan geven, weggeven. Tijd geven. Aandacht geven. Dingen geven. Geld geven. Jezelf geven. Je leven geven. Waarom zou je het doen? Ik denk: je doet dat alleen maar als je er innerlijk toe gemotiveerd wordt. En hoe werkt dat dan? Hoe word je dan innerlijk gemotiveerd tot een offer? Ik denk: dat heeft altijd met liefde te maken. Aus Liebe will mein Heiland sterben klinkt het in Bachs Mattheüs-Passion. Jezelf geven omdat je van Gód houdt, omdat je van Jezus Christus houdt en door Hem van de mensen, van alle mensen zonder uitzondering bereid bent te houden. Als dát, veelgeliefden, de hoogste drijfveer is van Susanne de Roy van Zuidewijn-Rive en van Marie-José barones Bentinck-van Zwieteren in verband met het Obrecht-diner en van ons allen wat betreft onze inzet voor onze kerk en onze wereld; als het zó is, als ten diepste de grenzenloze liefde ons motiveert, dan kán het niet verkeerd zijn, wát wij binnen en buiten de kerk ook doen. Amen.

 

                                              

VERKONDIGING op 24 april 2011, Hoogfeest van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit de Handelingen van de Apostelen (10, 34a.37-43), Psalm 118 (ged.), uit de brief aan de Kolossenzen (3, 1-4) en uit het Johannes-evangelie (20, 1-9).

 

Heel knap - afgelopen donderdag, de avond van Witte Donderdag, in Gouda. Daar gaf men gestalte aan wat genoemd werd The Passion: het verhaal van Jezus' lijden, dood en verrijzenis, uitgevoerd door bekende artiesten. Misschien hebt u er iets van gezien op t.v. of over gelezen in de krant. Syb van der Ploeg, in een wit leren jack, was Jezus. Thomas Berge was Petrus. En Dominique Rijpma van Hulst oftewel "Do" was Maria. In het geheel ingeweven waren bekende Nederlandstalige popnummers. Die moesten ons dus helpen om beter te begrijpen waar het om gáát in het leven, in de dood en in de verrijzenis van Jezus.

 

Toen het grote lichtgevende kruis dat door de straten en langs de grachten van Gouda was gedragen eenmaal was aangekomen op de Grote Markt, récht tegenover het beroemde vijftiende-eeuwse stadhuis van Gouda, zong Do, oftewel Maria:  "Oh ik kan maar niet bevatten (...) waarom ik hier ben." Dus: "Laat me zien waar ik voor leef. Laat me voelen wat ik geef. Eén moment zodat ik weet, dat alles niet voor niets is geweest." Het is een nummer van Marco Borsato. De grote, eeuwige vraag naar het waarom van ons leven dat zo mooi maar ook zo wreed kan zijn. De verteller van The Passion, Erik Dijkstra, zegt vervolgens: "Het is volbracht - zoals we dan zeggen. Maar waar is het allemaal goed voor geweest? Er zijn mensen die zeggen dat Jezus zal opstaan uit de dood. En als ik het goed heb begrepen, dan heeft Jezus dat zelf ook een paar keer gezegd. Geloof je 't zelf? Nou ja, we weten allemaal dat dit verhaal niet goed afloopt. Het is niet echt een lekker einde. Maar wat wil je nog meer? Bedankt voor jullie komst." De lichten gaan uit. Er wordt geklapt. Maar er wordt ook "boe" geroepen ... En opéens is er dan opnieuw licht - op de toren van de Grote Kerk van Gouda. Daar staat Jezus. En Hij zingt; die woorden worden Hem in de mond gelegd: "Geef mij nu je angst. Ik geef je er hoop voor terug. Geef mij nu de nacht. Ik geef je de morgen terug. Zolang ik je niet verlies vind ik heus wel de weg met jou" - een liedje van André Hazes zaliger gedachtenis. Maar het is ook bekend van Guus Meeuwis.

 

Dierbare gasten en parochianen, wat moeten we ermee? Het paasmysterie interpreteren met behulp van liedjes uit de relationele sfeer van André Hazes en Marco Borsato ... Doet dat er geen afbreuk aan? Wordt Pasen dan niet iets banaals en sentimenteels? Verwίjderen wij ons dan niet van "de steen die de bouwers hebben versmaad (...) die tot hoeksteen is geworden" (Psalm 118), verwίjderen we ons dan niet van het lege graf en van het Victimae Paschali, het paasoffer van Christus?

 

Ja ...

 

Of nee ...

 

Nee, ik vind van niet!

 

Pasen is een liefdesgeschiedenis. In het Johannesevangelie is het Maria Magdalena die als eerste ziet dat Jezus' graf leeg is. Zij wordt om die reden wel apostola apostolorum, "apostelin van de apostelen", genoemd. Maria Magdalena is door Jezus verlost van zeven demonen weten wij uit het Lucasevangelie[44]. Jezus is op heel persoonlijke wijze haar verlosser geweest. Hij heeft haar teruggegeven aan zichzelf. Hij heeft haar léven aan haar teruggegeven. Ik denk: Zij is Hem oneindig dankbaar. Hij is haar oneindig dierbaar. Wat zij gezien heeft (dat het graf leeg is) gaat Maria Magdalena vertellen aan Petrus en aan "de andere, de door Jezus beminde leerling". Zowel de Willibrordvertaling van 1995 als De Nieuwe Bijbelvertaling van 2005 vertalen, gewoner en directer: "de leerling van wie Jezus hield". Maar liefst vijf keer komt die uitdrukking in het Johannes-evangelie voor![45] Wie is die leerling? Is het Johannes zelf? Ja, zeker. Maar misschien mag ieder van ons zich ook wel zélf aangesproken voelen. Want zo heeft Johannes zijn evangelie duidelijk bedoeld: Hij wil ons, hoorders, lezers van alle tijden van zijn werk, er in betrekken. Jij mag jezelf herkennen in die "leerling van wie Jezus hield". Je mag je eigen naam invullen - denk ik. De geliefde leerling komt als eerste bij het graf aan. Hij bukt zich voorover. Hij ziet zwachtels liggen. Maar hij laat Petrus als eerste het graf binnengaan. En Petrus ziet, behalve de zwachtels ook "dat de zweetdoek die zijn hoofd", dat van de dode Jezus, "bedekt had niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats." Raadselachtig ... Alsof de opgestane Jezus netjes zijn bed heeft opgemaakt! "Toen ging ook de andere leerling die het eerst bij het graf was aangekomen naar binnen; hίj zag en geloofde."

 

Pasen is het verhaal van een liefde die lijkt dood te lopen. Pasen is het verhaal van een liefde die onverwacht toch een vervolg krijgt. Het boek gaat verder. Want: lίefde gaat verder dan het leven dat wij kennen. Er wórdt een volgend hoofdstuk geschreven. Of liever gezegd: het verhaal van Jezus - dat heeft een open einde. "Er is nog veel meer dat Jezus gedaan heeft, maar als men het allemaal in bijzonderheden zou gaan optekenen, (dan) zou wellicht zelfs de wéreld te klein zijn voor de boeken die men dán zou moeten schrijven". Dát, veelgeliefden, zijn de allerlaatste woorden van het evangelie van Johannes. En ook voor dίe woorden geldt: Ze hebben betrekking op ons. Ze reiken naar ons. Over een afstand van vele, van twintig eeuwen, verlangt Johannes ook óns te bereiken en aan te raken. Hij spreekt ook  óns aan. En hij nodigt óns uit om ook het boek van ons eίgen leven te schrijven en om het te schrijven als een boek waarin Jezus óók het één en ander, of véél zelfs, dóet. Ja ... het is mogelijk om ná Zijn dood met Jezus te leven zoals men ook vóór Zijn dood met Jezus leefde. Maria Magdalena met haar demonen, met haar muizenissen, met haar angsten ... Wij met de onze. Jezus heeft háár ervan verlost. En Hij is nog altίjd in staat om óns ervan te verlossen. De mensen achter The Passion hebben wat mij betreft midden in de roos geschoten door de woorden van het liedje van André Hazes in de mond van Jezus te leggen. Die woorden passen bij Jezus. Ze passen bij de aardse en ze passen bij de verrezen Jezus:

 

"Geef mij nu je angst. Ik geef je er hoop voor terug. Geef mij je nacht. Ik geef je de morgen terug." Amen. Zalig Pasen. De Heer is verrezen. Hij is waarlijk verrezen. Alleluia.

  

                                                                                    

 

VERKONDIGING op 23 april 2011, in de paaswake, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam                

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: Genesis 1,1-2,2; Exodus 14, 15-21; Ezechiël 37, 1-14, uit de brief aan de Romeinen (6, 3-11) en uit het Johannes-evangelie (20, 1-9).

 

"Schrift die mensen oorsprong schrijft. Schrift die mensendagen schrijft. Schrift die mensen toekomst schrijft." Dat hebben we gezongen na de eerste bijbellezing in deze paasnacht, de lezing uit het boek Genesis. Schrift die onze oorsprong en onze dagen en onze toekomst beschrijft. Ik denk: zó wordt de bijbel goed gekarakteriseerd.

 

Waar kom je vandaan? Wat is jouw begin? Wat gebeurt er allemaal in je leven? En waar ben je naar op weg? Dát zijn de vragen waar het uiteindelijk om gaat - in de bijbel en in het leven van ieder mens.

 

Dat we de bijbel niet letterlijk moeten nemen in de zin van: "het is allemaal precies zo gebeurd als beschreven", zal hopelijk duidelijk zijn. Wetenschappelijke kennis, bijvoorbeeld over het ontstaan van de kosmos, van de aarde en van planten, dieren en mensen; zulke kennis had men in bijbelse tijden niet. Wél was er ook toen sprake van allerlei voorstellingen, ideeën en vormen van geloof. De Ene God was in dat verband voor het Joodse volk, voor Israël, het centrale gegeven. Hij staat aan de basis van alles. Hij is achter, onder, boven en in alles. Is dat geloof, dierbare gasten en parochianen, nu we in wetenschappelijk zin steeds meer en beter weten "hoe de vork in de steel zit"; is dat geloof nu overbodig geworden? U zult begrijpen: ik denk het niet. Anders zou ik hier nu uiteraard niet staan. Maar wat is dan de zin van God anno 2011? Wat hebben we aan God?

 

Blijft staan, voor mij: God is onze oorsprong. "Er moet licht zijn!" hoorden we in Genesis. En dat licht hebben wij ontstoken in deze paasnacht. We hebben het gedaan, buiten op het plein. Elk jaar weer denk ik: dat paasvuur is de rituele herhaling van de oerknal. En dan hoorden wij hoe in zeven dagen ons aardse huis werd ingericht: de verlichting, het water, het groen en alles wat vrij over het aardoppervlak en in zee bewegen kan. Wijzelf verschijnen pas laat ten tonele, op de zesde dag. Daarbij frappeert mij altijd de parallel met wat de wetenschap ons leert. Want die zegt hetzelfde: dat er al miljoenen jaren leven was op aarde, voordat wij ontstonden. "De aarde was woest en leeg ... en de geest van God zweefde over de wateren." Kijk, dat is belangrijk: Ons leven op aarde is méér dan materie. Het leven op aarde is bezield. Dat leven verloopt niet mechanisch. Wij ervaren vrijheid. En dan het refrein van Genesis: "Het werd avond en het werd ochtend; dat was de zoveelste dag." "En God zag dat het goed was". Ik denk: het wordt telkens herhaald opdat wij het in onze oren knopen, zoals feitelijk ook gebeurd is, want iedereen kent dat regeltje wel. Of ben ik nu te optimistisch? In ieder geval kent elke trouwe kerkganger het. En ik denk: daarvoor stáán wij dan ook samen als kerk: om op aarde het geloof hoog te houden dat het allemaal in wezen goed is en prachtig en oneindig waardevol: dat alles en iedereen er is.

 

Dan Exodus. Het verhaal van de uit-weg, de uit-tocht. Mensen die een miserabel leven hebben, een rotleven. Je daaraan ontworstelen. Dat achter je laten. Je vrijheid zoeken. God is het die je ertoe roept. En God verzekert je: Het kan. Jij kunt het - zoals Mozes het kan. Hij is een voorbeeld. God die mensen de kracht geeft om het onmogelijke mogelijk te maken tégen allerlei bedreigingen van de natuur (de zee, in het verhaal) en van mensen (in het verhaal de Egyptenaren) ίn. Jij kúnt al die tegenkrachten van jouw vrijheid overwinnen. Ik denk: wat we dezer dagen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten zien gebeuren (in Egypte, in Libië, in Syrië enzovoort), dat heeft hier alles mee te maken.  

 

Dan Ezechiël, de profeet. Een fantastische passage is het die wij van hem hoorden. Het gaat over dorre beenderen. Het gaat over mensen die niet meer in zichzelf en in elkaar en in het leven kunnen en willen geloven. Het gaat over mensen die levend dood zijn. "Ik ga uw graven openen; Ik wek u in grote aantallen uit de dood op" spreekt God bij monde van de profeet. Een tijdje terug heb ik met iemand, een gepensioneerde huisarts, gesproken over iemand over wie ik mij ernstig zorgen maak en waarvan ik merk: ίk kan die persoon niet helpen. Ik heb alles geprobeerd wat in mijn vermogen ligt, maar het lukt mij niet. De gepensioneerde huisarts was vol vuur. Hij geloofde er in. Hij gelooft in de persoon over wie ik met hem was komen spreken. "We zullen het leven er eens terug in blazen" zei hij. De woorden herinneren aan die van Ezechiël.

 

Naar het evangelie is het tegen deze achtergrond maar een kleine stap. De door het leven verpletterde Jezus, Hij is niet langer in het graf. Het leven in Hem, God in Hem, is zó sterk, dat een graf Hem onmogelijk kan vasthouden. Dat gaat gewoon niet samen: Jezus en een graf. Het beste bewijs daarvoor zijn wij denk ik zelf. Er zijn omstandigheden en mensen in onze levens die zwaar op ons kunnen drukken, zoals een steen kan drukken op een graf. En als we het allemaal zelf moesten doen, dan zouden we er misschien niet uitkomen, uit zo'n graf. Maar Jezus' levenskracht is óók in ons. Al tweeduizend jaar raken wij over Hem niet uitgepraat. Al tweeduizend jaar ontvangen mensen Zijn woord en Zijn Lichaam en Bloed. En die gaven Zijn in ons als dynamiet die elke grafsteen kan laten springen.

 

In het heilig doopsel, zo mogen wij geloven, krijgen wij de volle beschikking over Christus' kracht. Het doopsel, zo schrijft Paulus daarover in zijn brief aan de Romeinen; het doopsel dat is: delen in Jezus' dood. Het is: een vorm van sterven. Sterven met Hem. Maar het is ook: verrijzen met Christus. Het is ook: een nieuw leven beginnen, met Hem in je hart en je hoofd. En nu richt ik mij even speciaal tot onze dopeling van deze paasnacht, Mai Thieme. Beste Mai, jij hebt met God, met Jezus en met Zijn kerk al een lange geschiedenis. Vooral je oma, de moeder van je moeder, is daarin voor jou belangrijk geweest. Op een dag, twee jaar terug, maakten jij en ik kennis. En op diezelfde is jouw zoon, de zoon van Rutger en jou, Dolf geboren. Een mooie samenloop van omstandigheden. Jij hebt je gerealiseerd dat je een onstilbaar en een onblusbaar verlangen hebt om aan Dolf én aan de vrucht die nu nog in je schoot is dóór te geven wat jij zelf ontvangen hebt. Ik denk: dat is God's Geest in jou, die van Jezus. "God zag dat het goed was, zeer goed". Jij bent het. Jouw oorsprong is het. De mensen uit wie je voortkomt en met wie je leeft zijn het. God's Geest, die van Jezus, roept je tot vrijheid. Hij roept je tot het leven dat sterker is dan de dood. Het zal ons een eer en een vreugde zijn om jou dat heilig doopsel toe te dienen.                                              

 

                                                                                                                                                                                                                              

INLEIDING op de viering van de kruisweg op 22 april 2011, Goede Vrijdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Wat hebben we mooi weer! Wij boffen met de komende  Paasdagen. Onze stad stroomt reeds vol met toeristen. De terrasjes zijn vol. Er wordt volop gegeten en gedronken. Mensen zijn goed gemutst, hopelijk.

 

Maar al die mensen die in Amsterdam of daarbuiten Pasen gaan vieren lijken helemaal voorbij te gaan en te leven aan waar het met Pasen om gaat; aan de oorsprong en het hart van het paasfeest, namelijk het lijden, het sterven en de verrijzenis van Jezus: de dingen waar het in de kerk om draait. "Kerk wordt genegeerd" kopte gisteren de Metro, het gratis krantje dat je op het station krijgt. Een goede vriendin van mij (niet van het houtje!) viert vandaag haar vijftigste verjaardag en ik ga daar zodadelijk ook heen. En iemand van de kerk (dus wel van het houtje) viert haar vijftigste verjaardag op de avond en in de nacht van de komende paaswake. Ze heeft ook mij uitgenodigd. "Trek je dansschoenen aan!" schrijft ze in de uitnodiging. Op die uitnodiging zal ik niet ingaan. Want ik zal nu eenmaal de hele paasnacht hier in de kerk zijn - met hopelijk ook enkelen van u, wakend rond het zachte licht van de nieuwe paaskaars. 

 

Wat hebben we mooi weer. Ook gisteravond, Witte Donderdag, was het al goed. Dus dat kwam ook goed uit in Gouda, waar zich The Passion afspeelde: het verhaal van Jezus' lijden en sterven in een hedendaags jasje; het witte leren jasje van Syb van der Ploeg als Jezus, het bruine leren jasje van Thomas Berge als Petrus en het zwarte leren jasje van Frank Lammers die Judas speelde. De televisie zond het rechtstreeks uit. Bekende Nederlandstalige popnummers waren in het verhaal ingeweven. En een groot lichtgevend kruis werd door de straten van Gouda gedragen, "niet alleen door christenen", maar "óók door katholieken", zoals men zei, "en door moslims en atheďsten". Toe maar.

 

Ik vond het mooi, of eigenlijk zeer ontroerend, dat lichtgevend kruis, zoals dat voorbijging aan de huizen van Gouda en aan de Etos en de America Today. Want ja, de kerk kun je negeren, helemáál of in meer of mindere mate. Iedereen maakt daarin een eigen keuze, bewust of onbewust. Maar het kruis negeren kun je nίet. Vroeg of laat komt het langs je huis of liever gezegd: Vroeg of laat gaat het je huis niet langer voorbij. Ieder huisje heeft zijn kruisje. En ik denk: als jijzelf met dat kruis te maken krijgt, dan ben je een gelukkig mens als je weet hebt van Jezus' kruis. Je bent een gelukkig mens als je Jezus kent en met Jezus leeft en als je wéét hoe Hij Zijn kruis gedragen heeft. Jezus heeft voor ons de weg van het kruis verkend. En in Hem kun je steun vinden bij het dragen van jouw eigen kruis. Zo is dat.

 

Wij gaan nu op onze wijze doen wat men gisteravond in Gouda deed. Wij trekken langs de kruiswegstaties hier in onze kerk met een houten kruis, behoorlijk zwaar. U kunt meelopen. Vooral de kinderen nodig ik daar ook voor uit. Vanaf de zesde statie kunt u, kunnen jullie het kruis hélpen dragen. En als we rond zijn gaan we het kruis vereren. Dan begroeten wij het kruis. We kussen het. We zetten het in het licht van onze kaarsen. We zetten er onze bloemen bij. Wij doen dat, omdat wij geloven (althans, we proberen het te geloven): dat het kruis van Jezus inderdaad licht betekent en licht geeft. Ik wens ons allen een goede kruisweg.    

 

                                                                                             

VERKONDIGING op 21 april 2011, Witte Donderdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Exodus 8, 1-14; uit de eerste brief aan de christenen van Korinthe (11, 23-26), Psalm 116 (ged.) en uit het Johannes-evangelie (13, 1-15).

 

Wat was dat mooi, verleden week dinsdag, in de Lutherse kerk aan het Spui. Wij keken, in het kader van de filmcatechese in de vastentijd, sinds jaar en dag samen met Oranjekerk en Ignatiushuis georganiseerd, naar Des hommes et des dieux, de film van Xavier Beauvois over de monniken van Tibhirine, een trappistenklooster in Algerije, waarvan de bewoners, in 1996, werden uitgemoord door moslimfundamentalisten. In de film zien we hoe mooi de monniken leven. We zien hoe goed, hartelijk, vertrouwvol en respectvol de wederzijdse verhoudingen zijn met de islamitische dorpsbewoners. Maar we zien ook dat er onweer in de lucht zit. Er zijn gewelddadige incidenten. Mensen die niet in het plaatje van de fundamentalisten passen worden wreed vermoord. Er wordt druk uitgeoefend op de monniken: ga toch weg! Ze staan voor een dilemma. Als ze weggaan - dan krijgen de fundamentalisten hun zin. En welk voorbeeld geven de monniken dan aan de bevolking? Dat je moet buigen voor druk, dwang en geweld? Dat je je moet laten leiden door je angst? Nee! Dat nooit. De monniken, de christenen, willen zich laten leiden door Jezus Christus, door Zijn Geest. "Een leerling staat niet boven zijn meester!" Dus: de monniken blijven.

 

Ademloos hebben wij zitten kijken. Twee uren lang kon je een speld horen vallen in de Lutherse kerk. Vlak vóór dat het geweld, het onweer, losbarst vieren de monniken feest, misschien zelfs Pasen. We zien hoe ze aan tafel gaan, in stilte. Er is muziek: het Zwanenmeer van Tsjaikovski. Er is wijn. En we zien de gezichten van de monniken. Die gezichten spreken boekdelen. Bezorgdheid, vertrouwen, pijn en vreugde: we zien het allemáal op die gezichten.

 

Ik denk, veelgeliefden: de film treft in deze scčne precies de sfeer van deze Witte Donderdag. De atmosfeer daarvan wordt in de film prachtig tot uitdrukking gebracht.

 

In de eerste lezing op deze avond hoorden wij over het Joodse volk dat op het punt staan om Egypte, het land van de slavernij, te verlaten. Het paaslam wordt geslacht. De beide deurposten en de bovenbalk van de deur worden bestreken met het bloed daarvan. Men eet het lam, de lendenen omgord, de voeten geschoeid en met de stok in de hand. De engel des doods zal hun huizen voorbijgaan, overslaan. Dat is "pesach" - "Pasen". Het woord betekent "voorbijgaan", "overslaan". Maar Jezus wordt nίet overgeslagen. En de monniken van Tibhirine zijn ook niet overgeslagen. En wij worden geen van allen overgeslagen. Want: ieder huisje heeft zijn kruisje. En laat dat "-je" er maar gerust van af. Gróót en zwáár is vaak het kruis dat mensen te dragen hebben. Denk aan de mensen in Alphen aan de Rijn. Denk aan de ouders van de misbruikte kinderen hier in Amsterdam en waar niet ... We moeten er aan gelóven, aan het kruis, of je nu wilt of niet. Het is goedschiks of kwaadschiks. Dat kruis: je kunt er voor weg lopen, voor wegvluchten, maar je kunt het ook aanvaarden. Je kunt het zelfs omarmen. Ave crux spes unica. Gegroet, kruis, enige hoop! Jezus heeft dat gedaan. De monniken van Thibirine hebben dat gedaan. Maar in Alphen aan de Rijn en in het tegenwoordige Amsterdam is dat nίet zo gemakkelijk. "Kerk wordt genegeerd" kopte de Metro vandaag. Ja, dan krijg je dat natuurlijk. Mét de kerk raakt ook het kruis van Jezus Christus natuurlijk gemakkelijk uit beeld - en daarmee misschien ook wel de bereidheid en het vermogen van mensen om hun eigen kruis te dragen, om daar een zίn aan te geven.

 

En welke zin hééft Jezus dan gegeven aan Zijn kruis, aan de dood Hem aangedaan? Ik denk: Hij heeft, voor zichzelf én voor ons, de betekenis ervan getransformeerd. Van Zijn dood, van Zijn kruis heeft Hij gemaakt: een geschenk, een gave, een cadeau aan ons. Op de avond vóór Zijn kruisdood (en daarnaar verwijzend) heeft Hij het gedaan in brood en wijn, Zijn Lichaam, Zijn Bloed. In, door en met Zijn dood voedt Hij ons. Hij voedt ons met Zijn moed en met Zijn vertrouwen, sterker dan de dood. En daarmee reinigt Hij óns van onze lafheid, van ons ongeloof, van al onze zonden. Hij reinigt onze binnenkant met Zijn Lichaam en Zijn bloed zoals Hij in de voeten van Zijn leerlingen de buitenkant reinigt. En als je Hem niet Zijn gang laat gaan, als je het Hem niet láát doen - dan kun je Zijn leerling niet zijn. God in Jezus is sterker dan het kruis. Zo wordt Jezus' kruis een lichtend teken. Denk maar aan het kruis zoals het deze avond door Gouda wordt gedragen in The Passion. De t.v. zendt het uit. Wij ontvangen Jezus als geschenk. En aanvaard je dat geschenk, dan kun je het ook zelf wórden. Moge het zo zijn. Amen.

 

 

 

VERKONDIGING op 17 april 2011 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het Matteüs-evangelie (21, 1-11 en 26, 14-27, 66), uit de profeet Jesaja (50, 4-7) en uit de brief aan de Filippenzen (2, 6-11).

 

"Judas zijn ligt me perfect". Dat is me nogal een uitspraak, in de krant[46], van Martin van der Sterre, veertig jaar oud, zanger en acteur in rockmusicals. Deze week speelt hij de rol van Judas in een uitvoering van Jesus Christ Superstar. Hij heeft auditie gedaan voor Jezus. "Maar ik wist al dat Judas beter bij me paste. Hij ligt me perfect."

 

Zelf was ik afgelopen donderdag in het Bijbels Museum aan de Herengracht (366-368). Daar werd een tentoonstelling geopend: "Petrus en ik"[47]. De fotograaf Michiel van Nieuwkerk, de broer van Matthijs, heeft voor die tentoonstelling ook een foto van mίj gemaakt. Dus ik háng daar, samen met onder anderen Joop van den Ende en Johannes van Dam. Ga maar kijken! Ik vind het mooi om er te hangen. Want "ik héb veel met Petrus" zoals dat heet. Ik herken mijzelf in hem. Ik herken mijzelf in zijn onstuimigheid, in zijn stoerheid en zijn stevigheid, maar ook in zijn verloochening, in zijn verraad. Nee, zo héél anders dan Judas is Petrus niet. Petrus piept 'm. Hij drukt z'n snor. Op het beslissende moment kiest ook hij voor zichzelf en laat hij Jezus vallen. En zo zijn ze, nee, zo zijn misschien wel ergens allemaal. "Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht" zo hoorden we nadat Judas Jezus heeft gekust en de bende zich van hem meester heeft gemaakt. "Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht." En het staat er, veelgeliefden, óók met het oog op ons. Met die "leerlingen" worden ook wij bedoeld. Maak je maar geen illusies. Kijk maar naar Petrus. Als het er op aan komt vallen we tegen, dan laten we elkáár vallen, dan laten we elkaar alleen.

 

Waar ik bij was vertelde iemand onlangs over een collega op kantoor. In de lunchpauze blijft hij rustig langer weg, soms wel anderhalf, twee uur. Dat is voorgekomen. Degene die het vertelde had zich geroepen gevoeld om er met hun "leidinggevende" over te spreken. "Heb je er ook met je collega zélf over gesproken?" vroeg ik. "Op zich ben ik wel iemand die dat doet ..." was het antwoord. Dat is dus het zelfbeeld. Maar gedáán had de persoon in kwestie het nu feitelijk toch niet geloof ik. Oftewel: de wérkelijkheid van deze persoon in deze omstandigheden is dus minder fraai. Petrus dus. 

 

Jezus' lijdensverhaal is een ontluisterend verhaal. Het is ontluisterend voor óns. Jezus-die-gekruisigd-wordt, is gek genoeg de enige die overeind, die staande, die geloofwaardig blijft. Ja veelgeliefden, zo is het. Jezus wordt doodgemaakt. Maar op het léven van Jezus heeft men geen vat. De beulen spijkeren Jezus' lichaam vast. Maar Zijn vrijheid hebben ze nίet en krίjgen ze niet. Naar de uiterlijke mens gaat Jezus ten onder. Maar naar de innerlijke mens ontsnapt Hij. Zijn wezen ont-gaat ons. Jezus is vrij en niets en niemand kan Hem doden. In Petrus is duisternis. In mij is duisternis. In alle leerlingen is duisternis. En Judas sterft. Maar Jezus niet. Welnee ... als Jezus sterft gaan "de graven (...) open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren," staan op. "Na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven en gingen naar de heilige stad waar zij aan velen verschenen." Dat staat er. En hoe moeten we dat begrijpen? Ik, voor mij, leg het zó uit: als beeld van een verborgen, van een innerlijke werkelijkheid: Jezus' leven is sterker dan de dood. Jezus' dood, Zijn kruis, is een kiem en is een kracht die de doden opwekt. En die doden zijn wij. Wij zijn het geregeld. Wij zijn het vaak. Maar Hij, Jezus, lééft ook al is Hij gestorven. Laten wij dus Hem in ons Zijn werk doen. Amen. Geloofd zij Jezus Christus.

 

                                                                                                         

VERKONDIGING op 27 maart 2011, de derde zondag van de Veertigdagentijd, in de kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (17, 3-7), Psalm 95 (ged.), uit de brief aan de christenen van Rome (5, 1-2.5-8) en uit het Johannes-evangelie  (4, 5-42).

 

Conrad Hilton. Michael Wilding. Mike Todd. Eddie Fisher. Richard Burton. Nog een keer Richard Burton. John Warner. Larry Fortensky. "Jezus zei haar: Dat zegt ge terecht: ik heb geen man; want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet. Wat dit betreft hebt ge de waarheid gesproken." Dat het dus nog extremer kan (zéven mannen, acht huwelijken) heeft Elizabeth Taylor in haar leven laten zien. Afgelopen woensdag stierf ze, de vedette van het witte doek en mannenverslindster, 79 jaar oud.

 

Waarom is dat, dierbare gasten en parochianen? Waarom houden mensen het niet met elkaar uit? Waarom "vinden ze het niet" bij elkaar? Waarom gaat het voorbij? Waarom gaat liefde voorbij? Het evangelie van deze derde zondag in de veertigdagentijd brengt mij tot de hypothese: Dat is omdat er iets mis is met de bron die mensen hebben in zichzelf. Jezus spreekt daarover. Hij zegt: "het water dat ik zal geven, zal in hem (of haar) opborrelen als een bron van eeuwig leven." Wat bedoelt Hij met dat water, dat levende water waar je nooit meer dorst van krijgt? Ongetwijfeld heeft het te maken met liefde, met liefde die mensen hopen te krijgen in hun leven en die ze met name zoeken bij en verwachten van een partner - die dan echter dat verlangen lang niet altijd kan verzadigen. Mensen worden in hun verlangen naar liefde gefrustreerd, blijven onbevredigd en blijven zoeken naar "de ware". Maar de vraag is: kan een mens wel geven wat jij verlangt en zoekt? Zijn mensen niet verkeerd bezig wat dat betreft? Ik denk, veelgeliefden: om dat soort vragen gáát het daar op de rand van die put, daar bij die bron, in de communicatie tussen Jezus en die Samaritaanse vrouw. Waar het om gaat, dat is om haar én ons verlangen naar liefde.

 

Jezus heeft het in dat verband over een bron in jezelf. Hóe is het met die bron in jou gesteld? Héb jij ook die bron? Of heb je die niet? Ervaar jij zoiets in jouzelf? Of ervaar je zoiets niet? En als je die bron ervaart, hoe staat het er dan mee? Stroomt de bron rijkelijk en overvloedig, continu? Is jouw ziel als een rijkbesproeide tuin, als een drassig landje? Of hapert de bron soms? Vloeit er nog wel iets? Is de zaak niet opgedroogd? Of dreigt dat te gebeuren? En kun je er iets aan doen, als dat zo is; als inderdaad die bron in jou dreigt te verdrogen óf als je zegt: een bron, in mij? - niet dat ik weet ... ?

 

De heilige schrift, vandaag, is unisono: in de ontmoeting met Gód, met Jézus (voor ons is dat één en hetzelfde) "gebeurt het". In de eerste lezing, uit het boek Exodus: Mozes is in gesprek met God. En hij hoort, Mozes: "Sla op de rots". En het water vloeit. En de Samaritaanse in gesprek met Jezus: Haar hele leven is ze al op zoek naar echte liefde, naar ware liefde. Maar de liefde die ze heeft gevonden bij al die mannen (denk aan Liz Taylor); telkens raakt die liefde op, zoals het water in de kruik. Maar Jezus maakt nu iets los in haar. Hij ontsluίt in haarzelf de bron waarover Hij spreekt. De waterkruik die ze achterlaat bij de bron is daarvan het prachtige beeld. Die kruik heeft ze niet langer nodig. Er is een einde gekomen aan haar Sisyphus-arbeid, aan haar moeizame en uitputtende zoeken naar liefde. Voortaan is ze geen dorstige grond meer die om liefde smeekt en die er nooit genoeg van krijgt en heeft. Nee, nu is ze inderdaad zelf een bron geworden waarin het water van de liefde altijd stromen zal. Want: ze heeft nu de liefde in persoon ontmoet. Voortaan zal Hij in haar wonen en leven. De vrouw gaat naar de stad om de mensen en om ook ons ervan te vertellen. Zij moeten het ook weten. Wίj moeten het ook weten. Zij moeten die liefde ook vinden. Wij moeten die liefde vinden. De apostel Paulus, in de tweede lezing, uit de brief aan de christenen van Rome, schrijft: "Jezus Christus onze Heer (...) is het die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten (die de bron heeft ontsloten) van de genade waarin wij staan (...)" "Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken." Liefde. Genade. De Geest. Het levende water. Pijlen zijn het die allemaal dezelfde kant op wijzen.

 

Wie zijn of haar hoofd en hart bij Hem, bij de Heer, bij Jezus houdt die zal die levende bron, die zal die volheid van leven ervaren. Ik ben daar van overtuigd en het is ook mijn ervaring: als ik bij Hem blijf, dan stróómt het in mij. Maar ja, hoe doe je dat: bij Hem blijven ? Makkelijker gezegd dan gedaan. De kerk heeft er vanouds haar middelen voor. Wij noemen dat "de genademiddelen". Bidden, vasten en het geven van aalmoezen. Dat zijn ze. En bovenal: de viering en de beleving van de sacramenten, waarvan de viering van de Heilige Eucharistie het belangrijkste is. Jezus en de Samaritaanse vrouw ontmoeten elkaar "ongeveer (op) het zesde uur", "rond het middaguur". Dagelijks kunnen wij hier in deze kerk rond datzelfde uur de Heer ontmoeten in de viering van de heilige Eucharistie. De Heer zelf maakt ons daarin telkens opnieuw bewust van die bron, Zijn bron, in ons. En Hij geeft een impuls aan het stromen ervan. Ik merk altijd: Mij doet het goed. Hίj doet mij goed, daarin.

 

Liz Taylor is dood. Ik hoop dat ze de grote liefde nu vindt of gevonden heeft. God hebbe haar ziel. En moge Hij ook de onze hebben, hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 20 februari 2011, de zevende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Leviticus (10, 1-18), Psalm 103 (ged.), uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (3, 16-23) en uit het Mattheüs-evangelie (5, 38-48).

 

"Het voelt alsof je op de Titanic zit. En je vraagt je af: Wél, moeten we dóórdoen de rózenkrans bidden of zullen we met de laatste muzikanten maar nog mee wat spelen en zo harmonieus mogelijk eindigen? Dat is voor mij een existentiële vraag. Echt waar. Het is soms bijna tegen beter weten in dat gij vérder doet. De apostelen hadden het misschien nog moeilijker dan wij. Alleen zijn wij meer beladen met de idee: Wij hebben ooit de markt beheerst, maar nú zijn we terug bij af."

 

Aldus, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, in een interview op de Vlaamse radio, Rudi Mannaert, de pastoor van de kerk en parochie van Sint-Andries, in Antwerpen. Hij vergelijkt de kerkelijke situatie van dit moment met die van de Titanic, dat geweldige, luxe passagiersschip dat in 1912 in aanvaring kwam met een ijsberg en zonk. In de bekende film uit 1997 met Leonardo di Caprio en Kate Winslet in de hoofdrollen wordt de ramp meeslepend in beeld gebracht: Terwijl het schip al zwaar water maakt en zinkt speelt het orkestje aan boord nog gewoon door en wordt er nog gedanst.

 

Dierbare gasten en parochianen: is het waar? Lijkt onze Roomse kerk van dit moment en meer concreet ook onze eigen parochie op zo'n Titanic die aan het vergaan, die aan het zinken is? Ís de zaak reddeloos verloren? En zo ja, wat dan te doen? Verláten wij dan maar beter dat zinkend schip, zoals velen, ook familieleden en vrienden van ons, reeds gedaan hebben? Er zijn er onder ons die zich grote zorgen maken vanwege het ook hier met de jaren slinkend aantal kerkgangersters en teruglopende inkomsten. Wat te doen? Zijn er reddingsboten en -boeien? Moeten wij ons heil gaan zoeken, bijvoorbeeld in de Oud-Katholieke Kerk aan de Ruysdaelstraat of in de Oranjekerk? Zijn dat geen kerken die wézenlijk beter zijn dan de onze omdat ze zónder aan het celibaat gebonden priester functioneren? Of zouden wij ons misschien als parochie als geheel moeten losmaken uit het verband van de Roomse wereldkerk onder het motto "we varen wel zelf, op eigen kracht, verder"!? Zouden we dat redden? In de Dominicus aan de Spuistraat en bij de Duif aan de Prinsengracht, beide voormalige Rooms-Katholieke parochiekerken, heeft men er al vele jaren geleden voor gekozen om het te doen ...

 

Ja, veelgeliefden, wat te doen? Wat is wijsheid? Moeten we de rozenkrans bidden of zullen we met de laatste muzikanten maar nog wat meespelen en zo harmonieus mogelijk eindigen?

 

Nou, zou ik zeggen: beide suggesties zijn in het geheel niet slecht! Het bidden van de rozenkrans, u weet: ik houd daarvan. Ik vind dat goed om te doen. Want het geeft voedsel aan ons vertrouwen, in God, in Jezus, in Maria. En dan: muziek maken ... laten we ook daarmee voorál doorgaan. In muziek klinkt het wezen van ons leven zelf; onze ellende, onze wanhoop, ons verdriet, maar ook ons verlangen, onze hoop, onze liefde en ons geluk. En als we erbij zingen, oude en nieuwe woorden, van en over God, dan wordt ons muziek maken nog duidelijker: voertuig van het biddende hart.

 

Ik denk, veelgeliefden: de situatie waar wij in zitten vraagt vooral om een groot vertrouwen, ja om gelovige overgave, ondanks alles. Gistermorgen hebben wij, alsof er kerkelijk helemaal niets aan de hand is en onze kerk hier nog minstens duizend jaar mee zal gaan, onder grote publieke belangstelling een nieuw beeld onthuld en gewijd. Een fantastisch beeld, vervaardigd door Herman van Elteren, van de apostel Jacobus. Wat een stoer beeld! Wat een prachtige verbeelding, wat een geweldige incorporatie van dat grote vertrouwen en die gelovige overgave die ik bedoel. Misschien heeft dat beeld wel iets van onze heerlijke stoere Jan Verhallen uit Diemen die gestorven is en afgelopen vrijdag vanuit de kerk van Sint-Petrus' Banden is begraven. Op zijn sterfbad dicteerde hij aan zijn vrouw Loeke nog een echt hartelijke en oprecht dankbare brief aan ons allen voor alles wat zij samen hier met ons hebben mogen beleven en gestalte geven. "Het is te veel om op te noemen" schrijven Jan en Loeke. Wat een heerlijke mensen. wat een geweldige schatten. Vlak voor Jans dood heb ik hen in Diemen nog bezocht. We hebben samen gebeden. Jan schetste met zijn hand nog het kruisteken mee en hij kneep in de mijne. Ongebroken vertrouwen, ongebroken geloof ondanks helse pijnen. Een geweldig voorbeeld.

 

Geloof, overgave en vertrouwen, veelgeliefden, zijn letterlijk en figuurlijk ten diepste en ten laatste nérgens anders op gebaseerd dán op God, op Zijn belofte, en op ons eigen vertrouwen alléén: "Niemand die mijn hoop rechtvaardigt en niemand weet van mij, dan Gij alleen die in mij ademt, mijn levensdag ben Jij" - een fragment uit een lied van Huub Oosterhuis. Ik denk: zo zou het moeten zijn voor gelovige mensen.

 

Feίtelijk is het voor ons echter vaak nίet zo geweest en hebben wij ons houvast en onze steun nίet zozeer gezocht bij en in God zelf, máár in de macht van de getallen (het getal van de kerkgangers en van de parochianen, het getal van de collecteopbrengsten), in de macht van de gebouwen en van al het imponerende dat daar aan te bewonderen valt en hebben wij ons wat ons geloof betreft afhankelijk gemaakt of laten maken van allerlei concrete mensen, allerlei priesters bijvoorbeeld, van wie we soms een beetje een god, een afgod hebben gemaakt. Niet goed. Want een priester verbeeldt en representeert God dan wel, hij treedt weliswaar op "in persona Christi", maar hij ίs God en hij ίs als persoon Jezus Christus zeker niet. Subtiel maar essentieel verschil! Een priester is alleen maar goed bezig denk ik als hij mensen helpt om God en Jezus te doen ervaren als grote bron van vrijheid en kracht, van licht, van vrede en vreugde. "Ik ben er niet op uit om mensen aan mijzelf te binden, maar om ze aan Jezus Christus te binden". Woorden, belangrijke woorden voor mij, van dominee Wim van der Sluys die vroeger aan de Thomaskerk in de Irenestraat verbonden was.

 

Ik moet u zeggen, dierbare gasten en parochianen: ik deel de bezorgdheid van de bezorgden in de kerk eigenlijk niet zo heel erg. Eigenlijk moet ik zeggen: de huidige rampzalige kerkelijke situatie maakt mij soms in zekere zin wonderlijk licht. Het is méér dan erg, met dat misbruik en alles wat daar aan vast zit. We staan er binnen de samenleving geweldig gekleurd op. Het is een grote schande. Erger kan niet. In zekere zin hebben we zelfs "niets méér te verliezen" zoals dat heet. Mijns inziens is dat echter een belangrijk bewustzijn. Want onszelf krampachtig vastklampen aan de gebouwen, aan het geld en aan de mensen die we zogenaamd "nog hebben" is namelijk nooit en never en zeker ook nu niet de goede weg.

 

Nee. De enige weg die wij te gaan hebben, die voor ons openligt en waartoe wij worden uitgenodigd is die van Jezus. En van Jezus leer ik vandaag in elk geval één heel belangrijke en praktische les wat betreft de vraag wat te doen of liever gezegd: wat vooral niet te doen in de huidige, moeilijke, ja zure omstandigheden. Wat ik vandaag van Jezus leer, dat is: dat we ervoor moeten waken om zelf vooral nίet zuur te worden. Juist in de gegeven kerkelijke omstandigheden kan de verleiding groot zijn om op elkaar te gaan vitten, om aan allerlei mensen "de schuld te geven" van alle ellende, de achteruitgang enzovoort; om elkaar daarmee om de oren te slaan en je daarover te beklagen. Veelgeliefden, het heeft allemaal zo weinig zin en we verzieken de sfeer. Ik denk: dát zou helemaal het paard achter de wagen spannen zijn als we dat laten gebeuren en met elkaar daarin terecht komen: in een zure, verziekte sfeer. Laten we het dus met elkaar zo plezierig en goed mogelijk hebben en houden. Dus zeur niet. Laat iedereen voor zichzelf beslissen: houd ermee op, met de Kerk, ga weg - of blijf en neem dan je verantwoordelijkheid voor het geheel, wees dan aanwezig op de manier waartoe de Geest Gods, die van Jezus, jou inspireert: Elkaar niet om de oren slaan, maar als iemand jou een klap op je rechterwang geeft, dan ook de andere wang toekeren. Ook je jas geven als iemand je van je hemd berooft. Ook de mensen die jou niet goedgezind lijken te zijn beminnen. Niet haatdragend zijn. Geen wrok koesteren. Geen wraak nemen. Wél eventueel elkaar terechtwijzen. Zó wordt het ons voorgehouden in de schriftlezingen van deze zondag. Je moet er een sterk mens voor zijn om het te doen, een mens die een God heeft die, om met psalm 103 te spreken "barmhartig (is) en welgezind", een God "die u uw schulden vergeeft, die u geneest van uw kwalen, (...) die u van de ondergang redt, die u omringt met zijn gunst en erbarmen", die ons liefheeft "zozeer als een vader zijn kinderen liefheeft". Wie zo'n God heeft, veelgeliefen, die kan tegen een stootje en die is een aangenaam mens. En daar gaat het tenslotte maar om.

 

En de Kerk? Ach, we zullen wel zien. De toekomst is aan God. En als de Kerk uit God is, en dat is wat ίk ondanks alles gewoon blijf geloven, dan vinden we ongetwijfeld weer een weg, door elk diep dal, door elke afgrond en elke duisternis héén. Wij gaan bijvoorbeeld naar de Rozenkranskerk toe of zij komen hierheen. Zulke problemen, veelgeliefden, zijn wel de minste van alle problemen. In wezen maakt dat allemaal niet uit, waar we zitten en hoe we zitten. Zolang we maar met ons hart en heel ons wezen bij en met onze God zijn. De Titanic gaat misschien ten onder, maar wij varen wél verder. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 13 februari 2011. de zesde zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: ut het boek Jezus Sirach (15, 15-20), Psalm 119 (ged.), de eerste brief van de heilige Apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (2, 6-10) en het Mattheüs-evangelie (5, 17-37).

 

Als een klimroos, dierbare gasten en parochianen; als een klimroos niet geleid wordt, tegen de muur, door zo'n hekwerkje of over het geraamte van een pergola ... Als dat níet gebeurt, dan groeit de klimroos in het wilde weg, dan groeit hij alle kanten op, dan is hij andere planten tot last en kan hij die zelfs verstikken. Zo ís dat met de klimroos.

 

En zo is het ook met de mens. Ook wij hebben het equivalent van zo'n hout- of ijzerconstructie nodig om langs te gróeien en geleid te worden. Die constructie noemen wij: de wet.

 

Het jodendom zet vanouds zwaar op die wet in. De wet komt van God. En het is nodig dat je er aan gehoorzaamt. Het is nodig dat je lééft volgens die wet.

 

In alle toonaarden wordt het ons in de lezingen van deze zondag op het hart gedrukt: "Wanneer gij wilt, kunt gij de geboden onderhouden, en het is ook verstandig te doen wat de Heer behaagt" - Jezus Sirach. "Gij hebt uw bevelen gegeven opdat men ze trouw volbrengt - Psalm 119. En dan vooral het evangelie. Daar wordt het ons helemáál ingepeperd. "Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet of Profeten op te heffen" heeft Jezus van Nazareth volgens Mattheüs gezegd. "Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet vér overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen." Je zou het er Spaans benauwd van krijgen ... En dan wie doodt, of zelfs maar boos wordt op iemand of hem of haar voor een leeghoofd of een dwaas uitmaakt "die zal strafbaar zijn voor het gerecht" of zélfs "met het vuur van de hel". En als je het niet eens wordt met je tegenpartij, dan kun je aan de rechter worden overgeleverd en in de gevangenis worden gegooid. En je zult er niet uitkomen voordat je tot de laatste cent betaald zult hebben - wordt er nog dreigend aan toegevoegd. En al wie alleen maar seksueel begerend kíjkt naar iemand, die kan beter het oog uitrukken - of afscheid nemen van een ander lichaamsdeel als dát je tot zonde dreigt te brengen "want het is beter voor u, dat één van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt." Oef! Dat is dreigende taal!

 

Dierbare gasten en parochianen: wat is daar "evangelie", wat is daar "blijde boodschap" aan? En vooral: hoe is het toch in godsnaam mogelijk dat mensen ondanks zulke dreigende taal er zo vaak een potje van maken in hun leven? Hoe is het toch in godsnaam mogelijk dat ze, ik bedoel: dat wij of althans sommigen of misschien zelfs velen van ons tóch niet luisteren, waar wij zó ernstig gewaarschuwd worden voor zulke zware consequenties? "Vóór de mensen liggen het leven en de dood, en wat een mens behaagt, wordt hem gegeven" zegt Jezus Sirach. Waarom kiezen mensen toch in hun leven feitelijk vaak de dood? Waarom kiezen ze ondanks alle bedreigingen vanwege God en vanwege de mensen tóch geregeld wat niet goed is, wat onheil brengt, wat henzelf en anderen ongelukkig maakt?

 

Waarom komt een jonge man, begin dertig, recht van lijf en leden, met een scherp verstand, die alle mogelijkheden van de wereld heeft; waarom komt hij zijn bed niet uit?

 

Waarom bedriegt een ander zijn lieve, prachtige vriendin, óók nadat zij hem een herkansing heeft gegeven?

 

Waarom zit een priester, ene "Ron", die onze evangelietekst van vandaag óók talloze malen zal hebben voorgelezen; waarom zit hij aan de misdienaars? En waarom gaat hij opnieuw in de fout nadat hij is overgeplaatst? En waarom liet de bisschop het gebeuren?

 

Waarom maken mensen die met elkaar getrouwd zijn elkaar het leven zuur?

 

Waarom laat een vrouw, een moeder; waarom laat zij op haar werk de zaken steeds opnieuw uit de hand lopen? Waarom gaat zij niet anders om met de werkdruk, met haar collega's en met haar baas?

 

Waarom kijkt iemand steeds weer naar porno?

 

Waarom grijpt iemand steeds weer naar de fles?

 

Waarom duikt iemand te vaak in de ijskast, in de koektrommel, in de bonbondoos?

 

Ik doe zomaar een greep uit hetgeen waar ik en waar wij in de afgelopen week mee werden geconfronteerd.

 

Waarom dóen mensen waarvan ze weten dat zij er andere mensen en zichzelf door beschadigen?

 

Is het een gebrek aan geloof? Is het een gebrek aan wilskracht?

 

Ach ja mensen ... Mensen willen wel, maar ze kúnnen vaak niet. Wé willen wel, maar zijn er vaak niet toe in staat en zitten soms met onze handen in het haar. We redden het niet met alleen een wet die ons ingepeperd wordt. Alleen dáármee het kwade, het onheil, dat wat ongelukkig maakt weerstaan is niet zo gemakkelijk.

 

Wat we Jezus vandaag bij Mattheüs horen zeggen is in zekere zin wat we ook in onze tijd binnen onze samenleving voortdurend horen: De wet, de rechter, straf, de dreiging daarvan en de angst daarvoor zouden de oplossing moeten brengen.

 

Ik denk, veelgeliefden: het moet gezegd worden, daar is, ook voor Jezus, geen ontkomen aan. Hij zit op dezelfde lijn als de Wet en de Profeten vóór Hem. Hij is "niet gekomen om (die) op te heffen, maar om (die) tot vervulling te brengen".

 

Maar ... er moet dus bij Jezus wel een "extra-moment" zijn, een surplus. En waar bestaat dat dan uit, dat surplus, dat extra-moment, die vervulling?

 

Ik denk, veelgeliefden, Hij is het zelf, in eigen persoon, Hij in wie God en mens samenkomen. Waar Psalm 119 zingt: "Geef mij begrip om uw wet na te leven, om hem te volgen met heel mijn hart", daar mogen wij voor dat "hem", "Jezus" invullen. Je hart geven aan iemand, aan een persoon, dat is natuurlijk nog iets anders dan het aan "de wet" geven - ook al is het Gods wet. Met Jezus kun je leven. Hem kun je liefhebben, wetend en er op vertrouwend, want dat mogen wij: Hij bemint ook jou. Hém kunnen wij ons voorstellen. "De wet" is dan een stuk abstracter en vooral: killer. In de Kerk horen wij Zijn stem. En wij zíen Hem in het brood en in de wijn. En wij zien Hem, hopelijk, in onze mede-gelovigen. Wij gaan met Hem óm binnen de Kerk. Hier ervaren wij Hem. Hier mogen wij ons met Hem verenigen. En die ervaring nemen we mee naar buiten. En daar zien we Hem dan ook omdat Hij hier binnen, om met Psalm 119 te spreken, onze ogen ontsloten heeft om zijn heerlijkheid te aanschouwen - die van Jezus zelf.

"Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars", zal Jezus een stukje verderop in het Mattheüs-evangelie (9, 13) zeggen. Aan Hem mogen wij ons hechten. Door Hem mogen wij ons laten leiden. Langs Hem mogen wij omhoogklimmen, uit elk dal náár de sterren. Hij is voor ons wat het hekwerkje of de pergola is voor de klimroos. En Hij is meer. Hij is onze aarde waarin wij mogen wortelen. Hij is de lucht die wij mogen inademen. Hij is de zon door wie wij ons mogen laten beschijnen en in de warmte waarvan wie wij ons mogen koesteren. In Hem leven, bewegen en zijn wij (Paulus in de Handelingen van de Apostelen 17, 28). Houd, arme zondaars, dus goede moed! Want Hij blijft je roepen. En Hij blijft altijd naast en achter je staan, wat er ook gebeurt. Amen.

 

 

 

VERKONDIGING op 9 januari 2011, feest van de doop van de Heer, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (42, 1-4.6-7), Psalm 29 (ged.), uit het boek der Handelingen van de Apostelen (10, 34-38) en uit het Mattheüs-evangelie (3, 13-17).

 

Om 22u33 gisteravond stuurde Wilko mij een mailtje: "Onze zoon Yeshe, die je een paar weken geleden in de kerk gezien hebt, begint op een leeftijd te komen dat hij gedoopt kan worden." - Wanneer dat zou kunnen ... Kijk, dierbare gasten en parochianen, dat paste natuurlijk mooi! Dat mailtje kwam op een góed moment: óp de zondag eigenlijk al waarop wij de doop van de Heer vieren. Want zoals u wellicht weet begint de dag voor de joden, aan wie wij als kerk alles te danken hebben; voor de joden en dús ook voor de kerk begint de dag 's avonds. U weet wel: "En het was avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag."[48] De joden en wij: wij komen uit het duister en gáán naar het licht.

 

Dat mailtje van Wilko kwam dus op een goed moment. Om niet te zeggen: die vraag, op dat moment, is eigenlijk een cadeautje. De doop, die onderdompeling van een mensenkind in water, of de begieting ermee, terwijl de naam van de Drieëne God wordt uitgesproken; die doop is oeroud maar ook, getuige het mailtje, piepjong, een actueel gebeuren.

 

Maar wat ís het eigenlijk? Wat doen we eigenlijk als we dopen?

 

Het heeft alles te maken met de uittocht van het Joodse volk uit Egypte en vooral: met de doortocht door de Rode Zee. De onderdrukkers, de achtervolgers, de Egyptenaren, kwamen in het water om. Maar de Joden trokken er doorheen. Voor hen betekende datzelfde water: vrijheid. God maakt ons vrij. Door open te staan voor Hem, door ons tot Hem te wenden en ons aan Hem te hechten; dat maakt ons tot vrije mensen. Bij ons zit Hij, zit God, op de troon en niemand anders. En wij laten ons leiden en sturen, ten diepste door Hem, door Gods Geest, door wat die ons ingeeft. Laat niemand, laat géén macht dus denken dat hij of zij de baas over ons leven kan zijn. Nee, dat is alleen God.

 

Jezus werd gedoopt, door Johannes, in de Jordaan. Jezus keert zich naar God, naar Zijn Vader. In de doop maakt Hij zich die Vader eigen. De heilige Maximus, aan het begin van de vijfde eeuw bisschop van Turijn, heeft destijds gezegd, in een preek: "Ook deze dag zou men, naar mijn mening, de geboortedag van Jezus kunnen noemen." Want, éérst "werd Hij als mens geboren en zijn moeder Maria koesterde Hem op haar schoot." Máár, "híer wordt Hij op geheimvolle wijze voortgebracht en God de Vader omhelst Hem met zijn woord"[49]: "Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb." En dat "welbehagen", veelgeliefden, geldt ons allen: Wij mogen geloven dat God elk van ons, dat Hij alle mensen die echt bij Hem willen horen en die vanuit Hem willen leven; wij mogen geloven dat God ál die mensen, Zijn kinderen, graag ziet. Wij mogen Zijn liefde ervaren, zeker ook als we in de kerk zijn en er de sacramenten ontvangen. In die liefde mogen wij leven. Het doopsel is derhalve de diepe bevestiging van het zijn en het leven van elk van ons door God, iets prachtigs dus, iets van oneindige waarde - al kun je wat in en met het doopwater gegeven wordt dan niet "vastpakken".

 

Als wij hier een kind dopen zingen we vaak tijdens de doopviering een prachtig lied van Hanna Lam, op muziek van Wim ter Burg. "Jouw leven staat aan het begin" heet dat lied. Het eerste couplet is dít:

 

                            Jouw leven staat aan het begin.

                            Het heeft nog geen herinnering.

                            Het is zo weerloos en zo klein.

                            Je weet nog niet hoe het zal zijn.

 

"Weerloos" dat is precies het goede woord. Weerloos staat ook Jezus daar, in Adamskostuum of met slechts een doek om de lendenen, in het water van de Jordaan.

Die weerloosheid van Jezus en van elk mens dat wil leven in zijn kielzog is daarbij niet zozeer de weerloosheid van de zuigeling of van het kind, maar is een weerloosheid-als-keuze. Wat zulk een weerloosheid inhoudt en betekent kunnen we invullen vanuit de eerste lezing vandaag, uit het boek van de profeet Jesaja. Daar hoorden we: "Hij roept niet, hij schreeuwt niet en op straat verheft hij zijn stem niet. Het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven." Heel behoedzaam gaat Christus en gaat de christen met het leven om. Dat is denk ik de bedoeling. Weerloos en behoedzaam staan wij in de wereld.

 

Dat is vaak niet zo eenvoudig. Want onze wereld is vol grof geweld. In de nacht van-oud-op-nieuw was er een bomaanslag op een kerk in Alexandrië. Drieëntwintig mensen lieten het leven en velen werden ernstig verwond. Ja, blijf dan maar eens rustig. Christelijke jongeren met name hebben na die aanslag wél op straat hun stem verheven. Ze hebben geschreeuwd en hebben met stenen gegooid. We kunnen het ons goed voorstellen. Maar de vraag is: past het bij ons geloof? Past zo'n reactie bij Jezus Christus?

 

Het zou wel eens kunnen zijn, dierbare gasten en parochianen, dat een consequent volgehouden weerloosheid, zoals Mahatma Gandhi destijds in India heeft laten zien, juist in zulke omstandigheden het machtigste en krachtigste wapen is. Dán ben je echt heel sterk: als een ander jou slaat - en je slaat niet terug. Juist in en door jouw volgehouden weer- en geweldloosheid stráált dan jouw waarheid. Dát schrijft ook Jesaja: "(...) in waarheid zal hij de gerechtigheid laten stralen. Onvermoeid en ongebroken zal hij op aarde gerechtigheid laten zegevieren: de verre kusten zien uit naar zijn leer." Inderdaad, zo denk ik, als jij zo sterk bent dat je niet gaat terugslaan, dan kan dat heel indrukwekkend zijn en dan laten vroeg of laat de anderen, de geweldenaars, óók hun wapens vallen en dan kunnen ze wel eens heel nieuwsgierig worden naar jouw geloof en dat kan dan ook in henzelf een verlangen wakker maken naar die bron van jouw innerlijke kracht die geen messen, schiettuig en bommen nodig heeft. "Ik maak u voor de mensen tot het teken van mijn verbond en tot een licht voor de volken. Blinden zult gij de ogen openen, gevangenen uit hun kerker bevrijden en uit de gevangenis allen die in duisternis zitten".

 

Het schijnt zo te zijn, veelgeliefden, dat als moslims overgaan tot het christelijk geloof, dat de koran het in dat geval goedkeurt dat zij gedood worden[50]. Ja, ga er maar eens aan staan in Iran, Pakistan of Saoedie-Arabië. Als het waar is, dan kan de islam een soort gevangenis zijn voor mensen - zoals ook trouwens het christendom dat kan zijn. Want: werd er vroeger in de kerken niet soms gepreekt "tégen gemengde huwelijken" (zoals dat heette) en kon het niet gebeuren dat als dochterlief tóch trouwde met een protestantse jongen, dat dan de familie met haar brak, dat zij werd doodverklaard en doodgezwegen? Er is mij over verteld. Uit de eerste hand.

 

Onze kerk, veelgeliefden, is tweeduizend jaar oud. Maar wij zijn nog maar beginnelingen. Wij staan nog maar aan het begin van de verwerkelijking (voor onszelf, voor anderen) van de vrijheid en van de waarheid die God, die Jezus ons brengt en schenkt. De kern, het hart van het geloof van ons doopsel is vrijheid. En alleen wie die vrijheid zelf lééft, alleen die mens kan een licht zijn voor andere mensen die gevangen zitten in de duisternis, in de treurige draaikolk van levensbeschouwelijke blindheid, haat en geweld. Mogen wij zulke mensen zijn. Moge elk van ons een licht zijn. Amen.

 

 

 

VERKONDIGING op 2 januari 2010, hoogfeest van de Openbaring des Heren ("Driekoningen"), in de kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (60, 1-6), Psalm 72 (ged.), uit de brief aan de christenen van Efeze (3, 2-3a.5-6) en uit het Matteüs-evangelie (2, 1-12).

 

Kunt u zich dat Duracell-konijntje nog herinneren? Het was in een t.v.-reclame: Een heel bataljon witte konijntjes met een trommel om de nek en dat trommelt er lustig op los. Maar de één na de ander valt stil. Behalve één konijn. Daar zit een Duracell-batterij in!

 

Met enige regelmaat, dierbare parochianen en gasten van deze Rozenkrans- oftwel Obrechtkerk; met regelmaat moet ik daaraan denken, aan dat Duracell-konijn, zonder twijfel omdat ik mijzelf daarin herkén. Want ook ík trómmel maar door, op de trommel van de blijde boodschap. Dag in, dag uit, van zondag tot zondag, steeds weer een mis, steeds weer een preek maken terwijl de hele stad nog op één oor ligt. Sinds tweeënhalf jaar vanuit de pastorie van de Vredeskerk ook voortdurend hierheen om samen met u hier de eucharistie te vieren en die preek te houden. De straten zijn altijd uitgestorven op zondagmorgen. Men ligt nog op één oor, zit aan het ontbijt of is, wie weet, al op het sportveld te vinden of rent door het Vondelpark. Gek is dat: de rust en de stilte van de zondagmorgen hebben met Hem te maken om wie het hier in de kerk gaat. Maar slechts een relatief klein clubje mensen, u en ik, begeeft zich hierheen om Hem te zoeken, te vinden, te aanbidden - met de wijzen uit het oosten vandaag. De rust en de stilte ook van Amsterdam Oud-Zuid op zondagmorgen spreken in die zin bóekdelen. Dit is voor het leeuwendeel van de mensen zeker niet the place to be op zondagmorgen. Het Concertgebouw: ja. Het Vondelpark: ja. Het eigen bed: ja. Maar de kerk: nee.

 

En toch trommelen wij maar dóór dierbare gasten en parochianen, zoals het Duracell-konijn. Wij houden maar niet op met het verkondigen van die blijde boodschap waar na de Kerstnacht geen sterveling nog van wakker lijkt te liggen, nog op lijkt te zitten wachten en nog van lijkt te willen weten. Geen sterveling. Behalve wij dan - dat wil zeggen: ook daaraan twijfel ik wel eens ... of ú hier wel zit te wachten op mijn getrommel oftewel op die preken van mij, of u daar wel "van gediend bent" zoals dat heet. Daaraan twijfel ik wel eens, vanwege wat ik soms hoor en soms nog meer vanwege wat ik niet hoor.

 

Dus, dierbare parochianen en gasten, waarom het mijzelf en u moeilijk en lastig maken? Konijn ga terug in je hok. Blijf maar wat langer liggen. Pak eventueel een oude preek of eentje uit een preektijdschrift. Pluk er ééntje van het internet. Doe niet zo moeilijk.

 

Ja.

 

Nee.

 

Wat geeft u de moed om door te gaan met het geloof en met de kerk dierbare parochianen en gasten? Wat motiveert ú daartoe - om in die zin tegen de stroom van de tijdgeest, die wild kolkende rivier, in te roeien?

 

Ooit zag ik een cartoon met de drie koningen, verdwaald, op hun kamelen, in een groot doolhof. Een pakkend beeld. Een beeld dat ook aansluit, zo dunkt mij, bij de wijzen uit het oosten zoals we die aantreffen in het evangelie van dit hoogfeest. Mensen die op weg zijn. Mensen die op zoek zijn. Waarnaar? Naar wie? Naar wat? Mensen die dwalen, die vérdwalen. Dolende zielen. Mensen die de weg zijn kwijtgeraakt in zichzelf of in de wereld of allebei want dat gaat altijd hand in hand. Ik herken mijzelf en ik herken mijn familie, mijn vrienden, mijn stad- en mijn tijdgenoten, kortom ik herken al mijn medemensen wat dat betreft in het beeld van die wijzen. Ja, dat zijn wíj. Zo is het met ons gesteld. Wij zijn zwervers, zoekend naar zin, op zoek naar een doel, op zoek naar iets of veel liever nog: op zoek naar íemand om bij thuis te komen, om gelukkig van te worden en om voor te leven. Dat is denk ik ons diepste verlangen. En ik denk: het kompas naar de vervulling van dat diepste verlangen in ons, dat is ons ingebakken. Wij zijn als de os en als de ezel. "Een os kent zijn eigenaar, een ezel de krib van zijn meester" zegt de profeet Jesaja (1, 3). In élk geval onbewúst wéét elk mens wat zijn, wat haar bestemming is; waartoe je bent gemaakt en op aarde bent en waar en hoe daar het geluk te vinden is. Mínstens onbewúst wéét elk mens dat. Daarvan ben ik heilig overtuigd.

 

De wijzen uit het oosten zien een ster: Και ιδου ο άσάηρ. Et ecce stella. En zie (...) de ster. Voor mij misschien wel de meest ontroerende zinsnede uit de hele bijbel. Voor dat zinnetje, voor die ster, ben ik uit mijn bed gekomen vanmorgen. Daarvoor ben ik naar de kerk gekomen en ik hoop dat te kunnen en te mogen blijven doen tot mijn laatste snik, totdat ook mijn batterijtje op is, totdat ook mijn rikketik stopt. Van die ster wil ik getuigen. Voor die ster wil ik op mijn trommeltje slaan (pa-ra-pa-pa-pam, me and my drum). Van die ster wil ik zingen. Wij mogen ons dan, veelgeliefden, soms arme zwervers en dolende zielen op aarde voelen. Maar in ons is er wel dat innerlijk kompas waarvan mijns inziens die ster die de wijzen zien het prachtige beeld is. Wij weten in wezen heel goed waar en bij wie we thuiskomen. Wij weten in wezen heel goed van wie we zijn. En ik denk, veelgeliefden, dat wéten en ook willen weten, je daarvan bewust zijn, dat maakt mensen tot wijzen. Amen.

 

                                                                                                       

VERKONDIGING op 1 januari 2011, Hoogfeest van de Heilige Maria Moeder van God, in de Kerk van Onze Lieve vrouw koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Numeri (6, 22-27), Psalm 67 (ged.), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Galaten (4, 4-7) en uit het Lucas-evangelie (2, 16-21).

 

"Mind your step!" "Pas op bij het instappen!", "pas op waar je je voeten neerzet!". Wie in Londen of New York in de metro stapt hoort dat: "Mind your step!"

 

In het verlengde daarvan en vanwege de schriftlezingen van de Nieuwjaarsdag, hoogfeest van de Moeder Gods, zouden we ook kunnen zeggen: "Mind your mind" - "let op je geest", "mind your thoughts" - "let op je gedachten" en "mind your words" - "let op je woorden", "let op hoe je spreekt".

 

Het gaat over "zegenen" in de eerste lezing vandaag, uit het boek Numeri. We horen de zogenaamde "Aäronitische zegen", de priesterzegen. Wij kennen die zeer goed, want die zegen klinkt hier altijd aan het eind van onze eucharistievieringen, op zondag en ook op de hoogtijdagen. Zegenen, "bene dicere", letterlijk "goed spreken", "goed zeggen". En daar gaat natuurlijk goed denken aan vooraf. Goede, welwillende, gunstige, verheffende, optillende woorden over iemand, over mensen spreken, woorden die licht geven. Daar gaat het om.

 

Ik merk: als je langer binnen een bepaalde contekst met mensen omgaat, bijvoorbeeld in het verband van een parochie als deze, maar ik denk: hetzelfde geldt voor de familie en voor de werkkring; naarmate je mensen al langer kent en met ze omgaat en naarmate je zelf ouder wordt ook natuurlijk, dan merk je een effect van dat je gefixeerd kunt raken op beelden die je van die andere mensen hebt. Je denkt:: ik ken ze. Ik ken hem, ik ken haar. Ik ken ze langer dan vandaag. En de gedachten die je over mensen kunt koesteren en ook soms kunt uitspreken, die kunnen, hoe zal ik het zeggen, tamelijk

somber en onwelwillend zijn. Zo kunnen mensen trouwens ook over zichzelf denken en met zichzelf omgaan: Dat kán ik niet. Zo bén ik niet. Dat ís niets voor mij, enzovoort. En voor je het weet kom je met elkaar in een wat wrokkige en zurige atmosfeer terecht.

 

Een zeer goed idee dus van de samenstellers van de liturgie om die woorden van zegening op Nieuwjaarsdag, op de kop van het nog maagdelijke jaar te plaatsen - als om te zeggen: Alles staat weer op "0".

 

Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Laten we alles wat geweest is inderdaad in het verleden laten en laten we proberen weer eens helemaal nieuw en vers, met een open hart en een open geest, naar elkaar te kijken en met elkaar om te gaan. Wij worden in de kerk van Godswege gezegend. God spreidt de glans van zijn gelaat over ons. Hij keert het naar ons toe. Hij heeft het met Kerstmis opnieuw gedaan. We kijken naar het kind in de kribbe. We kijken naar het kind op Maria's schoot. Het lacht ons toe, dat kind. "Zoon van God, liefde lacht vriend'lijk om Uwen God'lijken mond". Zo zingen we. Ik denk: we hebben dat allemaal nodig, wij hebben daar allemaal behoefte aan, aan dat goddelijk licht en aan dat goddelijke lachen. Het is goed om je daar voor open te stellen. Het is goed om dat op je te laten inwerken. Het is goed om dat bezit van je te laten nemen. Het is goed om dat over te nemen en je eigen te maken. Het is goed om zelf dat goddelijke licht en dat goddelijke lachen te lachen en te geven. Dat ook jouw gelaat glanst en een bron van genade en vrede is als jij de mensen aankijkt. Ik denk: je kunt jezelf daarin trainen. Een mooi voornemen voor 2011!

 

Belangrijk is natuurlijk dat het geen pose is, maar écht. Daarvoor is nodig dat je écht contact maakt met de goddelijke werkelijkheid zoals die in Jezus verschijnt en tot ons komt. In Jezus en in Maria. Want dat is, om het een beetje oneerbiedig te zeggen, bijna "van hetzelfde laken een pak". Dichter dan Maria staat geen mens bij Jezus. En in Hem is God. Zo leert onze kerk. Maria is geheel en al mens, "onbevlekt ontvangen" weliswaar, maar toch. Ze is in elk geval een mooie intermediair. Mediatrix. Middelares. Een mooi verbindend stapje tussen ons en Hem die de Middelaar bij uitstek is tussen God en mens omdat Hij beide, God en mens, in zich verenigt. Maar met dit soort termen en gedachten komen

we natuurlijk terecht op het vlak van de dogmatiek en dat is een vlak dat bij mij altijd associaties oproept aan "de hogere wiskunde" - waar ik niets van snap, net zoals ik maar weinig snap van de lagere wiskunde trouwens.Laten we dat vlak van de dogmatiek dus maar weer snel verlaten. Het is een mijnenveld.

 

Jezus, Gods Zoon, is echter "geboren uit een vrouw" schrijft Paulus heel nadrukkelijk in zijn brief aan de Galaten, de tweede lezing vandaag. Maria heet zijn moeder. En over Maria zegt het evangelie: Zij "bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na". En dat "alles" is dan wat zij hoorde uit de mond van de herders die het weer van de engelen hadden. Er werd van alles over haar kind gezegd door engelen en herders, mooie dingen, belangrijke dingen, moeilijke dingen. Woorden die licht en warmte geven aan Maria's hart. Woorden die brandstof zijn voor haar geest. Mogen diezelfde woorden het ook voor ons zijn. Mogen die woorden ook ons vervullen. Moge Jezus die als zodanig "het Woord" zonder meer genoemd wordt door de evangelist Johannes, moge Jezus en moge Maria, de moeder van het Woord, mogen zij aanwezig zijn en leven in ons hart en onze geest. Mogen wij hen heel dit nieuwe jaar 2011 met ons omdragen. Nee, mogen zíj

óns dragen.

 

"Mind your mind", "mind your thoughts", "mind your words", "mind your step" - Let op je geest, let op je gedachten, let op je woorden, let op hoe je gáát: let op waar en hoe je je voeten plaatst, let op hoe je je leven leidt, op hoe je het vormgeeft. Moge de Heer, moge het kind in de kribbe en moge zijn moeder er glans aan geven. Dat we het mogen zien ook op jouw gelaat. Amen.

 

 

Verkondiging  26 XII ’10    2e kerstdag      Leo Jacobs  ofs

           

Schriftteksten:  Sirach 3: 2 t/m 6 , 12 t/m14,  Ps.128, Kol 3: 12 t/m 21, Mt 2: 13- 15, 19- 23 .

 

Het is een pracht boek, de bijbel, maar  -  het mag dan Gods woord zijn en daarnevens meestal glashelder -  je mag dat woord wel met verstand lezen, om dan, open staand voor de Heilige Geest en daardoor geďnspireerd, je eigen conclusies te trekken. Je zou dan bijvoorbeeld tot de ontdekking kunnen komen hoe actueel het evangelie heden ten dage nog is. Wij vieren vandaag het feest van de Heilige Familie. Zojuist is voorgelezen hoe de Heilige Familie uit Judea naar Egypte vluchtte na een waarschuwing door een engel van de Heer. Die Heilige Familie verkeerde na de geboorte van de Verlosser in levensbedreigende omstandigheden. Wij kunnen daarin een parallel met onze tijd herkennen.

 

Velen van jullie zijn geboren na de bezetting van 1940- 1945, en dan is het wat lastiger om je in te leven dat je met je gezin moet vluchten voor vervolging en massamoord. Maar zo kort geleden gebeurde dat in ons eigen land. Het Egypte van die gezinnen was een onderduikadres waar zij hoopten te overleven en niet verraden te worden. Onder ons zijn er nog die ervaringsdeskundige zijn. Dat is bijna 70 jaar geleden, maar ook vandaag den dag moeten gezinnen vluchten. Christengezinnen bijvoorbeeld, wier leven onmogelijk gemaakt wordt in het Armeense deel van Turkije, in Irak, in Somalië, Palestijnse christenen die bedreigd worden door eigen stamverwanten en door de Israëlische overheid.

 

Je hoeft niet eens zo ver van huis te gaan. Ook in ons land komt dit voor. Somaliërs bijvoorbeeld, die christen zijn geworden en moeten onderduiken omdat voormalige geloofsgenoten hen met de dood bedreigen. In de vlucht door de Heilige Familie herken je iets van de tragiek in de geschiedenis van het mensdom: altijd weer moeten gezinnen vluchten voor vervolging en genocide. Je zou verwachten, dat christengezinnen, die daarom hun land verlaten, in ons land gastvrij worden ontvangen. Nederland heeft de pretentie een tolerante natie te zijn met een christelijke traditie van gastvrijheid.  In de praktijk valt dat lelijk tegen.  Nederland was en is voor veel noodlijdende vreemdelingen geen Egypte.

 

Zou de Heilige Familie nu, in 2010 een verblijfsvergunning hebben gekregen ?  Ik denk het niet, want in materiele zin was die Familie arm. Arme vluchtelingen pasten nooit in ons vreemdelingenbeleid. Wat zouden wij trouwens zelf doen, als de bel ging, en er staat daar zo’n sjofel drietal, waaronder dat piepjonge moedertje met haar waarschijnlijk huilende baby. Zou je je driemaal bedenken en die asielzoekers dan doorsturen naar het Noelhuis   - een leefgemeenschap die asielzoekers opvangt - of direct naar de grensgevangenis Schiphol- Oost ?  Of zou je, zoals de H. Franciscus van Assisi in de melaatse Christus heeft gezien   -   zou je in dat Kind de Verlosser herkennen en een logeerkamertje bedenken ?  Wij hebben iets om over na te denken, deze zondagmiddag.

 

Er zit ook een andere kant aan dat verhaal. Het is een warm en hecht gezin dat geborgenheid biedt. Jozef overwoog ooit om stilletjes weg te lopen, toen zijn verloofde zwanger bleek om haar niet  - zo lezen wij in Mt 1: 19 -  in opspraak te brengen. Dat was wat in die rigide joodse samenleving. Maar toen de engel   - vrij vertaald: zijn geweten, geďnspireerd door de H. Geest -   hem daarvan weerhield  -  toen stond hij pal voor zijn familie. Die vlucht naar Egypte was trouwens ook niet niks; de 4-  of 5-voudige grensversperringen, die je nu van Bethlechem naar Egypte moet zien te passeren  -  die waren er nog niet, maar openbaar vervoer evenmin. Het jonge stel moest dus een zware voettocht maken door een super gevaarlijke woestijn.

 

‘’Blijf daar tot ik u waarschuw ,‘’ zei de engel na zijn waarschuwing aan de H. Familie;  terugkeer uit Egypte zat er dus in. Maar niet naar Judea, omdat het daar te gevaarlijk was. Al weer zo’n parallel: nu zie je dat uit Judea gevluchte gezinnen niet MOGEN terugkeren naar hun geboorteland. Daarom ging het gezin terug naar Natzareth in Galilea, waar de H. Familie waarschijnlijk een gelukkig bestaan opbouwt. Een groot gezin dus, dat geborgenheid bood, aan Jezus en zijn vier jongere broers Jozef, Jakob, Sjimon en Juda (vg. Mt 13:55 en Mc 6:3) en een sloot niet bij name genoemde zussen. En daar is de parallel met onze tijd iets minder duidelijk.

 

Dat warme, conventionele, beschermende gezin: is dat nog van deze tijd ?  Steeds meer mensen leven met los- vaste, hetero-  of homo- relaties. Of single. Het evangelie van Jezus Christus laat er geen twijfel over bestaan dat alle mensen gelijk zijn. Mannen, vrouwen, kinderen, wit of zwart, arm of rijk, moslim of christen of jood  -  allemaal zijn wij kinderen van God. Geldt die gelijkwaardigheid ook voor al die alternatieve leef-  en samenlevingsvormen ?   Ik onthoud mij van een oordeel. Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt (Mt 7: 1). En hoe zit het met de uitwassen ?

 

Buitengewoon veel aandacht krijgt dezer dagen seksueel misbruik in onze kerk, in crčches, o.m. hier in stadsdeel Zuid, in privé- en andere situaties. Tegenwoordig wordt dat breed uitgemeten in de massamedia. Ik ben daar niet blij mee. Toen ik ruim een halve eeuw geleden rechten studeerde hoorde ik van mijn hoogleraar strafrecht, prof. Enschede, dat incest blijkens de politie- en justitiestatistieken toen het meest voorkomende misdrijf was; in aantal stak het uit boven de ernstige gewelds-  en vermogensdelicten. Ik was verbijsterd, want dat las je niet in de krant. Nu wel, en natuurlijk moeten wij geďnformeerd worden over wat er in de samenleving gebeurt, maar liefst wel wat terughoudend.

 

Want al gauw maakt die mateloze publiciteit ongezonde driften wakker bij bijvoorbeeld zieke geesten, die de meest gruwelijke straffen op internet zetten, of die   - zo blijkt uit criminologisch onderzoek -   gestimuleerd worden tot soortgelijke misdrijven. Onze maatschappij lijkt er de laatste tijd op vooruitgegaan te zijn wat betreft tolerantie en wederzijds begrip, maar behalve dat ik daar persoonlijk ernstige twijfels over heb  -  dat blijkt bovendien een duidelijke keerzijde te hebben. Ook daarom zou ik op het feest van de Heilige Familie willen vaststellen, dat er   - onverminderd de gelijkheid van alle mensen   - met dat ouderwetse gezinsverband tot de dood de echtelieden scheidt niets mis is.

 

Zeker als bijvoorbeeld de man zich houdt aan dat advies in de brief van de H. apostel Paulus: ‘’hebt uw vrouw lief en weest niet humeurig tegen haar’’.  Die andere tekst uit de brief aan de gemeente van Kolosse   - vrouwen, weest uw man onderdanig -   die kun je beter met verstand relativeren in het licht van die tijd.  Zoals ik al eerder zei. Maar wat daarna komt   - vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij de moed niet verliezen -   dat is mij uit het hart gegrepen. Ook al omdat die vaders zelf liever niet getergd worden opdat ook zij de moed niet verliezen. Wat dat betreft moet je misschien ook de tekst uit de eerste lezing, uit Wijsheid van Jezus Sirach lezen, al weer met verstand en in het licht van de 2e eeuw voor Christus toen dit bijbelboek ontstond.

 

Ik citeer dat fragment nu niet; het staat op een briefje achter in de kerk. Maar over vaders gesproken: er is een Vader, van wie ik intussen zeker weet, dat Hij Zijn kinderen niet tergt en op wie wij kunnen vertrouwen zonder de moed te verliezen. Dat deed ook de Heilige Familie. Een pater jezuďet, bij wie ik vorige maand in stilteretraite verbleef, vergeleek het huwelijksbootje met het vissersvaartuig waarop Jezus met zijn leerlingen in een zware storm verzeild raakt terwijl Gods Zoon op het achterdek een dutje doet. De golven slaan over het schip dat vol loopt en dreigt te zinken. In paniek maken de leerlingen Jezus wakker, die storm en wateroverlast prompt beëindigt (Mc 4: 39, Lc 8: 24). Jezus aan boord  -  scheepje kan voort.

 

Het feest van de Heilige Familie is de gelegenheid om een pleidooi af te steken voor dat prachtige Sacrament van het huwelijk en voor de niet altijd even heilige familie   - wij hoeven er niet hoogdravend over te doen -   voor dat doodgewone doordeweekse, ook niet volmaakte gezin, al dan niet met een logeerruimte voor een asielzoeker. Dat gezin, waarvoor in het algemeen geldt wat Jezus gezegd heeft: wat God verbonden heeft zal de mens niet scheiden (Mt 19: 6, Mc 10: 9). En voor die enkeling nu in de kerk, die niet gelooft, en waarschijnlijk lak heeft aan de verkondiging door Jezus zou mogen gelden dat afspraken afspraken zijn. Bidden wij daarom op deze bijzondere dag om voorspoed en zegen voor allen die waarde hechten aan gezin & familie, baruch haSjem, amen.

 

 

 

 

VERKONDIGING op 25 december 2010, Hoogfeest van de Geboorte des Heren (dagmis), in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (52, 7-10), Psalm 98, 1-6, uit de brief aan de Hebreeën (1, 1-6) en uit het Johannes-evangelie (1, 1-18).

 

"Ik herinner mij, van een proefschrift; één van de stellingen was: "De grenzen van onze wereld worden gevormd door de taal die we spreken."

 

Dat zei Sint-Jozef. Hij zei het afgelopen donderdag. Ik was bij hem en Maria op bezoek, in de Valeriusstraat, in verband met de doop van hun boreling die in diepe slaap en geheel in vrede in moeders armen lag, slechts nu en dan enige knorrende geluidjes voortbrengend die getuigenden van opperst welbehagen. Ja, dierbare gasten en parochianen, het was een echt Kerst-tafereeltje: vader, moeder, kind - hun eerstgeborene, een meisje, Nina, alles beschenen door het zachte licht van de kerstboom. Toppie.

 

Wij spraken natuurlijk over de dingen des geloofs. En zoals in zulke omstandigheden wel kan gebeuren: ik raakte helemaal op dreef. Ik sprak over het wonder, over het ondoorgrondelijk mysterie van het leven waarin wij leven, bewegen en zijn om met de Handelingen van de Apostelen te spreken[51]. Ik sprak over God "die woont in het ontoegankelijk licht"[52], om Paulus te citeren. Ik sprak over God die voor ons helemaal zichtbaar, tastbaar, ervaarbaar, kortom: concreet, vlees en bloed is geworden in Jezus van Nazareth. Hij is de mensgeworden God, onze broeder. God heeft Hem aan ons gegeven. In Bethlehem is Hij geboren. Jezus heeft zichzélf aan ons gegeven. Hij heeft dat gedaan op allerlei manieren. En in optima forma heeft Hij dat gedaan, Jezus, op het kruis. Want kribbe en kruis horen bij elkaar. Ze zijn gemaakt van hetzelfde hout. Het is vast geen toeval dat Jozef een timmerman was[53] en dat ook Jezus zelf dat mooie vak uitoefende[54]. Jezus noemde God Zijn Vader. Jezus had God tussen Zijn oren. Jezus' Geest is de Geest van de Vader. Na Jezus' kruisdood en verrijzenis is Hij opgenomen in de hemel. En vandaar, van bij God uit, heeft Hij ons Zijn Geest gezonden. Wie bij Jezus hoort, wie ópen staat voor Zijn Geest, die van God, wie gedoopt is, wie bij Christus' lichaam hoort dat de Kerk is, wie zich in woord, brood en wijn in de kerk door Hem laat voeden, die krijgt, die hééft ook diezelfde Geest tussen zijn of haar oren, die wordt erdoor gevormd, die wordt er door ómgevormd, steeds diepgaander - als het goed is, als je dat zelf ook wílt en als je er ook om vráágt, als je bidt. Zó werkt het ...

 

Zo zat ik, veelgeliefden, daar bij die mensen thuis, bij de heilige familie thuis nota bene, bevlogen te verkondigen. Ik zat op m'n praatstoel, bijna een preekstoel. Ja dat kun je hebben.

 

En toen zei Sint-Jozef, de vader van de kleine Nina, zelf niet van het houtje, ongedoopt en zelfs "ongelovig" - niet-gelovend althans, in strikte zin, in de God van het christendom; toen zei híj - waar ik deze preek mee begon; hij zéi: "Ik herinner mij, van een proefschrift; één van de stellingen was: "De grenzen van onze wereld worden gevormd door de taal die we spreken."

 

Ik denk, dierbare gasten en parochianen: dat is de spijker op z'n kop. Daarmee treft de auteur van die stelling en op zijn beurt de vader van de dopeling in spe denk ik het hart van waar het in de schriftlezingen van deze Eerste Kerstdag, in elk geval in de brief aan de Hebreeën (onze twee lezing vandaag) en in het evangelie, de zogenaamde proloog van het Johannes-evangelie; hij treft in het hart waar het in die lezingen om gaat. Wat een taal wordt daar gesproken!

 

"In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord wás God." Met dat "Woord" wordt Jezus bedoeld, de mensgeworden God. "Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is". Zo Johannes. En: "God (...) heeft (...) de Zoon (...) erfgenaam gemaakt (...) van al wat bestaat." Hij is het "door wie Hij het heelal heeft geschapen. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen". En: "Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord." Zo de auteur van de brief aan de Hebreeën. Mensen wat een taal is dat!?

 

Eén mens, Jezus, wordt daar tot middelpunt van de hele kosmos verklaard. En u weet: die kosmos is onvoorstelbaar groot - véél groter dan de evangelist Johannes en de auteur van de brief aan de Hebreeën nog maar konden bevroeden. Tegenwoordig menen wij te weten dat er wel honderd miljard sterrenstelsels zijn. Onze melkweg, waarbinnen zich ons zonnestelsel bevindt, is er daarvan één. En zonder de geringste twijfel verbergt de kosmos voor ons nog tallóze onvoorstelbare verrassingen, wonderen en angstaanjagende verschrikkelijkheden waarbij de Tyrannosaurus Rex niks is. Moeten we derhalve, veelgeliefden, Johannes en de auteur van de Hebreeënbrief a posteriori karakteriseren als armzalige nitwits, als lui met een nu achterhaald wereldbeeld, van wie we de geschriften gevoeglijk naar prullenbak of papierversnipperaar kunnen afvoeren? Nee! Natuurlijk niet. Integendeel: die geschriften zijn vanwege onze alleen maar toenemende kennis over de kosmos alleen maar indrukwekkender geworden ... "Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is." Wat betekent dat? Ik denk: In alles wat bestaat, in heel die onvoorstelbare kosmos, daarin zit een ontwikkeling, daarin zit een beweging die uitloopt óp, die culmineert ín, die z'n hoogtepunt vindt in ... Jezus van Nazareth, de Christus, de Gezalfde van God.

 

Als je een vat wijn hebt, dan hoef je niet het hele vat leeg te drinken om de kwaliteit van de wijn te beoordelen. Eén glas volstaat. Welnu veelgeliefden: het ligt in de kribbe. Eén blik op die kribbe en je kunt het al zien, dan weet je al genoeg. Om God te proeven volstaat die ene blik, volstaat dat ontvangen van dat ene flinterdunne stukje ouwel, dat wil zeggen: brood. Het kind in de kribbe, Jezus, die we ontvangen in dat ene brokje brood, in dat minieme teugje wijn: dat is genoeg. Daarmee, daarin ontvangen we de hoogste liefde en de hoogste wijsheid. Hoger, beter is er niet. Niet in het verleden, niet in het heden en ook in de toekomst niet. Jezus, dat is, voor altijd: de beste wijn, niet te overtreffen. Jezus, dat is: het hoogste karaat goudgehalte. Jezus is God.

 

"De grenzen van onze wereld worden gevormd door de taal die we spreken". Maar de taal die we spreken in verband met Jezus is een grenzenloze taal. De taal die we spreken in verband met Jezus is alomvattend. Die taal is kosmosomvattend. Die taal dijt zelfs uit mét onze uitdijende kennis van het universum. Veelgeliefden, in deze duistere, onzekere, onveilige wereld, waar geen kind veilig is, zelfs niet in de kerk, zelfs niet in een kinderdagverblijf, mogen wij ons veilig, zeker en geborgen weten bij Hem, bij het kind in de kribbe, bij God die is mensgeworden in Hem, bij God die in Hem brood wordt, ook vandaag. Zalig Kerstmis. Amen. Alleluia.

 

 

VERKONDIGING op 19 december 2010, de vierde zondag van de Advent, in de kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (7, 10-14), Psalm 24 (1-6), de brief aan de Romeinen (1, 1-7) en het Mattheüs-evangelie (1, 18-24).

 

Moederschap is een veel zekerder en onomstotelijker gegeven dan vaderschap. Wat je vader betreft: je moet je moeder maar geloven. Wat je kind betreft: je moet je vrouw, je moet je vriendin maar geloven.

 

In de bekende roman De passievrucht (1999) van de veel te jong te jong gestorven schrijver en journalist Karel Glastra van Loon (1962-2005), een boek, hoe kan het anders, dat zich natuurlijk weer eens afspeelt in Amsterdam, in ons eigen stadsdeel; in dat boek De passievrucht ontdekt een man die een zoon van dertien heeft, Bo, ná de dood van zijn vrouw, de moeder van Bo, dat hij al zijn hele leven onvruchtbaar is. Een bizar gegeven. Maar u weet: de werkelijkheid sláát altijd elke fictie. Wie is de biologische vader van Bo? Het blijkt de opa van de jongen te zijn, de vader van de hoofdpersoon van het boek. Ga er maar aanstaan.

 

Wij begrijpen Jozef, de man, de verloofde, de vriend van Maria dus maar al te goed. Het is een gęnante situatie waarvoor hij komt te staan. En dat, denk je eens in, "in die dagen". Ik denk: vergelijk de moraal in die tijd maar met die van strenge moslimsfamilies in onze tijd. Of met die van de katholieken in de tijd dat deze kerk werd gebouwd en nog lang daarná. Deze evangelietekst doet mij altijd onweerstaanbaar denken aan de volwassen wordende jeugd in de sixties. Dat waren de jaren dat in Nederland alles begon te schuiven. Het waren de jaren van de zogenaamde "generatiekloof": jonge mensen die halverwege de jaren zestig zestien, achttien, twintig jaar oud waren, weigerden om nog langer te leven conform de heilige richtlijnen zoals kerk en samenleving die voorschreven, heilige richtlijnen waaraan hun ouders meestal nog braaf en con amore hadden gehoorzaamd. Er kwam een scheur in die uniformiteit van de voorgeschreven en gedeelde, van generatie op generatie doorgegeven moraal, met name de huwelijksmoraal. Vooral de uitvinding van "de pil" en andere anti-conceptieve methodes waren daarvoor verantwoordelijk denk ik. Want daardoor werd het veel gemakkelijker om het genieten van seksualiteit te scheiden van het zwangerworden. De jeugd ging daarin natuurlijk vooróp. Dit vaak tot grote ontsteltenis, verontwaardiging, ja wóede van brave en vrome ouders. Enorme clashes kwamen er in die tijd tussen ouders en kinderen. Mensen die ouder zijn dan ik weten daar in elk geval alles van. Ik was in die tijd nog maar een kind.

 

Hét voorbeeld van dit alles in mijn leven is Marianne, mijn oudste nicht aan vaderszijde. In 2003 is zij, ook al veel te jong, op tweeënvijftigjarige leeftijd plotseling gestorven. In 1968 was Marianne dus achttien. En ik weet nog: Marianne bewoog zich in kringen van kunstenaars en wat in die tijd hippies werden genoemd. En Marianne werd ongehuwd zwanger. Zij was wat in die dagen een BOM-moeder, een Bewust Ongehuwde Moeder, werd genoemd. Met name voor haar vader, mijn ome Jaap, een in-goede en diep-godsdienstige man, een echte Jozef-figuur; ome Jaap (hij is pas negentig geworden); hij had toen, net als de man, de verloofde, de vriend van Maria gróte moeite met dat gegeven van die zwangerschap waarmee hij zomaar wordt geconfronteerd. Wat moest, wat móet dat? En: wat moest, respektievelijk: wat moet híj daarmee? Mijn ome Jaap destijds, Jozef in onze evangelie-passage, de hoofdpersoon in De passievrucht van Karel Glastra van Loon en de ervaring is natuurlijk van alle tijden: mánnen kunnen op die manier echt voor het blok worden gezet.

 

Jozef reageerde minder heftig dan mijn ome Jaap destijds. We hebben het gehoord: omdat hij "haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij erover in stilte van haar te scheiden." Maar, "terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak." Ja zo is dat mensen: in onze dromen spreekt ons diepste wezen. In dromen spreekt ons diepste verlangen. In onze dromen spreekt de hoogste wijsheid en spreekt de hoogste liefde. In onze dromen spreekt God. En God kijkt en God denkt anders dan "de mensen" vaak kijken en denken. God kijkt door de oppervlakte van de dingen, van de gebeurtenissen, van de mensen héén. De dingen, de gebeurtenissen, de mensen betekenen vaak iets anders dan wíj geneígd zijn te denken. In Gods Licht wordt alles anders en gaat alles stralen.

 

Denk maar aan de sneeuw die in deze afgelopen week en ook in de afgelopen nacht zo overvloedig is gevallen. Die "witte Kerst" hebben we vandaag al een beetje. Wat betekent die sneeuw? Hoe beleef je die? Hoe kijk je er tegen aan? Ik was van de week in de hal van het bekende, vanouds katholieke zorgcentrum Sint-Jacob, aan de Plantage Middenlaan. Komt er een mevrouw, begin zestig schatte ik haar, bijna briesend van buiten de hal inlopen: "Getverdemme, die sneeuwtroep". Ik vond het bijna schokkend om het te horen. Hoe kán iemand zo'n wonder als dat van versgevallen sneeuw zó beledigen? Vervolgens kwam ik in contact met een andere mevrouw, dik in de tachtig denk ik maar heel monter, die in de hal een haring kwam kopen. Ja, dat heb je nog op vrijdag in Sint-Jakob. Deze mevrouw zei, terwijl ze opgetogen naar buiten keek: "Sneeuw bedekt alle schande". Wat was, wat is dát mooi gezegd. "Sneeuw bedekt al onze schande". In het Amsterdam van december 2010, geheel van streek en ontdaan door wat zich heeft afgespeeld in "Het Hofnarretje" en "Het Knuffelparadijs", zijn zulke woorden welkom, dunkt mij. Moge de sneeuw al onze schande bedekken. "Was mij en ik zal witter dan sneeuw zijn", zo klínkt het in, zo bídt de eenenvijftigste psalm[55]. Mogen die lieve, prachtige kinderen van wie de zuiverheid, de puurheid, ja de heiligheid zo bedreigd of zelfs afschuwelijk geschonden is, mogen zij door de inwerking en de kracht en de liefde van God gereinigd en genezen worden. Mogen ook hun ouders het worden. Mogen allen weer stralen ...

 

Ik ging in Sint-Jakob op bezoek bij één van ons, bij iemand die, om met de woorden van Paulus in de Romeinenbrief vandaag "geroepen is door God tot de gemeenschap van Jezus Christus", tot "zijn heilige gemeente". Vele jaren geleden heb ik hem gedoopt. En hij is een prachtige gelovige geworden. Dat was hij eigenlijk altijd al, van kindsbeen af. Nu is hij oud en zit hij vol tumoren. Een buurvrouw had een fotoalbum voor hem samengesteld. Foto's van hem en zijn vriend met wie hij al vijftig jaar lang lief en leed deelt. Foto's van hun prachtige flatwoning in Amsterdam-Noord. Een foto van het Mariabeeld thuis. "Het mooiste vind ik achterin" zei hij. De laatste opname in het boek is een foto van de ondergaande zon, genómen vanaf de galerij vóór hun flat, op de tiende etage of zo. De zon die zakt over de stad en de weilanden. De zon die zakt over een leven. "Ik heb overal vrede mee" zegt hij. En met ontroering bidden wij samen een stukje van de rozenkrans, lees ik het evangelie van de dag en mag ik hem de communie geven. Deze man kijkt uit op een binnenplaats van Sint-Jacob. Geen opwindend uitzicht. Maar ook hij zág de sneeuw. En hij genoot ervan. Ook hij zag en ziet ... het wonder van God. Mogen wij het allen zien: in de sneeuw, in kinderen, in elk kind, in het kind dat wij, mét Jozef en Maria, opnieuw verwachten. Moge Hij, de komende, de koning der glorie, onze poorten binnengaan (Psalm 24, 7, 9). Amen.

                                                                       

 

VERKONDIGING op 5 december 2010, de tweede zondag van de Advent, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (11, 1-10), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (15, 4-9) en uit het Mattheüs-evangelie (3, 1-12).

 

Stelt u zich eens voor, dierbare gasten en parochianen, wij gaan met elkaar in gesprek.

 

Wij gaan met elkaar in gesprek als huisgenoten, binnen de familie, of als collega's, op het werk, of we gaan in gesprek binnen onze kerkgemeenschap, als "huisgenoten des geloofs".

 

We zitten met z'n vijven, achten of tienen bij elkaar. Eén persoon leidt het gesprek. En de beginvraag, aan de hand waarvan wij met elkaar in gesprek gaan, is deze: Aan welk dier doen de andere mensen met wie je hier samen bent; aan welk dier doen die afzonderlijke mensen jou denken? Schrijf het op een papiertje. En dan gaan we inventariseren. Achter de naam van elke collega, elk familielid en elke kerkgenoot komt een lijstje met dierennamen: alle namen van dieren die de mensen in het gezelschap bij hem, bij haar vinden passen. Bij wijze van voorbeeld neem ik even Wilfred Kemp, de dirigent van ons koor. Ik neem hem, want hij is het gewend en hij kan wel tegen een stootje. Op welk dier vind u Wilfred lijken? Lijkt hij op een muis? Lijkt hij op een giraffe? Lijkt hij op een gazelle, op een pinguďn, op een nachtegaal, op een kraai, op een pauw, op een hyena, op een dolfijn, op een ander dier? Denk even na.

 

Denk zó, op die manier, na over alle andere mensen met wie je samen bent. We maken die lijstjes en dan gaan we daarover met iedereen in gesprek.

 

Het kan bijna niet anders, dierbare gasten en parochianen, of de profeet Jesaja, de adventsprofeet, die wij hoorden in de eerste lezing vandaag, op deze tweede adventszondag; het kan bijna niet anders of de profeet Jesaja heeft ook gedacht aan wat de dieren die samen met ons deze aarde bevolken (nóg wel tenminste); het kan bijna niet anders of ook Jesaja heeft gedacht aan wat de verschillende dieren door hun gestalte en door hun aard als het ware "laten zien", aan wat zij onthullen over mensen. Hij spreekt, Jesaja, over een toekomstige tijd waarin een raadselachtige "twijg" die "ontspruit aan de stronk van Isaď", een "telg" die "ontbloeit aan zijn wortels"; Jesaja spreekt over een tijd waarin, over een dag waaróp deze "twijg", deze "telg" heersen zal. Wij denken in de kerk dan meteen aan Jezus van wie wij de geboorte opnieuw verwachten. Als Jezus heersen zal, uiteindelijk, dán "wonen wolf en lam samen, dan vlijt de panter zich naast het bokje, dan weiden kalf en leeuw samen, dan sluiten koe en berin vriendschap, hun jongen liggen bijeen. De leeuw eet stro, net als de os. De zuigeling speelt bij het hol van de adder, het kind strekt zijn hand uit naar het nest van de slang." Een dierentuin zonder tralies en hekjes! Wauw!

 

Maar waar heeft Jesaja het over veelgeliefden? !k denk, natuurlijk, hij heeft het over mensen ... Ménsen kunnen het karakter hebben van, kunnen zich ontpoppen als of zich ontplooien als wolven of lammetjes, als panters, als bokjes, als kalveren of leeuwen, als koeien, als beren, als slangen, als adders. Waarop, op welk dier lijkt Wilfred Kemp? Waarop lijkt Michiel Mirck de organist? Waarop lijk ik? Waarop lijkt pastor Lokkerbol? Waarop  Iijkt uzelf? Waarop Iijk jezelf? Bedenk het maar! En: vraag het maar aan anderen. Als je durft!

 

We hebben onszelf niet gemaakt. Nou ja ... toch ook wel, voor een stuk. We hebben ook allemaal onze eigen vrijheid; een vrijheid waar we ons misschien vaak te weinig van bewust zijn en waar we misschien te weinig mee doen, maar toch ... die vrijheid is er zeker wél altijd, in een bepaalde mate en tot op zekere hoogte. Want: je hebt jezelf niet gemaakt, zelfs de self-made man of woman heeft zichzelf niet echt, gehéel gemaakt. Want er is altijd een vertrekpunt, een uitgangspunt. Er is altijd basis-materiaal. Je moet het altijd doen met wát, met hoe je jezelf aantreft. Je moet het altijd doen, om te beginnen, met het lichaam en met de aard, met het karakter en met de achtergrond die jou gegeven zijn. Je hebt bijvoorbeeld de gestalte van een giraffe, van een olifant of van een chiwawa. En je kunt er moeilijk een stuk afzagen of aan vast naaien. En zo is het met het karakter of de aard ook: je hebt iets van een poesje in je of van een piranha of van een pauw. En dat laat zich niet verloochenen. Ik denk: het is ook belangrijk dat je jezelf bewust bent daarvan. En dat je het kunt beamen: ja, dat zit in mij, de pauw, de piranha, het poesje. Dat je dat niet ontkent, dat je het niet loochent. Dat je mag zijn van jezelf wie je bent.

 

De wereldwijde samenleving, de Nederlandse samenleving, de familie, de werkvloer, de kerk: het is soms net een dierentuin. Het gaat er vaak niet zachtzinnig aan toe. Het wemelt er van de tralies en hekjes. Want de één voelt zich bedreigd door de ander.

De één kan de ander niet luchten of zien. Dieren en mensen, ja de dieren in de mensen kunnen zijn, ten opzichte van elkaar, als water en vuur. Ja, zelfs binnen de kerkgemeenschap: Dit is mijn domein! Kom er niet aan! Want dan begin ik te blazen en te grommen. En

dan gaan mijn haren recht overeind staan.

 

Dierbare gasten en parochianen: wat moeten we ermee? Wat moeten we met elkaar beginnen? Hoe houden we het met elkaar uit? Hoe houden we het leuk? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat het zelfs leuker wórdt? Aangenamer, vriendelijker, plezieriger, vreugdevoller? Hoe kunnen we met elkaar stappen vooruit zetten? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat er minder of zelfs helemaal geen tralies en hekjes meer nodig zijn tussen ons in? In de drie schriftlezingen van deze zondag kunnen we wat dit betreft volgens mij drie

elementen of stappen onderscheiden.

 

Om te beginnen: het evangelie. Johannes de Doper zegt: "bekeer u, want het koninkrijk der hemelen is ophanden". "Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht". Dat heeft, zo zegt het evangelie, ook Jesaja gezegd. De mensen lieten zich door Johannes dopen "en bekenden openlijk hun zonden". Dat hoort er dus om te beginnen, ten eerste, in elk geval bij veelgeliefden. Als wij in onszelf en in ons midden de "weg van de Heer" willen bereiden, als onszelf willen instellen op dat "koninkrijk der hemelen" dat ophanden is, dan dienen wij ons bewust te worden van wat we verkeerd hebben gedaan. En dan dienen wij bereid te zijn om dat in alle openheid ook uit te spreken - tenminste ten overstaan van de priester in het kader van het sacrament van de verzoening oftewel: de heilige biecht. Maar we hoeven ons daartoe niet te beperken. De biecht in strikte zin is maar een begin. Want die wil ons in staat stellen om gemakkelijk te spreken over onze schaduwzijden, juist met de mensen die we daarmee hebben belast, ja die onder die schaduwzijden van ons geleden hebben. Dat lucht op. Dat klaart de lucht. Dan wordt een nieuw begin, dan wordt een wending mogelijk. Dan maak je ruim baan voor de komende Christus die met het vuur van Zijn Geest je binnenste kan verwarmen nadat het eerst is gereinigd. Dat ten eerste.

 

Dan ten tweede. De apostel Paulus, in de tweede lezing uit de brief aan de christenen van Rome; hij schrijft aan hen en aan ons vandaag: "Aanvaard (...) elkaar, zoals ook Christus u aanvaard heeft." Zo is dat. Het is niet alleen nodig dat wij onszelf, maar ook dat wij elkaar aanvaarden zoals wij zijn. "God (...) verlene u (...) de eensgezindheid, die u in Christus past, opdat u een van hart en uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt." Elkaar aanvaarden. Ja, veelgeliefden, dat leer je ook door samen te bidden en samen te zingen. Wij doen dat hier voortdurend. En dan merk je soms: je irriteert je aan andere mensen. Want ze doen het niet goed. Ze zijn niet geconcentreerd. En ze zingen vals. Maar als je jezelf aan de anderen stoort, dan ben je zelf ook niet geconcentreerd! Je bent zelf precies zo dus! Dat is goed om te merken. Want dan kun je groeien samen. Dit was het tweede: elkaar aanvaarden.

 

Voor het derde punt keren wij terug naar Jesaja, de eerste lezing. Daar werd gezegd, in verband met die "twijg" of "telg" "van Isaď": "Hij ademt ontzag voor de Heer." En ook hoorden wij: "(...) de kennis van de Heer vervult het hele land, zoals het water heel de bodem van de zee bedekt." Nadat we al het negatieve van onszelf, onze zonden hebben uitgesproken, nadat we bereid zijn geworden om andere mensen te aanvaarden zoals Christus ons aanvaard heeft, dan is het vervolgens zaak om in onszelf alle ruimte te geven aan Christus' Geest.

Gisteren bezocht ik één van ons in het ziekenhuis. Hij zit vol kanker. Vijf tumoren zitten er maar liefst in zijn hoofd. Ik vroeg: Houd je het hier? Houd je het vol? Kijk je naar de t.v.? "Nee", zegt hij, rozenkrans om de nek, "ik denk aan de dingen van het geloof. Dan gaat de tijd gauw voorbij". Dat bedoel ik veelgeliefden. Als ieder van ons vol is van God, vol van Christus' Geest, als ieder van ons met de eigen geest rust in God, dan houden wij het ook met elkaar uit, dan hebben we ook rust in de tent en dan kunnen we in onze dierentuin alle tralies en hekjes wel weghalen. Amen.

 

 

 

 

                                                                                    

VERKONDIGING op 2 november 2010, Allerzielen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (25, 6-9), Psalm 23, de Openbaring van Johannes (21, 1-7) en het Lucas-evangelie (23, 44-24, 6).

 

"Soms dan knippert die lamp, onverklaarbaar, de bol zit niet los, het snoer is goed gemonteerd. En toch ... En dan denk ik: dat is Suzanne". Dat vertelde Trees, de moeder van Suzanne, die zes jaar geleden plotseling, na een hersenbloeding, stierf, tweeënvijftig jaar oud. Ze was een alleenstaande moeder en liet twee dochters na, Lisa en Minou, die op dat moment vierentwintig en zestien jaar oud waren. Hun vader is buiten beeld. Trees, hun oma, en haar man Wim, hun opa, zijn wél, érg op die kleindochters betrokken. En ze maken zich soms veel zorgen om hen, vooral om de jongste, Minou. Inmiddels is die drieëntwintig. Ze heeft een paar mislukte studies achter zich én een schuld van dertigduizend euro. Ze shopt graag. Het is een beetje een verslaving. Een tijdje terug had ze ruzie gemaakt met haar oma en was ze boos weggegaan. "Ik wil jullie niet meer zien." Juist toen was het weer gebeurd: de lamp was verschillende keren áán en uit gegaan. En voor Trees, de oma, betekende dat: Suzanne, haar dode dochter meldt zich ... Trees belde Minou op haar mobieltje. Ze nam direct op. En ze stond trouwens ook al beneden voor de deur.

 

Die lamp. Wat daarvan te denken? Bijgeloof? Een vrouw die geen verstand van electra heeft? Ach, lieve mensen, gasten en parochianen van deze Vredeskerk, het is zo begrijpelijk. Ook na zeven jaar is het verdriet, bij haar ouders, bij haar dochters, vanwege de plotseling gestorven Suzanne nog oeverloos groot. Je kunt er in zwemmen. Iedere avond, nadat haar man naar bed is gegaan neemt Trees met Suzanne de dag door, dan "spreekt" ze met haar. Ja, dat is een vorm van spreken, ook al klinkt er misschien geen wóórd ... De dood hakt er in. Een groot gat kan een dode achterlaten in het leven van nabestaanden. Minou, Suzanne's jongste dochter, heeft geen vriend, geen partner. Relaties houden in haar leven maar korte tijd stand. Zij kan zich niet binden aan iemand. Zich emotioneel werkelijk voor iemand openstellen en zich aan iemand hechten, daar heeft ze moeite mee, vanwege de angst om de persoon in kwestie ook weer te zullen verliezen - zoals zij haar moeder heeft verloren. Op die gestorven moeder is ze dan ook jarenlang kwaad geweest: ze heeft haar in de steek gelaten!

 

Arme Minou: stuurloos, wanhopig, eenzaam meisje. Waar, hoe, bij wie vind je houvast en werkelijke en blijvende rust en vrede?

 

Haar oma zegt: de lamp. Die is voor haar een teken. Zij gelooft: haar dochter is nog ergens en zoekt contact. Is dat idioot mensen? Is dat magisch denken? Is dat wensdenken? Is dat: jezelf iets wijs maken?

 

We begrijpen het natuurlijk maar al te goed. De dood is voor ons soms zó ónacceptabel. Het is niet wáár. Het mág niet waar zijn. En het heimwee naar de doden kan soms zó groot zijn: Kon ik nog maar even bij je zijn. Was je nog maar even hier.

 

Waarom gaan mensen dood? Waarom leven we? Wat is de betekenis van alles? Die vragen kwellen ons en hebben uiteraard óók de mensen die leefden in de tijden waarin de bijbel gebeurde en ontstond reeds intens beziggehouden. De bijbel, bijvoorbeeld de profeet Jesaja in het gedeelte dat wij in de eerste lezing vanavond hoorden, spreekt in dit verband over "een bedekking die over alle volken ligt," een "sluier die alle naties bedekt". Alle volken, alle naties, alle mensen in alle tijden staan voor dat grote raadsel van de dood. Maar God, zegt Jesaja; God op Zijn heilige berg, díe zal (ooit, wanneer?) die bedekking, die sluier verscheuren. Hij zal voor ons het raadsel van de dood oplossen. Hij zal er de betekenis van onthullen. En God doet dat, dierbare gasten en parochianen, God lóst het raadsel van de dood op, Hij onthúlt er de betekenis van, naar christelijk bewustzijn, in Jezus' kruisdood. In de evangelietekst van deze avond, uit Lucas, hoorden wij: "Er was een zonsverduistering. Het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor" - óp het moment dat Jezus sterft. Dán wordt het onthuld. Het gordijn wordt weggetrokken, het gaat aan flarden.

 

Want voor Jezus was God, die Hij Zijn Vader noemde; voor Jezus was God het hart van Zijn bestaan. Bíj en mét God die Vader zijn, in alle levensomstandigheden, was voor hem belangrijker dan een lang en gemakkelijk, liefst zo pijnvrij mogelijk leven. Aan God, die Vader, vertrouwde Hij zichzelf geheel en al toe. Volkomen overgave aan God, die Vader, van Jezus op het kruis: "Vader, in uw handen beveel ik mijn geest." Jezus staat het Zijn Geest niet toe om stuurloos, wanhopig en eenzaam te zijn. Nee, Hij stuurt Zijn Geest steeds in de richting van God. Hij richt Zijn Geest op God. Hij beveelt nota bene Zijn Geest om in Gods handen te zijn. Aan ons allen de uitnodiging om Hem, om Jezus daarin te volgen en om dus ook ónze geest te sturen náár, te richten óp, ja te bevelen ín diezelfde goede handen. Daar ben je veilig. Aan ons allen, aan Trees en Wim, aan Minou en Lisa, aan u en mij, de uitnodiging om in ons leven óók te komen tot een zo groot mogelijke overgave aan God, zoals Jézus dat heeft gedaan. Wij kunnen dat rustig doen, maakt Lucas ons in zijn evangelie duidelijk, want God heeft Jezus op zijn levensweg die dus eindigde op het kruis; God heeft Jezus op zijn levensweg bevestigd: "Waarom zoekt u de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is tot leven gewekt" krijgen de vrouwen die Jezus' graf gaan bezoeken te horen.

 

Suzanne, de dochter van Trees en Wim, de moeder van Lisa en Minou, is dood, plotseling is zij, door een hersenbloeding, uit het leven weggenomen. Zoekt zij contact met ons? Rommelt ze met de lamp? Van mij mag Trees haar moeder dat best geloven maar ík vind het toch een wat bizar idee. Géén bizar idee is, zo dunkt mij, om voor Suzanne en ál onze doden te bídden: om ons te verbinden met de geesten, met "de zielen" van de gestorvenen en om ons aller zielen in zo groot mogelijke overgave te bevelen in de handen van de Vader. Amen.

 

                                                                                             

 

VERKONDIGING op 1 november 2010, Allerheiligen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de Openbaring van Johannes (7, 2-14), de eerste brief van Johannes (3, 1-3) en uit het Mattheüs-evangelie (5, 1-12).

 

Een vriendin van mij (mijn leeftijd, niet-gelovig) heeft een tijdje terug te horen gekregen dat zij lijdt aan de ziekte van Parkinson. Een rot-ziekte is dat: in de hersenen sterven bepaalde cellen af. Gevolg is onder andere dat de spieren niet meer ontspannen. Dat lijdt tot stijfheid. En dat doet pijn, een pijn die niet ophoudt. Genezen kan de ziekte niet. Hoogstens kan die enigzins vertraagd worden en kan de pijn bestreden worden. Maar bij die vriendin van mij slaan de middelen die daarvoor zouden moeten zorgen niet goed aan. U snapt, dierbare gasten en parochianen: ze wordt daar niet vrolijk van.

 

Iemand zíen lijden en opgezadeld te weten met een zo somber levensperspectief, dat doet óók pijn. Maar dat is dan zielepijn. Je zou iets voor hem of voor haar willen doen, maar wat kún je doen? Eigenlijk alleen maar: er zijn, voor hem of voor haar. Ondersteunend, hopelijk, aanwezig zijn. Maar wégnemen kun je die rot-ziekte niet. En jíj hebt het niet. Hij of zij wel. En dat is uiteraard een verschil als tussen dag en nacht. Voelen wat hij of zij voelt, lichamelijk en geestelijk, dat kun je niet. Je kunt alleen maar proberen je daarin in te leven - en soms lukt dat misschien een beetje. Ik denk: iemand die zoiets heeft moet zich er vaak érg eenzaam mee voelen, alleen op een eilandje. En: alsof je door een glazen wand van de rest van de mensen gescheiden bent. Zij hebben het druk. Ze ondernemen van alles, gaan wervelend rond. Maar jij, als zieke, bent de pineut. Jij hebt maar steeds, excusez le mot, die kut-pijn en je kijkt in dat zwarte gat van de aftakeling en wat daarna komt of: van wat daarna níet komt, want, hoe is dat als je niet gelooft dat er ná en naast het leven dat wij kennen nog een heel ander leven is, het eeuwige?

 

Mensen wat moet je ermee? Wat kun je ermee - als het met iemand van wie je houdt zó gesteld is?

 

Ik moet u zeggen: in het geval van die vriendin van mij heb ik laatst werkelijk de stoute schoenen aangetrokken. Ze was jarig. En wat kon ik haar geven? Aan welk cadeau zou ze werkelijk iets kunnen hebben?

 

Laatst slingerde hier in de kerk nog zo'n bidprentje rond van paus Johannes Paulus II. We hebben ze in stapels gehad. Maar ze zijn al een tijdlang volgens mij op. Maar ik vond er één, op de nieuwe pracht-tafel van de Open Kerk. Alsof de gestorven paus op subtiele wijze middels dat bidprentje om mijn aandacht vroeg en tot mij door wilde dringen.

 

Er ging mij een licht op. Ja, er ging mij werkelijk een licht op. En ik dacht: hebbes! Jij bent van mij. Immers, we weten: paus Johannes Paulus II leed aan de ziekte van Parkinson. Minstens de laatste twaalf jaar van zijn pontificaat, van zijn paus-zijn, heeft hij daaraan geleden. We zien hem nog zó voor ons, hoe moeizaam en stram hij zich voortbewoog, met opgezwollen hoofd, bij allerlei openluchtmissen. En we zien hem nog staan, op het eind van zijn leven, aan het venster van zijn kamer in de Gemelli-kliniek, nog éénmaal ons allen groetend, voordat hij naar het Vaticaan terug werd gebracht om te sterven. Paus Johannes Paulus de Tweede, Karol Wojtyla. Die vriendin van noemde hem altijd "Joop". Popie-Jopie werd hij in Nederland genoemd sinds het niet erg gelukkig verlopen bezoek dat hij in 1985 aan ons land bracht. In het verlichte en zelfverzekerde Nederland werd in de media en in de publieke opinie vaak geen spaan van de paus heel gelaten. Want hij was zo behoudend vond men. Ik moet u bekennen, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: vaak genoeg heb ook ík mijn partijtje meegeblazen in dat orkest van de kritiek op paus Johannes Paulus II. Ik had niet zoveel met hem moet ik u zeggen. Néderland had niet veel met hem. Een uiterst koele verhouding. Dat er mensen waren, en niet weinig, vooral buiten Nederland die er anders over dachten bleek wel bij de uitvaart van de paus. Vanuit de hele wereld stroomden er mensen naar Rome toe om afscheid van hem te nemen. En "santo subito", "meteen heilig", of: "heilgverkláren" werd er gescandeerd op het Sint-Pietersplein.

 

Was Johannes Paulus II een heilig mens? Ach ja, wat ís "heilig". Welk beeld krijgen wij daarvan, van "heiligheid", op basis van de verschillende schriftlezingen op dit hoogfeest van Allerheiligen?

 

In de eerste lezing, uit de Openbaring van Johannes, wordt gesproken over "vier engelen, aan wie macht gegeven was om schade toe te brengen aan land of zee". Doe dat niet, "breng geen schade toe (...) voordat wij de dienstknechten van onze God met het zegel op hun voorhoofd getekend hebben." In het licht van deze woorden, kun je "heiligen" karakteriseren als "onbeschadigde mensen". Ze zijn intact, ze zijn heel gebleven temidden van alle stormen die mensen kunnen teisteren in hun leven. En dan, verderop in de tekst, dan klinkt daar de vraag: "Wie zijn dat in die witte kleren en waar komen zij vandaan?" "Dat zijn degenen die uit de grote verdrukking komen, die hun kleren hebben wit gewassen in het bloed van het lam." Een merkwaardig antwoord. Bloed geeft toch juist vlékken, vlekken die er maar moeilijk uitgaan, uit een wit laken? Hoe zou een mens dan zijn of haar kleren kunnen witwassen "in het bloed van het lam?" Wie of wat is dat lam? Ja, dat gaat natuurlijk over Jezus en over Zijn dood aan het kruis. Als je met Jezus leeft, als je leeft zoals Hij, ja, als je Zijn leven leeft, dan kom je erdoor, dan red je het, ja dan wórd je gered, door Hem, door Jezus. Dan kom je uiteindelijk waar Hij is, in het Licht, voorbij de dood ...

 

Vervolgens was er de psalm, vierentwintig, die we samen hebben gebeden. Ook daarin klonk een vraag: "Wie zal beklimmen de berg van de Heer, wie in zijn heiligdom staan?" Antwoord: "Die rein is van handen en zuiver van hart, zijn zinnen niet zet op wat kwaad is."

 

Dan de tweede lezing uit de eerste brief van Johannes. Daar hoorden we: "(...) wat wij zullen zijn is nog niet verschenen; maar wij weten dat, wanneer Hij zal verschijnen, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is. Wie dit van Hem verwacht, maakt zich rein, zoals Jezus rein is." Opnieuw dus: als je op Hem, op Jezus, durft te vertrouwen, dan wordt je bestaan verhelderd, ópgehelderd. Dan word je van lieverlede licht en wit, zoals Hij, Jezus, het is.

 

Tenslotte: het evangelie, de bergrede - die een soort geloofsbelijdenis is van Jezus, van God, in verband met de mens. In die bergrede wordt een bepaald soort mens geschilderd, de mens in wie Jezus, in wie Gód, gelóóft, een mens: "arm van geest", heel simpel, heel eenvoudig, niet ingewikkeld, eerlijk, transparant denk ik, een niet-dubbelzinnig mens, een mens uit één stuk; "gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden", mensen die het verdriet durven toelaten en ruimte durven geven in hun leven, die er niet bang voor zijn; "zachtmoedig", "hongerend en dorstend naar de gerechtigheid", "barmhartig", "zuiver van hart", vrede-brengend en mensen tenslotte die trouw zijn aan het evangelie, aan Jezus, óók als ze te maken krijgen met allerlei weerstanden, met vervolgingen zelfs. Wij kunnen daarover in ónze tijd binnen ónze samenleving zeker ook meepraten. Voor mensen die trachten hun geloof te behouden is het daarin wel érg tegen de wind ín fietsen, zeker ook als ze katholiek zijn. In de Metro, het gratis krantje dat je in de trein kunt lezen heeft Ton Broekhuizen het over "het inmiddels extreem lelijke eendje dat luistert naar de naam rooms-katholieke kerk". En hij voorspelt dat het nog hoogstens een jaar zal duren "voordat het woord katholiek definitief tot scheldwoord is gedegradeerd."[56] Nou, steek maar weer in je zak. Maar vergeleken met onze geloofsgenoten in Irak mogen we nog van geluk spreken. Gisteravond zijn in de Syrisch-Katholieke kathedraal van Baghdad zeker 52 mensen vermoord. De priester ging er als eerste aan.

 

Aldus wordt in onze schriftlezingen op deze avond van Allerheiligen de heilige mens geschilderd. Was paus Johannes Paulus de Tweede in het licht van dit beeld een heilig mens? Ach ja, veelgeliefden, daar gaan wij niet over. Hij was zeker een grootheid, een kanjer. En er was veel liefde in hem, dat weet ik wel zeker, - ook al is die liefde van hem voor ons in Nederland misschien niet zo duidelijk geworden, ook al hebben we die in hem misschien niet zo duidelijk gezien. Waar ik hem in elk geval geweldig dankbaar voor ben, dat is dat hij mét die Parkinson dóór is gegaan, door is gestrómpeld mogen we wel zeggen tot het letterlijk bittere end. Hij heeft zich met zijn ziekte en met die ongetwijfeld geweldige pijn níet verborgen. Het licht van zijn geloof is in hem blijven branden en hij heeft het hóóggehouden (...). En dan ben je gewoon een vént. En dan ben je een prachtige bron van mogelijke inspiratie en van moed voor allerlei andere mensen in beroerde omstandigheden, misschien ook wel voor die ongelovige vriendin van mij. Wat ís geloven veelgeliefden? Wat is het geloof van de heiligen? Ik zou zeggen: geloven, dat is vertrouwen dat door alles héén gaat, door het vuur. Geloven dat is vertrouwen in God, in Jezus, dat zich door niets en door niemand laat tegenhouden en stoppen. Dat is geloven.

 

Ik heb die vriendin van mij voor haar verjaardag in een lijstje het bidprentje met het portret van Johannes Paulus de Tweede gegeven met daaronder de volgende tekst:

 

"Karol Wojtyla, paus Johannes Paulus II, ik noem(de) u altijd "Joop", u die minstens twaalf jaar lang aan Parkinson hebt geleden, dezelfde ziekte waaraan ook ik lijd en waaraan ook mijn vader heeft geleden, u die in zulke omstandigheden bent doorgegaan met leiding geven aan de Rooms-Katholieke Kerk, al geloof ik zelf in principe niet in God en in de hemel, mijn vriend Pierre Valkering gelooft er wel in. Voor het geval hij gelijk heeft en niet ik wil ik u vragen om mij bij te staan en te helpen in mijn nood. Als u nog ergens bent, als u bij God bent, in de hemel, waar dan ook mijn vader is, vraag ik u: Wees dan mijn voorspraak bij God, help mij, dat ik verlichting, vermindering van pijn mag krijgen, dat ik gedeeltelijk of zelfs helemaal genezen mag, dat er een wonder mag gebeuren.

 

Tot zover de tekst onder het bidprentje. Schuin gedrukt heb ik er nog onder geschreven: Om hardop uit te spreken, bij grote nood, met zo groot mogelijke aandacht van hoofd en hart. Desnoods herhalen.

 

Dierbare gasten en parochianen, geloof ik dit? Geloof ik dat het kan helpen? Geloof ik dat paus Johannes Paulus II kan helpen? Geloof ik dat de heiligen ons kunnen helpen? Ach ja, "there are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy" - er zijn meer dingen in hemel en aarde, Horatius, dan waar jij met jouw rationele levensvisie van dromen kunt. Dat zegt Hamlet als hij contact krijgt met zijn reeds gestorven vader[57]. Die vader zit in elk geval in hem. En waarom zou hij niet ook nog "ergens" buiten hem kunnen zijn? In het licht van ons geloof mogen wij dat in elk geval geloven, dat de doden, de heiligen onder hen, maar ook de minder heiligen en zelfs de duidelijk onheiligen, dat die inderdaad nog "ergens zijn". Hoor goed toe, zodadelijk als ik de prefatie zal zingen, als daar klinkt: "(...) vandaag vieren wij het feest van uw eigen Stad. Zij is onze moeder, het hemelse Jeruzalem. Daar klinkt al uit een kring van onze broeders en zusters in eeuwigheid uw lof". Mogen wij het geloven, veelgeliefden. Mogen wij met een gerust hart in paus Johannes Paulus de Tweede, of in je eigen reeds gestorven goede vader of moeder en in alle heiligen ons vertrouwen stellen. De Kerk leert: ze staan klaar om ons te helpen, ze doen niets liever. Amen.

                                              

 

VERKONDIGING op 31 oktober 2010, de 31ste zondag door het jaar (C), in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de Wijsheid (11, 23-12, 2), Psalm 145 (ged.), de tweede brief aan de christenen van Thessalonica

(1, 11-2, 2).en het Lucas-evangelie (19, 1-10).

 

De salarissen van bestuurders in het onderwijs zijn in 2009 opnieuw gestegen. Zestig bestuurders verdienden vorig jaar meer dan de balkenendenorm (dat is dan nu: de ruttenorm) van 188.000 euro per jaar. Grootverdiener is Aalt Dijkhuizen, voorzitter van het college van bestuur van de Wageningen Universiteit. Hij toucheerde vorig jaar 351.434 euro aan salaris.

 

In de toptien staan drie bestuurders die een vertrekregeling incasseerden. De grootste handdruk was er voor Bernard Fransen, voorzitter van het ROC Midden Nederland. Hij ontving bij zijn afscheid 166.059 euro. De overige zeven zagen hun salaris met gemiddeld zeven procent stijgen; sommige bestuurders gaan enkele tienduizenden euro's omhoog.

 

Een aantal van de overschrijdingen betreft bestuurders die na 2007 nieuw benoemd zijn. Het vorige kabinet deed indertijd een beroep op raden van toezicht om bij nieuwe benoemingen de salarissen van onderwijsbestuurders te matigen.

 

Aldus werd van de week bekend. Ik citeer de krant[58]. En we weten: zo is het niet alleen bij bestuurders in het onderwijs. Ook in de gezondheidszorg en bij organisaties voor ontwikkelingssamenwerking zitten van die geweldige zakkenvullers. Ja, die zakken zijn wel gevuld, maar nog lang niet vol. Denk ook even aan het bank- en beurswezen. Denk aan de telecom-bedrijven. De cabaretier Youp van 't Hek is op oorlogspad tegen die laatste. Want als je een klacht hebt tegen zo'n telecom-bedrijf, en je belt de zogenaamde "klantenservice" dan word je eindeloos aan het lijntje gehouden, letterlijk en figuurlijk. De klanten betalen voor de fouten die het bedrijf maakt. Youp scherst: De miljoenen die de directeuren van de telecom-bedrijven in hun zakken steken worden in dat wereldje "wachtgeld" genoemd "omdat het geld door alle klanten die in de loop der jaren gewacht hebben op één van de drie medewerkers van de helpdesk is opgehoest"[59].

 

Zakkenvullers. Ze maken ons razend. Witheet word je daarvan. Ze vervullen ons met gevoelens van diepe minachting. Zacheüs, de oppertollenaar uit het evangelie van deze zondag is ook zo'n zakkenvuller. Hij is "klein van stuk" wordt er over hem gezegd. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat we die woorden, die karakterisering in het Lucas-evangelie eerder moeten verstaan als de uitdrukking van de publieke minachting ten aanzien van deze Zacheüs dan als mededeling wat betreft zijn lichamelijke lengte. Men kijkt op hem neer, op Zacheüs. Dus we kunnen ons bést de publieke verontwaardiging voorstellen als de Jezus-karavaan neerstrijkt in Wageningen en Jezus, die Robin Hood-figuur, die wonderdoener, die Redder, als die uitgerekend tegen Aalt Dijkhuizen, de voorzitter van het bestuur van de universiteit aldaar, die dus in 2009 351.434 euro aan belastinggeld als salaris opstreek, als Jezus uitgerekend tegen hem zegt: "vandaag moet ik in uw huis verblijven." Dat "moet" mensen. Het is een heilig moeten. De levensweg van Jezus, die weg die zal uitkomen in Jeruzalem op het kruis, die levensweg loopt noodzakelijk via het huis van Zacheüs alias Aalt Dijkhuizen. Het is nodig dat Jezus om zijn missie in deze wereld te vervullen lijnrecht ingaat tegen de zogenaamde "publieke opinie", dat hij die recht tegen de haren in strijkt.

 

Waarom dat zo nodig is? Omdat Aalt Dijkhuizen óók een mens is. En wel een mens die veel mist. Ja, geld heeft hij of zij als water. Dat is niet het probleem. Maar dat geld is zo'n belangrijk thema blijkbaar in zijn of haar leven geworden, dat alles in dat leven dáár om lijkt te draaien: hoe sleep ik er zoveel mogelijk uit. Maar, dat is geen léven veelgeliefden. Wat ben je dan een arm en beklagenswaardig mens als je op die manier in het leven staat. En vooral: wat ben je dan een eenzaam mens - als het je blijkbaar niet kan schelen als de hele wereld jou maar een zakkenvuller vindt, als de mensen niets anders in jou kunnen zien als dát.

 

Maar Aalt Dijkhuizen is natuurlijk wél meer dan "alleen maar een zakkenvuller". En Jezus ziet dat. En Jezus weet dat. En ook zelf voelt Aalt wel aan dat Jezus "iets heeft" dat van een andere orde is, iets dat voor géén geld te koop is, iets dat onbetaalbaar is en wat Aalt nu precies heel erg mist en nodig heeft. Want er staat, over Zacheüs: "Hij wilde wel eens zien wat Jezus voor iemand was". Dat is de intuďtie die Aalt heeft. Dat is zijn of haar aanvoelen. Er gaat hem of haar ergens een lichtje op: die Jezus, daar moet ik zijn. Die heeft een boodschap voor mij. Daar valt voor mij misschien iets te halen. Die Jezus kan mij iets geven.

 

En Zacheüs klimt dan in die boom. Je kunt dat zien, die boom, in de zin van: een handige bliksem, die Zacheüs. Maar het is ook een rare plaats. Je kunt ook denken: Zacheüs moet zich in vreemde bochten wringen om er óók bij te zijn. Want gewoon lekker bij de anderen, midden onder de mensen, daar is voor hem geen plaats. Dan kijkt hij alleen maar tegen ruggen aan. De mensen zien Zacheüs niet. Ze zien hem niet meer. Ze hebben hun rug naar hem toegekeerd. En het is een gesloten front.

 

Dus vandaar dat Zacheüs in die moerbeivijgenboom klimt "om Hem te zien te krijgen", zo staat er bij. Maar veel belangrijker is nog dat Jezus hém, dat Jezus Zacheüs ziet. Jezus "keek ... omhoog" toen Hij bij die plek kwam en Hij zei: "Zacheüs, kom vlug naar beneden; vandaag moet ik in uw huis verblijven". Jezus, dierbare gasten en parochianen, belichaamt en doet heel concreet wat er in de eerste lezing van deze dag, uit het boek van de Wijsheid staat: "U telt de zonden van de mensen niet, om hen tot inkeer te laten komen. Want alles wat bestaat hebt u lief en U verafschuwt niets van wat u gemaakt hebt." En, nog eens: "U spaart (...) alles, omdat het van U is. U, Heer, die alles wat leeft bemint". En: "U wijst (...) terecht door (...) te laten zien waarin zij zondigden, zodat zij, uit hun slechtheid bevrijd, in U, Heer, geloven".

 

Wie is of wie zijn in het evangelie eigenlijk de zondaar of de zondaars? Is dat Zacheüs. de zakkenvuller? Of zijn dat de mensen die niet meer "normaal" tegen hem kunnen doen? de mensen die één ijskoud front tegen Zacheüs hebben gevormd en die hem op allerlei manieren super-duidelijk maken dat hij er niet bijhoort? Wie moet er dus eigenlijk bevrijd worden? Is dat Zacheüs, is dat Aalt Dijkhuizen? Of zijn dat de mensen die zich zo ijskoud en spijkerhard tegenover hem opstellen? Ik denk: allebei.

 

Jezus doorbreekt door zijn manier van doen het ijzingwekkend koudefront. Hij doet dat. Jezus, heel eenvoudig, door zijn warmte, zijn vriendelijkheid naar Zacheüs uit te laten gaan - naar zo'n Aalt Dijkhuizen en ook eventueel naar zo'n Geert Wilders toe. Ook voor de omgang met die laatste geldt hetzelfde als voor de omgang met Zacheüs: het is belangrijk om wel een méns in hem te blijven zien, die dus niet van beton is. Ook hij heeft z'n gevoelens en, geloof het of niet, z'n verlangen naar medemenselijkheid, naar menselijke nabijheid en vriendelijkheid. Bij Zacheüs is het effect onmiddellijk en wonderbaarlijk: Zacheüs ontspant. Zacheüs ontdooit. En Zacheüs laat los. Niet langer bijt hij zich als een bloedhond vast in dat geld. Niet langer zuigt hij zich er in vast als een bloedzuiger. Omdat hij in de ontmoeting met Jezus van Nazareth de liefde Gods heeft ervaren. En die liefde, veelgeliefden, is de grootste rijkdom die er op aarde bestaat. Als je die in je hebt, dan heb je het enig noodzakelijke (Luc. 10, 42) in dit leven op aarde te pakken. En dan maakt het verder niet uit of je arm of rijk bent, of oud of jong, mooi of lelijk (naar de maatstaven van de mensen) of ziek of gezond. Want die liefde, de liefde van God die in Jezus van Nazareth tot ons komt, ook in deze viering van de heilige eucharistie, die is sterker dan de dood, die gaat per crucem ad lucem, die gaat door het kruis naar het licht. Zacheüs is óm. Hij heeft zich er aan gewonnen gegeven. Hij heeft zich er aan óver gegeven. Nu eventueel (want ik ken de persoon in kwestie in het geheel niet; weet niet eens of het een man of vrouw is); maar nu eventueel tóch Aalt Dijkuizen nog. Nu misschien Geert Wilders nog. Nu misschien wij nog. Amen.

 

 

 

VERKONDIGING op 25 oktober 2010, de dertigste zondag door het jaar (C), in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Jezus Sirach (35, 12-14.16-18), Psalm 34 (2-3.17-19.23), de tweede brief aan Timoteüs (4, 6-8.16-18) en het Lucas-evangelie (18, 9-14).

 

Vandaag wordt Sven vijftien jaar. Hij is de zoon van mijn jongste zus Carola en haar man Martin. Ze hebben ook een dochter, Nadčge. Gisteravond werd de verjaardag gevierd. Mijn zwager liet tijdens het feestje vanaf de lap-top op de flat-screen boven de haard in een doorlopende voorstelling allerlei familie-foto's zien. Met name zagen we allerlei beelden van ski-vakanties van het gelukkige gezin, maar ook van een etentje van onze familie in het Okura-hotel zeven jaar geleden en van het vijftigjarig huwelijksfeest van mijn ouders verleden jaar. Familiefoto's zoals iedereen ze kent. Mensen, díerbare mensen en ook mensen die je minder goed kent staan er op. Gezichten: ontspannen, lachend, ernstig, zuur, gespannen, verveeld ... op allerlei manieren komen ze in beeld. Je ziet jezelf en je ziet de anderen. Dat zijn wij. Dat ben ik.

 

Uit de tijd waarin de bijbel is ontstaan hebben we geen foto's. Uit die tijd zijn ons slechts woorden overgeleverd. Maar op básis van die woorden maken we in ons hoofd onze eígen beelden. Als we aandachtig luisteren naar de woorden terwijl ze worden voorgelezen, dan gebeurt dat vanzelf, dan komen die beelden, sterk of minder sterk, spontaan in ons op. We hoeven daar geen speciale moeite voor te doen.

 

De gestaltes en de gezichten zoals die zich vandaag aan ons geestesoog voordoen, zijn die van mensen die zich bevinden in het heiligdom, in de tempel. Getransponeerd naar onze omstandigheden is dat dus: de kerk. Het gaat vandaag, eigenlijk in alle drie de schriftlezingen, om mensen zoals zij zich bewegen, zich gedragen, zich voordoen, om wat ze laten zien ... in de kerk. Het gaat over kerkgangers, over ons dus. Ook vandaag zit de heilige Schrift en zitten met name de twee Jezussen, Jezus Sirach in de eerste lezing en Jezus van Nazareth in de evangelielezing; ook vandaag zit de Schrift ons met en in hen, die twee Jezussen, weer dicht op de huid.

 

Jezus, die naam betekent, ik heb het al vaak gezegd, maar het kan niet vaak genóeg herhaald worden, de betekenis van die náám kan niet vaak genoeg herhaald worden, die naam Jezus betekent namelijk "God redt". "De levende God (is) een redder voor alle mensen, in het bijzonder voor de gelovigen" zo klinkt het vandaag ook in de tweede lezing, uit de eerste brief van Paulus aan Timoteüs. Iedereen, ieder mens, heeft met God te maken, of hij, of zij dat nu weet of niet, of hij of zij dat nu léuk vindt en wíl of niet. Ieder mens heeft met God te maken. Of misschien kan ik beter zeggen: Gód wil er zijn, wil beschikbaar zijn, in reddende zin, voor ieder mens. Veel mensen, de meeste wellicht, in het tegenwoordige Nederland en Amsterdam; de meeste mensen geloven dat niet, ze weten het niet of ze willen het niet weten, nee, ze vinden dat nadrukkelijk níet leuk als wij dat beweren. Ze willen het niet. En toch is het, binnen en vanuit een gelovig perspectief wél zo. Gelóvige mensen, christenen in elk geval, mensen die trachten te geloven, zij geloven het wél. Zij willen dat. Ze doen er hun best voor, want, geef toe, een eenvoudige zaak is het natuurlijk níet. Gelovige mensen "hebben wat" met God. Ze "willen wat" met God. En Hij, God, is er dan ook zéker voor hen. "De levende God (is) een redder voor alle mensen, in het bijzonder voor de gelovigen" schrijft Paulus aan Timoteüs - en aan ons vandaag.

Gelovige mensen gaan naar het heiligdom, ze gaan naar de tempel, ze gaan naar de kerk. En wat doen ze daar dan? In de schriftlezingen van vandaag gaat het met name om twee "zaken" in dit verband: het gaat om "offeren" en om bidden. Dat is waarvoor men naar het heiligdom gaat.

 

Ten eerste: wat is "offeren"? Ik denk, heel eenvoudig, dat is iets wat van jou is loslaten en weggeven. Offeren, dat is, in optima forma, jezélf geven. Denk maar aan Jezus. Offeren dat is jezelf géven. Jezus Sirach (de eerste lezing) legt er zwaar de nadruk op, dat dat geven liefst gebeurt met een blij gezicht. In de regels die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste lezing van vandaag luidt het: "Verheerlijk de Heer met een blij gezicht en onttrek niets aan de eerstelingen die je moet geven; toon bij al je gaven een vrolijk gezicht en heilig de tienden met vreugde. Geef aan de Allerhoogste naar wat Hij geschonken heeft; geef met een blij gezicht en naar je vermogen." Het staat er, dierbare gasten en parochianen, dus maar liefst drie maal: een blij, een vrolijk gezicht. Als jij hierheen komt om te geven, om jezelf te geven, zorg er dan voor dat je met een vrolijk, een blij gezicht op de foto staat.

 

Maar, zult u misschien zeggen: ik ben nu eenmaal niet zo'n lachebekje. En: een blij gezicht, dat kun je toch niet forceren? Dat wordt dan een verwrongen gezicht, een grimas. Blijheid, dat is er of dat is er niet. Je bent het, blij, of je bent het niet. Je hebt 't of je hebt 't niet. Blijheid, dat moet toch uit je hart komen? Inderdaad veelgeliefden, zo is het. Je kunt het niet faken. Je bent wie je bent. Hoe word je een blij mens derhalve, iemand met een vrij en vrolijk hart? Ik denk, in het verlengde van wat Jezus Sirach ons zegt; ik denk: je wordt dat, blij, precies dóór te geven, dóór jezelf te géven en door je daarbij geen zorgen te maken of je er wel iets voor terugkrijgt en hoevéél je er eventueel voor terugkrijgt, of wat je investeert door weg te geven zich wel terugbetaalt. Die vraag kun je maar beter loslaten. Daar kun je maar beter jezelf geen zorgen om maken - terwijl Jezus Sirach ons wél verzekert: "Hij is een Heer die beloont; Hij geeft het je zevenvoudig terug." En zo is trouwens ook onze ervaring: Wie goed doet, goed ontmoet. Zo werkt het nu eenmaal. Maar, paradoxaal genoeg, alléén voor mensen die niet-berekenend zijn, alleen voor mensen die met de resultaten van hun "goed-doen" totaal niet bezig zijn.

 

Dat was foto één: die van degene die offert. Zorg dat je blij op de foto staat terwijl je offert. Hebben we nog foto twee: de foto waar de bidder op staat. Daarvoor moeten we naar het evangelie. Daar krijgen we eigenlijk twee foto's aangereikt door Jezus. Op de ene staat een farizeeër. Dat is een soort beroepsgelovige. Meer zo iemand uit de sfeer waar ik als priester mij in bevind. Dat is dus duidelijk: in de gevarenzône. We weten: Jezus is daar super-kritisch op, op dat soort types. Hoe staat híj, hoe staat de farizeeër op de foto? Nou, onaantrekkelijk! Zelfgenoegzaam. Verwaand. Hij is iemand die zich de aansporing van Paulus in de tweede lezing: "oefen u in een godsdienstig leven"; "ga er geheel in op"; hij is iemand die zich die aansporing zéér heeft aangetrokken. En nu heeft hij het helemaal voor elkaar. Hij heeft zijn godsdienstig leven helemaal op orde. En dát komt hij in het heiligdom, in de tempel, in de kerk beléven en showen - aan de mensen en aan God. De modelgelovige. De gelovige die zó gelovig is dat hij of zij God eigenlijk niet eens meer nodig heeft. Hij, zij is eigenlijk zelf een soort god geworden voor zichzelf. Hij, zij gelooft vooral erg en uitsluitend in zichzelf. God is voor hem of haar een soort verlengstuk van zijn of haar ego geworden.

 

Rest ons nog één foto, de laatste, die waar de tollenaar op staat, een collaborateur, een afperser in de ogen van de mensen in die dagen. Een onfrisse figuur, een sjoemelaar. Hij staat er heel timide bij, in het heiligdom. En zo staat hij ook op de foto. Het heiligdom, de kerk, de aanwezigheid van God, maakt dat hij zich heel erg bewust wordt van zijn onvolkomenheid, van zijn zwakke kanten, van zijn fouten, van zijn zonden. "O God, genade voor een arme zondaar!" kermt hij. En Jezus zegt: God geeft hem die. God vergeeft hem. Maar die ander, de farizeeër vergeeft God niet. Want die beseft niet eens waar hij die vergeving van God voor nodig zou hebben.

En hoe zit dat met ons? Hoe zit dat met u, met jou, met mij? Realiseren wij ons waarvoor wij die vergeving van God werkelijk nódig hebben in ons leven? Dat is iets om over na te denken. Als zoiets er bij jou niet is, als jij niet weet, als jij géén idee hebt, waarvoor jij die vergeving van God werkelijk nódig zou hebben, dan heeft het eigenlijk geen zin voor jou om naar de kerk te komen ...

 

Drie foto's: een blij gezicht, een zelfgenoegzaam gezicht en een timide, een bedremmeld gezicht. Drie gezichten. Drie foto's. En hoe sta jij er op? Welk gezicht laat jij zien? Amen.

 

 

 

VERKONDIGING op 3 oktober 2010, viering van het hoogfeest van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans in de gelijknamige kerk te Amsterdam, waarmee wordt ingeleid de viering van de honderdste verjaardag van de kerkwijding daarvan

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (1, 12-14), Psalm 117, uit de brief aan de Galaten (4, 47) en uit het Lucas-evangelie (1, 26-38).

 

Wat een uitdragerij! U had dat van de week eens moeten zien beste parochianen en gasten ... Dat wóud van kerkbanken hier: schots en scheef door elkaar, en gestapeld deels. Alsof er een orkaan in dat woud had huisgehouden. Het middenpad van de kerk onbruikbaar. Onvoorstelbaar dat we de zondag er op, vandaag, dit Rozenkransfeest, het titelfeest van de kerk, zouden vieren; feest waarmee we het begin van de viering van de honderdste verjaardag van de wijding van dit kerkgebouw inluiden. Maar het is gelukt. Er is orde geschapen in de chaos, in dat bos van omgevallen bomen. De mensen van de bouw hebben ervoor gezorgd. En wéér zijn alle kerkbanken afgestoft. Ik heb begrepen dat dat schoonmaken van de kerkbanken, elke week weer, degenen die daarvoor moeten zorgen af en toe tot wanhoop heeft gedreven. Er zijn wel een paar tranen gevloeid in dat verband. We kunnen ons dat ook goed voorstellen. Maar toch. Het is gelukt! Hulde aan al degenen die ervoor hebben gezorgd.

 

Het honderdste geboortejaar van de kerk. Maar de boel staat op z'n kop. Een paar heftige jaren liggen achter ons. En onrustig is het nog steeds, in verschillende opzichten. Sáái is het in elk geval niet om bij de Roomse kerk in het algemeen en bij deze parochie in het bijzonder te horen. Het gebouw ligt overhoop. En wij kunnen dat zelf ook: met onszelf en met elkaar, met onze wereld en met onze Kerk overhoop liggen. De Kerk, zeker ook de Roomse Kerk, dierbare gasten en parochianen, het is een groot avontuur. We hoeven ons niet te vervelen. Onze Lieve Heer heeft wel een behouden aankomst beloofd, maar geen rustige vaart. Het kan stormen op zee. En het schip der Kerk piept en kraakt af en toe enorm in haar voegen, zodanig dat je soms denkt, je angstig af kunt vragen: Houden we het wel? Maakt dat schip geen water? Zinkt het niet? Of gaat het niet op de klippen te pletter lopen? Zijn er geen zwemvesten? Zijn er geen reddingsboeien? Kan ik niet maar beter van boord springen in de hoop dat er een andere boot langs komt die mij opvist of dat ik ergens áánspoel en vaste grond onder de voeten krijg?

 

Ja, dierbare gasten en parochianen, zo kunnen onze overwegingen zijn. Velen verklaren je voor gek als je aan boord van dat schip van de Roomse Kerk en van een parochie als deze blijft.

 

En toch veelgeliefden: Wij moeten ons natuurlijk niet in onze boot, in het schip der Kerk vergissen. Soms denk je: de kapitein en de stuurlui van dat schip zijn volstrekt incapabel, En er zijn bemanningsleden die zich misdragen. Ja. Maar toch. Toch zit dat schip steviger in elkaar dan je soms zou denken. Er zijn namelijk ook nog andere figuren aan boord van het schip. En de inhoud van het schip is zo kostbaar ...

 

                                      Daar komt een schip, geladen

                                      tot aan het hoogste boord,

                                      draagt Gods Zoon vol genade,

                                      des Vaders eeuwig woord.

 

                                      Hoe 't schip het water kliefde!

                                      Het bergt een kostbare last;

                                      het zeil, dat is de liefde,

                                      de Heilige Geest de mast.

De eerste twee strofen van een Adventslied1. Een afgeladen schip, een schip dat Gods Zoon draagt. Dat schip, dierbare gasten en parochianen, dat schip heeft een naam. "Maria" is de naam van dat schip. En ook zij, Maria, is tezamen met haar Zoon aan bóórd van dat schip - tezamen nota bene ook met allerlei dronkenlappen en andere lapzwanzen. Ja, daar kun je je blind op staren, op allerlei onwaardige leden en zelfs bedienaren van de Kerk, maar zij, Maria, is er dus óók. Vergeet háár niet. Maria, Jezus' moeder, die de kostbare last van Zijn leven heeft gedragen en die zélf voor de Kerk oneindig kostbaar is. Maria, geheim wapen van de Kerk juist omdat zij zo ongewapend is en daardoor ontwapenend. Toegankelijk, benaderbaar, open, ontvankelijk. "De engel trad bij haar binnen" zo staat er. Wat van God komt, wie van God komt, "komt bij haar binnen" - in haar huis, maar nog veel meer, nog veel wezenlijker: in haar hart. "Zij raakte geheel in verwarring" door wat de engel zei. En háár verwarring, veelgeliefden, die van Maria, is de onze. Want wíj kunnen sterk in verwarring zijn vanwege alles wat gebeurt. Wat betekent het? Wat moet ik ermee? Wil Gód mij er soms iets mee zeggen? En zo ja, wát dan?

 

Dat zijn onze levensvragen. En het is altijd goed, veelgeliefden, om van je hart geen moordkuil te maken. Het is altijd goed om over de vragen van je hart te spreken met goede en lieve mensen. Soms zijn die áánwezig. Maar soms zijn die ook áfwezig, voor kortere of langere tijd. Vooral in zulke omstandigheden is er de mogelijkheid, is er de uitnodiging om Maria aan te spreken, Maria die als twee druppels water op haar Zoon lijkt. Je kunt je natuurlijk ook rechtstrééks tot Hem wenden. Het maakt niet uit. Jezus en Maria zijn twee kanten van één medaille, dat wil zeggen: dichter dan Maria kan géén mens bij Hem komen. En Hij is Gods Zoon. Hij, Jezus, is een bron waaruit Gods Licht op unieke wijze opwelt. En datzelfde Licht zien we weerspiegeld in het gelaat van Maria. Kunstenaars en ambachtslieden hebben in alle tijden hun best gedaan om dat goddelijk Licht zoals het verschijnt in Maria, om dat, zeg maar, "te vangen". En sommige van die kunstenaars en ambachtslieden zijn daar geweldig in geslaagd. Iemand die ik ken heeft thuis een foto van een Maria-afbeelding in een kerk in Rome en zegt daar over: "Dat is echt míjn Maria". Mooi. Ik denk dat het goed voor je is om "jouw Maria" te hebben: een beeld, een plaatje dat je ophangt of neerzet om regelmatig, om vaak naar te kijken. En dat beeld komt dan in je. Dat beeld treedt dan bij jou binnen zoals de engel bij Maria. Dat beeld van Maria gaat dan in je leven en in je werken. En met die Maria in je kun je omgaan. Je kunt met haar omgaan, bijvoorbeeld door het bidden van de rozenkrans.

 

"Dat is niet meer van deze tijd" denken en zeggen mensen soms. Ach wat, niet meer van deze tijd! Ik doe het. Ik leef nu. En dús is het bidden van de rozenkrans ook van déze tijd. Heeft deze tijd dan wat beters te bieden op dit gebied dán het bidden van de rozenkrans? Wie het weet mag het zeggen. Natuurlijk zijn er allerlei vormen van meditatie en gebed die allemaal hun waarde kunnen hebben. Maar ík ben er van overtuigd dat de rozenkrans met vele van die vormen van gebed en meditatie goed kan "concurreren" - als je al in dat soort temen wilt denken.

 

Maria, De rozenkrans. Ik denk veelgeliefden: het, zij, kan helpen om het in die uitdragerij, in die chaos, in dat soms ongewaaide bos van ons leven, om het daarin uit te houden. Maria die je tranen ziet als wéér al die kerkbanken onder het stof zitten. Maria die ons helpt om, mét haar, te zeggen: "Ik ben de dienares, ik ben de dienaar van de Heer; laat met mij gebeuren" - wat U beschikt. Mogen wij ertoe in staat zijn. Ik wens ons allen, "trouw en eensgezind in gebed, samen met (...) Maria, de moeder van Jezus" een prachtig jubileumjaar toe.

Amen.

 

                                                                                             

 

 

VERKONDIGING op 12 september 2010, de 24ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (32, 7-11.13-14), Psalm 51 (3-4.12-13.17.19), de eerste brief aan Timoteüs (1, 12-17) en uit het Lucas-evangelie (15, 1-10).

 

Vollédig aan de grond. Wij zitten als kerk vollédig aan de grond - ben je soms geneigd te denken als er op de voorpagina van de krant, zoals ook weer gisteren, de meest schokkende berichten staan over seksueel misbruik door priesters of zelfs een bisschop. Het spijt mij, dierbare gasten en parochianen, dat ik hier alwéér over begin, het begint u mogelijk érg te vervelen, maar ik vind: de actualiteit laat mij geen andere keus. Ik vind dat ik die in deze níet kan en mag negeren. Net doen of m'n neus bloedt, dat hebben we in de kerk lang genoeg gedaan, dat is (voor een belangrijk deel) nu precies het probleem

 

We zitten volledig aan de grond - ben je geneigd te denken. Youp van 't Hek schrééf het verleden week zaterdag in niet mis te verstane woorden in zijn satirische column op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Citaat: "Keihard sluiten die tenten met hun torens. Dichtspijkeren die handel. Het is gewoon een criminele organisatie" (einde citaat). Ik denk, dierbare gasten en parochianen, dat wat Youp daar schreef is wat door menigeen wordt gedacht: Is niet alleen de Roomse kerk, maar is niet ál die godsdienst één grote bron van ellende op aarde, nu ook weer in verband met die dominee in het zuiden van de Verenigde Staten die korans wil verbranden - met alles wat dat weer aan tegenreacties losmaakt? Waren we niet beter af zónder al die godsdiensten? Ja, dat is de vraag natuurlijk. Ik denk: we zouden dan wél eens van de regen in de drup terecht kunnen komen en per saldo wel eens slechter af kunnen zijn, zónder godsdienst, zonder in elk geval het christelijk geloof en zonder de kerk (want daar stá ík nu eenmaal voor) ... Er zijn landen waar men geprobeerd heeft of waar men nog altijd pogingen doet om godsdienst, geloof en kerk af te schaffen. Maar die landen zijn zeker niet de prettigste casu quo de prettigste gewéést. In zo'n land wil je liever niet wonen.

 

En je kúnt de godsdienst, het christelijk geloof en de kerk natuurlijk ten diepste helemaal niet afschaffen omdat, veelgeliefden, Gód Is. God bestaat nu eenmaal. God is een realiteit. Wij kunnen daar niet omheen. En dat is maar goed ook.

 

In het evangelie van deze dág komen wij iemand tegen die volkomen aan de grond zit, letterlijk. Hij zit in de prut tussen de varkens. Een mooi beeld misschien, of liever gezegd: een schril beeld van onze kerk in onze dagen, een beeld van mensen binnen en ook buiten die kerk die zich schuldig hebben gemaakt, mensen die zijn afgedwaald van de goede manier van leven. Nou stuiten we op dát punt natuurlijk meteen op een probleem, want: wat ís "goed leven"? - daarover kunnen de inzichten nogal eens ver uiteenlopen ... "Goed leven" in de zin van het evangelie van deze dag lijkt mij: leven dicht bij de vader die is zoals in de parabel die vandaag door Jezus wordt verteld. De vader in die parabel is duidelijk: beeld van God en wel een heel menselijk, een heel vriendelijk, een heel liefdevol beeld van God. De vader zegt het aan het eind van de parabel tegen zijn oudste zoon: "Jongen, jij bent altijd bij me en alles van mij is ook van jou." De woorden klinken heel warm en heel royaal. Ze ademen een grote vrijheid uit, ábsoluut niets in de zin van: God is een krentenweger. Ik denk, veelgeliefden: dit is het uitgangspunt wat betreft de verhouding die wij allen met onze God mogen hebben. Als je leeft, dicht bij Hém, met Hém hoe dan ook, in goede werken of alleen maar in gebed, ínnig verbonden, dan hóef je niets te vragen. Dan kun je gewoon rustig, vrolijk, vrij en onbezorgd je gang gaan ... De oudste zoon in de parabel, die weliswaar in de fysieke zin dicht bij z'n vader leeft (hij is een "huisgenoot des geloofs" zeg maar); die oudste zoon heeft toch nog "een weg te gaan" wat dit betreft. Want in de mentale, in de geestelijke zin is er duidelijk een afstand tussen hem en z'n vader. Hij heeft een beeld van zijn vader, die oudste, dat duidelijk níet klopt. Zijn vader wil eigenlijk een vriend zijn. Die vader wíl helemaal geen afstand en autoriteit en dat z'n zoon alles aan hem zou moeten vragen. Maar die oudste kan die vriendschap en die vrijheid blijkbaar niet áán. Hij wíl er ook niet aan misschien. Want hij is misschien bang voor vrijheid; om in vrijheid zijn eigen leven gestalte te geven. Liever houdt hij dan dat drogbeeld van zijn vader en daarmee van Gód in stand als strenge patriarch die alles scherp in de gaten houdt en aan wie je alles moet vragen en van wie je zéker geen feest mag vieren met je vrienden. Maar die vader is daar helemáál niet tégen, tegen feestvieren. Dat dácht zijn oudste zoon alleen maar, ten onrechte dus. Zijn vader heeft hém "nooit een bokje gegeven om eens met zijn vrienden feest te vieren". Inderdaad, dat heeft de vader nooit expliciet gedaan. Maar wat betekent dat? Ik feliciteer u niet met uw verjaardag. Ik vergeet zelfs dat u jarig bent. Ik wens u geen plezierige vakantie. Ik ken uw naam niet of ben die kwijt. En wat betekent dat? Dat ik u niet belangrijk vind? Dat ik niet van u houd? Ja, zo kun je dat zien, zo kun je dat uitleggen natuurlijk. Maar die uitleg, die manier van zien is dan wel voor úw rekening. En mag ík het daarmee alstublieft niet eens zijn? Mag ik ondanks dat ik al die dingen níet heb gedaan tóch u wél belangrijk vinden en wél van u houden? "Ik ga niet naar mijn moeder op moederdag. Want mijn moeder weet zó ook wel dat ik van haar houd" hoorde ik eens iemand verklaren. IJzersterk vond ik dat. Blijkbaar heeft de moeder in kwestie die vorm van bevestiging niet nodig. De oudste zoon in de parabel blijkbaar wel. Maar de vader besteedt verder geen aandacht aan diens klacht. Híj blíjft bij de vreugde om de terugkeer van zijn jongste zoon. Die vreugde laat hij zich door de klacht van zijn oudste zoon niet afnemen. Die zal de feestvreugde níet bederven. Zijn klacht is dan ook volkomen uit de lucht gegrepen. Natuurlijk houdt de vader ook van zijn oudste zoon! Relax. Loosen up a little bit, ontspan een beetje, doe niet zo krampachtig, zou je tegen die oudste zoon willen zeggen. Misschien dat hij eens naar een goeie kapper moet en nieuwe kleren moet gaan kopen. Een nieuwe look. En hij lácht ook gewoon veel te weinig. Dus dat feestje met die vrienden is inderdáád een heel goed idee.

 

Te weinig lachen ... daar heeft z'n jongere broer geen moeite mee. Laat die maar schuiven. Z'n oudere broer heeft daar dus ook duidelijk over zitten fantaseren, die zegt over z'n broertje dat hij het vermogen van zijn vader "heeft verbrast met slechte vrouwen". Pardon!? Wie zegt dat? Wat weet híj daarvan? Hij heeft zijn broer zélf na diens terugkeer nog niet eens gezien en niet eens gesproken! Kan zijn hoor, dat hij er niet ver naast zit, maar ... het lijkt me hier toch hier toch op de eerste plaats zijn eigen dirty mind dat spreekt. Ik denk: heimelijk is hij jaloers op z'n broer, die het op school vast heel goed dééd, bij zijn mede-leerlingen van beiderlei kunne en bij de docenten. Zo stel ik mij hem voor, die jongste broer. Het leven lachte hem toe. En ik denk: Zijn oudere broer heeft de kant van het leven die híj zo uitbundig heeft beleefd; zijn oudere broer heeft die kant verdrongen. Hij kán níet (of slechts moeilijk) genieten denk ik, de oudste. "Lust-angst" werd dat in mijn studententijd onder de theologie-studenten wel genoemd. Het kwam onder ons veel voor!

 

Natuurlijk heeft ook die jongste een probleem. Wat zijn oudere broer te veel heeft, dat heeft híj natuurlijk te weinig. Hij kan geen maat houden. Maar, heel opvallend in de parabel die Jezus vertelt: je krijgt nu niet de indruk dat de váder in de parabel erg de behoefte heeft om z'n jongste zoon op dit punt te corrigeren. Hij legt hem eigenlijk geen strobreed in de weg. Zodra zijn jongste zoon, op onaangename toon eigenlijk, tegen hem, zijn vader, zegt: "Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb", doet zijn vader dat onmiddellijk, zonder één bezwaar of woord van protest. En als zoonlief op hangende pootjes en zéér schuldbewust terugkeert en zijn biecht begint te spreken ("Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als één van uw dagloners": hij heeft het hele verhaal vantevoren ingestudeerd) dan lijkt zijn vader die woorden geheel te negeren. Hij negeert ze, hij gaat er geheel aan voorbij; alsof die biecht hem helemaal niet interesseert ... Maar wat is hij blíj met de terugkeer van zijn zoon die vader ... En wat een hartverwarmende ontvangst geeft hij hem ... ("hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem"). En hij richt een feest aan. Wat dat betreft zit de vader eigenlijk helemaal op de lijn van zijn jongste zoon. Die lijkt wat dit betreft veel meer op zijn vader dan de oudste. De jongste had daar naar verlangd, naar feest, dat het leven een heerlijk, onbezorgd feest zou zijn. En hij probeerde dat feest zelf te organiseren. Maar het werd: zwelgen, de bloemetjes buiten zetten, dronkenschap, misschien een soort orgie, een "dierlijk feest" als het ware - het was dan ook niet voor niets dat hij bij de varkens uitkwam. Die hielden hem een spiegel voor: een varkentje was hij min of meer zelf gewórden misschien. Met dat feest dat hij zelf georganiseerd had was hij uitgekomen op een dood spoor. Het is pas door de gedachte "ik ga weer naar mijn vader" dat hij tot leven komt, tot een leven dat echt in de volle zin léven ís. En dan dénk en zeg je niet: wat de anderen denken en zeggen dat kan mij helemaal niets schelen. Dan gá je niet je goddeloze eigen gang en dan sníjd je niet allerlei banden door met mensen. Maar dan blijf je in contact, in verbinding, je houdt voeling. Minstens probeer je dat. Daar doe je dan je best voor. De jongste zoon had dat niet gedaan. Die had z'n vader gewoon in de prut laten zakken. Totdat hij er zelf in terecht kwam. Dan gaat hij terug naar zijn vader. En die zegt dan: "deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden."

 

Ooit belandde ik op deze zondag, dat zal nu precies negen jaar geleden zijn, tijdens een fietsvakantie in een kleine barokkerk in Aschaffenburg, in Noord-Beieren. De priester die daar preekte zei toen (en het maakte op mij een verpletterende indruk mag ik wel zeggen): "Veel mensen hebben afscheid genomen van God, noemen zich a-theďstisch, omdat ze dat wel móesten doen. Ze hadden namelijk een godsbeeld waarmee ze niet kónden leven, een beeld namelijk van God als een kille, strenge, toornige, straffende god. Ja, wil je dán nog een beetje deel van leven hebben, dan móet je zo'n god wel loslaten." De oudste zoon in de parabel neigt daartoe, naar zo'n godsbeeld, naar zo'n soort beeld van zijn vader. Maar zo is God niet! Je hoeft niet bang te zijn voor God. De Duitse priester noemde de "parabel van de verloren zoon" "het evangelie binnen het evangelie". Dít is de God van Jezus! Die komen we híer bij uitstek tegen. Onze God, die van Jezus Christus, is een God naar wie je altijd terug kunt keren, Hij is een God bij je altijd opnieuw welkom bent, wat er ook gebeurd is. "Ik ga weer naar m'n vader" hebben we met z'n allen gezegd en herhaald vandaag bij wijze van refrein bij psalm 51, de grote boetepsalm, "een zangstuk op naam van David: toen de profeet Natan naar hem toegekomen was na Davids omgang met Batseba" zoals er bóven die psalm staat. En die Batseba was door David geschaakt en haar wettige echtgenoot had hij de dood ingedreven. Niet niks.

 

Wij zitten als kerk volledig aan de grond. Een pastoor ergens in het land heeft onlangs een vertegenwoordiger van de bisschop op bezoek gekregen. Hij woont op de pastorie samen met een vriend. Dat doet hij al vele jaren. Het hele dorp weet ervan. En de mensen vinden het wel best geloof ik. Maar nu moet vriendlief vertrekken van de bisschop, want "we willen geen schandaal". Dát wordt weer een schandaal als zo'n toedracht bekend wordt. Want dáár hebben de mensen, wij, denk ik totáál tabak van: van een kerk die mooi weer speelt, maar die een zelfbeeld koestert en die de suggestie wekt van engelachtig rein te zijn, maar waarin ten hemel schreiend kwaad van kindermisbruik bijna systematisch met de mantel der liefde blijkt te zijn bedekt, terwijl dan nu zo'n pastoor en die vriend die zich voor zichzelf en voor elkaar niet schamen en die in alle openheid zo eerlijk en eerzaam mogelijk door het leven trachten te gaan en daarin elkaar proberen te steunen opeens het leven wordt zuur gemaakt - vanwege wat de mensen wel niet zouden kunnen denken en zeggen. Het is zó hypocriet. "Teresa, laat de mensen léven". Een bruidegom vertelde mij ooit dat zijn Spaanse grootvader dát zinnetje altijd sprak tegen zijn echtgenote die altijd erg de neiging had om zich zorgen te maken over het leven van andere mensen. "Teresa, laat de mensen leven ...". Ja, laat de mensen leven en geef ze de ruimte, zoals de vader in Jezus' parabel, beeld van de hemelse Vader, die ruimte geeft aan z'n jongste zoon.

 

Wij zitten als kerk volledig aan de grond veelgeliefden. Wij zijn dan ook een kerk van zondaars. Velen van ons zijn in het verre land geweest waar ook de jongste zoon in de parabel was of verblijven daar soms nóg. God geeft mensen die ruimte. Maar als het om zonde gaat, dan werkt het mijns inziens zó veelgeliefden, dat de wal vanzelf het schip keert. Dan komen mensen vanzelf op een dood spoor terecht. Van wat echt zonde is word je ongelukkig, en dán krijgt een mens het verlangen om terug te keren naar zijn Vader, de hemelse, de eeuwige, die al naar ons uitziet en die ons al in de verte aan ziet komen. Weet dat je altijd welkom bent bij Hem. Hij heeft je lief. Amen.

 

 

 

VERKONDIGING op 29 augustus 2010 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen:uit het boek Jezus Sirach (3, 17-18.20.20-28), Psalm 68 (4-7,10-11), uit de brief aan de Hebreeën (12, 18-19.22-24a) en uit het Lucas-evangelie (14, 1.7-14).

 

Afgelopen vrijdag sta ik in om kwart over negen op het Concertgebouwplein op de bus te wachten. "Een voedzame regen kwam neer uit de hemel" - om het met de woorden van de 68ste psalm te zeggen. Op een gegeven moment valt mijn oog op een grote hoeveelheid vuilniszakken die schuin tegenover mij aan de straat is gezet. Een man en een vrouw, jong, tussen de twintig en de dertig, maken de zakken één voor één open en doorzoeken de inhoud. Van een afstand zien ze er niet slecht uit. De vrouw heeft een lange, lichte jurk aan met kleine bloempjes of zo er op. Om haar hoofd een sjaal in dezelfde stof. Van boven draagt ze een soort jumper, op haar rug een middelgrote rugzak. Hij draagt een spijkerbroek en zo'n sweatshirt met capuchon, grijs. De capuchon heeft hij óp. Tijdens het doorzoeken van de zakken kíjkt hij vóórtdurend óp, de Lairessestraat ín om te zien, ongetwijfeld, of er geen politiewagen nadert. De man en de vrouw lijken mij Roemenen. De afgelopen jaren heb ik meer dan eens ontmoetingen met Roemenen gehad. Door die ontmoetingen heb ik de indruk gekregen dat veel mensen die daar wonen, in Roemenië, stráátarm zijn. Je kunt je dus best voorstellen dat jonge mensen die armoede ontvluchten en hun heil elders zoeken. Maar ja, wat móeten ze hier? Het doorzoeken van vuilniszakken is, zelfs in Amsterdam Oud-Zuid, een al éven treurig alternatief lijkt mij. Wat vonden ze? Een groot koekblik op een gegeven moment zag ik. Het zag er nog gaaf uit. En een kleurige krans van een soort pitriet waar vanalles aanhing. De man toonde het aan zijn vrouw. Wat zouden ze toch met zoiets kunnen beginnen? De mevrouw die naast mij op de bushalte stond zag hen ook. En aan de overkant van de straat, vlakbíj hen, had ook een grote, weldoorvoede, grijzende en kalende man met twee grote, hoogpotige, langharige honden hen opgemerkt. Hij was lángs hen gelopen, had een deur geopend en bleef in de deuropening naar hen staan kijken. Ik denk: hij, de vrouw naast mij op de bushalte en ook ikzelf, we waren geschokt en gealarmeerd door wat wij hier op klaarlichte dag tegenover de entree van het Concertgebouw zagen gebeuren. Je zág de man met de honden dénken: Moet ik iets doen? Hen aanspreken? De politie bellen? Maar het zijn toch arme mensen? Kan ik het niet beter nog even aanzien? Dat vuilnis is toch niets waard? Wat gaat er gebeuren als inderdaad de politie verschijnt? Twee werelden kwamen daar samen, dierbare gasten en parochianen, vrijdagmorgen om kwart over negen in de regen op het Concertgebouwplein aan het begin van de Lairessestraat: de wereld van well to do-bewoners van Amsterdam Oud-Zuid én de wereld van straatarme mensen, vermoedelijk uit Zuid-Oost Europa in dit geval; mensen die verschijnen op onze stoep, midden in het "pretpark Amsterdam" om met Joep van 't Hek te spreken.

 

Een confrontérende ontmoeting zoals dat heet, zéker waar we deze zondag in het evangelie horen dat we, als we een feestje geven, niet onze vrienden, familie of rijke buren moeten uitnodigen (want: "die zouden u op hun beurt uitnodigen om iets terug te doen"), máár wel: armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden. Niet een béétje geld overmaken naar India of Pakistan maar de deur intussen goed dicht houden. Néé, de deur wíjd ópenzetten voor de ellende ("Wat een geluk voor u dat zij er niets tegenover kunnen stellen. Want het zal u teruggegeven worden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.") Wat een bóodschap krijgen wij hier vandaag in dit godshuis temidden van de wierook en de kaarsen, de Latijnse klanken en de kunst waar we maar niet over uítgepraat raken. Kom maar binnen, verworpenen der aarde; kom maar binnen in m'n land en in m'n huis! Is dát de bedoeling gasten en parochianen?

 

Ongetwijfeld zit de Heer ons ook vandaag weer dicht op de huid. Zijn hete adem voelen wij in onze nek. Hij komt, hij morrelt aan onze grenzen, letterlijk. Hij verkent die. Hij laat ons niet met rust. Hij irriteert ons. Ja hij térgt ons misschien wel. Waar wil Hij naar toe? Wat wil Hij toch van ons? "Je kunt niet royaal en niet verwelkomend genoeg zijn." Zo vat ík het maar even samen. Dat is de boodschap wat mij betreft vandaag. Zulke rondscharrelende Roemenen: daar mag je eventueel best contact mee maken. En daar mag je eventueel best wat voor doen. Dat is helemaal niet verboden. Integendeel. Zij zijn ook mensen, precies als wij. Ook zij hebben een maag die vraagt om voedsel, elke dag weer. Ook zij verlangen naar beschutting tegen de regen en kou, ook zij verlangen naar warmte, geborgenheid en veiligheid.

 

Gisteren waren de zusters van Moeder Teresa, de Missionaries of Charity, een dagje weg. In onze stad hebben zij hun klooster aan de Egelantiersstraat. Daar geven ze elke dag tachtig tot soms wel tweehonderd mensen te eten. En geven ze liefde. Dat is de bedoeling tenminste. Maar gisteren waren de zusters een dagje weg en hebben de mensen van ons P.C.I. (de Parochiële Caritas Instelling) voor de mensen gekookt. En zo zat ik zelf gistermiddag aan tafel met Karol en met Herman. Karol uit Slowakije die met zijn vriendin Irina in een tent bivakkeert ergens in de buurt van het station Sloterdijk en Herman uit Amsterdam, een oud-leerling van het Ignatius-college nota bene. "Mijn vrouw kookt alleen als ik aardig voor haar ben" zei hij. Klonk een beetje raadselachtig. Karol en Herman, leuke kerels allebei. Zo was er ook een stel jongens, arme sloebers ongetwijfeld ook, uit Estland. Ik was ons P.C.I. dankbaar, dierbare gasten en parochianen, dat het mij in staat stelde om met deze mensen aan tafel te zitten. Ik vond dat een eer.

 

Moeten wij nu állemaal maaltijden voor daklozen aan gaan richten, is dat de bedoeling? Ik zou zeggen: laat dat maar aan de zusters van Moeder Teresa, aan de Missionaries of Charity en aan het P.C.I. over, oftewel: laten wij dat als kerkgemeenschap sámen doen. Maar: als ú nu een keer een feestje geeft, zou ik zeggen, wees dan niet te kieskeurig met wie u wel en niet uitnodigt. Dat er in uw huis en uw hart plaats mag zijn en ruimte voor iedereen: voor mensen die alles hebben wat hun hartje begeert, maar zeker óók voor mensen die van alles te kort komen. Amen.

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op 22 augustus 2010, de eenentwintigste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesja (66, 18-21, Psalm 117, uit de brief aan de Hebreeën (12, 5-7; 11-12) en uit het Lucas-evangelie (13, 22-30).

 

Vandaag over een week, op zondagmiddag 29 augustus, wordt aan de Zuidelijke Wandelweg de nieuwe synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente ingewijd. Ik kreeg voor die inwijding een uitnodiging, waardoor ik mij zeer vereerd voelde en waar ik heel blij mee ben - want die uitnodiging zegt iets over de verhouding tussen joden en katholieken in deze tijd in onze stad. Ik heb mij dus aangemeld en in de afgelopen week viel het toegangsbewijs op naam op de deurmat. Vetgedrukt staat er op: 14.50 uur Deuren dicht, toegang niet meer mogelijk en uit de toelichting maak ik op dat dat ook iets te maken heeft met de "aanwezigheid van Z.K.H. de Prins van Oranje".

 

Deuren dicht, toegang niet meer mogelijk. "Vanaf het moment dat de heer des huizes is opgestaan en de deur heeft afgesloten, zult u buiten moeten blijven. U zult op de deur gaan bonzen en roepen ..." - etcetera: Zie, of liever gezegd, hóór het evangelie van deze dag! Ik zie mijzelf al bonzen op de deur van de synagoge respektievelijk op die van het koninkrijk van God. Er gaat iets dreigends uit van onze evangelietekst vandaag - zoals er iets dreigends uitgaat van de uitnodiging van de synagoge. Wij worden uitgenodigd, maar: lét wel! Er zijn wel voorwaarden!

 

In het geval van de uitnodiging van de synagoge is die voorwaarde slechts: je moet op tijd zijn. Én "voor heren is hoofdbedekking (...) verplicht, keppeltjes zijn bij de ingang van de synagoge voorradig". In het evangelie gaat het om het binnenkomen door een nauwe deur. Het bekend zijn mét de heer des huizes - waarbij wij natuurlijk meteen denken aan Jezus zelf die de gelijkenis vertelt -; bekend zijn mét Jezus als zodanig biedt daarbij géén garantie op toegang. Zoete broodjes worden er niet gebakken. De toegang tot het koninkrijk is géén kwestie van "ouwe jongens krentenbrood", is geen kwestie van "ons kent ons". "We hebben met U gegeten en gedronken en in onze straten hebt U onderricht gegeven" roepen degenen die op de gesloten deur bonzen. In de afgelopen week was ik met een groep jongeren op kamp in de buurt van Zwolle - waar Thomas a Kempis in de vijftiende eeuw zijn beroemde "Navolging van Christus" schreef. Die "Navolging" is door een leraar van een middelbare school in Zwolle, Mink de Vries, vertaald "in jonge taal" en dáárin, in die vertaling, hebben wij ons in de afgelopen week verdiept. Ergens in die "Navolging" schrijft Thomas a Kempis: "Velen hebben de boodschap van het evangelie maar al te vaak gehoord, maar voelen zich er niet door aangetrokken omdat ze niet de houding, niet de geest van Jezus hebben. Wie de woorden en levensstijl van Jezus echt wil begrijpen en ervaren, zal Christus in zijn leven dienen te volgen, in actie moeten komen en het niet bij woorden moeten laten (...) Je bezighouden met moeilijke, diepzinnige woorden en teksten maakt je niet opeens tot een goed mens: een goed leven leiden, dat is waar het om gaat. Daar is God blij mee."[60] Of, om met het evangelie van vandaag te spreken: God verlangt van je dat je géén onrecht bedrijft.

 

Waar het om gaat, dat Koninkrijk, dat is voor iederéén bedoeld, dát werd ook uit de eerste schriftlezing van deze zondag duidelijk. De profeet Jesaja sprak over mensen van "alle volken en talen" die "op paarden, wagens, huifkarren, muildieren en draagstoelen naar mijn heilige berg Jeruzalem" worden gebracht. In de antwoordpsalm (117) ging het ook heel nadrukkelijk over "alle naties" en "alle volken" die opgeroepen worden om de Heer, de God van Israël te loven. "Van oost en west, van noord en zuid" zullen ze aan tafel gaan in het Koninkrijk van God zegt het evangelie. En daarbij zullen laatsten eersten en eersten laatsten zijn. De kaarten worden opnieuw geschud en de uitkomst wie er wel en niet bij horen, bij dat Koninkrijk, wie er wel en niet deel van uitmaken en welkom zijn zal verrassend zijn. Gedoopt zijn, vaak naar de kerk zijn gegaan, met regelmaat de communie hebben ontvangen, je in de bijbel hebben verdiept ... als zodanig biedt het allemaal geen zekerheid. Heeft het iets met je gedaan? Heb jij er zelf iets mee gedaan? Daar gaat het om.

 

Een paar jaar terug bracht ik met een vriend van mij een bezoek aan de heilige berg Athos, een semi-onafhankelijke republiek van monniken in Griekenland. Eén van de kloosters die wij er wilden bezoeken was het Russische Hagios Panteleimenoon-klooster, een gigantisch gebouw, het heeft misschien wel duizend kamers. Alleen: voor ons was er geen plaats. "Het gastenkwartier wordt gerenoveerd" zei de gastenpater. En daar sta je dan, in de hitte van de namiddag met het volgende klooster minstens een uur gaans verwijderd, bergopwaarts. En zou daar dan wél plaats zijn? Dat wij geen Russen waren en niet-orthodox had er misschien ook wel mee te maken dat wij niet welkom waren. Want er wáren wel andere pas gearriveerde gasten. Die waren wél toegelaten. Maar díe waren van het houtje! Eén van hen, Alexej, die met zijn vader, een grote bouw-ondernemer, plus een orthodoxe priester plus een lijfwacht reisde; Alexej was er zéér verontwaardigd over dat zij wel naar binnen mochten en wij niet. Hij loodste ons bij het avondeten derhalve toch gewoon de enorme, prachtig gedecoreerde eetzaal van het klooster, de "trapeza", binnen én hij leende ons de spiksplinternieuwe slaapzakken van hem en zijn vader, zodat wij op het strand konden slapen en de volgende morgen in alle vroegte de liturgie in het klooster konden meemaken. Dát werd een onvergetelijke ervaring, die nacht onder de sterrenhemel én die liturgie. De meer dan negentigjarige "hčgemoon" (leider, abt) van het klooster ging in die liturgie vóór. Zijn gezicht straalde daarbij als dat van een engel. Na afloop van de urenlange viering trok de gemeenschap zich terug in een aparte kerk op het kloosterterrein - om even later weer naar buiten te komen: de hegemoon vooróp, om zijn schouders een mantel van dunne stof van, ongelogen, wel dertig of veertig meter lang die door de monniken achter hem aangedragen werd, het alles begeleid door een hemelse zang die je door merg en been ging en die diep ontroerde. Zo trok men opnieuw de eetzaal binnen - alsof men de hemel binnenging. Maar, u raadt het misschien al, de grote deuren gingen wél voor ónze neus dicht. Dat was wel even een moment om diep te doorvoelen ook: Dat was echt dat moment van "Heer, doe open ...". En toen was daar opnieuw Alexej. Witheet was hij toen hij begreep dat wij opnieuw waren buitengesloten. Hij ging zich bij de leiding van het klooster over de gastenpater beklagen ("Hij zal worden gestraft" had hij daarbij te horen gekregen) en vervolgens toverde hij allerlei etenswaren tevoorschijn.

 

Waren wij onrechtvaardig behandeld dierbare gasten en parochianen? Hadden wij wél verdiend om binnengelaten te worden in de eetzaal, in de trapeza van het klooster casu quo om aan tafel te gaan in het Koninkrijk van God? Ik was daar zelf duidelijk veel minder van overtuigd dan Alexej. Maar hoe híj voor ons ópkwam - dat was hartverwarmend. En ik weet zeker: aan mensen zoals die Alexej, die met hart en ziel ópkomen voor andere mensen, voor degenen die niet welkom zijn met name, aan hén behoort het Koninkrijk der hemelen. Heel graag, lieve mensen, zou ik in mijn leven als dat aan de orde is (en het ís voortdurend aan de orde) dus een beetje willen zijn ... zoals Alexej. En ik wens het ook ú toe. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 25 juli 2010, de zeventiende zondag door het jaar, hoogfeest van Sint-Jacobus te Compostella, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesis (18, 20-32), Psalm 238 (ged.), uit de brief aan de Kolossenzen (2, 12-14) en uit het Lucas-evangelie (11, 1-13).

 

De laatste keer dat ik u op deze plek mocht toespreken, dierbare parochianen, was twee weken terug, op de dag van de finale van het wereldkampioenschap voetbal in Johannesburg, Zuid-Afrika. Op die dag was alles oranje, zelfs in meer of mindere mate in de kerk - terwijl de kleur van de liturgie van de zondag wél gewoon groen was, precies als vandaag, en Jezus in het Lucas-evangelie vastberaden naar Jeruzalem gaat, de stad van God. Jezus is op Jeruzalem gericht en niet op Jericho - dat in het evangelie van de bewuste zondag (over "de barmhartige Samaritaan") óók voorkomt. Jezus is niet op Jericho gericht, laat staan op Johannesburg, wél op Jeruzalem. In dat verband heb ik u verteld dat Jeruzalem hóóg ligt, op een berg, terwijl Jericho láág ligt, vér onder zeeniveau. De afstand tussen beide plaatsen, Jeruzalem en Jericho, is maar twintig kilometer. Maar het hoogteverschil is groot: wel negenhonderd meter. Ik heb u toen ook verteld dat in het Lucas-evangelie dat hoogteverschil een theologische betekenis heeft, namelijk in de zin van: in Jerúzalem moet je zijn voor God, níet in Jericho. Als je naar Jericho gaat, dan beweeg je van God wég. Ga je náár Jeruzalem, dan beweeg je naar Hem toe. En zo doet uiteraard Jezus. En Hij nodigt ons uit om achter Hem aan te gaan. Want Hij wil ook ons bij God brengen.

 

In de eerste lezing van vandaag, uit het boek Genesis, is iets dergelijks aan de hand. Daar gaat het om de steden Sodom en Gomorra. Ook die beide steden liggen láág, precies als Jericho. De mensen zijn er dan ook díep gezonken. Wij hoorden hoe God tegen Abraham sprak: "Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten."

 

De vraag wat er nu precies mis is met en in Sodom en Gomorra kunnen we laten rusten dierbare gasten en parochianen. Daarover vertelt de lezing van vandaag niet. Maar dát het daar in Gods ogen niet goed gaat en dát Hij zich zorgen maakt en op het punt staat om "corrigerend op te treden" omdat men daar in Sodom en Gomorra eigenlijk om vráágt, daar mogen we vandaag wél over spreken. Die houding van God is voor ons trouwens herkenbaar. Want ook wij kunnen ons ernstig zorgen maken over wat wij om ons heen, met mensen, binnen onze samenleving, in onze wereld, zien gebeuren. Wij kunnen ons er zorgen over maken. En we kunnen ons erover opwinden.

 

U weet, veelgeliefden, keer op keer slaagt onze kerk er tegenwoordig in om de voorpagina van de krant en het achtuurjournaal te halen. Nu weer vanwege "Obdam". Mijn fantastische collega Paul Vlaar, een geweldige, in het dorp zeer geliefde pastor, die volle kerken trekt, heeft het dit keer wel erg bont gemaakt, dat wil zeggen: erg oranje. Zódanig dat de Heer en dat de heiligheid van de eucharistie erdoor zijn ondergesneeuwd vindt onze bisschop Jozef Punt. En hij heeft Paul geschorst. Hij mag zijn ambt tijdelijk niet uitoefenen. Een paar maanden lang moet hij zich verplicht in een klooster bezinnen. Leiden in last. Heel Holland valt weer over onze kerk en met name over de bisschop. Paul heeft duizenden steunbetuigingen ontvangen terwijl naar eigen zeggen de disciplinaire reactie van de bisschop "ook adhaesie" heeft opgeroepen. "Uitermate zwaar is hun zonde!" wordt over en weer min of meer beweerd. Paul heeft het helemaal verkeerd gedaan. De bisschop heeft het helemaal verkeerd gedaan. Zo vindt men. In een brief die de bisschop op 19 juli aan "de gelovigen van het bisdom haarlem-Amsterdam", aan ons dus ook, schreef; daarin heeft hij het over een dubbele crisis waar wij als kerk mee te maken hebben: "een morele crisis, waarvan het kindermisbruik in het verleden het zwaarste weegt, en waarvan we ons oprecht proberen te zuiveren." Maar daarnaast is er ook sprake van "een geloofscrisis" stelt de bisschop. De "kwestie Obdam" zou zijns inziens illustreren dat "het besef van Gods aanwezigheid in de eredienst, de eerbied dus voor het heilige, in onze Nederlandse katholieke kerk is verzwakt."

 

Zou het, dierbare parochianen en gasten; zou het zo zijn? Is dat wáár wat onze bisschop schrijft? Ik denk: het kan helemaal geen kwaad om ons dat af te vragen - samen met pastor Paul in het klooster als het ware. Ik denk: de bisschop heeft daar best een punt waar hij voor opkomt - terwijl ik tegelijkertijd denk: die pastor Paul Vlaar in Obdam, die is helemaal uit het goede hout gesneden. Paul is ongetwijfeld diep doordrongen van het besef van Gods heiligheid in de eredienst. Dat zie je aan zijn gezicht zou ik bijna zeggen. Hij is, in mijn ogen althans, een edele, zuivere jongen. En zonder dat ze er misschien zelf erg in hebben geeft hij dat besef van Gods heiligheid aan de kerkgangers in Obdam ongetwijfeld méé - mét en in de oranjetompouce zelfs die de kerkgangers na afloop van de viering kregen. Daar ben ik heilig van overtuigd.

 

Ja, veelgeliefden, graag pleit ik hier voor mijn collega Paul, een beetje hoop ik zoals Abraham het deed voor de mensen van Sodom en Gomorra. Natuurlijk, zij deugden niet. Wij deugen ook niet. Jezus zegt het zélf in het evangelie van deze zondag, in een bijzin, tussen neus en lippen door, maar tóch: "Als jullie, slecht als je bent ..."

 

Er mag dus bést wat, of véél zelfs, aan te merken zijn op Sodom en Gomorra, op Obdam en op Amsterdam. Maar, je kunt de zaak dan wel op de schop nemen of er de brand in steken of hoe je dat ook wilt aanpakken, maar ... pas op: er kan dan ook het nodige goede verloren gaan ... Het is me niet nogal kostbaar dat in deze tijd van kerkelijke kommer en kwel er zo duidelijk léven zit in de kerk van Obdam. Een roos bloeit in de woestijn. "Vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is." De Heer heeft de vergeving toch niet voor niets tot een kern, zo niet dé kern, nee de zíel van zijn leven en bidden en leer gemaakt? Laat de bisschop pastor Paul alsjeblieft zo snel mogelijk zijn wel erg enthousiaste oranjemis vergeven. En laat pastor Paul alsjeblieft de bisschop zijn wel érg stoere "disciplinaire maatregel" vergeven. Zand erover alsjeblieft en verder. Paulus, schrijft ons vandaag in zijn brief aan de Kolossenzen: ""Hij heeft ons al onze overtredingen vergeven. Hij heeft de oorkonde met al haar bepalingen, die in ons nadeel was en tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar uit ons midden weggenomen en aan het kruis genageld." Precies altijd in alle opzichten de regels volgen veelgeliefden, dat lukt ons niet en als het ons al zou lukken, dan zou het ons toch niet bij God brengen. Nee, zeker niet! Kijk maar naar Jezus, genageld aan het kruis. Dát is wat gebeurt als we met ijzeren discipline en consequentie de regels volgen: dan wordt leven ondraaglijk zwaar, dan gaan mensen ten onder, dan breken ze. Als een misdadiger is Jezus aan het kruis gestorven. "Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan" denken de mensen dan (óók in Obdam). "Dan zal die wel wat verkeerd hebben gedaan." "Dan zal die wel wat op z'n kerfstok, op z'n geweten hebben". Als het met mensen niet goed gaat of zelfs "verkeerd afloopt", dan hebben ze dat toch aan zichzelf te danken ook. Zo denkt men. Zo denken mensen. Zo denken wij - als we niet oppassen. Jezus van Nazareth echter heeft met en in zijn kruisdood door die rekening nu precies een grote, dikke, vette streep gezet. Juist de mens die er volgens de regels, volgens de wet helemaal náást zat, was "helemaal goed", zo wist Paulus. Mogen wij het ook weten en er in ons leven van getuigen. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 11 juli 2010, de vijftiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Deuteronomium (30, 1-4), Psalm 69 (ged.), uit de brief aan de christenen van Kolosse (1, 15-20) en uit het Lucas-evangelie (10, 25-37).

 

Aller ogen gericht, wereldwijd en zeker in Nederland, op Johannesburg. Wordt Nederland vanavond wereldkampioen? Vandaag hangt het antwoord op die vraag nog in de lucht. Vanavond wordt het beslist. Aller ogen gericht op Johannesburg. Overal oranje. Mijn collega Paul Vlaar, de pastoor van de Sint-Victorparochie te Obdam, in West-Friesland, het dorp waar mijn vader geboren is; Paul heeft z'n hele kerk met oranje vlaggetjes volgehangen, hij gaat vandaag vóór in een oranje kazuifel en na afloop van de viering krijgt iedereen een oranje tompoes. Oranje-gekte die zelfs een pastoor in z'n greep kan krijgen dus. Míj gaat dat allemaal veel te ver - al zijn ook wíj niet ontkomen aan oranje bloemen voor het altaar. Gelukkig ervóór, niet erbovenop zeg ik op zo'n dag. We mogen onze lol vanwege oranje en ons verlangen naar de overwinning best beleven voor Gods aangezicht. We mogen het Hem best vóórleggen. Wie weet heeft God er schik in en ziet Hij in deze genadig op het Nederlands elftal, "op ons", neer ... Wie weet ... Aller ogen gericht op Johannesburg, alles oranje ... maar de kleur van de liturgie is vandaag, op deze vijftiende zondag door het jaar, wél gróen en de Heer is niet gefocust op Johannesburg, maar op Jeruzalem. Zo is dat met Jezus, zeker in het Lucas-evangelie: Jeruzalem is de stad waar Hij op gericht is, waarheen Hij op weg is, waar Hij naar toeleeft. In Jeruzalem, niet in Johannesburg, gebeurt het. In Jeruzalem, niet in Johannesburg, valt de beslissing. Johannesburg - dat is in wezen toch de waan van de dag. Maar in Jeruzalem - daar gebeurt het heil van God, voor alle tijden en plaatsen. De tweede lezing vandaag was uit de brief aan de Kolossenzen, de grote Christus-hymne die we vinden in die brief. Daarin wordt het bezongen, dat beslissende heil dat ons in Hem, in Jezus Christus, van Godswege ten deel is gevallen: "Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping. (...) in Hem is alles geschapen, in de hemel en op de aarde (...) In Hem heeft heel de volheid willen wonen om door Hem alles met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed, aan het kruis vergoten." Toe maar. Het is duidelijk, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: voor de schrijver van die brief aan de Kolossenzen is Jezus en is speciaal ook Jezus' kruisdood álles. Jezus en zijn kruis zijn de sleutel tot het verstaan van het hele mysterie van dat wonderlijke, mooie en wrede leven van ons; óók van dat van ons nú, in deze tijd. De woorden van de brief aan de Kolossenzen hebben betrekking op verleden, heden en toekomst. Jeruzalem dus. Dat is Gods stad. En dat is dus ook Jezus' stad. Jeruzalem is de eeuwige stad, níet Rome, laat staan Johannesburg.

 

Maar nu is het zo wonderlijk in het evangelie van deze zondag: daar ontmoeten we een mens, een reiziger, Jezus vertelt over hem, die gaat níet naar Jeruzalem, maar die gaat in de omgekeerde richting, hij gaat naar Jericho. De weg tussen die steden is maar zo'n twintig kilometer. Maar het hoogteverschil is enorm. Jeruzalem ligt hoog, op een berg, zo'n zevenhonderd meter boven zeeniveau. Maar Jericho ligt eronder, tweehonderd meter of zo. Een hoogteverschil van bijna een kilometer dus. Zo is de geografie van het Heilig Land op dit punt. En iedereen weet: je moet in Jeruzalem zijn, daarboven. Jezus weet het, Hij gaat erheen. En ook die priester en die leviet over wie hij vertelt in zijn parabel; ook zij weten het, ook zij gaan erheen, naar Jeruzalem. Ze weten niet hoe snel ze er moeten komen die laatste twee. Als vliegen op de stroop, zo trekken ze naar Jeruzalem. En ook: met oogkleppen op. Die mens die daar halfdood aan de kant van de weg ligt, die zien ze niet. Of liever gezegd: die wíllen ze niet zien. Ze zijn een beetje obsessioneel bezig met hun Jeruzalem en met hun God.

 

Die halfdode, wist die het misschien níet, dat Jeruzalem the place to be is? Hij ging niet omhoog, naar Jeruzalem, maar hij zakte juist af, naar Jericho. Geen wonder dus eigenlijk dat hem iets naars overkomt. Hij is de goede weg, de goede richting in zijn leven blijkbaar kwijt. Hij stevent af op duistere, diepliggende regionen. Let wel mensen! Als zodanig is er met Jericho natuurlijk niets mis, maar Lucas vertelt ons de parabel bij monde van Jezus omdat hij ons óók met en door de ligging van die twee steden, Jeruzalem en Jericho, ten opzichte van elkaar iets duidelijk wil maken van een andere orde: "Jeruzalem" - dat is het leven mét God, gericht op God, in harmonie met God, zoals God het wil. "Jericho" - dat is: ver van huis, de weg kwijt, dat is verloren lopen en dat het met een mens niet goed gaat. En met zulke mensen "moeten we dus iets", daar mogen we dus niet in een grote boog omheen lopen, juíst omwille van de God die zich in Jeruzalem laat kennen en die we daar mogen ontmoeten.

 

Ik zei: daar "moeten we iets mee", met zo'n halfdode pechvogel aan de kant van de weg. Maar dat "moeten" is het totaal verkeerde woord in dit verband. Dan krijg je geforceerde toestanden: zoals met iemand die je tegen het lijf loopt in de supermarkt en met wie je voor je gevoel wel even móet praten - al staat je hoofd daar helemaal niet naar en heb je er misschien helemaal geen zin in. Dan kun je het dus beter laten ... Het prachtige van die Samaritaan die Jezus bij Lucas beschrijft is nu juist dat die meteen wérkelijk geráákt wordt door die halfdode figuur langs de weg. "Hij zag hem en was ten diepste met hem begaan". Zien, veelgeliefden, werkelijk zien. Mensen echt zien, iemand echt zien. De hele gestalte van iemand en het wezen goed tot je laten doordringen, dat is niet iets vanzelfsprekends. Vaak zien we de mensen, de dieren en de dingen wel maar zien we ze niet. Ze komen niet bij ons binnen, feitelijk sluit je jezelf áf - want je moet zo nodig naar Jeruzalem. Of naar Johannesburg. Voetbal kijken. Boodschappen doen. Bidden. En zo gebeurt het dat we voorbijgaan aan de openbaring van God in ons leven. Hij laat zich zien, op de eerste plaats in mensen die in nood zijn, die jou nodig hebben en voor wie jij iets zou kunnen doen. God laat zich zien. Maar wij verschuilen ons. Adam waar ben je? Niet thuis!

 

Zo niet de Samaritaan. Hij is wel thuis - al is hij dan "op reis". Hij laat onmiddellijk zijn hart spreken. Het gebeurt gewoon. Hij denkt er niet eens over na in de zin van "wat zou ik in het licht van mijn geloof nu in deze situatie kunnen of misschien wel moeten doen?" Hij denkt niet na over God, de Samaritaan (iemand die "niet van het houtje" is dus), maar hij "dóet" God wél. Het is met hem, met die Samaritaan, zoals in het boek Deuteronomium, de eerste lezing van vandaag, gesproken wordt over Gods geboden. Die zijn niet te zwaar voor je en die liggen niet buiten je bereik. Je hoeft niet naar de hemel of de zee over te steken om erbij te kunnen. "Nee, het woord is dicht bij je, in je mond en in je hart. Dus je kunt het volbrengen" - zoals de Samaritaan laat zien. De hulp die hij biedt is adequaat, royaal, nuchter, niet sentimenteel, die wordt niet overgoten met een godsdienstig sausje. De Samaritaan neemt de tijd voor het slachtoffer. Hij trekt met hem in een herberg. Maar hij heeft ook zijn grenzen. De andere dag moet hij echt verder, maar dan doet hij een beroep op de herbergier voor verdere zorg - en stelt zich dan ook nog eens garant in verband met de eventuele kosten. Wat mij er in aanspreekt, in hoe hij het aanpakt, die Samaritaan, dat is het frisse, het niet-tobberige van zijn aanpak: "Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?" en "Wie is mijn naaste?" - de vragen die de wetgeleerde Jezus stelt, zulke vragen stelt hij, de Samaritaan, niet. Hij laat z'n hart spreken. Proberen wij het ook: in Jericho en Jeruzalem. In Johannesburg. In Obdam en in Amsterdam. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 27 juni 2010, de dertiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het eerste boek der Koningen (19, 16b.19-21), Psalm 16 (ged.), de brief aan de Galaten (5, 1.13-18) en uit het Lucas-evangelie (9, 51-62).

 

Zoals in "de Da Vinci-code" of "het Bernini-mysterie"! - de wereldwijde best-sellers van Dan Brown. De bisschoppen van België door justitie negen uur lang vastgehouden in het aartsbisschoppelijk paleis in Mechelen. Hun mobieltjes moesten ze inleveren. Het huis van kardinaal Danneels doorzocht, dossiers meegenomen, computers meegenomen. En als klap op de vuurpijl: In de Sint-Romboutskathedraal werd de aartsbisschoppelijke grafkelder geopend. Dat alles op zoek naar belastende documenten in verband met onderzoek naar kindermisbruik binnen de kerk. De doofpotten van kardinaal Danneels. Bestaan die? Waar zijn ze? Het leek wel een scčne uit de Da Vinci-code of het Bernini-mysterie van Dan Brown. Of nee: het boek en de film verbleken erbij. Want dit is écht! Real-life soap. Zo langzamerhand krijg ik als priester van de Roomse kerk soms het gevoel alsof ik voor een criminele organisatie werk. Dat er zó tegen ons aangekeken wordt. Bij tijd en wijle voelt dat enigzins onbehaaglijk - een onbehaaglijkheid die natuurlijk in het niet valt bij wat slachtoffers van misbruik hebben moeten ervaren. En iedereen snapt: het is in ieders belang, in het belang van slachtoffers, van daders en van de kerk dat de zogenaamde "waarheid" zoveel mogelijk aan het licht komt - al zou je daarbij wensen dat zulke Dan Brownachtige scčnes vermeden zouden kunnen worden. Quod non blijkbaar. Rome is natuurlijk weer boos, op de teentjes getrapt. Maar de bisschoppen van België hebben het gelaten over zich heen laten komen is mijn indruk (ja, wat moeten ze anders) en temidden van alle commotie met gepaste vreugde toch Jozef, Sjef, De Kesel gepresenteerd als nieuwe bisschop van Brugge, als opvolger van de vanwege misbruik afgetreden bisschop Vangheluwe. Da's een goeie geloof ik, De Kesel. Maar ja, dat dachten we van Vangheluwe ook altijd. Nou ja, we zullen wel zien. We gaan in elk geval vérder als kerk, wat er ook gebeurt.

 

En we wenden ons opnieuw, met zo groot mogelijke aandacht, naar het evangelie, naar Jezus, want daar gaat het toch om. Hij is toch de kern, Hij is toch het hart van de zaak waar het ons om gaat in de kerk. Of niet soms? "Terwijl zij onderweg waren". Díe woorden klinken vandaag in het evangelie. De Willibrordvertaling van 1995 vertaalt: "terwijl zij hun reis voortzetten." Zo is het dierbare gasten en parochianen: wij zijn als kerk onderweg, wij zijn op reis. Jézus is het. Het reisdoel is Jeruzalem. Daar wacht Hem het kruis. Maar in het evangelie van deze zondag wordt daarvoor het woord "verheffing" gebruikt. Pieter Oussoren, de vertaler van de Naardense Bijbel heeft het over "opneming". En de Willibrordvertaling van 1995 schrijft: "Toen de tijd naderde dat Hij zou worden weggenomen." Wegnemen, opnemen, verheffen. Welk woord je ook kiest, het is duidelijk dat vooruitgeblikt wordt naar Jeruzalem en naar het kruis - niet als een definitief einde, maar als een doortocht. Het gaat om Jezus' exodus, om zijn uittocht, om zijn uitweg - zijn escape om met Dan Brown te spreken. Jezus gaat gekruisigd worden. Maar op dat kruis gaat Hij ontsnappen. Het is zijn uitweg, op weg naar Gods Koninkrijk. En het is dus de bedoeling dat wij Hem, Jezus, op die weg volgen, dat wij Hem návolgen. De navolging van Christus, daar gaat het om.

 

Op zijn weg ontmoet Jezus vandaag drie naamloze figuren. Dat is wel interessant, want dan kunnen wij onze eigen naam daar invullen. De eerste is erg enthousiast: "Ik wil U volgen, waar u ook naartoe gaat." En Jezus zegt dan: "De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nérgens het hoofd neerleggen" - wat voor mij en voor U dan natuurlijk meteen de vraag oplevert: Nestel ik mij niet veel te veel in wat ik zogenaamd "heb", in mijn zogenaamde "positie", in mijn zogenaamde "identiteit". Zijn dat huis, die meubels, die bankrekening, die maaltijden en wat erbij gedronken wordt niet allemaal te veel: te groot, te zwaar, te dik? Ben ik niet zelf een ongelooflijk meubel geworden? niet te vertillen of te verschuiven ... niet weg te bránden gewoon, weinig flexibel, niet erg dynamisch ... Op dit punt kán voor ons een uitdaging liggen dierbare gasten en parochianen.

 

De tweede anonymus lijkt in principe wel bereid om op Jezus' uitnodiging, of liever gezegd: bevel (want Jezus zegt gewoon: "Volg Mij"); om daar op in te gaan, maar hij of zij is zo'n type van "eerst nog even dit en nog even dat". Daar moet je dus erg mee oppassen veelgeliefden. Want als je eerst nog even dit of eerst nog even dat wil doen, dan loop je het gevaar dat je net de boot mist, de boot van het Koninkrijk wel te verstaan. En die boot wíl je niet missen. En waar gaat het dan in concreto om? Ik denk: de Geest Gods, die van Jezus, die spreekt in ons. En die geeft ons vanalles in: om contact op te nemen met deze of gene, om dan dit of dat te zeggen. Of je zit op de fiets, je ziet iemand lopen op straat, een bekende. Blikken kruisen elkaar. Je lacht elkaar misschien toe. De Geest in jou zegt: "nu". Maar jij fietst door, want je hebt zogenaamd haast. Oftewel: je zit vast aan je eigen plan en staat niet open voor dat van God. Gemiste kans. Het omgekeerde komt ook voor. Iemand vertelde mij ooit dat een vriend van hem op de trap van de metro in Parijs zo ongeveer letterlijk tegen een onbekende was opgelopen. Er gebeurde iets in beider ogen. En hij is níet doorgelopen. Ze hebben elkaar ontmoet, ze zijn getrouwd en hebben drie kinderen. Zo werkt de Geest Gods, die van Jezus. Zo is de weg die leidt naar het Koninkrijk. Let op je ingevingen, heb er aandacht voor. En negeer ze niet - ook al moet je bij wijze van spreken of zelfs in de meest letterlijke zin je vader gaan begraven ...

 

Paulus, in de tweede lezing vandaag, uit de brief aan de Galaten, onderscheidt tegenóver de Geest een andere kracht die hij noemt: "zelfzucht" en: "egoďsme". "Leef naar de Geest, dan zult ge niet uitvoeren wat de zelfzucht dicteert". Heel dwingend kan die zelfzucht zijn, náár-geestig, onaangenaam. Ik denk, veelgeliefden, aan de vruchten herkennen we wat dit betreft de boom: De Geest van God, het luisteren naar de ingevingen dáárvan, maakt ons blij en licht en gelukkig. Het luisteren naar de ingevingen van zelfzucht en egoďsme maakt ons droevig, zwaar en óngelukkig. "Bemint uw naaste als uzelf!" Paulus herinnert ons aan hét grote gebod Gods. En hij voegt de Galaten vervolgens toe: "Maar als u elkaar blijft bijten en klauwen, dan vrees ik dat u elkaar op den duur zult verslinden." Er is veel haat en nijd. Buiten de kerk. Ten aanzien van de kerk. Maar ook binnen de kerk. Het is soms wérkelijk een Dan Brownachtige toestand. We hebben nog een hele weg te gaan wat betreft die "navolging van Christus". Maar we geven niet op. Want de uitweg is er. Die weg loopt naar en door Jeruzalem. Het is de weg van het kruis die een weg is van verheffing, van opneming, van weggenomen worden. Amen.

 

 

 

 VERKONDIGING op 16 mei 2010, de zevende zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (7, 55-60), Psalm 97 (ged.), het boek der Openbaringen van Johannes (22, 12-20) en uit het Johannes-evangelie (17, 20-26).

 

Ze heette, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, ze heette Daniëla. Ze was een Italiaanse. Ze was de dochter van een collega van één van onze docenten. Met een paar vriendinnen bezocht ze Amsterdam en via haar vader en diens Amsterdamse collega had ze onderdak gevonden bij ons, bij onze leefgemeenschap ("leefgroep" heette dat in die jaren) van theologiestudenten aan de Marnixstraat. En ze zag hoe wij afwasten: in een teiltje, met een sopje en dan afdrogen. Zonder eerst de chemicaliën van het afwasmiddel af te spoelen onder de kraan. Nee! Terribile!  Met Italiaanse dramatiek gaf ze uitdrukking aan haar afschuw. Hoe kónden wij zóiets doen: dat was toch verschrikkelijk ongezond!

 

Ja, dierbare gasten en parochianen, het mag wel een wonder heten dat ik het hier na zoveel jaren nog kan navertellen. Waarom? Waarom vertel ik dit u vandaag? - Bij wijze van voorbeeld van hoe mensen verschillend over dingen kunnen denken en hoe ze verschillend kunnen doen. Je hoeft daarvoor nog niet eens met een buitenlander of buitenlandse van doen te hebben. Partners en huisgenoten kunnen verschillende gewoontes en ideeën hebben. En ook binnen de familie, op het werk, op de trap en ook in de kerk kunnen die uiteenlopen en ook frictie opleveren. Hoe richten we het huis en de tuin in? Wie doet dat? Hoe doen we het met eten? Hoe geven we het geld uit? Wie zet de vuilniszak buiten? Enzovoort. Het zijn de kleine dingen die het doen - in de goede én in de moeilijke zin. Wij kunnen ons door elkaar gezíen en geliefd voelen. Wij kunnen ons door elkaar bekrachtigd, gesteund en gestimuleerd voelen. Maar wij kunnen voor elkaar ook een bron van ergernis en verdriet zijn. Wij kunnen ons door elkaar ook afgewezen, geremd en óntkracht voelen: keer op keer naar beneden geschoten in onze ópvlucht als het ware. Zo kan het zijn. En als het in onze "kleine wereld" al zo ingewikkeld en moeilijk kan zijn om tot elkaar te komen, om elkaar goed aan te voelen en om goed met elkaar om te gaan, om harmonie en een zekere eenheid te ervaren, wat mogen we op dat vlak dan in "de grote wereld" verwachten, de grote wereld van de verhoudingen tussen de volken, tussen mensen van verschillende ethniciteit, met verschillende talen, culturen, godsdiensten en levensbeschouwingen? In het evangelie van deze dag bidt de Heer om eenheid, maar in de eerste lezing wordt Stefanus door zijn eigen volks- en geloofsgenoten afgemaakt, dat wil zeggen: Stefanus was dan een jood die in Jezus was gaan geloven, maar daar kon men blijkbaar niet tegen, zoals het voor mensen nog altíjd onverdraaglijk kan zijn om iemand met een kruis een keppeltje of een hoofddoek te zien. Er zijn omstandigheden waarin zulke uiterlijke tekenen van een bepaald soort gelovigheid je de kop kunnen kosten.

 

Omgaan met verschillen. Hoe moeilijk is dat.

 

Het evangelie van deze dag moet heel langzaam gelezen worden, meditatief. Het is als de dans van derwisjen: die Turkse mannen in die lange witte gewaden met van die torenhoge hoeden op hun hoofd. Terwijl ze dansen, om elkaar heencirkelen, letterlijk, bollen de gewaden op. Magnetiserend, hypnotiserend is het. De dansers én de toeschouwers raken in trance. Zo is ook het evangelie van deze dag: "Zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn (...) Ik heb hen laten delen in de heerlijkheid waarin U Mij hebt laten delen, opdat ze één mogen zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen zoals U in Mij (...). Eenheid tussen hemel en aarde. Eenheid tussen mensen - op grond daarvan, van daar uit.

 

Hoe komen wij tot die eenheid veelgeliefden? Ik denk, als wij in en vanuit de Kerk daarover spreken, dan moeten we zeggen: Die eenheid kunnen wij alleen maar vinden als we op Gód gericht zijn. Daarom insisteer ik altijd zo op het gebed. Daarom laat ik níet af om het onder uw aandacht te brengen, soms tot grote irritatie van sommigen. Echter, laten we het ná in de kerk, blijft de kerk gesloten en wordt er niet gebeden, dan worden het de vergaderingen en dan wordt het de onderlinge gezelligheid en dan wordt het ook "het gedoe" en ook eventueel het gekibbel en het geruzie dat ons met elkaar verbindt. Vergaderingen en onderlinge gezelligheid zijn natuurlijk óók belangrijk. En dat gedoe, gekibbel en geruzie blijkt helaas niet altijd te voorkómen. En laten we ook vooral niet vergeten dat er onder ons gelukkig ook sprake is van veel oprechte zorg en betrokkenheid en ondersteuning. En toch veelgeliefden: in het gebed gebéurt het. Het gebed is het hart. Het gebed is de kern van de zaak. In het gebed ervaren wij de fascinatie door God. In het gebed trachten wij open te staan voor Hem. In het gebed worden wij, wellicht, hopelijk, zo nu en dan, rechtstreeks door Hem geráákt. Kijk maar naar de eerste lezing, naar de bedreigde Stefanus. Daar gebeurt het: "Hij richtte zijn blik op de hemel, zag de heerlijkheid van God, en daar stond Jezus aan Gods rechterhand." Dat is gebed veelgeliefden: Jezus zien. In de tweede lezing, uit het boek der Openbaringen van Johannes vandaag, zit het ook. De door Jezus beminde leerling ziet óók de hemel open en erváárt Jezus: "Ik ben de wortel uit het geslacht van David, de stralende morgenster." Ook dat is: de fascinatie van en in het gebed. "Kom! Wie dorst heeft kome. Wie wil, neme het water dat leven geeft, voor niets." Het essentiële, veelgeliefden, wordt ons geschonken. Het essentiële gebeurt gewoon. Wij maken dat niet. Het is alleen maar een kwestie van ervoor openstaan, van het láten gebeuren. En dat is gebed. En al het andere: de onderlinge betrokkenheid en zorg, de gezelligheid, de vergaderingen en de hele rataplan en dat alles in een goede geest, geďnspireerd door Góds Geest én daarvan getuigend, dat vloeit er als het goed is uit voort, uit het gebed. "Zoals U, Vader, in Mij bent en ik in U, zo moeten zij in Ons zijn, zodat de wereld kan geloven dat U Mij hebt gezonden." Met andere woorden veelgeliefden: In onze manier van omgaan met elkaar, in onze manier van kerk-zijn laten wij Jézus zien - of niet. Want we kunnen Hem daarin en daardoor ook juist verbergen, verduisteren en onderschoffelen als kerk. "Diegenen die U Mij hebt toevertrouwd, zou ik graag bij Mij hebben waar Ik ben". Zo is het: Jezus wil ons hebben waar Hij is. Hij wil ons betrekken in Zijn manier van leven, betrekken bij Zijn ervaring, díe aan óns geven. "Uw naam heb Ik hun bekend gemaakt en dat zal Ik blijven doen, opdat de liefde die U Mij hebt toegedragen, in hen mag zijn - opdat Ik in hen mag zijn." Van Jezus, ook van de hemelse Jezus, gaat een stroom uit, een constante stroom. En met en in die stroom geeft Jezus ons Gods Liefde, geeft Hij ons zichzelf. Die stroom ervaren wij in ons gebed en vandaaruit beďnvloedt het, nee beďnvloedt Híj al onze verhoudingen.

 

Dat wij één zijn. Daar bidt Jezus om. En hoe worden wij één? Het antwoord wordt óók gegeven op de onvolprezen Münsterschwarzacher Bildkalender die bij mij op het toilet hangt. Een paar weken geleden las ik daar: "Wonach man jagt, das bekommt man nicht; aber was man werden lässt, das fliegt einem zu." Een uitspraak van ene Pinchas Rabbi. "Waar je naar jaagt, dat krijg je niet. Wat je laat gebeuren, dat vliegt naar je toe." Mogen wij het zó meemaken veelgeliefden. Moge de eenheid onder ons, bij het afwassen en bij alles wat ons bezighoudt; moge die eenheid waar wij biddend naar verlangen ons in de schoot geworpen worden. Amen.

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op de zesde zondag van Pasen, 19 mei 2010, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (15, 1-2.22-29), Psalm 67 (ged.), de Openbaring van Johannes (21, 10-14.22-23) en uit het Johannes-evangelie (14, 23-29).

 

"All you need is love" zongen de Beatles in de jaren zestig. Niets wat jij kúnt doen is onmogelijk om te doen. Niets van wat je kunt weten is ónbekend. Niets van wat je kunt zien wordt níet getoond[61]. Daarvoor heb je alleen een beetje liefde nodig. Zo luidt de simpele boodschap van dat liedje. En dat alles is natuurlijk heel erg waar. En tóch, dierbare gasten en parochianen, kort nadat die genieën van de Beatles dat liedje zongen, gingen ze uit elkaar. Er waren meningsverschillen en rancune. En iedereen begreep dat het toch niet zo simpel was[62].

 

Zo is het ook met ons geloof en met onze kerk. Zo is het daarmee in deze tijd. En zo was het daarmee al in de begintijd. "Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef ik u" heeft Jezus tegen ons gezegd. Maar in de eerste lezing van deze zondag, uit het boek der Handelingen van de Apostelen, blijkt toch niet alles peis en vree te zijn. Er is sprake van onenigheid en van "een felle woordenwisseling". Ja, veelgeliefden, zo is dat. Hoe wij met elkaar omgaan, hoe wij mét en helaas vooral ook óver elkaar soms spreken, de honden lusten daar soms geen brood van. "De liefde tussen de broeders en zusters is vaak ver te zoeken; binnen de kerk is evenzeer wereldsheid als daarbuiten" - woorden van onze bisschop Jozef Punt[63].

 

Wat moeten we ermee veelgeliefden? Wat doen we als we er met elkaar niet meer goed uitkomen? De jonge christelijke gemeenschap in Antiochië zoals we die tegenkomen in het boek der Handelingen van de Apostelen stuurt een delegatie "naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem". Daar bespreekt men de zaak en men komt met een antwoord, een antwoord dat ingeleid wordt met dat geweldige zinnetje: "De heilige Geest en wij hebben besloten ..." Dat is iets prachtigs van ons geloof en van onze kerk veelgeliefden. De heilige Geest, die van Jezus, is bij ons. Die Geest vergezelt ons, staat ons terzijde en staat áchter ons, die backt ons, die geeft ons ruggesteun. En als wij bij allerlei verschillen van inzicht en onenigheden die ook wij kunnen hebben, oprecht vrágen om die Geest van Jezus, er een beroep op doen, dan zál ons die Geest van Jezus (die Dezelfde is als die van God zelf); dan zál die Geest ons ook gegéven worden, en dan zúllen we er als kerk ook altijd uitkomen. Dat is een duidelijk verschil met de Beatles. Die gingen uit elkaar. Maar wij als Kerk gaan dóór - wat er ook gebeurt.

 

Als je er zelf niet uitkomt, als we er samen niet uitkomen, dan is het altijd goed om anderen, geloofsgenoten of soms ook andere wijze en verstandige mensen; om die te raadplegen. Eén van de vragen die in deze tijd als Kerk op ons afkomt is de vraag: wat moeten we doen als we niet meer in staat zijn, omdat er niet meer zoveel priesters zijn als vroeger, om élke zondag in élke parochiekerk de heilige eucharistie te vieren? Moeten we in plaats daarvan dan bijvoorbeeld een "viering van woord en gebed" houden? Of moeten we op zo'n zondag onze eigen kerk maar gesloten houden en met z'n allen naar een andere kerk gaan en/of omgekeerd: dat men van daar naar ons toe komt? Zoals Paulus en Barnabas met de delegatie van de gemeenschap van Antochië eens naar Jeruzalem togen voor ruggespraak, zo ben ik zelf afgelopen vrijdagmiddag naar Haarlem getogen, naar onze bisschop om met hem over onder andere díe vraag ook met hem te spreken. Daar heb ik van tijd tot tijd gewoon even behoefte aan, om met de bisschop te spreken over zaken die bij ons spelen. Niet omdat de bisschop altijd in alle omstandigheden de wijsheid van de Heilige Geest geheel in pacht zou hebben, maar omdat voor u en voor mijzelf hetzelfde geldt: ook wij hebben die elk voor zich niet in pacht. Maar samen hebben we die Geest hopelijk wel. Die Geest wordt ons namelijk geschonken binnen de gemeenschap van gelovigen. En binnen die gemeenschap is de bisschop een factor, en wel een heel belangrijke. Als er dingen, vragen in je leven spelen waar je niet goed uitkomt, vráág dan raad. Voor mij is dát een belangrijke boodschap uit de eerste lezing vandaag. En het antwoord dat je krijgt, "neem je mee" zoals dat heet. Je bewaart het, zoals Maria dat deed, Maria aan wie deze mei-maand speciaal gewijd is. Je neemt, zoals zij, de woorden mee in je hart en je denkt erover na[64]. En zó geef je de Heilige Geest de kans om in jou te werken.

 

"All you need is love" zongen de Beatles en ze hadden gelijk. Het heeft allemaal met liefde te maken. "Als iemand Mij liefheeft, (dan) zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen" zegt Jezus in het evangelie van deze zondag. Zo is het veelgeliefden. Liefde is de basis. Als je je liefde op Jezus weet te richten, als je werkelijk Hém bemint, dan gaat alles in het leven veel gemakkelijker, dan wordt het leven in zekere zin tamelijk eenvoudig en simpel, om niet te zeggen: dan gaat het op een gegeven moment vanzelf, dan komt er een eind aan allerlei getob, gedoe, gesteggel en geruzie. Waarom gaat het eventueel mis met mensen, met individuele mensen en tussen geliefden, tussen huisgenoten, in gezinnen, in de kerk, in de samenleving en in de wereld? Vanuit het perspectief van ons geloof moet, veelgeliefden, het antwoord op die vraag luiden: omdat God, omdat (opnieuw: binnen het perspectief van ons geloof); omdat Jezus niet centraal staat, omdat wij Hém niet het hart laten zijn van ons bestaan, van ons leven, van onze relatie, van ons gezin, van onze samenleving en wereld en ja, soms zelfs niet van onze Kerk. Zie je dat in, herken je dat, érken je dat en breng je daarin verandering, om te beginnen jíj, ú, bij je-, bij uzelf, dan zal er vervolgens iets veranderen, dan zul je gaan merken dat alles goed gaat komen en op z'n plaats gaat vallen, zeker weten.

 

Maar hoe doe je dat dan: God, Jezus centraal stellen in je leven? Ik denk: dat begint in en met het gebed. Bidden dat is: een injectie ontvangen van de Heilige Geest. En zoals dat bij elke injectie geldt, geldt ook voor deze injectie: je moet er zelf aan meewerken, anders gaat het niet. Het gebed, dat zijn: góede woorden die leiden tot góede gedachten; woorden en gedachten die zuiveren en die verlichten. Zo wordt onze geest steeds meer één met de Heilige Geest, die van God, die van Jezus. De goede Geest, die van God in ons: goede werken en goede daden die hangen daarmee samen, die vloeien daaruit voort als het goed is. Als je goed bidt, dan komen de goede daden als het ware vanzelf, die zijn dan niet moeilijk meer.

 

Bidden, dat is: "bezig zijn" met God, met Jezus, met de heiligen, met Maria, met "Het", nee met "Dé Heilige". "Heilig" is "heel". "Heiligheid" is "heelheid". In het gebed, in het gesprek, in het bezig-zijn met, in het verkeren met God is Hij, in en door Zijn Geest, genezend met ons bezig: "(...) de Helper, de Heilige Geest, die de Vader in mijn naam zal zenden, Hij zal u alles leren (...)". Zo is dat veelgeliefden. In het gebed leren wij. En gebed geneest - soms zelfs heel fysiek, zeker weten.

 

Maar hoe moet je dan bidden? Zoals bekend wordt die vraag ook ergens aan Jezus gesteld[65]. En dan geeft Hij aan zijn leerlingen de woorden van het Onze Vader. Dus dat kun je in elk geval doen. Van tijd tot tijd, liefst dagelijks, liefst zo rustig en aandachtig, zo geconcentreerd mogelijk die woorden van het Onze Vader uitspreken, het voor jezelf of samen met anderen, bijvoorbeeld in het gezin, bidden. Maar in deze meimaand denken we natuurlijk ook aan het rozenkransgebed en zo zijn er binnen onze Kerk, uitgaande van wat de Heer ons leerde, nog vele andere "wegen van gebed" gebaand, wegen die soms misschien voor ons een beetje overwoekerd zijn geraakt door onkruid, maar dat kun je verwijderen als je wilt - opdat je opnieuw of voor het eerst jouw eigen weg van gebed kunt vinden en vooral kunt gáán. Ik wens het u allen van harte toe, om gaande die weg vrede te gaan ervaren, "niet zoals de wereld die geeft", maar zoals Hij die geeft. "All you need is love" en om liefde te ervaren is de koninklijke weg die van het gebed. "All you need is love". En mensen die samen bidden blijven, anders dan destijds de Beatles, bij elkáár. Ik wens ons allen toe het te mogen ervaren. Amen

 

 

VERKONDIGING op 25 april 2010, de vierde zondag van Pasen, zondag van de Goede Herder, "roepingenzondag", in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (13, 14 + 43-52), Psalm 100, Apokalypse 7, 9 + 14b-17) en uit het Johannes-evangelie (10, 27-30).

 

Is Roger Vangheluwe die, tót afgelopen vrijdag, ruim vijfentwintig jaar lang bisschop van Brugge was; was hij een goede herder? Je zou altijd hebben gedacht van wel. Hij was populair. Hij was zeer gezien, in alle lagen van de bevolking. Ook met niet-gelovigen en mensen die heel anders dachten als hijzelf had hij contact. Zijn preken waren eenvoudig, rechttoe rechtaan, pretentieloos en warm[66]. Als hij het niet eens was met "Rome", dan zei hij dat gewoon in het openbaar. Hij was vóór de priesterwijding van vrouwen. Mensen die ooit kerkelijk gehuwd waren maar van wie het huwelijk mislukte, moesten kunnen hertrouwen vond hij. Opinies dus die moderne, verlichte mensen graag horen in de kerk. Mensen in financiële nood werden door hem geholpen. Maar hij schreeuwde dat niet van de daken. Kortom: een bisschop, helemaal uit het goede hout gesneden zou je denken. "Waren alle bisschoppen maar zo" zeiden de mensen.

 

Ja, maar diezelfde bisschop Vangheluwe heeft, naar afgelopen vrijdag bekend werd; hij heeft wél voordat hij bisschop werd en ook nog daarna járenlang een neef van hem seksueel misbruikt. Toen het begon was die neef nog maar een kind. Jarenlang heeft die jongen er niet over kunnen praten. Toen hij het een paar jaar terug wél kon en hij zijn oom vroeg om af te treden als bisschop, omdat hij er niet langer tegenkon, na wat hij met hem had meegemaakt, om in de media en in de publieke opinie voortdurend met "de goede herder " te worden geconfronteerd; toen de neef zijn oom vroeg, bij herhaling, om af te treden, toen deed hij dat niet. De bisschop klampte zich vast aan zijn positie. En het belang van zijn neef offerde hij daar feitelijk aan op. Door zijn weigering om af te treden werd dat misbruikverleden voor die neef een onverwérkbaar en nog altíjd zíekmakend verleden dat alle aspecten van het leven aantast - zei een psychiater daar over.

 

Reeds vele malen heb ik in de afgelopen periode hier en in de Vredeskerk over dat kerkelijk seksueel misbruik gesproken dierbare gasten en parochianen. Ik had zo'n stille hoop dat we het inmiddels misschien even zouden kunnen laten rusten. Maar toen kwam afgelopen vrijdag het nieuws over Vangheluwe. En het is vandaag de zondag van de Goede Herder, "roepingenzondag". En wie zou, terwijl zó'n kwestie speelt, mét alle vragen die daardoor opnieuw gesteld worden bij de wijze waarop het priesterschap en met name het celibaat in dat verband functioneert (want, is dat geen systeemfout?); wie zou in zo'n verband jonge mensen nog durven te stimuleren in die richting van een toekomst als priester of als kloosterling: pater, zuster of broeder? We moeten er dus opnieuw over spreken.

 

Was Roger Vangheluwe een goede herder? Het bekend worden van het seksueel misbruik door hem gepleegd maakt dat we de heel sympathieke wijze waarop hij als bisschop zijn herderschap heeft uitgeoefend nu in een heel ander licht zien, in een goor licht. Er ligt nu een grauwsluier over. Verbijstering, ongeloof en afschuw is wat mensen nu ervaren. Onder de oppervlakte van dat goede herderschap is al die tijd een walgelijk onrecht schuilgegaan. Een populaire herder, een aimabele herder, een herder met ideeën is dus met andere woorden niet per se ook een góede herder. Met die kwalificatie "goed" moeten we erg uitkijken, dat blijkt maar weer eens. Jezus zegt ergens in het Marcus-evangelie[67] nota bene in verband met zichzelf: "Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God" - en hoe die uitspraak verstaan kan worden in verband met de kerkelijke leer over de Drieëenheid, dat weet ik ook niet ... 

 

Het Johannes-evangelie spreekt wél over Jezus als de Goede Herder. Het personeel van de kerk representéert die Goede Herder op sacramentele wijze (vandaar die speciale kleding), maar ís Hem, veelgeliefden, daarbij dus nadrukkelijk níet. De paus, bisschoppen, priesters of wie dan ook: ménsen kúnnen wel dingen hebben die ons aan Jezus herinneren, mensen kúnnen andere mensen wel op Jezus' weg zetten, maar ze vallen nóóit met Hem samen, nou ja, misschien eventjes soms. Zo hoorde ik van de week over een uit Suriname afkomstige wijkverpleegkundige die trouw elke morgen, zeven dagen per week, met grote toewijding en altijd opgewekt, een verlamde man douchet en aankleedt. Zo iemand is wel een zegen natuurlijk. Een zieke voelt zich bij zo iemand veilig en geborgen.

 

Jezus zegt in het evangelie van deze zondag: "Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven: nooit zullen ze verloren gaan, niemand zal ze aan mijn hand ontrukken." We moeten door mensen héén kijken. En we moeten door hun stemmen héén luisteren. Het gezicht en de stem van de Goede Herder kan in het gezicht en in de stem van mensen die wij ontmoeten héén klinken en héén schijnen, maar er kan in diezelfde stemmen ook de nodige "ruis" meeklinken. En die gezichten, de onze, kunnen de zaak, nee kunnen Jezus, óók vertroebelen. Daar moeten we dan maar misschien niet te veel op letten. Ruis en schijn moeten we, als we dat tenminste kunnen, maar loslaten. Mensen hebben hun schaduwzijde. Levens hebben hun rafelranden, hun losse eindjes, hun openstaande rekeningen ... Daar moeten we mee omgaan. We moeten ermee in het reine komen en liefst uítkomen natuurlijk. Gisteren vierden de monniken van de abdij van Egmond dat abt Gerard Mathijsen vijftig jaar geleden monnik werd en dat de renovatie van de kloostergebouwen voltooid is. Ik mocht aanwezig zijn. In de lange kloostergang kwam ik een mevrouw tegen die ik een beetje ken, een mevrouw met een protestantse achtergrond. In gesprek met haar kwam ook het seksueel misbruik ter sprake. Zij zei: "De levieten moeten gereinigd worden." (De levieten, dat waren in het oude Israël de priesters, gerecruteerd uit de stam Levi - óók een manier om het priesterschap te structureren) "Zoals uit een etterende wond, zo moet eerst het vuil er uit komen. En pas dan kan die wond genezen. En dan krijgen we een nieuwe kerk." Ik vond dat ware en wijze woorden.

 

In het bewustzijn van onze eigen armzaligheid, feilbaarheid, ja zondigheid - om die beladen term maar eens gewoon te laten vallen; in het bewustzijn dáárvan moeten we denk ik als christenen altijd van onszélf afwijzen, naar Jezus tóe. "Richt uw ogen op Jezus" is de wapenspreuk van die beklagenswaardige, zo verschrikkelijk door de mand gevallen bisschop Vangheluwe. Dat is wel een goeie, die wapenspreuk. Jezus zelf láát mensen niet verloren gaan. Gewone mensen, zelfs bisschoppen, zijn er nadrukkelijk wél toe in staat. De evangelist Johannes, aan wie wij ook de Apokalypse danken, het laatste bijbelboek, waaruit wij vandaag in de tweede lezing hoorden voorlezen, hij ziet in zijn visioen mensen "uit alle rassen en stammen en volken en talen" "voor de troon en voor het lam" staan. "Dat zijn degenen die uit de grote verdrukking komen", mensen zoals het neefje van bisschop Vangheluwe dan bijvoorbeeld denk ik. "Hij die op de troon zetelt zal zijn tent over hen uitspreiden", "het lam midden voor de troon zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven, en God zal alle tranen uit hun ogen wissen" - ook die uit de neef van de bisschop dus. Ik denk: dáár moeten we ons aan vasthouden. Dát tróóst. Mij wel tenminste. Jezus is de Goede Herder. Zijn volgelingen, het personeel van de kerk voorop, is vaak niet meer dan een flauwe afspiegeling. En daar zullen we het toch helaas mee moeten doen, nu en in de toekomst, met zulke mensen. Laat allerlei niet-ideale schoonzonen en schoondochters zich dus gerust melden aan de kloosterpoort, bij de priesteropleiding en de theologische faculteit. Want God schrijft récht langs kromme lijnen.

 

Of ben ik nu te somber? Laat ik dan besluiten met een optimistisch geluid. Het komt van de jubilaris van gisteren, van abt Gerard. Hij zei in zijn dankwoord: "De laatste tijd lijkt het wel of het in de kerk allemaal kommer en kwel is, decadentie en domheid. Voor haar geestelijke rijkdom, haar heiligheid en haar schoonheid is geen aandacht. Toch is dat de grote werkelijkheid waarin het heerlijk is te mogen leven, en waarop je niet uitgekeken raakt." Dat het ook voor ons zo mag zijn veelgeliefden. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 18 april 2010, de derde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5, 27-41), Psalm 30 (ged.), uit de Openbaringen van Johannes (5, 11-14) en uit het Johannes-evangelie (21, 1-19).

 

Wat doe je als mens als je net iets verschrikkelijks hebt meegemaakt, een tragedie, een drama - als je daar getuige van bent geweest, als je daar nauw bij betrokken bent geweest? Toen hij halverwege de twintig was is de enige broer van mijn beste vriend van de middelbare school om het leven gekomen bij een motorongeluk in Frankrijk. Ik herinner mij dat hun vader altijd zo bezorgd was vanwege zijn beide jongens: kijk je goed uit ... En nu werd zijn grootste vrees werkelijkheid. Onverwacht de politie aan de deur: Wij komen u een slecht bericht brengen ... Als je zoiets meemaakt: de dood van je kind of de dood van je vriend, wat doe je dan de dag erna?

 

Precíes, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, precíes denk ik wat Petrus deed: "Ik ga vissen" zei hij. "Ik ga naar de winkel", "ik ga een stuk fietsen", "ik ga maandag toch maar weer naar m'n werk" - dat alles kun je doen, in je eentje of met iemand samen. "We gaan met je mee" zeggen Petrus' vrienden, de leerlingen van de zo afschuwelijk, aan het kruis gestorven Jezus van Nazareth.

 

Ze gaan vissen, maar erg geďnspireerd zijn ze niet, die vrienden. Ze hebben er niet echt zín in. En, die ervaring hebben we waarschijnlijk allemaal wel mensen, als je ergens geen zin in hebt, als je er niet in gelooft, dan wórdt het ook niks. "Ik kan niet zingen", "Ik kan geen noten lezen", "Ik kan niet zelfstandig een sopraan-, alt-, tenor- of baspartij zingen. Daar ben ik niet sterk genoeg voor". Ik verzeker u, dierbare gasten en parochianen, als je er zó in staat, als je niet durft te gelóven in jezelf, in dat je het wél kunt, zingen bijvoorbeeld, dat je daarin je vermogen wél kunt ontwikkelen, nee, dan wordt het natuurlijk zéker niks ... "Ik ga vissen" zegt Petrus. "Dan gaan wij mee". Maar Petrus en de anderen gelóven er niet meer in na alles wat ze hebben meegemaakt. Ze geloven niet meer in God. Ze geloven niet meer in Jezus. Ze geloven niet meer dat hun leven zin heeft. Ze geloven denk ik niet eens meer in zichzelf. En is het dan gek, geliefden, dat ze vervolgens óók niets vangen, dat het niet lukt dat vissen? De wereld is voor jou wat jij bent voor de wereld. De wereld houdt je in die zin altijd een spiegel voor.

 

Maar ze doet nog meer, die wereld. Ze geeft ook aan teleurgestelde, ontgoochelde, nukkige mensen altijd nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden. En altijd komen die nieuwe kansen en mogelijkheden in en door ontmoetingen met andere mensen. Die kunnen je er uit halen, uit de gevangenis waarin de gebeurtenissen van het leven je hebben opgesloten en waarin jij ook vooral jezelf hebt opgesloten. Een ander kan je er uit halen; een ontmoeting met een ander, een gesprek met een ander.

 

Jezus' leerlingen maken het mee. Op nieuwe wijze komt Hij tot hen. Hij ziet er blijkbaar anders uit. Misschien heeft hij z'n haar anders? In eerste instantie herkennen ze Hem in elk geval niet. Dat dialoogje dat ze voeren, de nog niet herkende Jezus en zijn voor zijn nieuwe aanwezigheid nog blinde leerlingen vind ik altijd iets onweerstaanbaar grappigs hebben:

"Hij riep hun toe: "Vrienden, hebben jullie soms iets te eten?" "Nee", riepen ze terug." En Hij, de onbekende, mister X, geeft dan een aanwijzing - precies zoals vroeger op de camping de meneer met verstand van kamperen aan mijn vader die daar soms niet goed uit kwam, uit het opezetten van de tent. "Werp dan het net uit, rechts van de boot", zei Hij, "daar zul je wel iets vinden". En het wonder gebeurt. Waar eerst onvermogen en armoede heerste, daar komt nu overvloed en vreugde. Niet voor niets, geliefden, is het "de leerling van wie Jezus hield" zoals er staat, die Hem als eerste herkent. "Het is de Heer" zegt die geliefde leerling. Hoe heeft Hij Jezus herkend? Niet aan zijn gezicht dus. Maar wél aan die plotselinge overvloed die zij ervaren. De donkere, sombere wolken zijn opeens verdwenen. De zon straalt weer. Hij, de beminde leerling, weet het als geen ander: Waar Jezus verschijnt en aanwezig is gebeurt dat. Jezus is licht, Jezus is leven, sterker dan elke dood.

 

De onstuimige Petrus heeft nog niet gehoord dat het de Heer is of hij stort zich in het water om zo snel mogelijk bij Hem te zijn. En het wonderlijke is dan: Waar de nu herkende Jezus eerder om gevraagd had ("Vrienden, hebben jullie soms iets te eten?"), dat blijkt nu reeds aanwezig! Er is reeds een houtskoolvuur aangelegd, "met vis erop en brood ernaast". Maar dat snappen we natuurlijk als het om Jezus gaat. Want Hij kent dus geen nood en geen tekort. En toch zegt Hij tegen de leerlingen: "Breng wat van de vis die jullie zojuist gevangen hebben." Het zijne wordt het onze en wat zogenaamd "van ons" komt neemt Hij op. Hij geeft zich aan ons en wij geven het onze, ja onszelf aan Hem. En zo vegroeien wij met elkaar, Hij en wij. Hij, Jezus, is van godswege geworden zoals wij. En wij worden zoals Hij. Dat is wat gebeurt bij die ochtendlijke picknick op het strand van het meer van Tiberias - voor de motorrijders die vandaag onze gasten zijn, zal het een bekende situatie zijn: een stop langs de kant van de weg. Hetzelfde gebeurt, in optima forma, in de viering van de heilige eucharistie die wij ook zodadelijk weer mogen "mee-maken" - in alle betekenissen van het woord: die viering overkomt ons als een geschenk en als een genade, maar we hebben er ook zelf een actief aandeel in. En zo is het bij elk geslaagd samenzijn van mensen: je organiseert misschien het nodige, je doet er je best voor, maar je kunt het niet forceren, je kunt het niet afdwingen, je moet ook vooral altijd en overal loslaten en je overgeven aan hoe het nu eenmaal gaat, aan wat gebeurt. Dán gaat het strómen, dan gebéurt het, dan wordt het verschil tussen jou en mij, tussen tijd en eeuwigheid een beetje opgeheven en opgelost, dan delen wij samen in de goddelijke liefde, dan kun je en ga je ervaren: Hij, Jezus de Heer, is inderdaad aanwezig.

 

Ik wil graag besluiten met een gedicht van Ida Gerhardt, een zeer bekend gedicht van haar. "De gestorvene" heet het:

 

                            Zeven maal om de aarde te gaan,

                            als het zou moeten op handen en voeten;

                            zeven maal, om die éne te groeten

                            die daar lachend te wachten zou staan.

                            Zeven maal om de aarde te gaan.

 

                            Zeven maal over de zeeën te gaan,

                            schraal in de kleren, wat zou het mij deren,

                            kon uit de dood ik die éne doen keren.

                            Zeven maal over de zeeën te gaan-

                            zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

 

Dit is het wonder van ons christelijk geloof geliefden: Die ene zál ons opnieuw groeten, die zál lachend op ons te wachten staan, die kéért terug uit de dood. Wij maken het mee. En we zullen het steeds weer meemaken. Het is ons beloofd. En die belofte ís reeds vervuld en die belofte zál opnieuw worden waargemaakt. Amen.  

 

 

VERKONDIGING op 11 april 2010, Beloken Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: Uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5, 12-16), Psalm 118 (ged.), uit hde Openbaring van Johannes ( (1, 9-19) en uit het Johannes-evangelie (20, 19-31).

 

Eén van mijn beste vrienden, dierbare gasten en parochianen; één van mijn beste vrienden is psychiater. Hij is blíj met al die aandacht die er de laatste tijd is geweest voor seksueel misbruik door priesters en kloosterlingen. Mensen die in hun leven op welke manier dan ook met seksueel misbruik te maken hebben gehad, die hebben daar baat bij, zo zegt hij op grond van zijn ervaring met mensen die bij hem in behandeling zijn; die hebben er werkelijk baat bij dat over dat misbruik de laatste tijd zo openlijk en uitvoerig gesproken mocht worden. Dat doet degenen die er onder geleden hebben goed zegt hij. Het staat hen toe om de hele diepte van dat misbruik en van de wonden in hun leven, daardóór; om die onder ogen te zien, om die te verkennen, om er voor zichzelf en in gesprek met anderen ruimte aan te geven. Dat doet goed. Dat is helend. Dat is genezend. "De graven gaan open!" dacht ik meteen toen hij dat zei, die vriend-psychiater. De evangelist Mattheüs schrijft dat. Op het moment dat Jezus sterft aan het kruis, "gingen de graven open en de lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt. Toen Jezus zelf tot leven was gewekt, kwamen ze uit de graven en gingen ze naar de heilige stad, waar ze aan velen verschenen." Bijbelverzen, evangeliewoorden die in de veelheid en in het geweld van de Goede Week, van Palmzondag bijvoorbeeld, waarop wij eens in de drie jaar "De Mattheüs" lezen; woorden die daarin gemakkelijk passeren, verloren gaan, oplossen ... Ik denk: het is goed om er eens de aandacht op te vestigen. Jezus sterft. En de graven gaan open. En nu, in onze dagen, de Kerk een beetje sterft, vanwege al die bedroevende, ontluisterende en beschamende berichten over dat kerkelijk seksueel misbruik; - de Kerk sterft daardoor een beetje, maar de mensen die het geleden hebben, dat misbruik, die leven nu óp. Het doet hen goed. Dat is zeer te hopen. "De lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt. Toen Jezus zelf tot leven was gewekt, kwamen ze uit de graven." "Heilig" dat woord hangt samen met "heel": "ongeschonden, volledig, gezond, geheel, rein, oprecht" definieert het woordenboek. Zoals een mens ter wereld komt eigenlijk, hopelijk. Maar die oorspronkelijke heiligheid en heelheid van veel mensen, daarin kunnen ze al vroeg deuken en kwetsuren oplopen. Mensen, kinderen ook, worden geschonden en op een bepaalde manier kan dat hun dood betekenen. Mensen kunnen leven als on-doden. Ze zijn er wel, ze leven wel, maar ze leven als gestorvenen. Ze hebben een leven van niets, een on-leven, een leven met weinig of geen kwaliteit, een leven met weinig of geen vreugde. Geen tinteling, geen sprankeling. Jezus is gestorven en de Kerk als Zijn Lichaam mag Hem daarin navolgen; Jezus sterft en ook de Kerk sterft dus, opdat geschonden en gestorven mensen genezen, heel-worden en léven. Zo versta ik de geciteerde woorden uit het Mattheüs-evangelie over de graven die opengaan.

 

Ik denk, veelgeliefden, de evangelietekst van déze zondag, Beloken Pasen, kunnen we geheel in het verlengde hiervan verstaan. Ik denk: de dood van een mens kan voor nabestaanden, voor degenen, voor iemand die overblijft een grote wonde en een grote pijn zijn. Als wij Thomas vandaag horen zeggen "ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen", dan hóren en voelen wij in die woorden de diepe pijn, dan horen en voelen wij de wonden die Jezus' kruisiging en dood bij Thomas zélf hebben veroorzaakt en geslagen. Mét Christus is hijzelf gekruisigd. Het leed dat je geliefden overkomt is je eigen leed. Erger en groter is 't misschien nog wel, want zíj lijden het, zíj ondergaan het en gaan er misschien ín en door ten onder, zij over-lijden misschien op enig moment. Zij zijn dan over hun lijden heen. Maar jij kijkt ernaar en kunt niets doen. Jij moet het aanzien en staat met lege handen. En jij moet verder - met je afschuwelijke herinneringen ... "Ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders geloof ik niet" zegt Thomas. Pijn, woede, verbittering. Dat voel je bij hem.

 

"Wie zijn wonden toont, wordt genezen; wie zijn wonden verbergt, wordt niet genezen" - woorden van de Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986). Ik denk: ze zijn van toepassing op wat we zien bij en meemaken met Thomas. Hij toont zijn wonden Thomas. Hij verbergt ze niet. En daardoor kan hij genezen - net als die onbekende mevrouw die ons van de week aansprak in een horeca-etablissement (ik was, na alle paasdrukte, een dagje wandelen met een vriend). Twee jaar terug was haar man gestorven. Ze hadden het altijd zo goed gehad samen. Hij was altijd zo lief en zo zorgzaam geweest voor haar. Het verdriet, de weemoed, het heimwee vanwege haar gestorven man kon je van haar gezicht scheppen ... En een paar keer sloeg ze een kruis, die onbekende vrouw en ze was blij dat ze bij ons beiden óók om de nek een kruisje hangen zag. Dat deed haar goed zei ze. Ja.

 

Jezus komt naar Thomas toe en gééft hem wat hij verlangt. Dat is het wonder van Beloken Pasen, van de achtste dag ná die eerste dag van de week waarop de vrouwen de boodschap ontvingen van het lege graf en het al tot eerste ontmoetingen kwam met de Verrezene. Hij laat zich nu aan Thomas zien: "Kijk maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening in mijn zijde te voelen. (En) Wees niet langer ongelovig, maar gelovig." De jonge onderzoeker in ons, de kritische geest, de scepticus en de zuurpruim worden hier over een afstand van twintig eeuwen in het hart getroffen veelgeliefden. Hoe kan dit? Tracht men ons hier, weliswaar op superieure wijze maar tóch, iets op de mouw te spelden? Hierin kúnnen wij toch niet meegaan? Hieraan kúnnen wij ons toch niet overgeven?

 

Nou ja, misschien toch wel. Hopelijk toch wel als wij ons bedenken dat die Thomas als twee druppels water lijkt op onszelf. Hij is zo zweverig als een blok beton, Thomas. Maar toch geeft hij zich gewonnen. Hij kan niet anders. Hij moet wel. Zo overwéldigend is voor hem zijn ervaring met de gestorven en verrezen Heer.

 

Ja, maar ik heb zo'n ervaring tot op heden nog niet gehad! Ik hóór het u al denken. Dan zou het kunnen zijn dat u tot op heden nog te weinig hebt stilgestaan bij de wonden in uw leven veelgeliefden; dat u er nog te weinig bij hebt stilgestaan, dat u zich er nog te weinig van bewust bent geworden, ze nog te weinig hebt onderzocht, er nog niet diep genoeg in bent doorgedrongen en ze nog te weinig hebt laten zien, ze nog te weinig aan andere mensen en aan uw God hebt getoond; dat u er nog te weinig over hebt gecommuniceerd en uitgewisseld. Het zou dan kunnen zijn dat u tot op heden nog te veel mooi weer hebt gespeeld en eventuele misčre in uw leven nog te veel hebt verborgen achter een fraaie façade. "Wie zijn wonden toont, wordt genezen; wie zijn wonden verbergt, wordt niet genezen" - zegt Joseph Beuys. En genézen, veelgeliefden, moeten wij ook in 2010 nog vooral van ons ongeloof. Moge het ons gebeuren. Dat Gods Geest, die van Jezus, het voor en met en in ons mag doen. Amen.

 

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op Eerste Paasdag, 4 april 2010, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (10, 34a, 37-43), de brief aan de Kolossenzen (3, 1-4) en uit het Lucas-evangelie (24, 1-12).

 

Het wil nog maar geen voorjaar worden. De knoppen staan op springen, maar het wil nog niet echt. In mijn tuin staan wel een paar bloemen, maar de meeste tulpen en narcissen blijven nog binnen. Mij te koud! En wij denken er hetzelfde over.

 

Het klimaat wat onze kerk betreft is ook erg kil. Oef! Wat een Veertigdagentijd hebben we gehad! Vele malen begon het achtuurjournaal met "ons", met onze kerk, in verband met het seksueel misbruik door priesters, paters, zusters en broeders én het toedekken van dat misbruik door de kerkleiding. Beerputten van heel onfris gedrag zijn opengegaan. En aan de kant van slachtoffers zijn zeeën van verdriet en ellende en zijn stormen van woede en frustratie zichtbaar geworden. Oef! Wat een Veertigdagentijd! Dat is tegelijk het enig goede dat we er van kunnen zeggen, van wat nu aan de oppervlakte is gekomen: Het paste precies in de tijd van het kerkelijk jaar. De Veertigdagentijd is immers een tijd van opnieuw naar jezelf en naar onszelf, óók als Kerk, kijken. De Veertigdagentijd ís een tijd van bekering, van reiniging en van orde op zaken stellen. Ja, die tsunami van ervaringen van kerkelijk seksueel kwam in díe zin precies "op tijd" - al heeft het natuurlijk veel te lang geduurd voordat er ruimte en gehoor was voor het verhaal van slachtoffers en hebben ze er in vele gevallen veel te lang mee moeten rondlopen - met alle gevolgen van dien.

 

Het wil nog maar geen voorjaar worden en in de beleving van vele katholieken en anderen al helemaal niet in de Kerk. Met weemoed denken veel mensen wat dat betreft terug aan Johannes XXIII, aan de dikke paus aan het begin van de sixties, de jaren zestig van de vorige eeuw. Hij wilde een "aggiornamento". Hij wilde de Kerk bij de tijd brengen en de tijd bij de Kerk. Lente in de Kerk. De ramen en deuren open. Laat het maar eens lekker doortochten. Geef de adem Gods, geef de Geest, die van Jezus, die "weldoende rondtrok en allen genas die in de macht van de duivel waren", gééf die Geest maar lekker vrij spel. De goede paus Johannes begon het Tweede Vaticaans Concilie. Maar al spoedig stierf hij en stierf in de beleving en beoordeling van velen mét hem ook de geest van het concilie. Lente in de Kerk maar er kwam nachtvorst en die nachtvorst houdt maar aan. Het wil nog maar geen voorjaar worden.

 

Maar intussen is het dus wel Pasen. De Veertigdagentijd, de Vasten, is echt voorbij. "Hij is niet hier, Hij is tot leven gewekt" zeggen de mannen in de stralend witte kleren tegen de vrouwen die 's morgens heel vroeg naar het graf gekomen zijn. Het is Pasen. Maar durven we het nog wel te vieren? En durven we nog Kerk te zijn? Willen we er nog wel bij horen? Wint onze schaamte, teleurstelling en boosheid het niet van ons vertrouwen, van ons geloof, van onze hoop? De vrouwen "wisten niet wat ze ervan moesten denken", van het lege graf. En wij kunnen precies zó érg in dubio zijn.

 

Als de vrouwen hun verhaal doen is dat "onzin" in de ogen van de apostelen. Ze geloofden hen niet. En wij kunnen ons dat ongeloof denk ik goed voorstellen.

Petrus "holde", zo staat er, echter tóch naar het graf.

 

Ach ja, Petrus, de eerste paus. Een beetje een brokkenpiloot is hij, een struikelende, héél feilbare figuur. In die zin kan paus Benedictus XVI zich wél aan hem spiegelen zo dunkt mij. Ook op hem valt veel aan te merken. En dat gebeurt dan ook. In de media, op straat en ook binnen de kerk krijgt hij dezer dagen voortdurend onder uit de zak. Arme paus. De hele wereld, of in elk geval óns deel ervan, valt over hem heen.

 

Maar ik moet zeggen: op Goede Vrijdag werd ik wél door hem geraakt. De paus nam deel, in Rome, bij het Colloseum, de grote arena waar in de oudheid ook christenen gemarteld zijn; de paus nam er deel aan de kruisweg. Ook hij tilde er het kruis op. En hij zei: "Ons falen, onze desillusies, onze verbittering die het signaal van de totale ineenstorting lijken, worden verlicht door de hoop." Volgens de paus is dát de essentie van Pasen. Ik vind dat goed gezegd. De krant[68] citeerde een Mexicaanse student, Juan Paolo Hernandez. Die was er bij en hij zei: "Het is indrukwekkend hoe hij na alle aanvallen de rust bewaart en de ogen op God richt." Ik moet zeggen veelgeliefden: dat herken ik van de paus. Inderdaad, dat doet hij, zo is ook mijn indruk. De paus, Petrus, bewaart de rust en richt zijn ogen op God.

 

Maar wat is dat? En hoe doe je dat, je ogen op God richten? Ik denk, onze tweede lezing op deze Eerste Paasdag, uit de brief aan de Kolossenzen, brengt dat onder woorden: "Als u met Christus ten leven bent gewekt, zoek dan (...) wat boven is. (...) Zet uw zinnen op wat boven is, niet op het aardse. U bent immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God." Als mens je uitgangspunt, je oriëntatiepunt en het punt waarnaar je streeft niet binnen de zichtbare en tastbare werkelijkheid zoeken, maar het vinden, dat punt, in een ándere werkelijkheid, áchter de horizon van deze wereld: "daar waar Christus zetelt aan de rechterhand van God" om met de Kolossenzenbrief te spreken. De inhoud van Jezus' leven, wie Hij was, Zijn werkelijkheid, het, díe, is onaantastbaar. En het, nee Híj, is voorgoed in veiligheid gebracht, geborgen bij en in God. Niemand kan daar aankomen en er iets aan afdoen. Jezus is en blijft een levende werkelijkheid. Je kunt je nog altijd voor Hem openstellen. Je kunt je door Hem nog altijd laten raken. Wie het vatten kan die vatte het.

 

Of ben ik aan het luchtfietsen mensen? Spreek ik abstracte taal waar u helemaal niets mee kunt? Dat kan zijn. Want hoewel Jezus' werkelijkheid nog altijd een concrete is, kun je die toch niet vastpakken. Mensen kúnnen er echter wél door gepakt wórden. Mensen kunnen wel door Hém, door Jezus, door Zijn Vader, door hun beider Geest gepákt worden. Vorig jaar op vaderdag was Steven Hendrik hier voor het eerst in de kerk. Hij heeft mij toestemming gegeven om aan u te vertellen dat hij het toen moeilijk had. Hij liep bij de Jellinek, hier in de straat. Een soort laatste kans. Die pakte hij. En die pakte hij óók hier in de kerk. Hij is hier in het afgelopen jaar echt een trouwe kerkganger geworden. En vandaag wordt hij in ons midden gedoopt; wordt hij opgenomen in Christus' Lichaam dat de Kerk ondanks alle ellende toch ook ís en blijft. In de afgelopen Paasnacht hadden we in de andere kerk al zes volwassen dopelingen, waaronder twee van hier. Steven wilde graag hier en nu gedoopt worden. En wij zijn hem er dankbaar voor. Want zo wordt zichtbaar dat Hij, dat Christus tot leven is gewekt en Steven mét Hem. Veelgeliefden, moge het met ons allen en met onze kerk evenzo gebeuren. Het wil nog maar geen voorjaar worden, maar het is wel Pasen - al dringt het tot de vrouwen bij het lege graf, tot de apostelen, Petrus voorop, en ook tot ons misschien nog maar nauwelijks door. Het echte geloof dat Hij, dat Jezus is opgestaan, dat moet misschien nog komen. Van harte wens ik u toe dat u zich er aan over wilt en kunt geven. Van harte wens ik u een Zálig Pasen. Amen. Alleluia. Christus is verrezen. Hij is waarlijk verrezen. Alleluia. Praise the Lord.

 

 

VERKONDIGING in de Paasnacht van 2010 (3-4 april) in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek Genesis (1,1 - 2,2), Exodus (14, 15-21), Ezechiël (37, 1-14), de brief aan de Romeinen (6, 3-11) en het Johannes-evangelie (20, 11-18).

 

"God zie ik hier niet" - zou Yuri Gagarin gezegd hebben toen hij op 12 april 1961 als eerste mensenkind in de ruimte kwam. Dat schijnt toch niet te kloppen. Een vriend van hem zei in 2006 in een interview dat het niet waar is, dat Gagarin dat níet zelf gezegd heeft. De woorden zijn van Nikita Chroetsjov, de toenmalige leider van de Sovjet-Unie en van de communistische partij aldaar. Wat Gagarin in elk geval wél gezegd heeft toen hij vanuit de ruimte naar de aarde keek, was: "De aarde is blauw. Wat prachtig. Wat bijzonder."

 

En op Kerstavond 1968 kwam de Amerikaanse Apollo 8 in een baan rond de maan. Jim Lovell, één van de astronauten zei in een live televisiereportage vanuit het ruimteschip: "We zijn gekomen (...) om de maan te verkennen, maar het belangrijkste dat we ontdekken is de aarde. Alles wat we hebben is dáár", zei hij. Het is dan ook veelzeggend dat de astronauten de uitzending besloten met het voorlezen van het scheppingsverhaal uit Genesis dat wij in deze Paasnacht óók hebben gehoord.

 

Michael Collins, aan boord van de Apollo 11, beschreef hoe fragiel de aarde lijkt in dat oneindig en verder zo onherbergzame heelal. Hij zei: "De aarde moet worden zoals ze er uit ziet: blauw en wit, niet kapitalistisch of communistisch; blauw en wit, niet rijk of arm, niet jaloers of omstreden. Klein, glanzend, sereen, blauw en wit, kwetsbaar."

 

En als astronaut Edgar Mitchell tenslotte, aan boord van de Apollo 14, door het kleine raam naar de sterren, de zon en de aarde kijkt, overkomt hem een gevoel dat hij als volgt beschrijft: "Ik realiseerde mij plotseling dat ik een verbinding met de sterren daarbuiten voelde en dat de moleculen van mijn lichaam, de moleculen van ons ruimteschip en die van het lichaam van mijn medeastronauten, prototypen waren van of gefabriceerd waren in oude generaties sterren. Dit ging gepaard met een extase, een vreugde die ik nog nooit had ervaren. Ik kreeg een overweldigend gevoel van eenheid en verbondenheid. Het ging niet meer om zij en wij, maar om: (...) het is een eenheid."

 

Verwondering, extase vanwege alles wat is. Verwondering en extase aan boord van het ruimteschip. Verwondering en extase in het eerste hoofdstuk van de bijbel: Het werd avond en het werd morgen. En God zag dat het goed was, heel goed.

 

Mensen, wij, zijn erg geneigd om het grote, het omvattende perspectief en die eenheid van alles en iedereen en de fundamentele goedheid ervan, om die uit het oog te verliezen. En ze, wij, bederven het leven op aarde. We vissen die prachtige oceanen leeg en al ons plastic komt er in terecht. En de ene mens buit de andere uit en maakt die tot een slaaf. Mensen kunnen verdorren. Ze kunnen de moed verliezen. Ze kunnen gaan denken "we gaan naar de bliksem", "het is met ons gedaan", "we zijn ten dode opgeschreven". In de voorlezing uit het boek van de profeet Ezechiël werd die manier van denken en in het leven staan verwoord.

 

Veelgeliefden, dierbare doop-kandidaten, families en vrienden van de doop-kandidaten en reeds gedoopte gelovigen: Zo is het niet! We hebben het gehoord in de bijbel, in de Heilige Schrift. Daarin wordt, op de manier van voorstellen van twee- drieduizend jaar geleden, de oorsprong, het wezen en de toekomst, de bedoeling van ons leven in woorden verbeeld en uitgedrukt. De aarde is goed. Wij mensen zijn goed. We zijn gemaakt om vrij te zijn. We zijn er om te leven. We zijn er niet om elkaar te onderdrukken, de dood aan te doen en om te sterven. Er is leven, zelfs voorbij de dood. Leven is iets oneindigs. Leven is nog veel meer dan we denken.

 

Veelgeliefde doop-kandidaten, zoals de reeds langer gedoopten die hier aanwezig zijn, hebben jullie die oneindige kostbaarheid van ons leven op die kleine, glanzende, serene, blauwe en witte, kwetsbare aarde en van jullie eigen leven daar op; jullie hebben die ervaren. Én jullie hebben gehoord in alles wat is, in de natuur die ons omringt en waar wij zelf deel van uitmaken, in mensen wier levensweg die van jullie heeft gekruist, in mensen met wie jullie samen door het leven gaan; jullie hebben in en door de gebeurtenissen van jullie leven héén een stem gehoord, "alsof iemand jullie bij naam en toenaam heeft geroepen". Die stem hebben jullie ook herkend in de bijbel en speciaal in Jezus van Nazareth die wij noemen "Gods Zoon". Zijn stem hebben jullie herkend in de Kerk. En jullie zijn bezield geraakt door het verlangen om antwoord te geven op die stem. Jullie hebben ernaar verlangd om "ja" te zeggen tegen God, tegen Jezus die jullie riep en roept. Dat moment van jullie "ja" is nu aangebroken. Amen.

 

 

                                                                                             

VERKONDIGING op 1 april 2010, Witte Donderdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek Exodus (12, 1-14), Psalm 116 (12-18), uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (11, 23-26) en uit het Johannes-evangelie (13, 1-15).

 

"Mijn interniste was (...) verbaasd dat er helemaal niks in m'n longen zat. "De ziekte heeft een station overgeslagen". Dat is dan weer mooi meegenomen".

 

- Zo schreef van de week een vriend van mij in een update per e-mail aan z'n familie en vrienden. Afgelopen zomer kreeg hij opeens een enorme bult in z'n nek. Er werd een vorm van kanker bij hem vastgesteld.

 

De ziekte die een station overslaat. Zodadelijk zal, in de eerste schriftlezing, uit het boek Exodus, verhaald worden hoe de Heer in de nacht van de uittocht "alle eerstgeborenen van Egypte" "slaat", dat wil zeggen: doet sterven. Maar de Israëlieten hebben in opdracht van diezelfde Heer een beetje bloed van het paaslam dat ieder heeft geslacht, uítgestreken "over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten" werd. En dat bloed aan de huizen was een teken. "Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal ik aan u voorbijgaan. De vernietigende plaag zal u niet treffen als ik Egypte sla." - zegt diezelfde Heer.

 

Pasen. Pesach. Het woord betekent "overspringen", "voorbijgaan". De ziekte, de dood slaat een huis, slaat een station, slaat een mens, sláat mensen over.

 

Wat is ons leven en ons lot grillig dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk. Wát een Veertigdagentijd hebben wij gehad in verband met al die onthullingen over seksueel misbruik van kinderen en jeugdigen door priesters en kloosterlingen - óók in Nederland op een veel grotere schaal dan wij gedacht hadden. Het is níet aan ons voorbijgegaan. Wij hoeven ons dus tóch, níets te verbeelden - zo in de zin van: dat soort dingen gebeurt alleen maar in Amerika en Ierland. Nee. Het is ook bij ons gebeurd.

 

Wat is ons leven en ons lot grillig veelgeliefden. Zó mankeer je niets en zó ben je ziek en realiseer je jezelf op een heel nieuwe, "existentiële" manier hoe kwetsbaar je leven is.

 

Of een buurman, een politieagent nota bene belt aan. Je dochter is alleen thuis. Hij neemt haar mee. Hij misbruikt haar. Hij killt haar en begraaft haar in z'n achtertuin - twee huizen maar bij je eigen huis vandaan. Slechts één huis is hij voorbijgegaan, heeft hij overgeslagen.

 

Wat is ons leven en ons lot grillig. Een indringer dringt bij je ouders binnen. Ze overleven het wel of ze overleven het niet.

 

Of er is een bomaanslag in de metro. Moskou. Je partner, je kind, je moeder, oneindig dierbaar, ze worden getroffen, ze worden geslagen of ze worden misschien overgeslagen, ontspringen de dans.

 

"Engel des doods, ga ons voorbij/Zie op het bloed dat als een teken/aan onze deurpost is gestreken/Engel, ga onze deur voorbij" - zullen we zodadelijk biddend zingen. Maar, veelgeliefden, is dat lied, dat gebed niet loos? En geldt niet hetzelfde voor deze hele plechtigheid en voor heel ons Pasen? Want ben je als mens niet onderwerpen aan een blind noodlot? Nog vanmorgen vertelde mij iemand dat ze naar de tandarts ging, een nieuwe tandarts, want de oude, een fantastische vent, was samen met zijn vrouw in de bergen verongelukt. Het kan je toch altijd gebeuren, een goed mens of niet en: gelovig of niet ... "Ja, als je als gelovige, als katholiek bijvoorbeeld duídelijk beter af zou zijn, ja dan werd de hele wereld natuurlijk katholiek ..." zei iemand ooit tegen mij. Maar zo is het niet ...

 

-dat wil zeggen: Pater van Kilsdonk zaliger gedachtenis heeft wel eens verteld dat in zijn jeugd als er onweer kwam zijn moeder met wijwater door het huis ging onder het motto: "Het is beter mét Christus in brand te vliegen dan zónder Hem." Veelgeliefden, daar zit iets, zo niet véél, ín ...

 

Christus', Jezus' levenseinde met de herdenking waarvan wij met deze viering een begin gaan maken - en dat zal morgen op Goede Vrijdag doorgaan en op Stille Zaterdag, dag van Christus' grafrust en "nederdaling ter helle" en in de Paaswake totdat op Paasmorgen de nacht voorbij is en Hij, en wij met Hem, opnieuw en nieuwgemaakt in het licht zullen staan - Christus', Jezus' levenseinde is niettemin in de ogen van de wereld inktzwart. Een beetje "een ridder van de droevige figuur", Jezus, zoals Don Quichotte. Een dromer, een malloot, níet van deze wereld.

 

Nee, veelgeliefden, inderdaad: níet van deze wereld. Jezus is van een andere wereld. Hij is van de wereld van God. "Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel". Dat is Zijn, dat is Jezus' gebed. Jezus kent de hemel. Vanuit de hemel staat en leeft Hij op aarde. Om de mensen van de aarde óók bij en in diezelfde hemel te brengen. De hemel, de wereld van God, is Jezus' vertrekpunt en oriëntatiepunt en punt van bestemming. Op aarde leeft Hij reeds vanuit en ook al ín de hemel. En daar wil Hij óns in betrekken. Wij gedenken Jezus in deze viering in twee machtige en prachtige tekenen, machtig en prachtig juist omdat ze zo nederig zijn: Jezus wast de voeten van Zijn leerlingen, die van ons. Hij is onze meester juist omdat Hij onze dienaar is. In Jezus' dagen was dat slávenwerk: het wassen van iemands voeten. Jezus staat dicht bij mensen die in onze dagen billen en w.c.'s schoonmaken. Nederig werk. Maar hoe gróót kunnen juist de mensen zijn die zúlk werk doen! Jezus wast de voeten van Zijn leerlingen en aan tafel neemt, breekt en deelt Hij brood en reikt Hij de wijn aan en zegt dan: Dit ben ik zelf. In deze tekenen geef ik mijzelf aan jullie, helemaal. In brood en wijn zal ik altijd bij jullie zijn, zolang de wereld duurt.

 

Het, Hij is níet van deze wereld veelgeliefden. En juist dat maakt Hem voor ons oneindig waardevol. Want alles wat in deze wereld belangrijk gevonden wordt (gezondheid, schoonheid, bezit, geld, aanzien), vroeg of laat komt elk mens er hopelijk achter dat de waarde van al die dingen uiteindelijk verbleekt, dat ze voorbijgaan en je zeker níet kunnen redden. Terwijl Jezus jou wél kan redden. Als je jezelf opent voor wat Hij je geven kan, als je jezelf aan Hem toevertrouwt en je Hem laat begaan, als je Hem met je laat doen, als je Hem jou voeten laat wassen en openstaat voor Zijn Lichaam en Bloed, bereid bent het te ontvangen en Hem dóór jou en mét jou en ín jou laat leven, als je deel gaat uitmaken van Zijn Lichaam en in zekere zin Hem wórdt, dán word je gered ... Dan ga ook jij hier op aarde reeds delen in Jezus' hemelse leven, in het leven van die andere wereld en kunnen ziekte en dood, hoe die ook komt, die dood, jou niet meer werkelijk raken en stukmaken. Dan word en ben je en blijf je héél, ook al word je gebroken. Dan gaat de engel van de dood in een diepere zin inderdaad aan jou voorbij.

 

Graag besluit in deze lange inleiding op onze Witte Donderdagviering met een paar regels uit een anoniem gedicht dat ik vond op de Veertigdagenkalender 2010 van de emeritus-predikant van de Oranjekerk, dominee Joke van der Velden. Het staat op het kalenderblad van gisteren:

 

                   Wraakpsalmen heft men aan, tot óns gericht,

                   die over vrede zingen in de kerken.

 

                   (Maar) Pas als de láatste bomen zijn verzuurd,

                   geen meeuwen minzaam op de zee neerstrijken

                   en álle akkers zijn verspeeld, zal blijken

                   dat geld níet voedt, dat dom succes níet duurt.

 

                   Het goede wint, waar ópstanding begon.

                   Niet wie dáár in geloven, dromen,

                   maar wie nog heil ziet in de háat. Wíj komen

                   tegen de tijdstroom íngaand bij de Bron.       

 

Moge de Heer in deze viering veelgeliefden de onuitputtelijke Bron die Hij zelf is voor ons openen. En mogen wij er allen uit putten.

 

                                                                                    

INLEIDING OP DE GOEDE-VRIJDAGVIERING 2010 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

"Ik werd 's nachts wakker gemaakt op de slaapzaal. De broeder nam mij mee. Ik moest op mijn knieën gaan zitten. Ik kreeg vijftien dekens over me heen. Zo zat ik daar drie kwartier te transpireren. Vervolgens moest ik hem bevredigen ... Dat heeft zich nagenoeg wekelijks, een jaar lang, herhaald. Op allerlei mogelijke manieren. Je wist als kind niet wat er gebeurde. Later probeerde hij me ook te verkrachten. Hij was zó groot en sterk. Zijn handen gingen over mijn hele gezicht." Na anderhalf jaar was de broeder opeens verdwenen, maar Dolf van wie de ervaring in de krant werd opgetekend[69], was voorgoed getekend. Hij is één van de véle slachtoffers van seksueel misbruik door priesters en kloosterlingen die de laatste tijd hun verhaal hebben gedaan. "Het allerergste", zei Dolf, "was de combinatie van eenzaamheid, onveiligheid en heimwee. Mijn ouders waren ver weg. Ik kon geen kant op." In een brief zijn nood klagen kon ook niet. Alle post aan en van de leerlingen werd door de broeders gecontroleerd. Dolf, gepensioneerd nu, maar nog steeds vol verdriet over wat hem als jongen is overkomen; hij zocht eind vorig jaar contact met de Broeders van Liefde van wie het internaat was waarop hij zat. "Mijn verhaal werd gebagatelliseerd. Die broeder was een beetje gek, zeiden ze. Maar verder viel het reuze mee."

 

Afgelopen dinsdagavond was ik gast in de Liberaal Joodse Synagoge bij een zogenaamde "gast-seider": een Joodse paasviering zoals die in huiselijke kring wordt gevierd, uitgelegd en gedaan vóór en mét niet-joodse gasten. Eén van de elementen van die seider-maaltijd is de zogenaamde "jachats": drie matzes, ongezuurde broden, op elkaar. Het middelste symboliseert de mensen die klem zitten, die geen kant op kunnen. Kunt u voorbeelden noemen van mensen in zulke omstandigheden vroeg rabbijn Menno ten Brink aan zijn gasten. Nou, dierbare gasten en parochianen, ik denk: die slachtoffers van seksueel misbruik door priesters en kloosterlingen, bijvoorbeeld die Dolf in dat internaat van de Broeders van Liefde destijds, die zijn daar een schoolvoorbeeld van ...

 

Als wij op deze Goede Vrijdag 2010 in deze viering biddend de kruisweg lopen, dan doen wij dat ditmaal met speciaal ook de slachtoffers van kerkelijke seksueel misbruik in het hart zo stel ik voor. Sinds jaar en dag vieren wij hier op dit uur samen met onze broeders en zusters van de Oranjekerk, met dominee Jantien Heuvelink, interim-opvolgster van dominee Joke van der Velden, dit jaar vooróp. Hen wil ik vragen om ons dat kruis van het kerkelijk seksueel misbruik in deze viering te helpen dragen - het is natuurlijk ook geen exclusief katholiek fenomeen. Jezus de Heer, de Gekruisigde, staat aan de kant van de slachtoffers. Dat mogen wij geloven. Iedereen die deze kruisweg mee wil lopen, achter ons aan wil lopen, speciaal ook de kinderen, nodig ik daartoe van harte uit. Ik wens ons allen een goede viering.

 

 

VERKONDIGING op 28 maart 2010, Palmzondag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (50, 4-7), uit de brief aan de Filippenzen (2, 6-11) en uit het Lucas-evangelie (19, 28-40 en 22,14-23,56).

 

"Wir haben es nicht gewußt". Dat zei men in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog toen men ter verantwoording geroepen werd vanwege de misdaden gedurende de nazi-tijd. "Wir haben es nicht gewußt". Woorden met een nare nasmaak omdat ze klinken als een slap excuus: Had men wérkelijk niet geweten wat zich ook in eigen dorp of stad, voor de eigen neus dus, aan verschrikkelijks had afgespeeld of wílde men het niet weten; wilde men het niet méér weten, zéker na de oorlog niet? Had men al die tijd liever weggekeken omdat dat natuurlijk wel zo rustig was? Mijn naam is haas en ík weet nergens van.

 

"Wir haben es nicht gewußt". Afgelopen dinsdag klonken de woorden, in verband met seksueel misbruik van kinderen en opgroeiende jeugd door priesters en kloosterlingen, uit de mond van kardinaal Simonis, de emeritus-aartsbisschop van Utrecht, gedurende vierentwintig jaar for better and for worse, tegen wil en dank, het boegbeeld van de katholieke kerk in ons land. "Wir haben es nicht gewußt". De kardinaal heeft kritiek gehad op die woorden. Ze zouden een faux pas zijn. Daar ben ik het niet mee eens. Volgens mij zijn die woorden juist een schot in de roos en drukken ze precies uit hoe in verband met seksueel misbruik binnen onze kerk de vork steeds in de steel gezeten heeft. "Wir haben es nicht gewußt". Wegkijken, signalen, feiten en klachten negeren, uit gęne en onvermogen om met name zaken die met seksualiteit te maken hebben rustig en zorgvuldig te onderzoeken én te bespreken én goed te behandelen, de kop maar in het zand steken en met een grote boog om de problemen heenlopen: onmiskenbaar is dát het beeld dat de leiding van onze kerk op dit punt te zien geeft. Én maar het eigen straatje schoonvegen. Bah! Ik heb er geen ander woord voor.

 

In de media, op straat, in het café, in de huiskamer en op de preekstoel de zonden, tekorten en misdaden van andere mensen, binnen en buiten de kerk én van bijvoorbeeld "De Kerk" als zodanig, aan de kaak stellen, daar zijn we intussen goed in. De hand in eígen boezem steken en bedenken en belijden waar je zelf de fout in bent gegaan, dat vinden mensen meestal veel moeilijker en daarvoor deinzen ze veelal terug - terwijl dát wél de verlossende weg is. "Ik, pastor Pierre Valkering, ben mij ervan bewust dat ik in mijn persoonlijke verhoudingen en in mijn manier van omgaan met mijn seksualiteit óók mijn fouten heb gemaakt." Of: "Ik, Jozef Ratzinger, paus Benedictus XVI, ben in de tijd dat ik prefect van de Congregatie van de Geloofsleer was, in welke hoedanigheid ik alle verantwoordelijkheid voor seksueel misbruikzaken juist naar mij toegetrokken heb; ik ben destijds ernstig tekort geschoten wat betreft de behandeling van diezelfde zaken". Deze laatste woorden hebben we van de dienaar der dienaren Gods tot op heden echter nog níet mogen vernemen terwijl juist zulke woorden, woorden waarmee iemand werkelijk zélf verantwóórdelijkheid neemt voor het eigen doen en voor de eigen nalatigheid, toch enorm de lucht zouden kunnen klaren en de Kerk écht goed zouden kunnen doen in de huidige nachtmerrieachtige omstandigheden waarin zij is terechtgekomen. Op de eerste plaats de paus, maar ook wij allen, hebben in deze aan de apostel Petrus zoals wij hem in het lijdensverhaal tegenkomen toch een geweldig voorbeeld ...

 

Het was nacht, ook toen, en driemaal kraaide de haan. En op dat moment draaide Jezus zich naar Petrus om - die zich op dat moment pas realiseerde dat hij Jezus verloochend had - Jezus die op Palmzondag gezeten op een veulen Jeruzalem was binnengetrokken. "Een veulen ... waarop nog geen mens heeft gezeten" was het. Ik denk: dat nog onbereden veulen is een prachtig beeld van de eerste berijder ervan, dat jonge dier is een prachtig beeld van Jezus' pure en onbedorven mens-zijn. Ja, in Hem, in Jezus, mogen alle misbruikte en mishandelde kinderen zeker hun bondgenoot zien. Want Zijn onschuld was als de hunne. En ook Hij zal, zoals zij, het slachtoffer worden van mensen die aan die onschuld vergrijpen.

 

"Wir haben es nicht gewußt". De onschuldige wordt het slachtoffer. Men staat er met de neus bovenop. Men is erbij. En men grijpt niet in. Men laat het gebeuren. Men is als verlamd. Men zit te slapen. Men werkt er bewust of onbewust aan mee. "Men"? Nee! Ik! Jij! Zo was het destijds in Jeruzalem. En zo was het in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw en in vermoedelijk alle eeuwen ervoor in allerlei kerkelijke jeugdinstellingen. Misbruik is van alle eeuwen ben ik bang. En het moet aan het licht gebracht worden, dat is goed en dat is recht. "Wie de waarheid doet, komt naar het licht toe" zegt het Johannes-evangelie[70]. Welnu, veelgeliefden, Jezus van Nazareth, de Christus, is beide: waarheid en licht. Bidden wij derhalve op deze Palmzondag dat Zijn waarheid en licht elke ónwaarachtigheid en duisternis in ons aan het licht mag brengen. Bidden wij dat Zijn Geest in ons áán ons de moed mag geven om onze eigen zonden, tekorten en mis-daden eventueel eerlijk onder ogen te zien en te doen bekennen - opdat wij óók de vergeving van God en mensen mogen gaan ervaren. Moge Jezus' licht in ons en in onze gemeenschap zó groeien. Amen.

 

 

 

VERKONDIGING op 7 maart 2010, de derde zondag van de Veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Exodus ((3, 1-15), Psalm xx, uit de eerste brief aan de christenen van Korinthe (10, 1-6) en uit het Lucas-evangelie (13, 1-9).

 

"Het is (...) moeilijk om nu rooms te zijn" - verzucht Kees de Wijs, gedurende 37 jaar als dirigent en organist verbonden aan deze kerk, in het pasverschenen nummer van Z.O.Z. Zie Oud Zuid. Dé wijkglossy van Oud Zuid! waarvoor hij en zijn vrouw Willemien werden geďnterviewd[71].

 

"Het is (...) moeilijk om nu rooms te zijn". Ja, geef Kees eens ongelijk. Je kunt de t.v. niet aanzetten en de krant niet openslaan of de verhalen over seksueel misbruik door priesters vliegen je om de oren. Het houdt niet op. Jezus heeft het in het evangelie van deze derde zondag in de Veertigdagentijd over de Siloam-toren die is ingestort. Achttien mensen zijn daarbij om het leven gekomen. In figuurlijke zin lijkt onze hele Roomse kerk wel in te storten dezer dagen. We worden min of meer failliet verklaard. In een aantal patershuizen, kloosters en pastoriën heeft deze of gene het ongetwijfeld benauwd of wordt vermorzeld onder de brokstukken van een ineenstortende reputatie.

 

Het scheepje van Sint-Petrus is in zwaar weer terechtgekomen. De kerk is en wordt getroffen door onheil. Het is als een natuurramp, maar deze ramp is door mensen veroorzaakt. Wie heeft er schuld? Als er een ramp gebeurt is dat altijd zo'n beetje de eerste vraag: Wie heeft er schuld? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Als het om een aardbeving gaat (L'Aquila - Italië, Haďti, Chili), dan wijst men al gauw naar bouwondernemingen die niet deugdelijk gebouwd hebben en naar de overheid die de regels voor de bouw niet goed heeft gehandhaafd en die nu ook weer tekort schiet wat betreft de hulpverlening aan de getroffenen. En nu in verband met de kerk zijn het uiteraard de plegers van het misbruik zelf naar wie men wijst, naar bisschoppen en andere kerkelijke overheden, naar het celibaat en naar heel de kerkelijke organisatie eigenlijk die niet zou deugen en verrot zou zijn. Nee, het valt op het moment inderdaad niet mee om rooms te zijn en zeker niet om de priesterboord te dragen. In verband met die Siloam-toren vraagt Jezus: "denkt u dat zij schuldiger zijn geweest dan alle andere inwoners van Jeruzalem?" Zijn antwoord is klip en klaar: "Geen sprake van!"

 

En zo is het natuurlijk inderdaad veelgeliefden: Het is niet gezegd dat degenen die níet in de schijnwerpers van de ramp staan, die níet zijn getroffen, die de dans zijn ontsprongen, dat op hen niets zou zijn aan te merken en dat zij vrijuit gaan. En omgekeerd: zij die de pineut zijn en die ten onder gaan, zij zijn niet per se slechter, in alle opzichten, dan de andere mensen die in de luwte, van de publiciteit en anderszins, blijven. "De hele schepping kreunt en lijdt onder barensweeën" schrijft Paulus in de Romeinenbrief[72]. De aarde schokt. En ook in de samenleving en in de kerk zijn er dat soort schokken, is er pijn omdat er altijd beweging in zit. Wij staan met z'n allen niet stil. Zoals het goede, geven mensen ook het kwaad aan elkaar door. We worden ermee opgezadeld en we zadelen er anderen weer mee op. Er is een interactie. Elke mens is zelf verantwoordelijk voor zijn en haar doen en laten. Maar iedereen is óók het produkt van ouders en van de religieuze en andere voorstellingen en ideeën die in een samenleving leven. En elk leven en elke samenleving brengt z'n eigen ondeugden voort. Op lichamelijkheid en seksualiteit rustte vroeger vanwege de kerk een groot taboe zegt men. Over dat alles lag de doem van de zonde. Inmiddels is in de samenleving het deksel wat dit betreft duidelijk van de pot, zijn lichamelijkheid en seksualiteit "vrij" en vaak, zeg maar, "in de uitverkoop": Overal wordt in het volle licht alles getoond en kunnen mensen op dat vlak ook duidelijk de weg kwijtraken. En díe samenleving klaagt nu de paters en de priesters aan, zodanig dat het idee van seksueel misbruik wat hen betreft bijna beeldbepalend lijkt te zijn geworden. Ik denk: laat die samenleving, laten mensen daarbinnen, laten de journalisten die, ook die van "de kwaliteitskrant", soms érg hoog van de toren kunnen blazen en die in hun berichtgeving de zorgvuldigheid gemakkelijk uit het oog kunnen verliezen en die ook een sfeer van sensatie kunnen creëren waarin mensen kunnen gaan zwelgen; laat die samenleving, allen die er deel van uitmaken, bijvoorbeeld ook de journalisten; laat men ook naar zichzelf kijken ...   

 

De normen van vroeger en de normen van nu. Zie er je weg maar in te vinden. Lichamelijkheid en seksualiteit, zie er binnen de context van je eigen leven maar eens goed vorm aan te geven. Dat is niet altijd zo'n eenvoudige zaak denk ik. "Als u zich niet bekeert, zult u allemaal, net als zij, omkomen" zegt Jezus. Met andere woorden: al het onheil dat gebeurt en dat wordt aangericht, bijvoorbeeld op het vlak van seksueel misbruik, mag voor ons een aanleiding zijn om ons eigen hart te onderzoeken en eventueel te reinigen. "Verbeter de wereld, begin bij jezelf". De spreuk van de Bond Zonder Naam blíjft ijzersterk.

 

Soms kan een mens zich zo ontmoedigd voelen dat hij of zij geneigd is om het geloof, de kerk of wat of wie dan ook maar op te geven. Wij kunnen geneigd zijn om elkáár op te geven. Hak de vijgenboom maar om! Het is over. Ik laat me uitschrijven. Ik geloof niet meer. We hebben gehoord hoe Jezus ervoor pleit daar toch voorzichtig mee te zijn en om de grond rond de boom toch nog eerst nog maar eens om te spitten en te bemesten. Wie weet kan het toch opnieuw nog weer wat worden met de Kerk, met de mensen, met U, met mij. Misschien is het mogelijk om het vuur van Gods Heilige Aanwezigheid weer op nieuwe wijze te gaan ervaren. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 28 februari 2010, de tweede zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesia (15, 5-18), uit de brief aan de Filippenzen (3, 17-4,1) en uit het Lucas-evangelie (9, 28-36).

 

"Ik ga zondag naar de kerk, ga je mee?" schreef mij afgelopen week per e-mail een vriendin, ex-katholiek. Eigenlijk opgetogen, want de wonderen zijn de wereld nog niet uit, maar toch ook al rekening houdend met een addertje onder het gras schreef ik terug: "Ik val van m'n geloof! Als 't naar de Vredeskerk in Amsterdam is: ja! (ik heb dus dienst)", waarop weer als antwoord kwam: "Neeeee (met vijf "e" 's) ....... naar 's Hertogenbosch en dan laat ik me zo'n roze driehoekje opspelden."

 

U weet het, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: Leiden is weer in last of liever gezegd, de hele natie staat bijkans weer op z'n achterste benen omdat twee weken geleden in het Noord-Brabantse Reusel de pastoor van de parochie tegen de prins-carnaval van het plaatsje heeft gezegd, dat hij in de carnavalsmis niet ter communie mocht gaan omdat hij samenleeft met een vriend. De bisschop van Den Bosch steunt de pastoor in dat oordeel en daarom zit de Sint-Jan in de Brabantse hoofdstad op ditzelfde moment vol met homoseksuele mannen en vrouwen en sympathisanten zoals de voorzitster van de Partij van de Arbeid. Uit protest. Vanwege de discriminatie. En er zal om die reden in de mis vandaag geen communie worden uitgereikt heeft men al laten weten.

 

Wat één en ander extra wrang maakt is dat juist in de afgelopen weken er weer vele berichten zijn geweest over priesterlijk seksueel misbruik van minderjarigen, óók in Nederland. Meestal gaat het om misbruik dat al tamelijk lang geleden heeft plaatsgevonden, maar toch ... De journalist Gerard van Westerloo heeft een boekje geschreven met als titel De pater en het meisje[73] over seksueel misbruik, rond 1960, door een pater Marist van zijn zus Tineke, een dame van in de zeventig nu. Dat misbruik heeft zich afgespeeld binnen onze parochie. De broeders van Huijbergen, die de jongensscholen van de parochie bestierden en het destijds bekende jongenskoor leidden, hebben op dit vlak ook géén onbevlekt blazoen, zo blijkt in dat boekje. Ja, dierbare gasten en parochianen, we staan er als kerk weer eens gekleurd op: Enerzijds zo'n lieve jongen als de prins-carnaval van Reusel, 23 jaar oud, die de stem van z'n lichaam en van z'n hart volgt, de maat meten en anderzijds kerkelijke bedienaren die zich schuldig maken aan het "weerzinwekkende misdaad", om paus Benedictus te citeren, van kindermisbruik. Maar de kerkleiding heeft zélf boter op 't hoofd omdat men meestal volstrekt inadequaat heeft gereageerd op situaties van misbruik die aan diezelfde kerkleiding werden voorgelegd. Misbruikplegers werden veelal overgeplaatst en begonnen op de nieuwe plek soms/veelal opnieuw.

 

Wat moeten we ermee?

 

Gistermorgen hadden we in de andere parochie een vergadering over de viering van de zondagsliturgie. Geen eenvoudig onderwerp. De ideeën die mensen daarover hebben kunnen nogal verschillen en dat kan tot veel opwinding leiden. Tegen het eind van de vergadering zei een oude, maar heel wakkere en montere dame: "Ik denk: als Jezus hier toch eens bij ons naar binnen zou kunnen komen. Wat zou Hij er dan van vinden?" Een hartekreet. Woorden van goud uit een hart van goud. Ik heb die dame met haar woorden gecomplimenteerd en haar gezegd: "Mét dat je dit zegt gebéurt het ook en kómt Jezus binnen." Ja dat geloof ik. En ik citeer haar woorden nu ook vandaag in verband met dat probleem van die communieweigering enerzijds en dat priesterlijk seksueel misbruik en medeplichtige kerkelijke autoriteiten anderzijds. Kwam Jezus hier nou maar binnen. En: wat zou Hij er van vinden en van zeggen?"

 

We hebben over Jezus net gehoord in Paulus' brief aan de Filippenzen: "Broeders en zusters", zo schrijft hij, "volg mijn voorbeeld en kijk naar hen die zich gedragen naar het voorbeeld dat wij u gegeven hebben. Want velen leiden een leven - ik heb u al vaak over hen gesproken maar nu herhaal ik het onder tranen - als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is hun ondergang, hun god is hun buik, ze stellen hun eer in schande, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse. Maar óns vaderland is in de hemel, vanwaar wij ook onze redder verwachten, de Heer Jezus Christus." Paulus durft! Hij durft zichzelf en mensen die leven zoals hijzelf ten voorbeeld te stellen aan de christenen van Filippi. Dan moet je wel echt overtuigd zijn van je eigen morele integriteit en voortreffelijkheid ... En dan zet Paulus zich af tegen degenen die een leven leiden "als vijanden van het kruis van Christus", mensen voor wie hun buik hun god is en die hun zinnen zetten op het aardse. Wie bedoelt hij? En, getransponeerd naar onze dagen: wie zouden daar nú onder vallen? Mensen die te veel eten en andere verslaafden? Margot Käsemann die is afgetreden als protestantse bisschop van Hannover omdat ze na te veel gedronken te hebben door rood licht is gereden en werd aangehouden? Priesters en kloosterlingen die seksueel misbruik plegen? En hoe zit het met de prins-carnaval van Reusel? En hoe zit 't met de pastoor van Reusel en met de bisschop van Den Bosch en met U en met mij? Wie blijft er qua levenswijze binnen de christelijke boot en wie valt er buiten?

 

Het kan geen kwaad veelgeliefden, zo dunkt mij, om het je af te vragen, op de allereerste plaats wat je zelf betreft: Lééf ik goed in het licht van Christus' kruis? Uit liefde heeft Hij zichzelf gegeven aan onze wereld, voor alle mensen, dus ook voor mij. En hoe zit het dan met mijn wederliefde? Geef ik óók mijzelf, liefdevol, zelfs als dat moeite, lijden en pijn met zich meebrengt? Of ben ik er eerder op uit om van mijn eigen leven een warm dan wel lauw bad te maken en loop ik met een grote boog om de problemen, de ellende en de nood van mijn medemensen heen? Ik denk: als we het over Christus en Zijn kruis hebben, dan gaat het om dat soort vragen.

 

In het evangelie van deze zondag is Jezus zelf opnieuw ons leven binnengewandeld. In gedachten hebben wij met Hem en enkele van Zijn leerlingen de berg bestegen. De chaos, de malaise, de vuiligheid, de rotzooi, de verschrikkingen en vernederingen van deze wereld laat Hij en laten wij mét Hem even achter ons. Wij zien Hem bidden. Zijn uiterlijk verandert. Zijn kleren worden stralend wit. Dat is het gebed veelgeliefden. In het gebed worden wij getransformeerd, veranderen wij van gedaante. In het gebed kun je licht zíen en kun je licht wórden. En in het gebed zijn er geen grenzen van ruimte en tijd. Jezus is in gesprek met Mozes en Elia, twee richtingwijzende figuren voor en in het geloof van Israël, het joodse volk waartoe Jezus behoort. Met hen spreekt Hij "over Zijn heengaan (...), de voleinding van Zijn leven in Jeruzalem." Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt is het woord "exodus", dat betekent: uit-weg.

 

Ook voor ons, veelgeliefden, is dat een vraag: Waar is voor ons de uit-weg? Hoe ontkomen wij, hoe ontsnappen wij aan de ééndimensionaliteit van ons bestaan? Hoe ontkomen, hoe ontsnappen wij uit het doodlopende straatje waarin wij met ons leven, zelfs binnen onze kerk (denk aan Reusel, denk aan de Sint-Jan op dit eigenste moment) terecht kunnen komen? Ach veelgeliefden, de Heer is ons midden, Jezus is erbij. Maak je leven eenvoudig vast aan het Zijne en die uitweg is er, je ziet hem, je vindt hem, je gáát, met Hem, die weg. Dus maak je dan verder geen zorgen. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 21 februari 2010, de eerste zondag van de Veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Deuteronomium (26, 4-10), Psalm 91 (ged.), uit de brief aan de Romeinen (10, 8-13) en uit het Lucas-evangelie (4, 1-13).

 

Onze kerk en meer specifiek: het "personeel" ervan (priesters, bisschoppen, paus), heeft de laatste weken in de media weer zwaar onder vuur gelegen. In de krant verschenen allerlei artikelen over seksueel misbruik in Ierland en op een college van Jezuďeten in Berlijn en ook: recensies van een nieuw boek van de journalist Gerard van Westerloo over het seksuele misbruik door een priester van zijn zus[74]. Die situatie heeft zich afgespeeld in ons eigen stadsdeel. En dan heeft vorig weekend de pastoor van het Noord-Brabantse Reusel geweigerd de communie te geven aan Gijs den Urste, de prins carnaval van het plaatsje, een lieve jongen van 23, die samenwoont met zijn vriend.

 

De teneur van de berichtgeving en van allerlei commentaren op de diverse situaties, onder andere, op hoge toon, door Huub Oosterhuis[75], ook van hier, is ongeveer deze: Mensen die luisteren naar de stem van hun lichaam en van hun hart meten "ze" (de mannen van de kerk) de maat en maken ze het leven zuur en intussen knijpen ze zelf de kat in het donker. De katholieke moraal leidt tot onmogelijke, tot onleefbare situaties - óók voor degenen die diezelfde moraal verkondigen dan wel geacht worden te verkondigen. De kerk deugt niet. De moraalleer van de kerk deugt niet. De mannen van de kerk deugen niet. Het celibaat deugt niet. In niet mis te verstane bewoordingen, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, wordt ons als kerk in de media voortdurend de wacht aangezegd - nu al tientallen jaren lang eigenlijk.

 

Het is, gezien de massiviteit van dat aanhoudend "j'accuse", van de aanklacht, eigenlijk een wonder dat er in Nederland nog altijd kerkgaande katholieken zijn. Wat moeten die mensen toch? Weten ze soms niet beter?

 

We mogen het ons, dierbare gasten en parochianen, inderdaad zélf ook afvragen: Wat houdt ons hier? Wat boeit ons, ondanks alles, tóch in het katholiek-christelijk geloof en in onze kerk? Wat geeft het ons? Wat hebben wij er aan? En vandaag, meer specifiek: Wat hebben wij aan die periode van veertig dagen die voorafgaat aan Pasen, periode die wij "de Vastentijd" noemen? Wat is het wezen daarvan? En hoe kunnen wij daar zelf, in onze tijd vorm aan geven?

 

In het evangelie van deze zondag hoorden wij hoe Jezus na Zijn doop veertig dagen in de woestijn bleef. Hij is "vol van de heilige Geest", "in geestvervoering" zo hoorden we. En Hij zoekt dan de eenzaamheid op. Hij zoekt de stilte op. Hij onthoudt zich van voedsel. En dan krijgt Hij te maken met wat "de duivel" wordt genoemd: een geheimzinnig figuur, een stem die klinkt in Hemzelf of die, wie weet, ook van buiten Hem op Hem afkomt, een stem die Hem tracht te verleiden. Het zijn "almachtsfantasieën" zou je kunnen zeggen waar het om gaat. Het gaat om de verleiding van te gaan denken dat je alles naar je hand zou kunnen zetten en alles zou kunnen beheersen, dat eigenlijk de hele wereld om jou zou kunnen draaien, dat jijzelf de maat van alle dingen bent en dat jóu niets kan overkomen. In één woord samengevat zouden we het "hoogmoed" kunnen noemen - nog altijd een verleiding denk ik, ook voor ons in deze tijd: jouw perspectief, het mijne, is het enig belangrijke en het enige ware.

 

Maar Jezus is voor zichzelf niet het centrum van het heelal. Dat is God, dat is Zijn Vader. En Hij kent die God doordat Hij de Schrift kent, Jezus. Hij kent die uit z'n hoofd, a coeur zeggen de Fransen: die zit in z'n hart, de Schrift. Hij heeft met die Schrift, met de woorden ervan, een affectieve relatie. Hij is ervan doordrenkt. Hij is er vol van. En door die Schrift heeft Jezus als mens weet van heilige grenzen die er zijn en die Hij en elk mens in acht zou dienen te nemen. "Niet van brood alleen leeft de mens": Leven is méér dan wat je kunt zien en aanraken en kunt pakken en opeten. Minstens zo belangrijk als het brood dat je eet zijn Gods woorden, is Zijn belofte. En de grootste vreugde in het leven bestaat er in om ten diepste Hem te dienen en te aanbidden en niemand anders. En je moet behoedzaam, aandachtig en zorgvuldig met God omgaan. Daag Hem niet uit! Met zulke inzichten, met zulk weten lééft Jezus. Hij is geworteld in God, en daardoor staat Hij sterk tegenover alle stemmen in en buiten Hem waarvan God niet de bron is en die ook anti-God kunnen zijn. Jezus is geworteld in God. En dat is Zijn redding. En daardoor is Hij Zélf onze Redder, omdat wij door, met en in Hem in diezelfde God geworteld kunnen zijn of kunnen raken, steeds sterker wellicht.

 

Wij zijn hier in de kerk. En hoewel er in de kerk heus het nodige niet deugt en de mensen, de mannen én de vrouwen van en in de kerk geregeld níet deugen omdat wij nu eenmaal mensen zijn, wij ontvangen hier wél Gods Woord. Wij ontvangen hier Jezus Christus. En dat is goed. Gods Woord is goed. Jezus Christus is goed. Daarvan ben ik heilig overtuigd. En wie zich in deze veertigdaagse vastentijd als in een soort woestijn van al het overbodige probeert los te maken om zich op Gods Woord, op Christus te concentreren, Hem tracht te ontmoeten in de stilte, in de eenzaamheid van het eigen hart en natuurlijk ook in en tussen de mensen, die geeft mijns inziens een goede invulling aan deze veertigdaagse Vastentijd. En alle stemmen die ons in de media of waar of door wie dan ook op andere gedachten willen brengen, daar moeten we ons mijns inziens niet door laten leiden. Amen.

 

Verkondiging  23  I  ’11;   schriftteksten:   Jes.8: 23b – 9: 3,  Ps.27,         1 Kor.1:10 - 13 + 17,  Mt.4: 12 – 23.

Leo  Jacobs  ofs.

 

Waarschijnlijk konden zij niet eens lezen, de vier eerste geroepenen door die heel bijzondere Mens, die zij blijkbaar zonder enige aarzeling volgden en in wie zij de ‘’Massiach’’, de Gezalfde hebben herkend. En de tekst uit Jesaja, met die voorspelling van dat heldere licht dat een heel volk, dat in duisternis dwaalt, zal verlichten, die profetie konden zij zeker niet lezen want die werd geschreven in klassiek Hebreeuws en deze eerste vier apostelen spraken waarschijnlijk alleen de taal, die in die tijd het hele midden- Oosten sprak, het Aramees, en dat is een heel andere taal. En het evangelie volgens Matteus, waarin de woorden van Jesaja worden aangehaald  -  dat evangelie moest toen nog geschreven worden. En toch, zo maar, boing, volgden die vier ongeletterde vissers de Zoon des mensen.

 

Zou iemand van jullie het doen ?  Zou ik het zelf doen ?  Je ontmoet hier iemand op het Vredeskerkplein, een wat merkwaardig type, of misschien juist een heel betrouwbaar uitziend persoon, zo iemand als Pierre Valkering, en die zegt tegen je: ’’geef alles op en volg mij; ik maak je een visser van Amsterdammers’’. Ik zou minstens even willen nadenken en er in elk geval met mijn vrouw over moeten praten. Maar ik ben ook geen bezitloze visser. Het zal ons waarschijnlijk vergaan als die rijke jongeling, die zo graag Jezus wilde volgen en zich keurig hield aan alle mitswoth, aan alle geboden, maar helaas ook heel rijk was. Hij werd diep treurig (Mt 19: 21-24). Jullie, en ik ook, ik denk dat wij in materiele zin meer te verliezen hebben dan die vissers. En de meesten van ons zijn ook wat ouder.

 

Waren die mannen 18 of 21 jaar ? Op die leeftijd stort je je gemakkelijker in een avontuur. En toch: wat heeft deze 4 mannen zo snel over de streep getrokken ? Het antwoord, dat de schriftteksten geven, Jesaja en Matteus, is, dat zij het Licht zagen, het Licht dat zo mooi verwoord is in de psalm van daarnet. En die teksten over het Licht  -  die deden mij denken aan wat mijzelf overkwam, bijna 14 jaar geleden. Tot die gedenkwaardige dag in maart 1997 had ik mijzelf altijd voor een ongelovige gehouden, actief in de linkse politiek en zonder enig geloof in God. Totdat DAT mij overkwam, ja, NB tijdens een wintersportvakantie in Frankrijk  -  toen mij in een flits duidelijk werd dat God bestaat. Een onbeschrijfelijke mystieke gelukservaring, waarvan ik behoorlijk ondersteboven was.

 

Ik wist aanvankelijk niet wat ik er mee aan moest en hield het voor mij. Mijn gezin had wel gemerkt dat er wat was, en na enkele maanden heb ik opgebiecht: ik geloof in God. Toen begon het kruisverhoor. Mijn jongste zoon vroeg heel rechtstreeks: ‘’wat is dat dan, concreet, wat is God ?  Concreet !’’  Dat was lastig: je weet precies wat je gelooft maar dat beschrijven aan iemand die deze genade niet ontvangen heeft  -  ik kon niet veel meer uitbrengen dan ‘’Licht. God is voor mij Licht.’’ Voor mijn zoon was het een weinig bevredigende uitleg.   Ik vind het nog steeds moeilijk te verwoorden. Die vier vissers daar in het land van Naftali, aan de oever van het meer van Kinnereth, oftewel Galilea, die hadden blijkbaar dus geen beschrijving nodig.

 

Jezus was voor hen het Licht waarop hun volk al eeuwen wachtte. Zoals God voor mij het Licht was, waarop ik   - dat weet ik nu -   onbewust ook zat te wachten. Dat is geen tegenstrijdigheid, want God de Vader en Zijn Zoon vormen met de H. Geest een eenheid, zoals de kerk ons leert. Maar laat ik niet afdwalen: waren die vissers de eersten, die in Jezus het Licht der wereld herkenden ? Nee: zo zag de zeer bejaarde Simeon het vlak voor zijn dood ook al, toen Maria en Jozef de tempel betraden om de piepjonge eerstgeborene op te dragen aan de Heer (Lc 2: 32). ‘’Een Licht dat voor de heidenen straalt,’’ zei Simeon; m.a.w.: toen al was bekend dat Jezus er was voor de hele wereld en niet alleen voor het eigen volk van Israël. Dat was a.h.w. al een begin van het nieuwe verbond.

***

Die vier vissers lieten hun broodwinning, en de laatste twee ook hun vader voor wat het was, en volgden Hem, zonder zich af te vragen of er ’s avonds brood op de plank zou zijn. Eigenlijk zou je het hele Nieuwe Testament samen kunnen vatten in die zin: “Komt, volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken.” Jezus vraagt in die korte tijd, dat hij de blijde boodschap aan Israël verkondigt, steeds weer Hem te volgen. En alles op te geven. Stel dat je die roeping volgt  -  hoe ritsel je dat in onze moderne consumptiesamenleving ? Verlangt Hij werkelijk in alle radicaliteit van ons om alles op te geven ?  Ik zou het niet kunnen. Maar er bestaat naast ‘’Licht’’ nog een andere karakteristiek voor zowel de Vader als voor de Zoon: onvoorwaardelijke liefde.

 

Dat klinkt vrij abstract, tenzij je het hertaalt in liefde zonder voorwaarden.  Jezus vraagt veel van ons, maar als wij dat niet kunnen opbrengen  -  dan blijft Zijn liefde onvoorwaardelijk. Betekent die onvoorwaardelijkheid dat God niet straft ?  Onder het oude verbond wordt flink gestraft, zo lezen wij in het oude testament. Maar wij leven nu onder het nieuwe verbond. Jezus kwam om de verstoorde liefdesrelatie tussen God, Zijn Vader en Diens kinderen, de mensen te repareren. De wraakgierige God is in Christus een vergevende God geworden. Dat is een wezenlijk verschil met de God van bijvoorbeeld godsdiensten, welks aanhang afvalligen en andere vermeende zondaars stenigt, vermoordt, die de heilige oorlog predikt, kortom: die geweld stelt boven vrede-lievendheid.

 

O.- k.: Jezus zegt dat geen tittel of jota uit de wet zal verdwijnen, maar vervolgt:  voordat alles geschied is. En Hij zegt ook: wet en profeten golden tot Johannes; sindsdien wordt de Blijde Boodschap van het Rijk Gods verkondigd (Mt 5: 17- 18, Lc 16: 16- 17; zie ook Gal 3: 23-25).  Er zullen er onder u heel wat zijn, die opgroeiden in zo’n ouderwets rooms gezin, waar de kinderen vreesden voor elk klein vergrijp de vlammen van vagevuur of hel te moeten doorstaan. Ongetwijfeld hadden ouders en priesters met die bangmakerij de beste bedoelingen, en uiteraard onthoud ik mij van een oordeel (Mt 7: 1), maar ik ben blij dat de genade van het geloof in de liefdevolle God mij pas is overkomen toen ik niet meer bang voor Hem hoefde te zijn (1 Joh 4: 18).

 

Jezus weet best dat wij nooit Zijn heiligheid zullen bereiken. Dat begint al met Petrus, wiens geest soms verblind is (Mc 6: 52); die Hem op het laatst maar liefst drie maal verloochent. Toch zal Petrus de hoeksteen van Zijn kerk worden. Wij kunnen wel ons best doen. Kleine zonden, niet bijvoorbeeld seksueel misbruik, maar kleine, helaas weer wel wijdverbreide zonden zijn bijvoorbeeld het geürm over de veronderstelde onveiligheid, en de klaagzang dat het in ons land steeds slechter zou gaan. Die ontevredenheid heeft iets zondigs, ook al omdat alle statistieken uitwijzen dat ons land nooit zo veilig is geweest als heden ten dage, dat Nederland rijker is dan ooit en dat het enige negatieve aspect aan die welvaart is, dat niet iedereen ervan profiteert: de kloof tussen arm en rijk neemt toe.

 

Formeel staat ontevredenheid niet als zodanig onder de zeven hoofdzonden, maar ik denk dat het heel goed past in het rijtje gierigheid, nijd, gramschap en gulzigheid. Hoe gaan wij om met al onze slechte eigenschappen ?  Van de Braziliaanse bevrijdingstheoloog en voormalig Franciscaan Leonardo Boff  citeer ik:

          ‘’Als je de roep van de Geest hoort, geef er dan gehoor aan en probeer met heel je ziel, met heel je hart en met al je krachten heilig te worden.

          Wanneer wegens menselijke zwakheid het je niet lukt heilig te worden, probeer dan met heel je ziel, met heel je hart en met al je krachten volmaakt te worden.

          Maar als je vanwege de ijdelheid van je leven er niet in slaagt volmaakt te worden, probeer dan met heel je ziel en je hart en met al je krachten goed te worden.

          Als evenwel door de hinderlagen van de boze het je niet lukt goed te zijn, probeer dan met heel je ziel, met heel je hart en al je krachten verstandig te worden.

          Wanneer tenslotte vanwege het gewicht van je zonden je er niet in slaagt heilig, volmaakt, goed of verstandig te worden, probeer dan deze last voor God te dragen en geef je leven over aan de Goddelijke Barmhartigheid.’’*

 

***

Zou het kunnen zijn dat de 4 eerste apostelen dat zo direct herkenden in Jezus: de Goddelijke Barmhartigheid ?   Drie van hen, Petrus, Andreas en Jakobus, stierven volgens de overlevering niettemin de marteldood; bloedgetuigen dus. Vaak wordt dat in de taal van de kerk beschreven als ‘’zij werden verheerlijkt in God’’ of woorden van gelijke strekking. Ik heb daar moeite mee. De marteldood zie ik als iets gruwelijks. Hoe het met Johannes afliep  -  dat weten wij niet. Er bestaat een mythe dat hij was aangekomen in de toen bloeiende gemeente van Efeze en daar zou hij voor de voltallige gemeente, omstraald door een oogverblindend licht, met ziel en lichaam zijn verheven in Gods heerlijkheid.

 

De kerk is niet blij met deze legende. Maria wordt in Efeze vereerd, en dat vindt Rome al moeilijk genoeg. Het schijnt, dat van Johannes geen graf bekend is, en dat van hem evenmin relikwieën worden aangetroffen. En de veronderstelde Hemelvaart lijkt wel erg op de manier waarop bijvoorbeeld Jezus in Jh 12: 32 aanzegt te zullen opstijgen en die ruim zes eeuwen later werd geďmiteerd door Mohammed, die op enigszins vergelijkbare wijze wordt meegenomen naar de hemel vanaf de rots in Jeruzalem.  Maar waar of niet waar  -  omstraald door licht, door het Licht te worden opgenomen in Gods koninkrijk  -  is er iets mooiers denkbaar ?  ‘’Vuur ben ik op aarde komen brengen’’ zegt Jezus (Lc 12: 49). Vuur geeft warmte en vooral ook: licht. Bidden wij dat het Licht ons blijft verlichten bij onze armzalige pogingen Hem te volgen, Adonai Elohenoe, amen.

 

 

* in ‘’Sint Franciscus van Assisi   Tederheid en kracht’’ p.154

 

 

 

 

VERKONDIGING op 24 januari 2010, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Nehemia (8, 1-12), Psalm 19, de eerste brief aan de christenen van Korinthe (12, 12-29) en uit het Lucas-evangelie (1, 1-4 + 4, 14-21).

 

"Un gran show" - "een grote show". Ik hoor het padre Romano uit Saő Paolo nóg zeggen. En ik zie ons nóg staan. Vanuit een loggia hóóg bovenin het klooster van Sant'Anselmo dat bovenop de Aventijn ligt, één van de zeven heuvelen, keken wij uit over het nachtelijke Rome. Padre Romano en ik waren daar allebei student in 2003. Op een zaterdag waren wij samen opgetrokken en we hadden allerlei kerkelijke dingen meegemaakt en toen zeí hij dat, padre Romano: "C'č un gran show", "het is een grote show" - dat Rome met al die prelaten: kardinalen en bisschoppen, gewone priesters, paters, zusters en andere gelovigen. We hebben er eens flink om gelachen daar boven in die loggia.

 

Gisteren was ik in Breda bij een priesterwijding. Bescheidener dan in Rome uiteraard maar toch: ook daar konden we weer getuige zijn van een stukje van die grote show. Altijd in zulke omstandigheden moet ik aan de woorden padre Romano denken. Ook in Breda wemelde het van de priesters met hun witte boordjes, in hun lange gewaden, met hun mooie priesterstola's, knielend, buigend, elkaar op hun zonnigst begroetend. Zien en gezien worden. Dat is wat er in zo'n situatie gebeurt. En wat gaat er om in al die priesterhoofden en -harten? Wat leeft daar? Oprechte vroomheid ongetwijfeld of minstens het verlangen daarnaar, oprechte belangstelling vóór, gevoelens van toegenegenheid en vriendschap ten aanzien van de collega's of ten aanzien van bepáálde collega's, maar ook: afkeuring en afkeer van collega's, jaloezie, vormen van haat misschien zelfs, carričrezucht, verlangen naar bevestiging, vooral van de zijde van bisschoppen en alle flemerigheid die daar het gevolg van kan zijn. Het klinkt misschien allemaal wat scherp, maar ook sporen dáárvan meende ik waar te nemen gisteren daar in de kathedraal van Breda. Ik nam het waar in elk geval bij mijzelf, in mijn eigen priesterhart- en hoofd. Nee, veelgeliefden, niets menselijks is ook de priester vreemd. En de werkvloer van de kerk, al is het ook de verheven werkvloer van het priesterkoor van een kathedraal; de werkvloer van de kerk lijkt zonder meer op die van elk ander bedrijf, van elk kantoor en elke andere instelling. Het hoogste en het laagste dat in en tussen mensen omgaat en gebeurt, je komt het overal tegen, óók in de kerk dus.

 

Maar waaróm hier vandaag over uitwijden? Mooie introductie voor de doop- en vormselkandidaten! denkt U misschien wel. Wat zullen ze niet denken? Waar kom ik in godsnaam in terecht? Waar ga ik mij aan verbinden? Kan ik niet beter rechtsomkeert maken? Je maakt het ze tégen door zo te spreken!

 

Ach ja, dierbaren gasten en parochianen van deze Vredeskerk. Zelf denk ik: het is maar beter om je ook over de kerk van meet af aan maar geen enkele illusie te maken. Want dan kan het in tweede of derde instantie ook niet tegenvallen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Dus ik wáárschuw onze doop- en vormselkandidaten en iedereen hier: Maak je over de kerk géén illusies. Mensen ín de kerk zijn in principe helaas geen háár beter dan buíten de kerk.

 

Heel duidelijk spreekt dát als achtergrond uit de tweede lezing die we vandaag hoorden, die uit de eerste brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinthe. Paulus vergelijkt daarin de gemeenschap van de christenen met een lichaam. Oog en oor, hand en voet en ook "de edele delen": we hebt het allemaal nodig. Zo hebben we, opdat de kérkgemeenschap goed functioneert ook mensen nodig met uiteenlopende kwaliteiten. Paulus heeft het over "apostelen", "profeten" en "leraren" en ook over mensen die "wonderen doen", die "genezen", die "helpen", "besturen" en die "in talen spreken". Als we dat vertalen naar onze omstandigheden, dan denk ik aan de leden van het parochiebestuur, aan de mensen die de kerk schoonmaken, de bloemen schikken, de liturgieboekjes maken, ik denk aan de bisschoppen, ik denk aan de mensen die in de kerk op authentieke wijze iets van God openbaren, ik denk aan de mensen die doop- en vormselkandidaten begeleiden en aan de mensen die in ons midden echt heilzaam aanwezig zijn, mensen van wie je blij en gelukkig wordt én ik denk aan de mensen die goed zijn voor hun alleenstaande, ongelukkige, zieke buurvrouw. En ga zo maar door. We hebben al die mensen nodig. En wat de één kan, dat kan de ander niet per se. En wat de één mág doen, dat mag de ander niet per se. Want de kerk heeft daarvoor allerlei regels en wetten: over wie bepaalde dingen wel en niet mag doen. In de beschrijving van de kathedraal van Breda van zoëven kan het U mogelijk weer erg getroffen hebben: De Roomse kerk is een mannenbolwerk. Vrouwen komen er in de kerkleiding en de liturgie vaak nauwelijks aan te pas. Een charmante dame met hoge laarzen aan was gisteren lector. En daarmee was ze de enige vrouw die op het priesterkoor "iets deed" temidden van al die mannen in de wierook. Met een knipoog naar Paulus kun je dan uit de lezing van vandaag nog dat zinnetje aanhalen: "die lichaamsdelen die wij beschouwen als minder eerbaar, eren wij des te meer". Moeten we daarbij soms aan al die heren-op-het-priesterkoor denken? Nou aan díe implicatie zal Paulus wel niet gedacht hebben bij het schrijven van zijn brief, maar toch ... één ding is duidelijk: Er werd in Paulus' dagen duidelijk gemord in Korinthe binnen de kerkgemeenschap. Er was bij sommigen duidelijk onvrede over "wie wat deed". Sommigen voelden zich duidelijk ondergewaardeerd en ten achter gesteld bij anderen. En Paulus zegt dan: Kijk goed naar het menselijk lichaam. Daarin doet ook niet elk orgaan álles. Ook voor de kerk geldt: Doe daarin alleen dátgene wat werkelijk op jouw weg ligt en werkelijk bij jóu past én wat jou ook wordt toegestaan.

 

En trouwens, veelgeliefden, daar gaat het natuurlijk ten diepste helemaal niet om in de kerk, om "wie wat doet". Want als kerk zijn wij op God gericht. Hij moet tot Zijn recht komen in de kerk. Dáár gaat het om. Prachtig, in de eerste lezing uit het boek Nehemia, hoe de priester Ezra urenlang, "vanaf de dageraad tot de middag" staat er; hoe hij voorlas uit het boek van de leer van Mozes. Prachtig zoals wij horen dat "het volk aandachtig luisterde" en hoe de mensen enthousiast worden, hoe zij "hun handen omhoog staken en hun hoofd bogen". Prachtig zoals er staat dat de medewerkers van Ezra óók "lazen uit het boek van Gods leer, het uitlegden en de betekenis verklaarden, zodat iedereen de lezing begreep." Prachtig zoals er staat dat "het hele volk in tranen was uitgebarsten toen het de woorden van de leer hoorde" en hoe er vervolgens op last van Ezra uitbundig feest gevierd wordt met zoete drank en al. Prachtig zoals in het evangelie in de synagoge in Nazareth "alle ogen" op Jezus gericht zijn als Hij de profeet Jesaja voorleest en dan zegt: "Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan". Vandaag is het werkelijkheid geworden. Welk schriftwoord? Dat over die armen die de goede boodschap horen, dat over de gevangenen aan wie hun vrijlating wordt aangekondigd, dat over blinden die licht krijgen in hun ogen, dat over verdrukten die in vrijheid mogen gáán. Dáár gaat het om veelgeliefden. "Goede nieuws", "vrijheid" en "licht" zijn de sleutelwoorden. Goed nieuws, vrijheid en licht die de armen, de gevangenen en de blínden zelfs, of nee: juíst zij, kunnen zien en ervaren. Binnen onze samenleving maken wij ons bijvoorbeeld erg druk en ongerust over de almaar toenemende criminaliteit. Er moet steeds langer en harder gestraft word. Dáár wordt om geroepen. Maar ik denk: als wij met z'n allen, zoals de mensen verzameld rond de priester Ezra in de eerste lezing en rond Jezus in de evangelielezing en zoals gisteren in de kathedraal van Breda rond die zeer capabel lijkende bisschop van den Hende en zoals we nu hier verzameld zijn; als we aldus met z'n allen op één punt, op God gericht zijn, luisterend naar Zijn Woord, als wij luisteren, met name, naar hoe dat Woord klinkt en vlees en bloed geworden is in Jezus; als wij daar zélf naar luisteren en ons er door laten ráken tot in onze diepste vezels, tot in onze vingertoppen, tenen en kruin, als dat Woord dan onze soms zo troebele gedachten reinigt en ons verandert en tot betere mensen maakt en als wij daardoor ook andere mensen bewegen om naar datzelfde Woord van God te gaan luisteren, dan zullen gevangenissen en straffen uiteindelijk helemaal niet meer nodig zijn, omdat mensen, wij, dan alleen nog maar zullen verlangen om waar, oprecht en goed te leven.

 

"C'č un gran show" - "het is een grote show". Ik vind het voor mezelf goed en bijdragen aan mijn geestelijke gezondheid door af en toe aan zo'n "grote show" als gisteren in Breda deel te nemen. Want hier sta ik voortdurend op deze plek en ben ik toch een soort haantje ook. Maar bij zo'n gebeurtenis als gisteren ervaar ik heel sterk: Je bent er maar één van de velen. En je neemt temidden daarvan maar een bescheiden plaats in. En: het gaat allemaal niet om jóu - al kan een mens soms wel geneigd zijn om te denken. Nee, samen zijn we gericht op iets anders, op de Andere, op de Eeuwige die Licht is en Liefde. De grote show, hier en in Breda, in Rome en destijds misschien ook zelfs in Jeruzalem en Nazareth. Er is een buitenkant. De dingen van het geloof moeten nu eenmaal op een bepaalde manier vorm krijgen. Maar het eigenlijke gebeurt van binnen. Móge het gebeuren. Amen.

 

 

VERKONDIGING op 3 januari 2010, hoogfeest van de Openbaring des Heren, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (60, 1-6), Psalm 72 (ged.), uit de brief aan de christenen van Efeze (3, 2-3a.5-6) en uit het Mattheü-evangelie (2, 1-12).

 

Iemand gaf mij na afloop van de mis op Nieuwjaarsdag een ei. "Happy New Year 2010" stond er op. Een ei - vruchtbaarheid. "Dat je een vruchtbaar jaar mag hebben." Dat is denk ik wat de gever van dat ei mij met dat geschenk wilde zeggen. Later op de dag, bij de uitgang van het Concertgebouw, na het bezoeken van de gemeentelijke Nieuwjaarsreceptie, kreeg ik een fluoriscerende band om de mouw van mijn jas geklikt. "Dat je veilig mag gáán, nu weer het donker in. Dat je een verkeersveilig 2010 mag hebben. Neem je verantwoordelijkheid daarvoor." Dat is de boodschap die de gemeente Amsterdam mij en alle andere bezoekers van de Nieuwjaarsreceptie wilde meegeven mét dat geschenk van die fluoriscerende band.

 

Mensen houden ervan om elkaar cadeautjes te geven. En een góed geschenk, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk; een goed geschenk zegt iets wezenlijks óver en áán de ontvanger van dat geschenk. Én het zegt iets over de gever van dat geschenk zélf. Zeg me wat je geschenken zijn en ik zeg jou wie jij bent.

 

De wijzen uit het oosten, vandaag op bezoek bij de pasgeboren Jezus, zij geven hem goud, wierook en mirre: " 't Goud is de koning toegewijd,/de wierook prijst Gods majesteit,/maar, ach, de mirre, zij beduidt/dat eenmaal Hem het graf omsluit."[76] Kostbare, betékenisrijke geschenken zijn het. De wijzen drukken er in uit wie Jézus is én wie zij zelf zijn, want, zoals gezegd, het goede geschenk is trait d'union tussen gever en ontvanger, het verbíndt beiden. Ze zien, de wijzen, Jezus' koningschap. Ze zien God in Hem. En de mirre is profetisch ten aanzien van Jezus' dood, Zijn dood die de apotheose zal zijn van Zijn leven; Zijn dood waarin Hij zich ten volle zal geven voor het leven van de wereld; Zijn dood die zal blijken te zijn: Zijn grootste geschenk aan ons. Goud, wierook en mirre, de geschenken waarmee de wijzen tegelijk uitdrukken de adel van hun eigen hart, hun bíddend hart en hun eigen sterfelijk mens-zijn.

 

Hebt U gisteravond op Nederland 1 Theo Maassen gezien? Zijn laatste conférence, "Zonder pardon" is de titel. Een mitrailleurvuur van woorden waarin Theo zijn eigen bestaanservaring en die van zijn landgenoten en van vooral uiteraard zijn leeftijdgenoten onder hen tot uitdrukking brengt. Geniaal. Arrogant. Macho. Banaal. Grof. Provocerend. Schokkend - als in deze tijd ons nog iets schokken kan ... Hij laat ook z'n aardige kanten zien - om ze steeds weer genadeloos onderuit te halen en weg te maaien. En hij is natuurlijk wanhopig. "Het leven is een experiment. En ik ben zelf het proefkonijn" zegt hij. Het proefkonijn Theo Maassen dat zichzelf aan z'n eigen haren (nou ja, die heeft hij niet; aan z'n eigen gemillimeterde kop) omhoog tracht te trekken. Maar in wezen rent hij, Theo, in al z'n genialiteit, steeds hetzelfde rondje, zoals een diertje in z'n kooi, zoals een konijn in z'n rennetje. Een mens kán zichzelf niet redden. Wij kúnnen onszelf niet redden veelgeliefden. Die redding moet van elders komen.

 

En dit is ons geloof: dat in Jezus Christus God Zélf Zijn verlossende hand naar ons heeft uitgestrekt. Híj is de Redder. Híj is de Verlosser - van Israël, van alle volken, van alle mensen. Dat is wat de wijzen uit het oosten in Hem zien. Jezus kan mensen verlossen. Hij kan voor ons het kooitje, het rennetje openen. Hij hééft dat feitelijk gedaan in en door Zijn menswording en Zijn leven, in Zijn woorden en Zijn werken, in Zijn lijden, in Zijn sterven, in Zijn verrijzenis en in Zijn Geest die Hij heeft gegeven aan Zijn kerk, aan de mensen die samen Zijn kerk vormen, Zijn lichaam, de gemeenschap van mensen waarvan Hij het hoofd is. Jezus hééft de mensheid daarin en daardoor verlost. Het kooitje, het rennetje stáát open. Maar je moet het natuurlijk wel zien. En je moet er natuurlijk wel zélf uitlopen, de vrijheid in, de oneindige ...

 

En hoe doe je dat dan, veelgeliefden? Hoe gaat, in concreto, dan in z'n werk? Nou, door Jezus op te eten. "Betlehem" betekent "huis van brood", "broodhuis". En dát is Hij dan ook precies voor ons geworden Jezus: brood. En wijn. "Om op te eten". Mensen zeggen dat soms over een kind en met name over een zuigeling. Theo Maassen had het er nog over gisteravond op de t.v. Hij is pas vader geworden. Nou veelgeliefden, Jezus kún je dus opeten. Maar Hij gáát nooit op. Hij wordt er niet minder van als jij Hem opeet, Hij wordt er alleen maar méér van. Want Hij zit dan ook in jou. En Hij werkt dan ook ín en dóór en via jou.

 

De wijzen uit het oosten geven Jezus hun geschenken. En het weggeven aan Hem van die geschenken maakt hen niet armer. Nee, integendeel, het maakt hen rijker. Want de Jezus die ze gevonden hebben, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor ons en voor alle mensen, Hij is voor hen een onuitputtelijke rijkdom die ze gratis en voor niets krijgen. Hij bevrijdt hun hart. En Hij maakt het vol. "Zij werden vervuld van overgrote vreugde" zo staat er. En die vreugde zal niemand hen meer kunnen ontnemen en ook ons niet, hopelijk.

 

Dat wil zeggen, veelgeliefden: soms voelen we ons niet zo. Mensen, ook christenen, kunnen zich benauwd en angstig en ook beróófd voelen. Gisteravond nog sprak ik met een mevrouw bij wie er net was ingebroken. Bij haar was niet iemand, een wijze of zo, goud komen bréngen.  Nee, iemand, een onbekende, was het komen hálen - sieraden met name die ze van haar overleden man nog heeft gehad. "Ik ben boos" zei ze. "Ik ben zó boos." Ja, dat kunnen we ons voorstellen. Dat is heel menselijk. Ik zou het zelf denk ik ook zijn, boos, in zo'n situatie. Maar hoe diep gaat zo'n boosheid bij ons veelgeliefden? Niet al te diep hoop ik. Want wij hebben Jezus. Hij is ons komen verlossen. Hij is onze Heer. Híj is onze rijkdom. En niemand neemt ons díe af. Amen.

 

 

VERKONDIGING op Nieuwjaarsdag 2010, hoogfeest van de Moeder Gods en wereldgebedsdag voor de vrede, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Numeri (6, 22-27), uit de brief aan de Galaten (4, 4-7) en uit het Lucas-evangelie (2, 16-21).

 

2010. Een nieuw jaar, een nieuwe preek. Tjee, alwéér preken. Sinds het begin van het Kerstoctaaf héb ik dat reeds driemaal uitgebreid gedaan: in de nachtmis, op eerste Kerstdag én op de zondag onder het octaaf van Kerstmis, het feest van de Heilige Familie. En nu dus wéér. Opnieuw worden we uitgenodigd om de blik te richten op Bethlehem, op Het Kind in de kribbe, op de herders, op Jozef en vandaag vooral op Maria, want we vieren op deze octaafdag, de achtste dag van Kerstmis, het hoogfeest van de Moeder Gods. Het kan niet op. En alwéér preken. Maar wat valt er nog te zeggen? Valt er nog iets nieuws te zeggen? Kan dit nieuwe jaar 2010 ons soms iets nieuws nog brengen, iets dat we niet al kenden, iets dat we niet al wisten? Al tweeduizend jaar lang wordt er in de christelijke kerken gepreekt. Het is een oeverloze vloed van woorden die ook uit míjn mond komen. Maar wat hebben we er aan? Waar dienen ze toe? Nog toe?

 

Ach ja, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, het is zoals de heilige Teresa van Avila ergens zegt: Ik ben als een vogel. Ik zing steeds hetzelfde lied. Maar ik móet nu eenmaal zingen. Mijn Héer moet en wil ik bezingen. Ik kan niet anders.

 

Het eerste e-mailtje dat ik in dit nieuwe jaar ontving kwam van een mevrouw die pas haar man heeft verloren. Ze is van katholieken huize, maar beschouwt zichzelf al lang niet meer als "gelovig". Ze schreef mij nu: "Wij strompelen voort en doen ons best. Het zou préttig zijn als iemand daarboven ons gadesloeg, ons diepste wezen kende. Maar dat is een menselijke gedachte, voortkomend uit onze behoefte aan troost, appellerend aan onze diepe eenzaamheid, god als uitvinding van de mens, dat zoogdier dat de ratio aankan."

 

Ja, bij zulke woorden moet ik denken aan wat de onvergetelijke pater van Kilsdonk S.J., talloze jaren studentenpastor hier ter stede; aan wat híj ooit zei: "Als ik met een ongelovig iemand praat, dan is het net of ik mezelf hoor." Zo is het. Die woorden van die mevrouw die net haar man verloren heeft: ze zijn woord voor woord te begrijpen en méé te denken en méé te voelen. (...) En daar komen wíj dan aan met onze Moeder Gods. Geloven we daar in? Is het geen geloof tegen de klippen op? tegen echt héel veel beter weten in? Kán een zinnig mens zo'n geloof wel vólhouden? "Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden (...) Moge Hij zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken" - de woorden van de aäronitische zegen uit het bijbelboek Numeri, onze eerste lezing vandaag. Maar ís er áchter, bóven en ín onze ondermaanse werkelijkheid verborgen wel zo'n "gelaat". Is die werkelijkheid niet ten diepste totaal kil en gevoelloos? Dus kun je je nieuwjaarswensen niet beter beperken tot een nuchter "Gelukkig Nieuwjaar" of "de beste wensen"? Ís die "glans van het gelaat van de Heer die Hij over je mag spreiden" niet in wezen overbodige versiering en loze praat? En blijven we in onze kerken niet maar bezig met ons daarin te koesteren als in een warm bad? Maken we onszelf en anderen niets wijs? Praten we het onszelf maar áán c.q. sméren we het "de mensen", U, maar aan en kunnen we daar maar niet beter zo snel mogelijk mee ophouden? Ben ik een handelaar in oud roest? Kunnen we de tent niet beter sluiten en ons geld niet nuttiger en beter besteden?

 

Zo denken mensen. Zo denk ik. Het zit ook in mij.

 

Terug nu naar Bethlehem. Terug nu naar de stal en de kribbe, naar het Kind en Zijn Moeder. Daar zit zij, de Eeuwige Moeder. Het blijft een prachtig en een zeer troostrijk beeld. "Geboren uit een vrouw", ja dat zijn wij allen. Jezus vormde daarop geen uitzondering. Maar: "God heeft Zijn Zoon gezonden" schrijft de apostel Paulus óók in zijn Galatenbrief en dáár wringt hem de schoen, dát kunnen wij moeilijk of gewoon níet aannemen: zo'n buitenwereldlijke, zo'n buitenmenselijke oorsprong van een mens, van Jezus. Daar blokkeren wij. Daar stokt en staakt ons verstand. Daar kunnen wij niet bij.

 

Ja, dat kan voorkomen in ons leven, dat wij stilvallen, gelukkig wel. Zodadelijk na deze toespraak gaat tot mijn grote vreugde gezongen worden het "O suver Maeght van Israël", een Middeleeuws, Oud-Nederlands kerstlied, zeer meditatief. Tot mijn grote verdriet zal het maar heel gedeeltelijk gezongen worden waardoor we enkele prachtige inhoudsrijke strofen moeten missen: bijvoorbeeld die over Jozef die, nadat hij begrepen heeft dat Maria is bevrucht - maar niet door hem "peynsde in sinen gronde hem waer beter gheu(v)lucht". Je zíet Jozef peinzen "in sinen gronde", in het diepst van zichzelf. Dan, verderop in het lied: de engel die de hérders toespreekt: "Met groter anxticheyde worden si beu(v)aen". En dan zégt de engel: "laet v(u) gedachten staen/ende gaet tot bethleem binnen." "Laat je gedachten stáán". Geweldig. Een prachtige boodschap, ook in deze tijd: Laat je gedachten staan, laat ze toch in godsnaam eens staan. Of doe als Maria, in het evangelie van deze dag: die dacht er wél over na, over wat de herders dan op hun beurt weer zeiden - van angstige lieden zijn zij zelf engelen of apostelen geworden die de goede boodschap van de menswording Gods verkondigen! Maria dacht erover na, - maar haar nadenken was een bewaren van die woorden in haar hart zoals er óók over gezegd wordt. Woorden bewaren in je hart als een kostbare schat. Heerlijk. Prachtig.

 

Bij ons boven in de pastorie (en hiermee naderen we het einde van deze toespraak hoor!); daar hangt op de w.c. de schitterende "Münsterschwarzacher Bildkalender", een uitgave van de Benedictijner abdij van Münsterschwarzach in Beieren[77]. Eén van de monniken daar is de beroemde Anselm Grün. Op het laatste kalenderblad van 2009 vond ik van hem de volgende tekst die ik U graag méé het nieuwe jaar in geef:

 

"Voor de geestelijke traditie gebeurt het ervaren van God bij uitstek in het zwijgen. Door te zwijgen komt niet alleen de herrie in ons hart tot rust. Zwijgen betekent niet alleen dat ik mijn zorgelijke gedachten en mijn ergernissen loslaat, maar ook, dat ik ophoud om over God na te denken. De gedachten en beelden die ik heb over God zwijgen. Alleen dan, zegt Evagrius Ponticus, zullen we God erváren. Anders blijven we bij de gedachten over en bij de beelden van God staan en steken. Meester Eckehart heeft deze gedachte uit het vroege monnikendom verder ontwikkeld. Voor hem is het zwijgen het mooiste dat de mens kan doen. In de binnenkant van het zwijgen, waar nooit een gedachte komt, waar je geen plannen maakt en niet zit te broeden, waar je niet over andere mensen nadenkt en hen niet beoordeelt en waar je ophoudt een waardeoordeel over jezelf te geven, dáár wordt God in ons geboren. In het zwijgen laat je alles los. En juist dan, als jij je gedachten over God loslaat, dan laat God zich zien als de Nabije, als degene die in ons geboren wordt. In God ervaar ik dan wie ikzelf ten diepste ben."

 

Aldus Anselm Grün[78] - die spreekt vanuit de eeuwenoude traditie van het christelijk monnikendom. God is mens geworden in Jezus. Maria is Zijn moeder. Zij is de Moeder Gods. Daar kun je over nadenken. Je kunt zulke geloofsuitspraken bewaren in je hart. Maar op een rijtje krijg je het nooit helemaal. Je zult er nooit helemaal je vinger op kunnen leggen en achter kunnen krijgen. Op dit punt kunnen we alleen maar zwijgen. Op dit punt past alleen gelovige óvergave. En alleen zó vinden wij ons heil. Ik wens U een Zalig Nieuwjaar. Amen.

 

VERKONDIGING op 27 december 2009, Feest van de Heilige Familie, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek Jezus Sirach (3, 2-14), Psalm 128, uit de brief aan de Kolossenzen (3, 12-21) en uit het Lucas-evangelie (2, 41-52).

 

Ja, ik moet bekennen, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftwel Obrechtkerk; ik moet bekennen, het is waar: Ik héb heimwee naar de Middeleeuwen, een tijd die reeds vér achter ons ligt, maar waarmee we, zeker als katholieken, in de kersttijd steeds weer nadrukkelijk geconfronteerd worden. Ik denk dan aan de vele kerstvoorstellingen die bij wijze van kerstwensen op de deurmat vallen. Ik denk aan de kerststal hier in de kerk en thuis. En ik denk aan de kerstliedjes die we in elk geval in de kerk nog zingen. Op mijn MP3-speler, ahum, staat een CD met Oud-Hollandse kerstliederen gezongen door Herman van Veen. Daar heb ik de afgelopen week met de sneeuw in de trein en ook gisteren nog, lopend door de historische binnenstad van Delft op weg naar mijn jongste zus waar "de familie" zich verzamelde; vele malen heb ik daarnaar geluisterd. Veel van onze kerstliederen en kerstvoorstellingen zijn middeleeuws of hebben middeleeuwse wortels en ik moet dus bekennen: Ik houd daarvan, ik heb er een "hang" naar. Waarom? Omdat die liederen en voorstellingen een kwaliteit hebben die je, die ík in elk geval in de huidige tijd vaak mis, een kwaliteit die ik "innig" zou willen noemen. Een ouderwets woord, innig. Het heeft te maken met "in", met: de binnenkant. "Innerlijk, inwendig, uit iemands binnenste" geeft het woordenboek als omschrijvingen en ook: vroom. In die oude liederen en voorstellingen kun je horen en zien: warme, gloedvolle liefde voor hetgeen of liever gezegd voor dégene die wordt of degenen die wórden afgebeeld en over wie gezongen wordt; liefde voor de pasgeboren Jezus, het "kindeke", voor Maria, voor Jozef, voor de herders, voor de engelen. "Devotie" is een ander, ook al zo ouderwets woord, voor die vorm van liefde. Devotie: "toewijding, opoffering", "wij willen geven, hart en geest en leven, venite adoremus." Je hart, je geest, je leven géven aan en voor Jezus, Maria, Jozef enzovoort. Kom daar maar eens om in deze tijd. Wie doet het nog? Wie waagt zich daar nog aan? Nee, zó hóóg geacht als in het kerstlied wordt de "Maged reine" niet meer, zo krijg je de indruk. Wie is daar nog mee bezig? Voor wie leeft dat nog? Wie lééft er nog echt met Jezus, met Maria, met Jozef? Wie staat met de verschillende personen die samen de Heilige Familie vormen nog in levendige betrekking? Wie communiceert daar werkelijk mee? Nou, wij dus. De kerkgangers, die zoeken dat op de één of andere manier denk ik. Maar gemakkelijk kun je jezelf daarin en daarmee, met een knipoog naar het evangelie van deze zondag, "een vreemdeling in Jeruzalem" voelen. Eilandjes van (pogingen tot) geloof temidden van een zee van ongeloof en onverschilligheid. Het klinkt misschien wat scherp en bitter, maar zo is toch wel onze positie als kerk en als christenen in de huidige samenleving. Zo beleef ík het tenminste.

 

Wat moeten we ermee? Hoe daarmee om te gaan? Nou, ik zou zeggen: Laten wíj het in elk geval niet óók nog opgeven. Laten wij in elk geval het kostbare dat wij aan geloof hebben ontvangen én aan manieren om dat geloof voor onszelf en met elkaar vorm te geven; laten wij de grote kostbaarheid daarvan in elk geval koesteren en zo nodig opnieuw cultiveren. Het kan zijn dat we "dingen", geloofspraktijken, zijn vergeten of kwijtgeraakt waar je een vraagteken bij kunt zetten of dat achteraf gezien wel zo gelukkig is geweest, ja of wijzelf er gelukkiger van geworden zijn door bepaalde devoties met name los te laten. De regelmatige kerkgang, ook door de week, het bidden van de rozenkrans, de aanbidding van Jezus Christus in het Heilig Sacrament, het in gezinsverband samen zingen van kerstliederen en ander religieus reportoire passend bij de tijd van het jaar. Ik denk veelgeliefden: het zijn allemaal manieren om het heilig vuur in onze harten te voeden. En ik denk: die harten van ons hebben dat ook nodig, want gemakkelijk kunnen ze ook verkillen. Onze samenleving kan zielloos en kil zijn. Je hebt soms het gevoel: Ik mis iets. Het hart ontbreekt. Ook binnen een leefverband, tussen partners, binnen een gezin en een familie kan dat het geval zijn. Op zoek dus naar dat hart, naar die ziel en naar warmte. Ik denk: de traditie van ons geloof wijst ons daarvoor wegen aan. Met overgave kerstliedjes zingen bijvoorbeeld, de tekst werkelijk tot je door laten dringen en je erdoor laten meenemen zoals ook door oude en nieuwe kerstvoorstellingen. Misschien een goed idee voor de komende zondagmiddag of -avond: bekijk nog een keer heel aandachtig de kerstkaarten die U hebt ontvangen: de voorstellingen er op en wat de mensen er eventueel bij hebben geschreven. Volgens mij: als je het doet, dan warmt je hart zeker op.

 

Vandaag vieren we het feest van de Heilige Familie, maar wonderlijk genoeg is er in het evangelie van deze dag juist van een beweging sprake van de familie wég. Jezus verwijdert zich van zijn ouders of liever gezegd: zij verwijderen zich ongewild en ongeweten van Hem, want Hij blijft achter in Jeruzalem. Hij moest in het huis van Zijn Vader zijn zegt Hij. Dat klinkt ook nog eens behoorlijk provocerend en gemakkelijk kunnen Maria en vooral Jozef door die woorden pijnlijk zijn geraakt. "Zij begrepen deze uitspraak niet" zo staat er veelzeggend in onze evangelietekst. Vervreemdt God, vervreemdt religie ons van ons soms van onze naasten? Is het niet soms een splijtzwam in gezinnen en families? Onmiskenbaar is dat soms het geval, ook in onze tijd. Jezus aarzelt echter geen ogenblik. Hij wéét waar en aan wie Hij prioriteit moet en wil geven. Voor Hem is dat: in Jeruzalem, bij Zijn Vader, God. God is op een nog dieper en wezenlijker manier Zijn oorsprong dan Zijn aardse vader en moeder, dan Maria en Jozef dat zijn. Bij God ligt ten diepste Zijn hart. Maar ik denk veelgeliefden: die terugtrekkende beweging van Jezus naar God heeft óók betekenis in de zin van: "reculer pour mieux sauter". Het is óók een zich terugtrekken op God om vervolgens beter in het leven te staan, om dat leven beter aan te kunnen. Wij horen hoe de twaalfjarige Jezus zich na deze grote crisis in het contact tussen Hem en Zijn ouders, zich toch naar hen schikte én dat Hij een wijs en volwassen man wordt, die steeds meer in de gunst komt bij God en de mensen. Ik denk: als het goed is, als je het goed dóet, dan werkt het inderdaad zó, dan maakt je devotie, dan maken je godsdienstige praktijken, dan maakt het je concentreren op God je tot een wijzer en volwassener en beminnelijker mens. Als het goed is, dan wint en groeit ons intermenselijk verkeer en contact daardoor - op de eerste plaats binnen het gezin, de familie of wat voor U of voor jou ook maar de binnenste kring is waarbinnen je jezelf of U Uzelf beweegt. Paulus, in de brief aan de Kolossenzen waaruit wij hoorden voorlezen, schrijft: "Bekleed u, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, met tedere ontferming, goedheid, nederigheid, zachtheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar (...) en laat de vrede van Christus heersen in uw hart. (...) Zing voor God met een dankbaar hart psalmen, hymnen en geestelijke liederen." Als het goed is, veelgeliefden, dan ís er geen tegenstelling. Van God houden en van mensen houden, goed met God omgaan en goed met mensen omgaan, kerstliedjes kwelen en je hart, je geest, je leven en je bezit delen met wie je dierbaar zijn en zelfs met wie je minder goed kent. Als het goed is, dan gaat het samen, dan leidt het één tot het ander. Mogen wij ons ervoor inzetten. En moge het ons ook gegeven zijn. Amen.

 

 

Preek op het feest van St. Stefanus, 26 december 2009 

Wilmer Smeenk

 

Lezingen:              Hand. 6, 8-10 en 7, 54-60; en

                          Evangelie Matt. 10, 17-20.

“Heer Jezus, ontvang mijn geest!”

“Heer, reken hun deze zonde niet aan!”

 

Beste mensen, gasten en parochianen, dat getuigt van een diep geloof! De eerste uitspraak geeft weer hoe de heilige Stefanus bekend staat en stond, zoals hij in de bijbel beschreven is, en de tweede uitspraak geeft aan dat hij wellicht op iemand Anders lijkt, iemand Anders met een hoofdletter, wiens geboorte we gisteren gevierd hebben.

 

Laten we dit eens wat verder uitdiepen.

 

Getuigen van het geloof, gevoed door de Geest

 

Als de elf apostelen, aangevuld met Matthias, het evangelie verkondigen en steeds meer volgelingen krijgen, klaagt de bevolking, omdat ze vindt dat hun weduwen worden verwaarloosd. Dat er niet voldoende naar hen wordt omgekeken.

Om in deze lacune te voorzien, maar het verkondigen daar niet onder te laten lijden, vragen de apostelen de gemeenschap zeven mensen naar voren te schuiven om de diaconale zorg avant la lettre, op zich te nemen. Er worden zeven mannen voorgedragen en deze worden, zoals we ook nu nog wijden, door gebed en handoplegging “gewijd” tot protodiakens. Een van hen is Sint Stefanus.

 

De bedoeling is, zoals verzocht, dat deze diakens zorgen voor de weduwen en de armen en in hun noden voorzien. Maar voor Stefanus is dat niet alles. Zoals in de Handelingen beschreven, is hij zó vol van de Heilige Geest, dat hij ook gaat verkondigen en grote wonderen verricht. Aan de ene kant getuigt hij dus van zijn geloof in daden en aan de andere kant verkondigt hij de blijde boodschap en is hij een predikheer, een prediker, een priester. De gelijkenis met Christus is makkelijk te trekken. Ook Christus genas mensen, deed wonderen onder de gelovigen en verkondigde aan de mensen hoe te leven.

 

Het verkondigen door Sint Stefanus, met name in zijn toespraak tegen de hogepriester[79], strijkt de mensen tegen de haren in. En wel zo, dat ze zich er behoorlijk aan ergeren.

Herkenbaar hč? Je wordt ergens op gewezen, je vóélt dat je fout zit en wat doe je? Net als het volk, je trekt je er niets van aan, schreeuwt en blijft volharden.

Heel herkenbaar, heel menselijk. In dat opzicht zijn wij, u en ik, net als het volk dat Stefanus stenigt. Hij brengt de boodschap waar we niet op zitten te wachten.

 

En als Stefanus het volk dan verder op hun gedrag aanspreekt, en zich in hun ogen ook nog Godslasterlijk uitlaat (hij noemt Christus de Zoon van God), dan wordt het hen teveel. Ze wilden eerder nog weglopen, of schreeuwen en hun oren bedekken, want: “ze waren niet opgewassen tegen de Geest en de wijsheid waarmee hij sprak,” maar nu gaat het verder. De enige uitweg die ze nu nog zien, is hem het zwijgen opleggen. Ze besluiten hem te stenigen.

Let wel, dat is in die tijd, in die omgeving, helaas niet geheel ongebruikelijk.

Gelukkig volstaat in onze tijd weglopen of je omdraaien.

 

 

Verkondigen als Christus zelf

“Heer, reken hun deze zonde niet aan.”

Het eerste waar ik aan dacht, toen ik deze passage las, was Christus aan het kruis.

Ook Christus vraagt God zijn moordenaars te vergeven[80]. De parallellie tussen Stefanus en Christus wordt steeds helderder.

 

In de evangelielezing van vandaag, wordt, vermoedelijk voor meer nadruk of ter verduidelijking, ook het “vol zijn” van de Heilige Geest, wat we bij Stefanus zagen, naar voren gebracht. “Want jullie zijn het niet die spreken, maar het is de Geest van je Vader die in jullie spreekt.” Dit is een kwestie van vertrouwen, van geloof, van geloven dat God er voor ons is en ons niet in de steek laat, ook niet – of misschien zelfs juist niet – op moeilijke momenten. En dat is voor ons moeilijk, althans voor mij, daarin zijn we de “kleingelovige”. Dit vergt oefening en overgave.

 

En die overgave, die heeft Sint Stefanus. En dat vertrouwen, dat geloof? Dat is Sint Stefanus. Stefanus had dŕt vertrouwen en straalde dŕt geloof uit. Alsof het om een Pinksterverhaal gaat, staat er: “Maar hij stond daar, vol van de Heilige Geest”.

En Stefanus verkondigt, verkondigt wat de mensen niet willen horen. Ook hierin lijkt hij op Christus.

Overkwam Christus niet hetzelfde? Verkondigde en deed Hij niet wat onwelgevallig was? Waar de mensen niet op zaten te wachten? Riep Christus het volk (en dus ook ons) niet op, om radicaal een andere kant op te gaan? En ook daarvan wilde het volk niets weten, ze wilden Hem niet horen. Ze wilden Hem het zwijgen opleggen.

 

En terug in het verhaal uit de Handelingen, merken we dat Stefanus een volhouder is, een doorzetter: hoe minder ze willen luisteren, hoe harder hij roept! En ook in deze tijd, ook nu vandaag, roept het voorbeeld van deze heilige ons, om ons te richten op Christus, op de goede zaak, om de radicale keuze te maken. Te kiezen voor dat waarvan we weten dat het het goede is. St. Stefanus wil óók ons de goede kant op hebben.

 

En daar moeten we op vertrouwen, we moeten op Christus vertrouwen en hij daagt ons daartoe uit. Als wij uitgeleverd worden aan rechtbanken, landvoogden of koningen of ons in meer alledaagse moeilijke situaties bevinden, hoeven we ons geen zorgen te maken over wat we zullen zeggen “Want op dat uur zal jullie ingegeven worden wat je moet zeggen.” Dŕt is ook het vertrouwen wat Sint Stefanus uitademt als hij gestenigd wordt en bid: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Een act van geloof. Een échte getuigenis.

 

Laten we ons dus openstellen voor de (goede) richting waarheen Stefanus ons roept en laten we vertrouwen op Christus die ons niet uit het oog verliest als we het moeilijk hebben, maar ons kent, ons steunt en ons helpt op die (moeilijke) momenten.

 

Moge de heilige Stefanus ook onze voorspreker zijn bij God, opdat ook wij mogen geloven en verkondigen zoals hij.

 

Amen.

                                                                                             

VERKONDIGING op de Eerste Kerstdag van 2009 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (52, 7-10), uit de brief aan de Hebreeën (1, 1-6) en uit het Johannes-evangelie (1, 1-18).

 

"Vanuit een oneindig klein begin begon 13,7 miljard jaar geleden de expansie (het "zich uitzetten") van het universum" zeggen de geleerden. "Die nog steeds voortgaande expansie creëerde ruimte en tijd. (...) Een minimale fractie na het begin expandeerde het embryonale (het nog maar nauwelijks geboren) universum sneller dan de lichtsnelheid, van de afmetingen van een atoom tot die van een sterrenstelsel. (...) In totaal lijken er zo'n honderd miljard (ik herhaal: honderd miljard) sterrenstelsels te zijn. (...) Ons zónnestelsel bevindt zich (...) in een rustige buitenwijk van de melkweg." Daarmee wordt bedoeld: "Er zijn geen levensgevaarlijke stralingsbronnen in de buurt die op elk moment een eind kunnen maken aan alle leven op aarde." De condities op aarde zijn van dien aard dat het leven zoals wij dat kennen heeft kunnen ontstaan. Dat dat leven er uit ziet zoals het er uit ziet is het resultaat van een veelheid van op elkaar inwerkende factoren. Het leven op aarde had er ook heel anders uit kunnen zien. Wijzelf met name, de mensen, hadden er ook helemaal niet kunnen zijn. En of de aarde temidden van die honderd miljard sterrenstelsels de enige planeet is waar leven mogelijk is? Míj lijkt dat onwaarschijnlijk ...

 

Deze wetenschappelijke bevindingen en de theorieën die ermee samenhangen[81], dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, doen een mens gemakkelijk duizelen. Het is indrukwekkend.

 

Net zó indrukwekkend zijn de eerste zinnen van het Johannes-evangelie die ik U zodadelijk voorlas: "In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen." Met dat "Woord" bedoelt Johannes: de mens Jezus van Nazareth van wie wij jaarlijks met Kerstmis de geboorte vieren. In Hem, beweert Johannes, is iets, is iemand met eeuwigheidswaarde aan het licht gekomen.

 

Het contrast, veelgeliefden, kán bijna niet groter zijn. Aan de ene kant heb je onze wetenschappers die zeggen: Het begin van ons universum, van onze aarde en van het leven op aarde is een zielloze chemische reactie en alles is toeval. Aan de andere kant staat dan onze Johannes die naar Jezus wijst en ons zegt: Híj staat aan de oorsprong en Híj is het hoogtepunt en het doel van alles. In Johannes' eigen woorden: "Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren God die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen." Of, om het met de woorden van de brief aan de Hebreeën (de tweede lezing vandaag) te zeggen: "Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen."

 

Aan het begin van de viering, afgelopen nacht, van de nachtmis in de Sint-Pieter in Rome is paus Benedictus XVI door een mevrouw omvergegooid. Gelukkig is de paus heel gebleven en heeft hij gewoon in de viering van de nachtmis kunnen voorgaan, maar toch ... Je zou deze gebeurtenis in dit verband wél kunnen zien als een symbolische gebeurtenis. De waarheid van het christelijk geloof zoals die gepresenteerd wordt in en vanuit onze kerk, op de eerste plaats ook door de paus, die waarheid "is moeilijk staande te houden". Er wordt op afgegeven en tegenaan gebeukt. Men wil en kan die vaak niet horen. Hoofd én hart van mensen kunnen ertegen in opstand komen. Johannes schrijft: "Het ware licht dat iedere mens verlicht kwam in de wereld. Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden, en toch kende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen

aanvaardden Hem niet."

 

Sluiten die twee waarheden, de wetenschappelijke waarheid over bijvoorbeeld het ontstaan van de kosmos én de gelovige waarheid in verband met Jezus Christus; sluiten die twee vormen van waarheid elkaar uit? Voor onze Kerk in elk geval niet. Want: de waarheid kán niet met zichzelf in strijd zijn. Er kúnnen ten diepste geen twee of meer concurrerende vormen van waarheid zijn. Want dan zou waarheid ophouden waarheid te zijn. De waarheid van het geloof moet derhalve altijd samen kunnen worden gedacht met die van de wetenschap.

 

Wat we kunnen horen en zien, wat we kunnen ervaren, voelen en begrijpen in en door onze gelovige omgang met Jezus Christus, dat "kleurt" onze blik op doorslaggevende wijze, dat maakt voor ons alles anders, tegen alles kunnen we aankijken vanuit Hem en met het oog op Hem. In de veelheid van woorden temidden waarvan wij leven, en hoe nietszeggend en kil kunnen die woorden niet zijn; temidden van al die woorden zijn die van Hem, van Jezus, warm, zuiver, écht en puur. Hij is voor ons de essentie van elk woord. Zijn woord valt samen met Zijn persoon. Zijn woord is vlees en bloed. Hij heeft het geleefd. Zijn leven en Zijn persoon geven ons daardoor licht. In elk licht kunnen we Hem dan ook herkennen: in het zachte licht van kaarsen én in het röntgenlicht dat alles onthult wat onder de opppervlakte van onze huid en van ons leven verborgen is. Die hele expansie van het heelal, de hele evolutie van het leven op aarde, de hele geschiedenis: in Jezus Christus vindt die hele ontwikkeling haar hoogtepunt. Zó mogen wij wat Johannes de evangelist ons wil zeggen wel uitleggen denk ik. Hij is het hart van de geschiedenis, óók van de geschiedenis ná Zijn dood en verrijzenis. Temidden van die honderd miljard sterrenstelsels is Hij het warme kloppende hart. Moge dat hart, veelgeliefden, het onze zijn. Mogen wij erin geborgen zijn. Ik wens U een Zalig Kerstmis. Amen.

                                                                                             

 

VERKONDIGING in de Kerstnacht van 2009 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: Uit het boek van de profeet Jesaja (9, 1-6), uit de brief aan Titus (2, 11-14) en uit het Lucas-evangelie (2, 1-14).

 

"Het is klaar. Het is echt klaar. Wij trekken onze handen ervan af. Ik heb het gehad" - zegt de moeder van Laura, "het zeilmeisje", 14 jaar oud. Ze heeft zich in haar hoofd gehaald om in haar eentje rond de wereld te zeilen. In dat kader onttrok ze zich onlangs aan het toezicht door het Buro Jeugdzorg door naar Sint-Maarten te vliegen, één van de Bovenwindse Eilanden, in het Caraďbisch gebied. Naar verluidt was het om een zeilboot te kopen. Maar de rechtbank heeft bepaald dat Laura toch bij haar vader mag blijven wonen. En dat is voor Laura's moeder, die de wereldzeilreis helemaal niet ziet zitten, reden om nu alle banden met haar dochter en haar ex-man door te snijden: "Het is klaar. Het is echt klaar. Wij trekken onze handen ervan af. Ik heb het gehad."

 

Oorlog in de familie, vlak voor Kerst. Grondig bedorven verhoudingen. De luikjes gaan dicht. Het zit muurvast. Mensen kunnen niet meer verder met elkaar. Denk bijvoorbeeld ook even, een maand of wat geleden, aan de burgemeester van Huizen en z'n wethouders. Er was onderling "geen chemie" zo werd gezegd. De burgemeester is op wachtgeld gegaan. Gelukkig voor hem is dat zeer royaal, dat wachtgeld. Hij zal vooralsnog geen beroep hoeven doen op de voedselbank, maar toch ... "geen chemie" - het is een bittere conclusie als dat gezegd wordt over verhoudingen tussen mensen. Je hoort de term nogal eens de laatste tijd. Soms zie je dingen gebeuren tussen mensen en ook in je eigen leven dat je het je af kunt vragen: Is dít het nu? Heb ík er nu ook mee te maken? Is het gewoon "geen chemie" wat hier speelt? Chemie, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; chemie is zoals bekend een kwestie van verbindingen. Chemische stoffen, uiteenlopend van samenstelling, reagéren op elkaar. Daar komt iets uit. Er komt iets goeds uit, iets nieuws waar we mee verder kunnen en waar we wat aan hebben, waar we betere verf of beter medicijnen mee kunnen maken, goede chemie ...! Maar het kan ook mis gaan. En het kan ook doodslaan. Dat is dan slechte chemie. Mensen met hun gezicht, met hun stem, met hun persoonlijkheid, met hun ideeën en wat ze verder in hun hoofd hebben, mensen en de sfeer die ze met zich meebrengen, mensen lijken in die zin op chemische stoffen. Het werkt, het stróómt tussen mensen. Dan is er chemie. Of het gaat moeizaam of zelfs helemaal niet. Dan is er geen chemie of is er slechte chemie tussen mensen.

 

Wij zijn hier, veelgeliefden, bijeen in het donker. Als we al ons kunstlicht even wegdenken, dan is het donker, aardedonker. En zó kan ons leven zijn. De profeet Jesaja die wij hoorden spreken in de eerste lezing van deze nacht, spreekt over een "volk dat ronddwaalt in het donker" en over "hen die wonen in een land vol duisternis". Nou, veelgeliefden, vul maar in zou ik zeggen: Met welke duisternis en met welke donkere gegevens heb jij in je leven te maken en hebben wij met z'n allen te maken? Ik denk: bijna altijd gaat het om omstandigheden van géén of slechte chemie tussen mensen: in de familie, met de buren, tussen collega's, in de kerk en tussen mensen met verschillende ethnische en culturele achtergronden of mensen van verschillend geloof: bijvoorbeeld trampersoneel met een hoofddoek óf met een groot kruis op de borst.

 

Het is nacht, veelgeliefden. Duisternis, "geen chemie", is er overal in onze wereld. Maar deze nacht is de Kerstnacht. In deze nacht ontvangen wij in onze duisternis licht. "Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op." Jesaja spreekt over vreugde: "Uitbundig laat U hen juichen en U overstelpt hen met vreugde; zij verheugen zich voor uw aanschijn ... Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst. Groot is de macht en eindeloos de vrede ... hij zal het stichten en onderhouden door recht en gerechtigheid vanaf nu en voor altijd. De geestdriftige liefde van de Heer van de machten zal dit teweegbrengen." Aldus de profetie van Jesaja. Jesaja in zijn dagen, in de achtste eeuw voor Christus, voorspelde het: dat zó iemand als hij beschrijft, die hij in zijn visioen heeft gezien, ooit geboren zal worden. En wij mogen geloven veelgeliefden, dat Jesaja's visioen vervuld ís in de geboorte, in het leven, in de werkzaamheid, in het lijden, het sterven, in de verrijzenis en in de Geest van Jezus van Nazareth. De evangelist Lucas heeft ons Jezus' geboorteverhaal geschonken. Ook in dat verhaal is er, precies als bij Jesaja, sprake van vreugde, grote vreugde zelfs: gaudium magnum in het latijn. "Grote vreugde voor het hele volk", dát is wat Jezus' geboorte betekent. De "herders, die in het veld overnachtten om de wacht te houden bij hun kudde" zagen een engel die hen het bericht van Jezus' geboorte bracht en die hen die vreugde aanzegde en "plotseling was er bij de engel een heel leger uit de hemel" om het te bevestigen.

 

Dit alles stelt allerlei indringende vragen aan óns veelgeliefden:

 

Herkennen wij ons in die herders? Herken jij jezelf er in? Hoe gaat het met jou en jouw kudde? Wat ís jouw kudde? Waaruit bestaat die. Voor wie, voor wat zorg jíj? Voor wie of wat mág jij zorgen? Is het een huis? Zijn het spullen? Zijn het mensen? En zo ja, welke mensen? Zijn het oude mensen of jonge mensen? Zijn het je ouders? Zijn het je kinderen? Of is het je partner? Is het een vriend, is het een vriendin? Of is het vooral een dier waar jij voor zorgt; een poes, een hond, een paard, een schaap of een ezel? Of zijn het geiten - dan heb je een droevige Kerst dit jaar als je geiten hebt ... Voor wie of wat mag jíj zorgen? Of ben jij in je zorg gefrustreerd zoals de moeder van Laura het zeilmeisje?

 

En dan: Wat betekent voor jou, binnen jouw levensomstandigheden; wat betekent voor jou met je kudde; wat betekent daarvoor de geboorte van Jezus? Die vreugde waarover Jesaja en waarover bij monde van Lucas de engel spreekt en waarin dat hele leger van engelen uit de hemel hem of haar bijvalt - kun jij die vreugde een beetje meevoelen? En kun je die een beetje meemáken? Kun je die vreugde krijgen, kun je die ontvangen? En kun je vervolgens in die vreugde een actief aandeel hebben? Krijgt de vreugde vanwege Jezus die ons van Godswege door de engel wordt aangezegd, krijgt die vreugde een beetje vat op jou, kun je jezelf daarvoor openstellen en voel je die vreugde vervolgens in je varen en ben jij vervolgens een mens die de feestvreugde verhoogt? Of probeer je dat wel maar lukt het niet? Of is en blijft de lijn, dat lijntje naar boven; blijft dat dood? Staat er géén stroom op? Gaat de vreugde vanwege Jezus' geboorte in wezen toch langs je heen en deel je er níet in? Als dat laatste het geval is, hoe is dat dan voor je? Betreur je dat dan? Doet het je verdriet zelfs omdat je er wél naar verlangt? Of kan het je niet schelen omdat die hele Jezus enzovoort je eigenlijk helemaal niet interesseert?

 

Hoe zou ene Jezus die tweeduizend jaar terug leefde mij hier en nu in deze tijd blij kunnen maken? Wat heeft Laura het zeilmeisje aan Hem? Wat heeft haar moeder aan Hem? Wat heeft haar vader aan Hem? Wat heb ik aan Hem? Wat kúnnen we aan Hem hebben als wij ons tenminste werkelijk in Hem verdiepen en Hem werkelijk de kans geven om tot ons door te dringen?

 

Ach ja mensen, wat zal ik zeggen ... ? "Jezus" die naam betekent: "God redt". In Jezus Christus, in wat wij in de bijbel over en van Hem horen als verpersoonlijking van het geloof van Israël, als mens in wie God zelf vlees en bloed geworden is, in Hem is God reddend aanwezig. In hoe wij in de Kerk met Jezus omgaan, in hoe wij Hem ontvangen in de sacramenten, bovenal in het sacrament van het Lichaam en Bloed des Heren dat wij ook zodadelijk in deze Kerstnacht weer zullen mogen ontvangen, daarin is God reddend voor mij aanwezig. Als ik zodadelijk voor U in de miskelk een beetje water bij de wijn zal doen, dan zal ik, in stilte of hardop, uitspreken de woorden: "Water en wijn worden één, Gij deelt ons mens-zijn en neemt ons op in uw goddelijk leven." Dát is de chemie van de Kerstnacht veelgeliefden. Dát is de chemie van het christelijk geloof en van de Katholieke Kerk. De term "géén chemie" en wat er mee wil worden uitgedrukt, de overtuiging, ja het gelóóf eigenlijk dat er met sommige mensen gewoon niet te werken en niet te leven valt, die term en die overtuiging casu quo dat geloof die passen helemaal niet bij het chrístelijk geloof en bij de Katholieke Kerk. Water en wijn worden één. In Jezus wil God, als de wijn, zich met elk van ons, als het water, verbinden. In Jezus is Hij er voor ons allen en neemt Hij ons allen áán en in Zich op. God geeft niemand op. God schrijft niemand af. Voor, bij en in God is altijd een nieuw begin, een nieuwe geboorte mogelijk. In Jezus van Nazareth, heden geboren, reikt Hij elk van ons Zijn reddende hand - opdat ook wij elkaar ten diepste nooit afschrijven en opgeven en altijd bereid blijven elkaar opnieuw de hand te reiken. Met Pinksteren, als wij vieren het feest van Jezus' Geest die dezelfde is als die van de Vader en die Hij over de Kerk en alle gelovigen heeft uitgestort, dan zingen we altijd: Lava quod est sordidum, Riga quod est aridum, Sana quod est saucium. Flecte quod est rigidum, Fove quod est frigidum, Rege quod est devium. En dat betekent: Was (wat) wie vuil is geworden, bevochtig (wat) wie is verdroogd, genees (wat) wie gewond is. Buig (wat) wie stram, rigide is, verwarm (wat) wie koud is geworden, wijs opnieuw de weg (wat) wie de weg is kwijtgeraakt.

 

Jezus, God, hun beider Geest, redt. We hebben het huis gereinigd. We hebben het huis versierd. Er staan bloemen. De kerstboom staat. Lichtjes branden. We hebben de stal met de beeldjes weer tevoorschijn gehaald en neergezet. De viering van het hoogfeest van Christus' geboorte, "de geestdriftige liefde van de Heer van de machten" heeft ons daartoe geďnspireerd. Een nieuw begin. Nieuwe hoop. We geven Hem en we geven elkaar niet op. Nooit. Met iedereen valt op de één of andere altijd te leven en te werken. Kwestie van de goede chemie. God schenkt ons die in Jezus - voor alle omstandigheden van ons leven en voor alle mensen met wie wij te maken hebben of te maken krijgen. Ik wens U allen een Zalig Kerstmis. Amen.

 

                       

OVER DE KELKCOMMUNIE

 

Op de laatste avond van Zijn leven heeft Jezus van Nazareth, de Zoon van God, brood en wijn genomen en tegen Zijn leerlingen gezegd "dit is mijn lichaam", "dit is mijn bloed" en heeft Hij hen gevraagd om voortaan brood en wijn te eten en te drinken tot Zijn gedachtenis.

 

Om verschillende redenen is gedurende vele eeuwen deelname aan de kelkcommunie (het drinken van de wijn, het Bloed des Heren) door "het volk" niet gebruikelijk geweest en voorbehouden geraakt aan met name de priesters. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), gedreven door het verlangen om de katholieke liturgie zoveel mogelijk vorm te geven conform het verlangen van de Heer zelf en naar de wijze waarop deze liturgie gevierd is in de Kerk tijdens de eerste eeuwen van haar bestaan, heeft de mogelijkheid van deelname van "het volk" aan de kelkcommunie willen verruimen. In Nederland en zeker ook in Amsterdam is men in vele katholieke kerken van de verruiming van deze mogelijkheid tot kelkcommunie door "het volk" gebruik gaan maken. De wijze waarop men deze kelkcommunie vorm is gaan geven was veelal middels het zogenaamde "indopen": Men ontvangt van de priester of een hem assisterende leek het communiebrood en men doopt dit zelf ín in de kelk met communiewijn die voorgehouden wordt door priester of leek. Aldus was reeds de situatie toen ik in de zomer van 1994 pastor werd van de Amsterdamse r.k. Vredeskerk (Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede). Tientallen jaren is de beschreven wijze van communiceren in deze kerk met toewijding en respect gepraktizeerd, eigenlijk tot bijna ieders tevredenheid in mijn beleving.

 

De kerkleiding (paus en bisschoppen) is (zijn) echter niet gelukkig met de beschreven wijze van kelkcommunie. Men stelt: de communie, brood en wijn, behoort te worden ontvangen. Men wordt niet geacht zelf "te nemen" - hetgeen in de beschreven wijze van kelkcommunie wél zou gebeuren. Een weinig drinken uit de aangereikte beker/kelk is als wijze van communiceren daarentegen wél geoorloofd. Er is dan ook geen kans dat druppels wijn, Bloed des Heren, van het ingedoopte communiebrood vallen eventueel.

 

Ik ben van mening dat in deze hele materie het hart van de zaak, namelijk de levende aanwezigheid van de Heer Jezus zelf die ons in brood en wijn Zijn Lichaam én Bloed geschonken heeft, overschaduwd wordt, in de publiciteit maar soms ook in de beleving van de gelovigen, door deze naar mijn mening betrekkelijk arbitraire kerkelijke regelgeving. Immers: de beker waaruit men drinkt wordt toch óók aangereikt en men moet er zélf de lippen aan brengen. Ik betreur het in hoge mate als de aandacht voor de precieze vorm van het communiceren die voor de inhoud ervan, die de Heer zelf is, verdringt en vraag mij zelfs af of hier ook niet van toepassing is wat de Heer zegt in het achtste vers van het zevende hoofdstuk van het Marcus-evangelie: "De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast." (De Nieuwe Bijbelvertaling). De kerkleiding echter urgeert om de haar moverende redenen, zoals uiteengezet, en ingegeven uiteraard ook door het verlangen én de overtuiging aldus de Heer recht te doen, in toenemende mate een verbod op "indopen". Toen mij vorig jaar naast de leiding van de Vredesparochie eveneens die van de Rozenkransparochie te Amsterdam werd toevertrouwd achtte ik het moment gekomen om de wijze van communiceren in de Vredesparochie in de door de kerkleiding gewenste zin te wijzigen omdat "de Kerk nu eenmaal niet van mij is", ik de kerkleiding ook erken in haar verantwoordelijkheid in deze en ik collega's waarvan wij in de gewijzigde omstandigheden (met twee parochies) méér afhankelijk worden niet wil opzadelen met een wijze van communiceren die niet juist wordt geacht. Sindsdien (juni 2008) is het in de Vredeskerk dus nog slechts toegestaan om te drinken uit de beker. Wij kunnen garanderen dat zulks op verantwoorde wijze geschiedt. Maar de kelkcommunie is uiteraard niet verplicht. Men kan er ook voor kiezen om slechts te communiceren door het geconsacreerde brood. De Kerk leert dat ook dit een volwaardige communie is. Bijna een jaar nádat deze verandering is doorgevoerd (mei 2009), heeft op een zondag een consultatie van de kerkgangers plaatsgevonden over deze hele materie. Een aantal kerkgangers bleek er voorstander van te zijn om de kelkcommunie maar geheel af te schaffen, een niet onaanzienlijke minderheid wil graag de mogelijkheid behouden om onder beide gedaantes te communiceren. Ik heb toegezegd om op basis van de uitkomsten van dit gesprek een definitieve beslissing over de zaak te nemen. Inmiddels lijkt de parochie als geheel tamelijk gewend aan de nieuwe gang van zaken en wordt er door sommigen wel, door anderen niet uit de kelk gedronken.

 

In de media is de laatste tijd nadrukkelijk de kwestie van de hygiëne van de kelkcommunie aan de orde gesteld, met name in verband met de dreiging van de Mexicaanse griep. Een dokter schreef mij in dit verband: "In ben ervan overtuigd dat een griepepidemie niet opgestuwd zal worden door het gezamenlijk uit een beker drinken". Verder verwijs ik voor deze kwestie graag naar de evenwichtige bespreking ervan op de website http://kattekliek.wordpress.com (thema: Griepangst en eerbied voor de Eucharistie)

 

 

                                                        pastor Pierre Valkering,

                                                        Amsterdam,

                                                        7 september 2009 

 

 

                                      

                                                                                    


Naar boven

 

gratis website statistieken

 



[1] NRC, 25-01-2012.

[2] In: Over het leraarschap, in Tot hier. En niet verder. (2007). Geciteerd in de NRC Weekend, 28/29-01-2012, p. 13.

[3] Spreuken 31, 25.

[4] In het vierde hoofdstuk, in het achtste vers.

[5] Mattheüs-evangelie, hoofdstuk 28, vers 20.

[6] Brief aan de Galaten 6, 2.

[7] Eerw. Hr. Rudi Mannaerts

[8] In het kader van de VZW Toerismepastoraal Antwerpen, zie: www.topa.be

[9] Sint-Carolus Borromeüs. De Antwerpse Jezuďetenkerk. Een openbaring. Antwerpen (2011)

[10] (Amsterdam/Antwerpen) (!) 2011

[11] Theater-monoloog, geschreven door Jan Dewitte en gespeeld door Pieter Klinck. Uit de bij de voorstelling aangereikte flyer: "Twee jaar geleden stierf A. aan een overdosis. Nog geen veertig jaar oud. A. werd jarenlang misbruikt door een onderpastoor van de parochie Sint-Paulus. Om zijn slachtoffers te misbruiken deed hij soms iets in de drankjes. Het heeft jaren geduurd voor de familie op de hoogte was van het misbruik. Toen was het kwaad al geschied. De onderpastoor heeft veel kinderen misbruikt. Hij werd niet veroordeeld omdat de feiten verjaard waren. Achteraf deeed hij gewoon verder. De meeste van zijn slachtoffers eindigden in de psychiatrie of in een afkickcentrum."

[12] A.F.Th. van der Heijden, Tonio. Een requiemroman. (Amsterdam), 2011, p. 26.

[13] P. 573-574.

[14] P. 547.

[15] Brief aan de Galaten (2, 20).

[16] In het 21ste hoofdstuk.

[17] Zie: Jesaja 35, 3.

[18] Nr. 15, jaargang 2, November 2010, p. 9.

[19] "De Heinekenontvoering", regisseur: Maarten Treurniet.

[20] Begin van het Egidiuslied, een Middelnederlands rondeau. Auteur onbekend.

[21] In het Mattheüs-evangelie 5, 4.

[22] P.C. Hoogenboom, Mijn leven. Ons leven. Soest (2011). ISBN978-94-6176-176-7

[23] Elisabeth Hellmich, Forever young? Die Unsichtbarkeit alter Frauen in der Gegenwartsgesellshaft. (2007). ISBN: 978-3-85286-152-4.

[24] Psalm 33, 13-14.

[25] Deuteronomium 1, 17 en 10, 17; Lucas 20, 21; I Petrus 1, 17.

[26] Deze zinsnede ontleen ik aan "Het lied van de mens op aarde" van Huub Oosterhuis, in: Gezangen voor liturgie, Hilversum (1984), p. 356.

[27] Job 3,3-4.

[28] Job 2, 13.

[29] Althans: in de Willibrord-vertaling van 1995. In het liturgieboekje stond een andere vertaling afgedrukt! 

[30] I Petrus 2, 5.

[31] Mattheüs 10, 30; Lucas 12, 7.

[32] D.w.z. zij is gekomen tot plusminus 60% van het totaal aantal van aan de binnenkant zichtbare stenen, waarvan het getal is: 143.158 stenen.

[33] Bij deze viering waren aanwezig: een kleine dertig leerlingen van groep 7 (gemiddelde leeftijd: 11 jaar) van de Dapperschool in Amsterdam-Oost in het kader van het Weekendstudentproject. Twee leerlingen hadden/hebben een christelijke achtergrond, waarvan één rooms-katholiek, alle andere een islamitische achtergrond.

[34] Een goede inleiding tot het leven van Sint-Patrick is te vinden in: Thomas Cahill, Dankzij de Ieren. Hoe een klein volk de beschaving redde. Een vergeten geschiedenis: van de val van Rome tot Karel de Grote. Amsterdam (1998). Ik heb hier gebruik gemaakt van de pagina's 115-117.

[35] In de inleiding op de viering was dit reeds ter sprake gebracht. Sint-Patrick met in zijn opgeheven linkerhand het klavertje-drie (shamrock noemt men het in Ierland) sierde de voorkant van ons liturgieboekje. 

[36] Van internet geplukt! Googlet u: "borstschild en Patrick"!

[37] "De schoonste dag", in: Beminde gelovigen, Bilthoven (1970), p. 16.

[38] Paulus in de Handelingen van de Apostelen (17, 28).

[39] Leo de Grote, Sermo 76, De pentecoste 4-5. 8: CCL 138A, 477-479. 485. Vertaling in: Getijdenboek, Lectionarium, Paastijd, deel 3 - jaar 1, p. 172-173.

[40] Handelingen van de Apostelen 17, 28.

[41] "Lied over de plaats waar wij bijeengekomen zijn", in: Liturgische gezangen voor de viering van de eucharistie, Hilversum (1980), nr. 109.

[42] Eerste brief aan de christenen van Korinthe (12, 27).

[43] I Kon. 18, 20v.

[44] Lucas 8, 2.

[45] In Johannes 13, 23; 19, 26; 20, 2; 21, 7 en 21, 20.

[46] "Lux, het weekendgevoel", in: NRC Weekend Zaterdag 16 april & Zondag 17 april 2011,  p. 5.

[47] Tot 7 november 2011. Zie: www.bijbelsmuseum.nl 

[48] Genesis 1, 5.

[49] Maximus van Turijn, Sermo 100, de sancta Epiphania 1.3: CCI.23,398-400. In: Getijdenboek, lectionaroum deel 1, jaar 1 (advent en kkersttijd), p. 159-160.

[50] Dit is onjuist. De koran bepaalt dat níet. Maar wél de zogenaamde hadith, de zeer gezaghebbende overlevering van uitspraken van Mohammed. De vraag daarbij is echter: Binnen welke context zijn die uitspraken destijds gedaan? En: wat zijn de implicaties ervan binnen onze huidige wereldwijde omstandigheden? Hoe daarmee om te gaan, door moslims nú? Een goede bespreking van de kwestie vond ik op het internet, op de site www.islamwijzer.nl , in het artikel "Geloofsafval en de moslims" van Rasit Bal. Wie in de zoekmachine "geloofsafval" plus "islam" invoert of "bekering" plus "christendom" plus "islam" vindt vele boeiende ingangen tot deze materie die voor de verhoudingen tussen islam, christendom en de seculiere samenleving beslist aangemerkt mag worden als cruciaal.

[51] 17, 28.

[52] 1 Tim. 6, 16.

[53] Zie: Mtt. 13, 55.

[54] Zie: Mc. 6, 3.

[55] In vers 9.

[56] Ton Broekhuizen, "Wát nou naastenliefde?", in Metro, maandag 1 november 2010, p. 8.

[57] W. Shakespeare, Hamlet, eerste akte, scene vijf.

[58] NRC Handelsblad van 28-10-2010, sectie binnenland, p. 2.

[59] Ibidem, "Klantenservice (2)", achterpagina, p. 24.

[60] Thomas a Kempis, De navolging van Christus in jonge taal. Hertaald door Mink de Vries, ('s hertogenbosch/Mechelen) 2008, p. 14-15.

[61] There's nothing you can do that can't be done. (...)There's nothing you can made that can't be made. (...) There's nothing that you can know that isn't known. Nothing you can see that isn't shown. (John Lennon, 1967).

[62] Het begin van deze preek is ontleend aan de roman Noi van Walter Veltroni (RCS Libri, Milano, 2009), p. 262.

[63] In Nieuwe tijden, nieuwe wegen. Beleidsnota Bisdom Haarlem (2004), p. 3.

[64] Lucas 2, 19.

[65] Lucas 11, 1.

[66] Aldus senator Pol Van Den Driessche in een interview in De Morgen van 24 april 2010: "De gedachte - onvoorstelbaar en afschuwelijk". Ook te lezen op het internet: www.demorgen.be/dm/nl/2461/2010.

[67] 10, 18.

[68] NRC-Handelsblad 3-4 april 2010, voorpagina.

[69] Joep Dohmen, "De broeder kon alles doen", in: NRC-Handelsblad van 10 maart 2010, voorpagina.

[70] Joh. 3, 21

[71] maart 2010, p. 12-15.

[72] 8, 22.

[73] Amsterdam, uitg. De Bezige Bij (2010).

[74] Gerard van Westerloo, De pater en het meisje. Amsterdam (De Bezige Bij), 2010.

[75] in NRC Handelsblad van 13 febrauari 2010 in de bijlage Opinie & debat (p. 10-11).

[76] Uit de hymne voor de metten van Epifanie in het Getijdenboek. Brussel/Zeist (1990), p. 738.

[77] Te bestellen bij de Vier-Türme GmbH, Verlag. 97359 Münsterschwarzach Abtei. Tel. 00-49932420-292. info@vier-turme.de  www.vier-tuerme-verlag.de

[78] Als bron van de woorden geeft de kalender: P. Anselm Grün OSB, Wenn du Gott erfahren willst, öffne deine Sinne. Vier-Türme-Verlag, Münsterschwarzach 2000, p. 53. De vertaling hier is van mij.

[79] Vgl. Handelingen, hfdst. 7.

[80] Vgl. Lc. 23, 34.

[81] en ik ontleen deze aan een fantastische reeks op CD onder de titel "Geschiedenis in het groot" uitgegeven hoorcolleges door Maarten van Rossem (M. van Rossem, Geschiedenis in het groot. Een hoorcollege over de wereldgeschiedenis, van de Big Bang tot het heden. Home Academy Publishers, Den Haag (2007). De gegeven citaten komen uit de bijgeleverde synopsis (p. 9).